Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:828

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
20/00219
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2020:369
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1763
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Afwijzing aanhoudingsverzoek raadsman i.v.m. aanwezigheidsrecht verdachte. 1. P-v van tz. als kenbron. Moet het o.g.v. aan cassatieschriftuur gehechte correspondentie tussen raadsman en hof ervoor worden gehouden dat in p-v opgenomen zin over belangenafweging niet ttz. door hof is uitgesproken? 2. Is afwijzing aanhoudingsverzoek toereikend gemotiveerd indien ervan wordt uitgegaan dat zin over belangenafweging is uitgesproken? Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00219

Zitting 22 september 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] in 1970,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 16 januari 2020 door de enkelvoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam wegens ‘overtreding van het bepaalde in artikel 2.7, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008’ veroordeeld tot vier weken hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Beide – gelijkluidende – middelen keren zich tegen de afwijzing door het hof van het tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2020 door de raadsman gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. Het verschil tussen beide middelen schuilt in de toelichting. In opmerkingen die aan de toelichting op het eerste middel voorafgaan wordt verwezen naar correspondentie per e-mail tussen de raadsman van de verdachte en (de strafgriffie van) het hof over de juistheid van de weergave in het proces-verbaal van de motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek. Het betreft een verzoek tot het opmaken van een herstelproces-verbaal en een daaropvolgende e-mailwisseling. Op die opmerkingen wordt in de toelichting op het eerste middel voortgebouwd. De toelichting op het tweede middel gaat in op de motivering van de afwijzing zoals deze in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting is verwoord. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen geef ik het procesverloop en de genoemde correspondentie weer.

  4. Aan de verdachte is, kort gezegd, tenlastegelegd dat hij zich op 22 september 2017 te Amsterdam op of aan de weg heeft opgehouden om (onder meer) verdovende middelen of daarop gelijkende waar te kopen of te koop aan te bieden. De verdachte is in eerste aanleg door de kantonrechter op 4 oktober 2018 bij verstek veroordeeld tot vier weken hechtenis.1 Op 7 december 2018 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2019 houdt onder meer het volgende in:

‘De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. Hij zegt dat hij de straf te zwaar vindt.

De raadsheer maakt melding van een bij het hof ingekomen appelschriftuur van de verdediging van 21 december 2018.

De raadsvrouw deelt mede:

Zoals uit de appelschriftuur van 21 december 2018 volgt, is het hoger beroep gericht tegen zowel de bewezenverklaring als de strafoplegging. Het verstekvonnis van de kantonrechter is in december 2018 aan cliënt uitgereikt. Ik heb de zaak nadien met cliënt besproken. Hij was erg verbaasd over de uitkomst, omdat hij zich op het standpunt stelt dat de politieagent degene is geweest die contact heeft gezocht met cliënt en niet vice versa. Na indiening van de appelschriftuur heb ik contact opgenomen met de strafgriffie van het hof, omdat ik geen reactie had ontvangen. Evenmin heb ik het standpunt van de advocaat-generaal met betrekking tot de daarin vervatte onderzoekswens ontvangen. Het verzoek tot het horen van de hoofdagent [getuige] wordt gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft geen bezwaar tegen het horen van de getuige [getuige] .

De raadsheer deelt mede dat het verzoek tot het horen van de getuige [getuige]. hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam (…), wordt toegewezen.

De raadsheer deelt vervolgens als beslissing van het hof mede dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 29 oktober 2019 te 9.00 uur, met bevel tot oproeping van de getuige [getuige] tegen die dag en dat tijdstip en met aanzegging daarvan aan de verdachte en diens raadsvrouw.’

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2019 is de verdachte daar niet verschenen; wel was ter terechtzitting een uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw aanwezig. De raadsheer van het hof die de zaak heeft behandeld, heeft medegedeeld dat de getuige [getuige] verhinderd is en voorgesteld de zaak aan te houden tot 16 januari 2020. De raadsvrouw heeft daarop medegedeeld akkoord te zijn met die datum. Het hof heeft het onderzoek tot die datum geschorst met bevel tot oproeping van de verdachte en de getuige tegen de nadere terechtzitting.

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2020 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder het volgende in:

‘Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. K.J. Zeegers, advocaat te Amsterdam, die mededeelt waar te nemen voor mr. T. Urbanus, advocaat te Amsterdam, en die desgevraagd verklaart door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.

De getuige [getuige] , hoofdagent van de politie Eenheid Amsterdam (…), is eveneens ter terechtzitting verschenen.

De raadsheer hervat het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin deze was gebleven ten tijde van de schorsing hiervan ter terechtzitting van 20 juni 2019.

