Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:830

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
19/02599
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2019:1799
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1802
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Mishandeling van taxichauffeur door met kracht op de neus te stompen, art. 300 Sr. Middelen over (1) het opzet van de verdachte op het toebrengen van pijn en/of letsel en (2) de verwerping van een beroep op noodweer omdat niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02599

Zitting 29 september 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 16 mei 2019 wegens “mishandeling” veroordeeld tot een geldboete van € 400,00, subsidiair acht dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M. Kuipers, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen, zal ik de door het hof gebezigde bewijsconstructie weergegeven.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat hij:

“op 19 juli 2018 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] met kracht op de neus te stompen, terwijl het feit enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.”

5. Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte van 20 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 3-7). Dit proces-verbaal houdt in als de verklaring van de aangever:

Plaats delict: Amsterdam.

Pleegdatum/tijd: donderdag 19 juli 2018 om 22:50 uur.

Op 20 juli 2018 te 06:45 uur deed [slachtoffer] aangifte. Hij verklaarde:

Ik was gisteren werkzaam als taxichauffeur. NN1 (het hof begrijpt: de verdachte), stapte in mijn taxi. Bij het betalen werd hij boos. Hij zei: “fuck you, motherfucker”. Ik zag dat hij nog bozer en agressiever werd. Ik zag dat NN1 zijn rechterarm naar achter deed en dat hij daarna met volle kracht in de richting van mijn gezicht bewoog. Hij had van zijn rechterhand een vuist gemaakt. Ik kon deze vuist niet ontwijken en ik voelde dat zijn rechtervuist met heel veel kracht in mijn gezicht precies op mijn neus terechtkwam. Ik voelde direct heel veel pijn, ik voelde het direct kloppen bij mijn neus. Ik deed mijn beide handen voor mijn gezicht en voelde en zag dat er bloed op mijn handen stroomde.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina 15). Dit proces-verbaal houdt in als de verklaring van de verbalisant:

Op 19 juli 2018 hoorde ik een melding van een mishandeling bij het [A]-hotel. Ter plaatse zag ik een man, genaamd [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] een bebloed gezicht had en dat zijn neus zichtbaar scheef stond. Ik hoorde hem verklaren: “Ik ben taxichauffeur en ben door een klant in mijn gezicht geslagen. Die man die het gedaan heeft, zit daar op de bank”.

Ik heb collega’s opdracht gegeven de man in de lobby aan te houden voor mishandeling.

3. Een proces-verbaal van verhoor van 20 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 10-14). Dit proces-verbaal houdt in als de verklaring van de verdachte:

De taxirit kostte € 19,60. We kregen ruzie over het wisselgeld. De taxichauffeur was een stuk kleiner dan ik. Het kan zijn dat ik zijn gezicht geraakt heb. Toen hij achteruit stapte, zag ik bloed op zijn gezicht. Ik ben daarna het [A]-hotel binnengegaan.

4. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

Er ontstond onenigheid over het wisselgeld. Met mijn handen recht voor mijn lichaam, waren mijn handen ter hoogte van het gezicht van de taxichauffeur. Tussen het moment dat ik het geld van de taxichauffeur pakte en het moment dat hij een bloedneus had, zaten een paar seconden.”

6. Ten aanzien van het bewijs van het ten laste gelegde heeft het hof voorts het volgende overwogen:

“Nu op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting de aanloop van het onderhavige incident ten aanzien van de betaling van de taxirit en de onenigheid over het wisselgeld niet goed kan worden vastgesteld, wordt op dit punt uitgegaan van de verklaring van de verdachte. Derhalve wordt aangenomen dat de aangever heeft geprobeerd geld uit de handen van de verdachte te pakken en hij daarbij tegen de handen van de verdachte heeft geduwd. De verdachte kon dit beschouwen als een aanval, maar met zijn reactie – het slaan met de vuist op de neus van de aangever met een bloedneus en veel pijn als gevolg, hetgeen wijst op een vuistslag met behoorlijke kracht – heeft de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden.