(…)

De raadsman deelt mede:

Ik doe een aanhoudingsverzoek in verband met het aanwezigheidsrecht van mijn cliënt. Ik heb hem vorige week gesproken en hij weet van de zitting. Hij zei dat hij zou komen. In eerste aanleg is verstek verleend, waardoor hij nog geen verklaring heeft kunnen afleggen. Hij is in hoger beroep gegaan om dat alsnog te kunnen doen. Aanhouding van de zaak is dus in zijn belang. Mijn cliënt wordt al 15 jaar door mijn kantoor bijgestaan en op belangrijke momenten als deze is hij een betrouwbare persoon. Normaal komt hij altijd. Op 20 juni 2019 is hij ook verschenen. Ik kon hem niet te pakken krijgen, ook niet via zijn zus. In eerste aanleg is een hechtenis van vier weken opgelegd. Hij loopt daarmee het risico dat de IND kan besluiten zijn verblijfsvergunning in te trekken. De laatste keer is dat afgewend, maar bij een substantiële straf kan dat wel gebeuren. Des te meer is het belangrijk dat hij ter terechtzitting zijn verhaal kan doen. Mijn cliënt wil in ieder geval een straftoemetingsverweer houden. De vorige twee keren is de zaak aangehouden en dat was niet aan de verdediging te wijten: eerst was het appelschriftuur verdwenen en daarna was de getuige verhinderd. Ik wil de getuige nu wel horen, aangezien hij aanwezig is. Dan is de schade van de aanhouding beperkt.

De advocaat-generaal deelt mede:

Ik verzet mij tegen een aanhouding. De verdachte had tijd en ruimte genoeg om zijn zegje te doen. In eerste aanleg was er een rechtsgeldige betekening. De zaak is twee keer eerder op zitting geweest. De verdachte is er nu weer niet, en er is geen zekerheid dat hij volgende keer wel aanwezig is. De zaak moet gewoon worden afgedaan.

De raadsheer deelt als beslissing van het hof mede dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen en deelt mede:

De oproeping voor deze zitting is in persoon betekend. De verdachte weet van de zitting en het komt voor het eigen risico van de verdachte dat geen contact mogelijk is met zijn raadsman. Het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van verdachte bij aanhouding van behandeling van zaak, temeer nu de zaak al twee keer eerder aangehouden is geweest en de verbalisant als getuige ter zitting is verschenen.

(…)

De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.

De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.’

8. Aan de cassatieschriftuur is een afschrift van de volgende correspondentie gehecht:

(i) een per e-mail verzonden schrijven met als onderwerp ‘Verzoek om herstelproces-verbaal’ van 18 mei 2020, 14.05 uur, van mr. Zeegers aan de raadsheer van het hof die de zaak heeft behandeld en de griffier, onder meer inhoudend:

‘Eerst vandaag nam ik via het cassatiedossier in deze zaak kennis van het proces-verbaal van de terechtzitting van uw hof van 16 januari 2020. Ik heb van uw hof niet eerder en rechtstreeks een afschrift van dit proces-verbaal ontvangen.

Het proces-verbaal (…) luidt ten aanzien van de beslissing van de raadsheer op mijn verzoek om aanhouding (…): ‘Het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van de verdachte bij aanhouding van behandeling van zaak, temeer nu de zaak al twee keer eerder aangehouden is geweest en de verbalisant als getuige ter zitting is verschenen.’

Dit is naar mijn herinnering en aantekeningen niet een juiste weergave van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen. De ter terechtzitting uitgesproken mondelinge beslissing van het hof op mijn aanhoudingsverzoek bevatte niet de in het proces-verbaal opgenomen belangenafweging. Dit staat mij nog nadrukkelijk bij omdat mij dit ten tijde van de zitting opviel (mijn aanhoudingsverzoek was gemotiveerd aan de hand van de voor dergelijke aanhoudingsverzoeken te maken belangenafweging). Ter verificatie heb ik mijn eigen zittingsaantekeningen geraadpleegd (…). Daarin heb ik over de afwijzing van het aanhoudingsverzoek het volgende genoteerd (het onderstaande fragment is een screenshot):

Voorzitter wijst af.

Motivering:

→ Cliënt heeft genoeg kansen gehad.

→ “Dat hij er niet is komt voor eigen rekening en risico.”

beginnen met horen [getuige]

Ik heb de geciteerde notities tijdens de zitting gemaakt en bijgehouden (met name m.b.t. de uitingen van de advocaat-generaal en de raadsheer). Het is denkbaar dat ik daarin bij terugkomst op kantoor redactionele wijzigingen heb aangebracht. Echter geen inhoudelijke wijzigingen.

In het licht van het voorgaande verzoek ik u een herstelproces-verbaal op te (doen) stellen met inachtneming van de door mij geconstateerde onjuistheid. Mocht van de zitting een audio-opname zijn gemaakt ter ondersteuning van de griffier, dan verzoek ik u in de gelegenheid te worden gesteld deze te beluisteren.

De termijn als bedoeld in artikel 437 lid 2 Sv loopt tot en met 28 mei 2020. Gezien het belang in cassatie van het proces-verbaal van de terechtzitting als kenbron van het aldaar voorgevallene, verzoek ik u uiterlijk aanstaande vrijdag 22 mei 2020 te beslissen op deze verzoeken.’

(ii) een e-mailbericht van de strafgriffie van het hof aan mr. Zeegers van 18 mei 2020, 14.54 uur, onder meer inhoudend:

‘Naar aanleiding van uw verzoek kan ik u namens de voorzitter berichten, dat het verzoek om een herstel-pv op te maken wordt afgewezen?

In de motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding, zoals ter zitting gegeven, is de motivering zoals die uiteindelijk in het pv wordt opgenomen, geïmpliceerd.’

(iii) een e-mailbericht van mr. Zeegers aan de strafgriffie van het hof van 19 mei 2020, 10:12 uur, onder meer inhoudend:

‘Uit de reactie van de voorzitter op mijn verzoek kan ik niet opmaken of mijn stelling dat het proces-verbaal in kwestie ten aanzien van de beslissing op mijn aanhoudingsverzoek niet een juiste weergave is van hetgeen ter zitting is uitgesproken, wordt weersproken.

Dat vergroot het belang van mijn tweede verzoek waarop nog niet is gereageerd. Daarom verzoek ik u (nogmaals) mij ten spoedigste mee te delen (1) of van de zitting een geluidopname is vervaardigd, (2) of die beschikbaar is en (3) of ik daarvan zo spoedig mogelijk kennis kan nemen.

De onderbouwing van mijn verzoek geldt onverkort: in cassatie wordt uitgegaan van de juistheid van het proces-verbaal van de terechtzitting.’

(iv) een e-mailbericht van de strafgriffie van het hof aan mr. Zeegers van 19 mei 2020, 14:08 uur, onder meer inhoudend:


‘Namens de voorzitter deel ik u mede dat er geen geluidsopnamen van de zitting beschikbaar zijn.

Hetgeen in het proces-verbaal is weergegeven bevat niet de verbale weergave van hetgeen besproken/beslist is, maar de zakelijke weergave hiervan. De ter terechtzitting gegeven motivering impliceerde hetgeen in het pv is weergegeven.’

(v) een e-mailbericht van mr. Zeegers aan de strafgriffie van het hof van 19 mei 2020, 17:01 uur, onder meer inhoudend:


‘Uw mededeling houdt in dat de motivering zoals (expliciet) uitgesproken ter terechtzitting hetgeen in het proces-verbaal is vermeld impliceerde.

Is het juist dat de beslissing zoals die ter terechtzitting is uitgesproken inderdaad, conform mijn zittingsaantekeningen en mijn nadrukkelijke herinnering, niet expliciet inhield “het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van de verdachte bij aanhouding van behandeling van zaak (etc.)”?’

(vi) een e-mailbericht van de strafgriffie van het hof aan mr. Zeegers van 20 mei 2020, 09:05 uur, onder meer inhoudend:


‘Het is juist dat de woorden "het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van de verdachte bij aanhouding van behandeling van zaak ” niet expliciet zijn uitgesproken. De gehanteerde bewoordingen impliceren deze tekst echter wel en aldus is het in de zakelijke weergave verwoord.’

(vii) een e-mailbericht van mr. Zeegers aan de strafgriffie van het hof van 22 mei 2020, 12:29 uur, onder meer inhoudend:


‘Onderstaande reactie impliceert bekendheid met de ter terechtzitting ‘gehanteerde bewoordingen’, maar vermeldt die bewoordingen niet. Enerzijds wordt immers erkend dat de frase die in het proces-verbaal is opgenomen niet is uitgesproken, maar tegelijkertijd wordt gesteld dat deze zijn geïmpliceerd door de wel uitgesproken bewoordingen.

Naar mijn stellige overtuiging is ter terechtzitting noch uitgesproken, noch geïmpliceerd dat het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van de verdachte bij aanhouding van behandeling van zaak. Graag verzoek ik u dan ook mij te informeren welke bewoordingen volgens u ter terechtzitting zijn gebruikt, die deze in het proces-verbaal opgenomen zin impliceerden.

Zoals ik bij e-mail van 18 mei 2020 aangaf, loopt de termijn voor het indienen van een cassatieschriftuur tot en met 28 mei 2020, zodat ik u verzoek ten spoedigste op mijn vraag te reageren.’

(viii) een e-mailbericht van de strafgriffie van het hof aan mr. Zeegers van 25 mei 2020, 16:49 uur, onder meer inhoudend:


‘Dat blijkt uit de volgende bewoordingen: De oproeping voor deze zitting is in persoon betekend. De verdachte weet van de zitting en het komt voor het eigen risico van de verdachte dat geen contact mogelijk is met zijn raadsman. ................, temeer nu de zaak al twee keer eerder aangehouden is geweest en de verbalisant als getuige ter zitting is verschenen.’

(ix) een e-mailbericht van mr. Zeegers aan de raadsheer van het hof die als enkelvoudige kamer het bestreden arrest wees van 25 mei 2020, 20:23 uur, onder meer inhoudend:


‘Zojuist ontving ik onderstaand bericht van de strafgriffie van uw hof. Ik meen dat, gelet op de inhoud van dit bericht met betrekking tot de ter terechtzitting uitgesproken bewoordingen, het proces-verbaal dat is opgemaakt, geen gestand doet aan het bepaalde bij artikel 361 Sv.

Daarom verzoek ik u nogmaals een herstelproces-verbaal te doen opmaken waarbij hetgeen niet expliciet ter terechtzitting is voorgevallen uit het proces-verbaal wordt verwijderd. Wellicht ten overvloede verzoek ik u wederom zo spoedig mogelijk te reageren op dit verzoek, nu de termijn voor het indienen van de cassatieschriftuur loopt tot en met aanstaande donderdag, 28 mei 2020.’

(x) een e-mailbericht van de strafgriffie van het hof aan mr. Zeegers van 26 mei 2020, 09:54 uur, onder meer inhoudend:


‘Namens de voorzitter kan ik u mededelen dat er geen herstel-pv wordt opgemaakt.