Er is geen enkele aanwijzing voor de veronderstelling dat het letsel van de aangever een andere oorzaak heeft dan het handelen van de verdachte. De omstandigheid dat op de handen van de verdachte geen sporen of letsels zijn aangetroffen die duiden op geweld van zijn kant, doet daar niet aan af.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep op noodweer wordt verworpen en het feit kan worden bewezen.”

De middelen

7. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dat inhoudt dat de verdachte geen opzet had op het toebrengen van pijn en/of letsel bij de aangever, zonder daarvoor “in voldoende mate” de redenen op te geven.

8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Geen opzet

4. Tot het moment dat cliënt gaat betalen voor de taxirit lopen de verklaringen vrijwel overeen. Ook aangever zegt: hij wilde me betalen met een briefje van €50,-.

5. Volgens aangever zou cliënt kort gezegd, na een korte discussie over wisselgeld flink zijn gaan vloeken en kort daarop uit het niets aangever vol in zijn gezicht hebben geslagen en dit daarna nog een keer hebben geprobeerd.

6. Zijn verklaring wordt door niets of niemand ondersteund in het dossier.

7. Volgens cliënt werd juist aangever agressief, nadat cliënt zijn geld had teruggenomen. Aangever probeerde het geld uit zijn handen te trekken. Aangever duwde hem en begon hem aan te vallen. Client heeft zichzelf verdedigd om ervoor te zorgen dat hij niet zijn geld uit zijn handen kon trekken. Hij had zijn handen gekruist voor zijn lichaam en hij heeft de man teruggeduwd, althans zijn armen uitgestoken, om zo de man op afstand te houden. Daarbij heeft hij mogelijk het gezicht van aangever geraakt.

8. Het scenario zoals geschetst door cliënt is aannemelijker dan het scenario dat aangever schetst.

9. Het is vreemd dat de taxichauffeur geen wisselgeld heeft van €50,-, wanneer in zijn taxi alleen contant kan worden betaald. Het is op zijn minst opvallend te noemen dat hij geen €30,- kan teruggeven aan cliënt.

10. [slachtoffer] verklaart tegenover de politie (aan de telefoon, 2 uur na het incident) dat zijn neus gebroken is, terwijl hij later in zijn aangifte verklaart dat dit in het ziekenhuis niet kon worden vastgesteld. [slachtoffer] zegt in zijn aangifte dat hij in de discussie zou hebben aangegeven dat cliënt geld moest gaan wisselen, terwijl hij ter plaatse verklaart dat hij zou hebben gezegd dat hijzelf wisselgeld moest regelen. Dit zijn duidelijke tegenstrijdigheden, die aantonen dat aangever in staat is om te liegen.

11. Client is in de lobby van het [A] hotel blijven zitten op een bank. Hij had van de politie niets te vrezen. Op het moment dat hij met opzet iemand zou hebben geslagen, ligt het meer voor de hand dat hij daarna niet in de buurt van [slachtoffer] blijft hangen.

12. Client is Amerikaans burger en weet als geen ander hoe belangrijk het is geen strafblad te hebben. Hij is zich erg bewust van zijn handelen, omdat er voor hem vreemdelingrechtelijk een hoop op het spel staat. Hij is geen agressief of gewelddadig persoon. Hij heeft een blanco strafblad, overal ter wereld. Hij heeft geen enkele reden zomaar uit te halen naar een taxichauffeur. Hij heeft dat ook niet gedaan.

13. Ik verzoek u cliënt vrij te spreken van mishandeling, wegens het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.”