U mag de correspondentie aan de Hoge Raad overleggen.’

9. Het eerste middel klaagt dat het hof het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2020 heeft afgewezen op onjuiste, onbegrijpelijke en/of – zo begrijp ik – ontoereikende gronden.

10. In de schriftuur wordt onder het kopje ‘Aan de toelichting op het middel voorafgaande opmerkingen’ verwezen naar de hiervoor weergegeven e-mailcorrespondentie. De steller van het middel betoogt dat het er op grond van de inhoud van deze correspondentie voor moet worden gehouden dat het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2020 ten onrechte de zinsnede ‘Het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van verdachte bij aanhouding van behandeling van zaak’ vermeldt. Op grond van die correspondentie zou tevens moeten worden vastgesteld dat de woorden ‘temeer nu’, die na die zinsnede in het proces-verbaal zijn vermeld, ter terechtzitting niet zijn uitgesproken. Die woorden zouden, gelet op de vorenbedoelde, volgens de steller van het middel niet uitgesproken zinsnede, iedere betekenis missen. Volgens de steller van het middel dient in cassatie de motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding in het proces-verbaal daarom als volgt te worden gelezen: ‘De oproeping voor deze zitting is in persoon betekend. De verdachte weet van de zitting en het komt voor het eigen risico van de verdachte dat geen contact mogelijk is met zijn raadsman. De zaak is al twee keer eerder aangehouden geweest en de verbalisant is als getuige ter zitting verschenen.’ Indien Uw Raad de steller van het middel hierin niet volgt, wordt Uw Raad verzocht op de voet van art. 83 RO inlichtingen bij het gerechtshof in te winnen over hetgeen precies ter terechtzitting aan de afwijzing van het verzoek tot aanhouding ten grondslag is gelegd.

11. De steller van het middel klaagt vervolgens, onder het kopje ‘Toelichting op het middel’, dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek (zoals deze volgens de steller van het middel is uitgesproken) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd. Het hof zou bij de afwijzing van dit verzoek, blijkens dat ter terechtzitting uitgesproken oordeel, ten onrechte hebben verzuimd de door Uw Raad vereiste belangenafweging te maken en daarvan blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.2

12. De regeling van het proces-verbaal der terechtzitting is – in de kern – al sinds 1926 te vinden in de artikelen 326 en 327 Sv. De griffier houdt het proces-verbaal der terechtzitting bij. Daarin worden ‘de in acht genomen vormen’ en ‘al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt’ aangetekend. Het proces-verbaal behelst tevens de zakelijke inhoud ‘van de verklaringen der getuigen, deskundigen en verdachten’. De officier van justitie kan vorderen en de verdachte kan verzoeken dat een verklaring ‘woordelijk zal worden opgenomen’. De voorzitter kan gelasten dat in het proces-verbaal van een omstandigheid, verklaring of opgave aantekening zal worden gedaan. Die aantekening wordt ook gedaan wanneer één van de rechters dat verlangt, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of (sinds 1 november 1996) de benadeelde partij.3 Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een rechter die over de zaak heeft geoordeeld, en de griffier vastgesteld. Een mogelijkheid tot aanpassing van dat proces-verbaal is in de wet niet geregeld. Inspraak wordt aan de procespartijen niet gegeven; alleen tijdens het onderzoek ter terechtzitting kunnen zij aantekening van een omstandigheid, verklaring of opgave vorderen respectievelijk daarom verzoeken. Uit deze regeling komt naar voren, zo schrijven Blok en Besier, dat ‘de zorg voor de richtige vaststelling van het proces-verbaal (is) opgedragen aan den Voorzitter of een der Rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den Griffier.’4

13. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is het proces-verbaal van de terechtzitting ‘in beginsel’ de enige kenbron voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen5en van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen.6 De uitzonderingen waarop Uw Raad het oog heeft betreffen volgens Van Dorst ‘de stukken die als kenbron én als correctiemiddel fungeren voor fouten die in het proces-verbaal zijn geslopen’.7 Van Dorst noemt in dit verband stukken die zich in het dossier bevinden, bijvoorbeeld de uitspraak waarin is vermeld dat de terechtzitting openbaar was, terwijl het proces-verbaal daarover zwijgt, maar ook inlichtingen die Uw Raad of het Parket op de voet van art. 83 RO8 al dan niet naar aanleiding van een cassatieklacht heeft ingewonnen.9 Bij dergelijke ingewonnen inlichtingen kan het bijvoorbeeld gaan om een aanvullend proces-verbaal10 of een brief van de voorzitter en griffier,11 van de voorzitter,12 van de oudste raadsheer13 of van de griffier,14 dan wel een combinatie van een (herstel)proces-verbaal en een brief van een van voornoemde betrokkenen.15

14. Door gegevens te ontlenen aan stukken die als kenbron en correctiemiddel fungeren voor fouten die in het proces-verbaal zijn geslopen, kan cassatie achterwege blijven in gevallen waarin de inhoud van het proces-verbaal op zichzelf beschouwd daar aanleiding toe zou geven. Tegelijk blijft het uitgangspunt dat het proces-verbaal in beginsel de enige kenbron is voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen en van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen overeind. Alleen informatie van (bij de berechting betrokken personen van) het hof dat het bestreden arrest heeft gewezen waarin de fout wordt erkend en rechtgezet, wordt in cassatie in aanmerking genomen. Wat de steller van het middel in de onderhavige zaak voorstelt, betekent een breuk met dit uitgangspunt. Uit de inhoud van de e-mails volgt dat naar het oordeel van de bij het hof werkzame personen die op de mails van de raadsman hebben gereageerd niet sprake is van een fout die zou moeten worden rechtgezet. Als desalniettemin op de inhoud van de e-mails wordt afgegaan, wordt feitelijk een tweede kenbron geaccepteerd van wat tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, naast het proces-verbaal.

15. Dat accepteren van een tweede kenbron zou in de rede liggen als in cassatie dient te worden uitgegaan van wat tijdens het onderzoek ter terechtzitting daadwerkelijk is gezegd en heeft plaatsgevonden; niet van wat daarover in het proces-verbaal is vastgelegd. Als die gedachte als uitgangspunt in de plaats zou worden gesteld van de gedachte dat het proces-verbaal in beginsel de enige kenbron is van wat tijdens dat onderzoek is gezegd en heeft plaatsgevonden, zou dat grote gevolgen kunnen hebben voor de procesvoering in cassatie. Niet valt in te zien waarom, bij een keuze voor dat uitgangspunt, correcties alleen zouden mogen worden ontleend aan mededelingen van bij het gerechtshof werkzame personen. Wat tijdens het onderzoek ter terechtzitting daadwerkelijk wordt gezegd en plaatsvindt kan – bijvoorbeeld – ook worden vastgelegd met een mobiele telefoon.16

16. Eerder heeft Uw Raad de mogelijkheid van een proces-verbaal dat gedeeltelijk de vorm aannam van een geluidsopname afgehouden. In HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2838, NJ 2017/387 m.nt. Keulen overwoog Uw Raad:


‘2.4.1. Wat betreft de verklaringen die de deskundigen hebben afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2014, behelst voormeld proces-verbaal uitsluitend de zakelijke inhoud van die verklaringen voor zover deze zijn gebruikt in de bestreden einduitspraak. Het proces-verbaal behelst niet de overige (zakelijke) inhoud van die verklaringen noch hetgeen overigens op de terechtzitting van 12 november 2014 achtereenvolgens aan de orde is geweest. In dit opzicht voldoet het proces-verbaal niet aan de eisen van het eerste en het tweede lid van art. 326 Sv. Daaraan doet niet af dat aan het proces-verbaal een geluidsopname is gehecht van hetgeen op die terechtzitting aan de orde is geweest.

2.4.2. Opmerking verdient dat het hier gaat om een geluidsopname die strekt ter vervanging van (een gedeelte van) het schriftelijke proces-verbaal van de terechtzitting. Daarin voorziet art. 326 Sv niet. Aan de vervanging van (een gedeelte van) het proces-verbaal door een geluidsopname staat voorts in de weg dat de vaststelling van de ter terechtzitting inachtgenomen vormen en van de juiste inhoud van hetgeen aldaar is verklaard en voorgevallen, is opgedragen aan de in art. 327 Sv genoemde personen, die ook bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig zijn geweest. Tevens wordt bij zo een vervanging, ingeval een rechtsmiddel is aangewend, deze vaststelling in feite doorgeschoven en opgedragen aan de later oordelende rechter.

2.4.3. Wat betreft de cassatieprocedure komt daar nog bij dat het in die fase van het geding gaat om een doorgaans volledig schriftelijk proces waarin in de regel één partij optreedt en dat ook daarom niet geëigend is voor het uitluisteren van geluidsopnames en in voorkomende gevallen het bieden van een mogelijkheid tot het maken van op- en aanmerkingen door partijen.

2.4.4. Uit het voorgaande volgt dat het middel terecht klaagt over de vervanging van (een gedeelte van) het proces-verbaal van de terechtzitting door een geluidsopname.

2.5. De wet voorziet thans niet in een regeling op grond waarvan, ingeval een geluidsopname van het verhandelde ter terechtzitting is gemaakt, die opname wordt verstrekt aan procespartijen met het oog op de controle van de verslaglegging in het proces-verbaal. Indien de wetgever dit aangewezen acht, kan hiertoe een voorziening in het leven worden geroepen. Uitgangspunt zal ook dan zijn dat het proces-verbaal beslissend is voor de vaststelling van de ter terechtzitting inachtgenomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting is voorgevallen alsmede voor de - zakelijke - weergave van de aldaar afgelegde verklaringen van getuigen, deskundigen en verdachte. De geluidsopname kan hierbij slechts dienen ter controle door partijen van de verslaglegging in het concept van het proces-verbaal van die zitting en het maken van op- en aanmerkingen bij dat concept, waarna degenen die door de wet zijn aangewezen voor de vaststelling, het proces-verbaal definitief vaststellen.’