9. De rechter die in afwijking van een tot vrijspraak strekkend uitdrukkelijk onderbouwd standpunt tot een bewezenverklaring komt, dient op de voet van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Ook als het naar voren gebrachte, door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak niet beargumenteerd wordt weerlegd, kan zich het geval voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt. De motiveringsplicht gaat evenmin zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.1

10. Ter onderbouwing van het gevoerde verweer dat de verdachte de aangever niet opzettelijk letsel heeft toegebracht, heeft de raadsvrouw de door de aangever en de verdachte afgelegde verklaringen tegenover elkaar gesteld. Volgens haar vindt de verklaring van de aangever dat de verdachte hem vol in zijn gezicht heeft geslagen geen steun in het dossier. Het scenario zoals geschetst door de verdachte is volgens de raadsvrouw meer aannemelijk: de aangever begon de verdachte aan te vallen, waarna de verdachte zichzelf heeft verdedigd om ervoor te zorgen dat de aangever niet het geld uit de handen van de verdachte kon trekken. Daarbij had de verdachte zijn handen gekruist voor zijn lichaam en heeft hij de man teruggeduwd, althans zijn armen uitgestoken, waarbij hij de aangever mogelijk heeft geraakt.

11. Het hof heeft overeenkomstig de verklaring van de aangever bewezen verklaard dat de verdachte de aangever met kracht op de neus heeft gestompt. Het hof heeft overwogen dat de reactie van de verdachte inhield dat hij op de neus van de aangever heeft geslagen, met een bloedneus en veel pijn als gevolg, hetgeen wijst op een vuistslag met behoorlijke kracht. Voor zover het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat het hof zich niet heeft uitgelaten over de lezing dat de verdachte (slechts) zijn handen gekruist strekte en daarbij mogelijk de aangever heeft geraakt, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag.

12. De redenen voor afwijking van het standpunt van de verdachte liggen besloten in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging van het hof. Voor zover de verklaring van de aangever inhoudt dat de verdachte hem met een vuist met kracht in het gezicht heeft geslagen, acht het hof die verklaring kennelijk betrouwbaar, terwijl deze verklaring steun vindt in het geconstateerde, uit de bewijsmiddelen volgende letsel (bloedneus, neus die zichtbaar scheef stond). Aldus liggen de redenen waarom het hof het scenario van de verdediging dat de verdachte (slechts) zijn handen gekruist strekte en daarbij mogelijk de aangever heeft geraakt niet aannemelijk acht in de bewijsvoering besloten. In dat verband overweegt het hof nog dat de vuistslag op de neus van de aangever een bloedneus en veel pijn tot gevolg heeft gehad, hetgeen wijst op een vuistslag met een behoorlijke kracht.

13. Anders dan de steller van het middel meent, wringt hiermee niet dat het hof heeft overwogen wel van de verklaring van de verdachte uit te zullen gaan, voor zover deze inhoudt dat de aangever heeft geprobeerd geld uit de handen van de verdachte te pakken en de verdachte dit kon beschouwen als een “aanval”. Het hof heeft immers uitdrukkelijk overwogen wat de “aanloop” naar het onderhavige incident betreft de precieze toedracht niet goed te kunnen vaststellen en daarom “op dit punt” ten gunste van de verdachte uit te zullen gaan van zijn verklaring. Ten aanzien van de gedraging van de verdachte die daarop volgde en het lichamelijk letsel heeft veroorzaakt, volgt het hof de verklaring van de verdachte niet. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor een verdere toetsing in cassatie.

14. Het middel faalt.

15. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het beroep op noodweer ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.

16. De ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities van de raadsvrouw houden ten aanzien van het beroep op noodweer het volgende in:

“Noodweer

14. Van noodweer is sprake wanneer een persoon een feit begaat, dat geboden is door de noodzakelijke verdediging van zijn of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waarbij de verdediging mag worden toegepast vanaf het moment dat er sprake is van of een onmiddellijk dreigend gevaar op die aanranding. Daarbij mag de toegepaste verdediging niet in onredelijke verhouding staan tot de (dreigende) aanranding.

15. De verklaring van cliënt kan aannemelijk worden geacht. Hiervoor verwijs ik naar hetgeen hiervoor uiteen is gezet over de aannemelijkheid van de twee geschetste scenario's.

16. De verklaring van cliënt staat lijnrecht tegenover die van de aangever. Het feit dat er voor de verklaring van aangever geen enkele steun in het dossier te vinden is, alsmede de hiervoor omschreven omstandigheden, maken dat zijn verklaring met extra behoedzaamheid moet worden gewaardeerd en gewogen.

17. Er is geen enkel bewijsmateriaal die de aannemelijkheid van de tegenover elkaar staande verklaringen relevant kan beïnvloeden. Weliswaar zijn er de beschrijving van pijn en een vermoeden van letsel (en een foto van het gezicht van aangever), wat is ontstaan als gevolg van het incident. Deze sluiten echter de aannemelijkheid van de verklaring van cliënt niet uit, nu hij niet heeft ontkend dat hij een afwerende beweging met zijn arm(en) heeft gemaakt.

18. Dit brengt met zich dat niet kan worden uitgesloten dat de lezing van cliënt met betrekking tot de feitelijke gang van zaken juist is, zodat in het voordeel van cliënt daarvan moet worden uitgegaan.

19. De poging het geld van cliënt uit zijn handen te trekken en daarbij agressief op cliënt af te komen en hem te duwen, levert op een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Client had geen mogelijkheid zich hieraan te onttrekken, gelet op de geschetste snelheid waarmee de gebeurtenissen elkaar opvolgden. Voor hem bestond het recht zich tegen deze aanranding te verdedigen. Het enkel een duwende of afwerende/strekkende beweging te maken met zijn armen, staan bovendien niet in onredelijke verhouding tot de aanranding.

20. Ik verzoek u het beroep op noodweer te honoreren en cliënt vrij te spreken. Doordat een geslaagd beroep op noodweer bij een verwijt als het onderhavige een rechtvaardigingsgrond oplevert voor het handelen van cliënt, kan dit handelen niet worden gekwalificeerd als 'mishandeling' in de zin van artikel 300 Sr. Dit betekent dat cliënt integraal moet worden vrijgesproken.”

17. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De raadsvrouw voert het woord tot verdediging aan de hand van pleitnotities, die aan het hof worden overgelegd. In aanvulling hierop deelt zij mede:

(…) Mijn cliënt heeft een afwerende beweging gemaakt. Volgens de advocaat-generaal is het onwaarschijnlijk dat zelfverdediging resulteert in een bloedende neus. Maar waarom zou het verhaal van het slachtoffer wel aannemelijk zijn en het scenario van mijn cliënt niet? Het gaat om één afwerende beweging. Daarmee is er voldaan aan de eis van proportionaliteit.

De advocaat-generaal voert als volgt het woord in repliek:

(…) Ten aanzien van het beroep op noodweer merk ik het volgende op. De verdachte heeft een vuistslag gegeven en dat had niet mogen gebeuren. Wegduwen van het slachtoffer was meer dan genoeg geweest. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het slachtoffer ook veel kleiner was. De grenzen van proportionaliteit zijn overschreden.

Ik blijf bij mijn vordering.

De raadsvrouw voert als volgt het woord in dupliek:

Er was geen sprake van een vuistslag, dus is wel voldaan aan de proportionaliteit.”

18. Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen op de gronden die hiervoor onder 6 zijn weergegeven.