17. Uit deze overweging volgt dat Uw Raad ook in een situatie waarin de wet erin zou voorzien dat geluidsopnamen worden gemaakt van het verhandelde ter terechtzitting, vast wil houden aan het uitgangspunt dat het proces-verbaal beslissend is voor de vaststelling van de ter terechtzitting in acht genomen vormen, van al hetgeen daar met betrekking tot de zaak is voorgevallen en voor de weergave van verklaringen. Uw Raad wijst daarbij op de wettelijke regeling en merkt daarbij over de cassatieprocedure nog op dat deze ‘niet geëigend is voor het uitluisteren van geluidsopnames en in voorkomende gevallen het bieden van een mogelijkheid tot het maken van op- en aanmerkingen door partijen’. Bij deze positiebepaling past niet dat Uw Raad zich wel zou openstellen voor informatie van de zijde van de verdediging die gebaseerd is op zelfgemaakte geluidsopnames. En uit deze positiebepaling volgt dat Uw Raad van oordeel is dat in cassatie niet centraal staat – en moet worden uitgezocht – wat daadwerkelijk tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden.

18. Vermelding verdient dat het concept van het nieuwe Wetboek van Strafvordering geen wijziging wil brengen in deze stand van zaken. Bij de verslaglegging van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg wordt het mogelijk gemaakt het vastleggen van omstandigheden, verklaringen en opgaven achterwege te laten indien van het onderzoek op de terechtzitting een opname van geluid of beeld en geluid wordt gemaakt (concept-art. 4.2.68 lid 4). In dat geval kan met een verkort proces-verbaal worden volstaan (concept-art. 4.2.70 lid 1). De voorzitter van het gerechtshof kan in dat geval bepalen dat toch een volledig proces-verbaal moet worden opgemaakt (concept-art. 5.4.6 lid 2). In hoger beroep kan de voorzitter van het gerechtshof niet bepalen dat een verkort proces-verbaal wordt opgemaakt indien beroep in cassatie wordt ingesteld (concept-art. 5.4.24). De wijze van procesvoering in cassatie laat volgens de concept-memorie van toelichting ‘niet toe dat met een verkort proces-verbaal en een opname van geluid of van beeld en geluid wordt volstaan’ (p. 888).17

19. Bij deze stand van zaken en bij de positiebepaling van Uw Raad in voornoemd arrest, die mij juist voorkomt, kan in cassatie niet worden uitgegaan van de gang van zaken die uit de aan de schriftuur gehechte e-mailcorrespondentie naar voren komt. De reden daarvoor is niet dat dergelijke e-mailcorrespondentie geen gegevens kan opleveren waar Uw Raad rekening mee kan houden. Uw Raad heeft vele arresten gewezen waarin gegevens zijn ontleend aan door de steller van het middel aan de schriftuur gehechte stukken aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoefde te worden getwijfeld.18 De reden is dat het proces-verbaal in beginsel de enige kenbron is voor hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen en dat – in het licht van dat uitgangspunt – aan dergelijke correspondentie geen correcties kunnen worden ontleend op hetgeen in dat proces-verbaal is vastgesteld. Een en ander wellicht buiten extreme situaties waarvan in deze zaak geen sprake is.

20. De steller van het middel doet het verzoek, gebruik te maken van de bevoegdheid die art. 83 RO biedt. Dat artikel bepaalt dat de rechtbanken, de gerechtshoven en de presidenten inlichtingen geven wanneer die door Uw Raad voor de behandeling van een zaak noodzakelijk worden geacht. Ingevolge art. 120 lid 2 RO is dit artikel van overeenkomstige toepassing op de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Uw Raad maakt, zo bleek, regelmatig van deze bevoegdheid gebruik in het geval een middel de aandacht vestigt op een mogelijke tekortkoming in een proces-verbaal. Het verzoek tot het verschaffen van inlichtingen stelt het gerechtshof in die gevallen in de gelegenheid, informatie te verschaffen die meebrengt dat cassatie achterwege kan blijven.

21. Een belangrijk kenmerk van deze verzoeken om inlichtingen is dat zij het gerechtshof attenderen op een aspect van de verslaglegging in een proces-verbaal waar niet eerder de aandacht op is gevestigd. Dat geval doet zich in deze zaak niet voor. Uit de aan de schriftuur gehechte e-mailcorrespondentie blijkt dat de raadsman maar liefst vijf mailtjes aan de zaak heeft gewijd. En uit de mailtjes die door bij het hof werkzame personen zijn verzonden blijkt dat de raadsheer die het bestreden arrest heeft gewezen van deze mails op de hoogte is en dat de laatste mail namens hem beantwoord is. Daarmee is niet duidelijk wat de strekking van een verzoek om inlichtingen zou moeten zijn. Uit de inhoud van de e-mails, aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld, blijkt hoe de betreffende raadsheer over het standpunt van de raadsman denkt en dat hij niet bereid is het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting aan te passen.

22. Het uit de wettelijke regeling volgende uitgangspunt dat het proces-verbaal in beginsel de enige kenbron is voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen en van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen berust in de kern op een verdeling van verantwoordelijkheden. De vaststelling van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting is de verantwoordelijkheid van de voorzitter of één van de andere rechters die over de zaak hebben geoordeeld en de griffier (art. 327 Sv). Bij die verdeling van verantwoordelijkheden past dat Uw Raad een hof de gelegenheid biedt een tekortkoming waar in cassatie over wordt geklaagd recht te zetten. Bij die verdeling van verantwoordelijkheden past niet dat Uw Raad zich in gevallen waarin de raadsman bij het hof onder de aandacht heeft gebracht dat het proces-verbaal zijns inziens een onjuiste weergave bevat van wat ter terechtzitting heeft plaatsgevonden – al dan niet via een verzoek om inlichtingen – met de verslaglegging bemoeit. Daarmee zou de verantwoordelijkheid verschuiven.

23. Het eerste middel faalt.

24. Het tweede middel, dat – als gezegd – gelijkluidend is aan het eerste middel, klaagt eveneens dat het hof het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2020 heeft afgewezen op onjuiste, onbegrijpelijke en/of – zo begrijp ik – ontoereikende gronden. Blijkens de toelichting neemt het tweede middel, anders dan het eerste, tot uitgangspunt dat het hof het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen met de motivering die in het proces-verbaal van de terechtzitting is opgenomen, met inbegrip van de bewoordingen ‘Het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van verdachte bij aanhouding van behandeling van zaak, temeer nu de zaak al twee keer eerder aangehouden is geweest en de verbalisant als getuige ter zitting is verschenen’.

25. De eerste deelklacht luidt dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat de raadsman aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag heeft gelegd dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken omdat hij nog geen verklaring heeft kunnen afleggen en een straftoemetingsverweer wenst te voeren. Het hof zou ten onrechte hebben verzuimd te oordelen of deze omstandigheden aannemelijk zijn en/of een grond vormen voor aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting, althans het hof zou dat ten onrechte niet kenbaar hebben gemaakt in zijn oordeel.

26. De tweede deelklacht vertoont enige overlap met de eerste deelklacht. In het kader van de tweede deelklacht betoogt de steller van het middel in de eerste plaats dat het hof bij de vereiste afweging ten onrechte niet het aanwezigheidsrecht van de verdachte heeft betrokken, althans daarvan ten onrechte geen blijk heeft gegeven in zijn motivering. De steller van het middel klaagt voorts dat het hof bij zijn afweging ten onrechte niet de volgende door de raadsman aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden heeft betrokken, althans daarvan ten onrechte geen blijk heeft gegeven in zijn motivering: (1) het belang van de verdachte om een verklaring af te leggen en een straftoemetingsverweer te voeren, nu hij in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld en dientengevolge niet zijn verhaal heeft kunnen doen en (2) het belang van de verdachte om niet zijn verblijfsvergunning te verliezen, in welk verband de raadsman heeft gewezen op de in eerste aanleg opgelegde straf.

27. In de zaak die leidde tot HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:90, NJ 2019/66 was sprake van een door de raadsvrouw voorafgaand aan de terechtzitting per e-mail gedaan aanhoudingsverzoek. Het hof had het verzoek op de terechtzitting afgewezen en daartoe overwogen dat de raadsvrouw voorafgaand aan de terechtzitting ‘zonder enige motivering’ dat verzoek had gedaan, terwijl noch de verdachte noch diens raadsvrouw ter terechtzitting was verschenen om redenen op te geven voor aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Daarin lag volgens Uw Raad als oordeel van het hof besloten dat door of namens de verdachte niet was vermeld waarop het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak steunde, zodat het verzoek moest worden afgewezen. Uw Raad achtte dat oordeel, ook in het licht van het e-mailbericht van de raadsvrouw, niet onbegrijpelijk.

28. In HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769, NJ 2020/229 m.nt. Mevis heeft Uw Raad overwogen:

‘3.3 Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. (…)
In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden - in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte - of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient echter dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd - ware het juist - in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds - dat wil zeggen: zonder tot de hierna weer te geven afweging van belangen over te gaan - afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.
Indien zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
(Vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).

3.4.1 Indien door de verdachte of zijn raadsman een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting wordt gedaan, dient daarbij concreet de omstandigheid te worden aangevoerd die aan dat verzoek ten grondslag ligt. Het aanvoeren van die omstandigheid is vereist om de rechter in staat te stellen te beoordelen of - in het licht van wat onder 3.3 is vooropgesteld - grond bestaat voor aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.’

29. In die zaak had het hof het aanhoudingsverzoek van de raadsman afgewezen ‘nu dit verzoek niet is onderbouwd’. Uw Raad overwoog dat daarin ligt als oordeel van het hof besloten lag dat door de raadsman niet concreet de omstandigheid is aangevoerd die ten grondslag lag aan het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, zodat het verzoek moest worden afgewezen. Dat oordeel gaf volgens Uw Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was – in aanmerking genomen dat de raadsman uitsluitend had gesteld dat het verzoek ‘in verband met het aanwezigheidsrecht’ werd gedaan en dat hij, daarnaar gevraagd, had aangegeven het verzoek niet nader te kunnen onderbouwen – niet onbegrijpelijk.