19. De steller van het middel benadrukt dat de proportionaliteit niet zo streng moet worden beoordeeld dat bij “elke lichte wanverhouding” geen sprake meer is van proportionaliteit. Verwezen wordt in dit verband naar de dissertatie van Machielse en naar zijn commentaar bij art. 41 Sr in Noyon/Langemeijer/Remmelink.2 Machielse schreef in zijn dissertatie onder meer dat de proportionaliteitseis er niet toe mag leiden dat de wijze van verdediging op een goudschaaltje wordt gewogen en dat het met de bedoeling van de wetgever in overeenstemming is de evenredigheidseis zo toe te passen dat slechts excessen worden uitgebannen.3 De Hullu merkt in dit verband op dat de precieze manier van verdedigen zeker niet de beste behoeft te zijn.4

20. De rechtspraak van de Hoge Raad vereist van degene die zich tegen een aanranding verdedigt evenmin een optimale keuze. Voor een geslaagd beroep op noodweer geldt op grond van art. 41, eerste lid, Sr dat de gedraging moet zijn “geboden door de noodzakelijke verdediging”. Hierin wordt zowel het subsidiariteits- als het proportionaliteitsvereiste tot uitdrukking gebracht. Het subsidiariteitsvereiste heeft betrekking op de vraag of verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, het proportionaliteitsvereiste op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.5 De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Daarbij is de – tot terughoudendheid nopende – maatstaf of de gedraging als verdedigingsmiddel “niet in onredelijke verhouding staat” tot de ernst van de aanranding.6

21. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof het voorafgaande niet miskend. Het hof heeft overwogen dat de verdachte met zijn reactie op de aanval de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. In deze overweging ligt als het oordeel van het hof besloten dat de gedragingen van de verdachte als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daartoe wijs ik op het volgende.

22. Het in hoger beroep gevoerde noodweerverweer berust op het door de verdediging aldaar naar voren gebrachte scenario, waarin de verdachte slechts een afwerende beweging heeft gemaakt en de aangever daarbij in zijn gezicht heeft geraakt. In cassatie moet evenwel worden uitgegaan van de feitelijke vaststellingen die het hof bij het verwerpen van de namens de verdachte gevoerde verweren tot uitgangspunt heeft genomen.7 Ten aanzien van de gedragingen van de verdachte heeft het hof vastgesteld dat de verdachte met zijn vuist de aangever met behoorlijke kracht op diens neus heeft geslagen en dat deze vuistslag een bloedneus, een zichtbaar scheefstaande neus en veel pijn tot gevolg heeft gehad. De aangever was een stuk kleiner dan de verdachte (bewijsmiddel 3). De aanranding waartegen de verdachte zich zou hebben verdedigd, hield volgens het hof in dat de aangever heeft geprobeerd geld uit de handen van de verdachte te pakken en daarbij tegen de handen van de verdachte heeft geduwd. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, heeft het hof niet vastgesteld dat de verdachte ten tijde van deze aanranding nog in de taxi zat.

23. In de rechtspraak zijn verschillende voorbeelden te vinden waarin de verdachte zich tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding verdedigde met een vuistslag in het gezicht van de aangever. De casuïstiek is divers. De aard en ernst van de aanranding verschillen, evenals de kracht en de gevolgen van de vuistslagen. Zo was de aangever in HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3120 de confrontatie met de verdachte aangegaan door hem bij zijn kraag te grijpen. De verdachte had de aangever daarop met zijn rechtervuist op de kaak gestompt. Uit het letsel dat met deze stomp was toegebracht (een dubbele kaakbreuk) leidde het hof af dat het een zeer harde stomp was geweest. Het op die vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat dit geweld in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding stond, achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. Een nog kortere weg werd genomen in HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:1028. In die zaak had de aangever de verdachte met één hand bij de keel vastgehouden. De verdachte reageerde met een vuistslag op het hoofd van de aangever. Het hof verwierp het beroep op noodweer omdat niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit was voldaan. De Hoge Raad deed het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO af. Steviger was de aanranding in HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1804. De verdachte had de aangever met aanzienlijke kracht twee vuistslagen in zijn gezicht gegeven, die volgens het hof niet in redelijke verhouding stonden tot de ernst van de aanrandingen. Dat oordeel achtte de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij nam hij in aanmerking dat de aangever eerst een derde bij zijn haren had gepakt en met zijn hoofd naar beneden had getrokken, en vervolgens de verdachte in het gezicht had geslagen en hem zo een snee in zijn lip had toegebracht. In HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895, NJ 2010/391, m.nt. Buruma was de verdachte door de aangever op zijn borst geslagen en had de aangever vervolgens een bokshouding jegens de verdachte aangenomen. De verdachte had de aangever daarop met kracht met gebalde vuist op het gezicht geslagen. Het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte niet voldeden aan de voor noodweer geldende proportionaliteitseis, achtte de Hoge Raad in die zaak niet zonder meer begrijpelijk, gelet op de door het hof vastgestelde ernst van de aanranding. Ten slotte valt te wijzen op HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4155. In deze zaak had de aangever de verdachte zo krachtig aan zijn kleding vastgehouden en getrokken, dat zijn jas scheurde. Nadat was geroepen dat de aangever de verdachte moest loslaten, pakte de aangever de verdachte nog steviger vast. De verdachte sloeg daarop de aangever met kracht op het voorhoofd. Het oordeel van het hof dat niet was voldaan aan de proportionaliteitseis, achtte de Hoge Raad ontoereikend gemotiveerd.

24. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat het met behoorlijke kracht geven van een vuistslag in het gezicht door de verdachte als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel de rechtsklacht bevat dat het hof een verkeerde betekenis heeft gegeven aan de term ‘geboden verdediging’, faalt het. Het hof heeft er geen blijk van gegeven het hiervoor onder 20 samengevatte toetsingskader te hebben miskend. Het oordeel van het hof is in het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking.

25. De verdachte heeft zich verdedigd door middel van een enkele vuistslag/stomp in het gezicht van de aangever. Met zijn vuist heeft de verdachte de neus van de aangever geraakt. Het hof heeft uit de door de vuistslag veroorzaakte bloedneus en het ontstaan van veel pijn afgeleid dat het een stomp “met behoorlijke kracht” moet zijn geweest. Ten aanzien van de ernst van de aanranding geldt het volgende. De aangever heeft getracht geld uit de handen van de verdachte te pakken en heeft daarbij tegen de handen van de verdachte geduwd. Voor zover de verdachte zich niet alleen heeft verdedigd tegen een aanranding van zijn goed maar ook tegen een aanranding van zijn lijf, is deze inbreuk op de lichamelijke integriteit van de verdachte aldus van geringe ernst geweest.8 In dit opzicht verschilt de situatie van de zaken die hiervoor zijn besproken en waarin de Hoge Raad casseerde. Het oordeel van het hof is in het licht van het voorafgaande niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering van dat oordeel was het hof niet gehouden.

26. Het middel faalt.

Slotsom

27. Beide middelen falen. In elk geval het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

28. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.

2 A.J. Machielse, Noodweer in het strafrecht, Amsterdam 1986 en A.J. Machielse, ‘Artikel 41 Sr’, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer, losbladig, aant.14.

3 A.J. Machielse, Noodweer in het strafrecht, Amsterdam 1986, p. 713.

4 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018, p. 329-330.

5 Deze vragen zijn niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden. Zie HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316, m.nt. Rozemond met verwijzing naar HR 13 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3119, NJ 1990/193.

6 HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008/233, zoals is herhaald in HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316, m.nt. Rozemond rov. 3.5.3, naar welke overweging wordt verwezen in HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162. Zie ook mijn conclusies (ECLI:NL:PHR:2018:123 respectievelijk ECLI:NL:PHR:2018:1206) vóór HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:496 en HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2223.

7 Zie onder meer HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316, m.nt. Rozemond rov. 5.

8 Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:978 (art. 81, eerste lid , RO), waarin het hof had geoordeeld dat het vastpakken van de verdachte bij zijn overhemd geen wederrechtelijke aanranding opleverde waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.