30. Het oordeel van Uw Raad in die zaak was in lijn met de conclusie van A-G Harteveld (randnummer 5.6), die erop wees dat het aanhoudingsverzoek ‘op geen enkele wijze – ook niet nadat daarnaar is gevraagd – (is) toegelicht of feitelijk onderbouwd’. Daaruit kon volgens Harteveld ‘niet eens een begin van een redenering omtrent een mogelijke reden voor de afwezigheid van de verdachte worden afgeleid’.19

31. Mevis merkt in zijn noot onder het arrest op dat Uw Raad ‘voor deze betrekkelijk bijzondere situatie een vermoedelijk als uitzondering bedoelde aanvulling op zijn algemeen beslissingsschema formuleert’ (randnummer 1). De achterliggende inhoud van de benadering is volgens Mevis ‘kennelijk en begrijpelijk dat (het begin van) enige beoordeling van een verzoek tot aanhouding van de zaak alleen maar kan plaatsvinden als er überhaupt enige (concrete) grond aan dat verzoek ten grondslag wordt gelegd’ (randnummer 7). Mevis benadrukt ‘dat deze nieuwe variant om het verzoek reeds op voorhand af te wijzen, weinig praktische betekenis zal hebben’. Dat zou reeds blijkens uit het feit dat Uw Raad ‘deze variant tot aan bovenstaande zaak zelf niet in zijn algemeen kader had voorzien en hij deze ook niet in het algemeen kader van rov. 3.3. integreert; daarvoor is het kennelijk te zeer een uitzondering’ (randnummer 10).

32. In twee arresten van latere datum heeft Uw Raad (wel) in het algemene beoordelingskader overwogen dat de verdachte of zijn raadsman concreet de omstandigheid moet aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt en dat, indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, de rechter het verzoek om die reden mag afwijzen (HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172, rov. 2.3 en HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1158, rov. 2.3).

33. In de zaak die leidde tot het zojuist genoemde arrest van 30 juni 2020 was het hof van oordeel ‘dat er geen gronden zijn aangegeven door de raadsman die tot toewijzing van het aanhoudingsverzoek dienen te leiden’. Daaraan voegde het hof toe dat, als de verdachte aanwezig wil zijn bij de behandeling van zijn strafzaak, hij voor zijn advocaat bereikbaar moet zijn. Uw Raad overwoog dat het hof als zijn oordeel tot uitdrukking had gebracht dat ‘niet concreet de omstandigheid is aangevoerd die ten grondslag ligt aan het verzoek dat namens de verdachte, die weet heeft van de zitting, is gedaan tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting, zodat dit verzoek moet worden afgewezen’. Uw Raad achtte dat oordeel niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de raadsman uitsluitend had gesteld dat hij niet wist waarom de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en dat de verdachte had aangegeven graag aanwezig te willen zijn op de terechtzitting.

34. In de onderhavige zaak heeft de raadsman ter terechtzitting van 16 januari 2020 een aanhoudingsverzoek gedaan in verband met het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat hij de verdachte de week daarvoor heeft gesproken en dat de verdachte, die op de hoogte was van de zitting, zei dat hij zou komen. De raadsman heeft verder betoogd dat tegen de verdachte in eerste aanleg verstek is verleend, waardoor hij nog geen verklaring heeft kunnen afleggen, en dat hij in hoger beroep is gegaan om dat alsnog te kunnen doen, zodat aanhouding van de zaak in het belang van de verdachte is. In dit verband heeft de raadsman gesteld dat de verdachte al vijftien jaar door zijn kantoor wordt bijgestaan en ‘op belangrijke momenten als deze’ een betrouwbare persoon is. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de verdachte op de terechtzitting van 20 juni 2019 was verschenen. De raadsman kon in dit geval echter geen contact met de verdachte krijgen, ook niet via diens zus. Aangevoerd is verder dat in eerste aanleg vier weken hechtenis is opgelegd en dat de verdachte daardoor het risico loopt dat de IND kan besluiten zijn verblijfsvergunning in te trekken. De verdachte wenste volgens de raadsman in ieder geval een straftoemetingsverweer te houden. Ten slotte is opgemerkt dat de twee eerdere aanhoudingen niet aan de verdediging waren te wijten.

35. Aldus is aan het aanhoudingsverzoek niet duidelijk een omstandigheid ten grondslag gelegd (bijvoorbeeld ziekte, werk, verslapen) waardoor de verdachte, die wist van de terechtzitting, niet is verschenen. Dat kan de vraag doen rijzen of is voldaan aan de door Uw Raad gestelde eis dat bij een aanhoudingsverzoek concreet de omstandigheid wordt aangevoerd die aan dat verzoek ten grondslag ligt. In de onderhavige zaak heeft het hof evenwel, anders dan in de drie hiervoor besproken zaken, niet geoordeeld dat sprake is van een aanhoudingsverzoek ‘zonder enige motivering’, dat ‘niet is onderbouwd’ of waarbij ‘geen gronden zijn aangegeven’. Het hof heeft het verzoek afgewezen en daartoe onder meer overwogen dat het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van de verdachte bij aanhouding van de behandeling van de zaak. Gelet daarop kan naar het mij voorkomt niet worden gezegd dat het middel (reeds) faalt op de grond dat, kort gezegd, het verzoek niet voldeed aan het vereiste dat concreet de aan het verzoek ten grondslag liggende omstandigheid is aangevoerd. Ik merk hierbij op dat uit rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat de lat bij de hier bedoelde stelplicht niet al te hoog wordt gelegd.20 Zo kan het door de raadsman of raadsvrouw benoemen van een mogelijke of vermoedelijke reden van afwezigheid van de verdachte in voorkomende gevallen reeds gelden als de vereiste aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid.21

36. Nu de raadsman aan het aanhoudingsverzoek niet duidelijk een omstandigheid ten grondslag heeft gelegd waardoor de verdachte niet is verschenen, kon het hof op een dergelijke omstandigheid ook niet op ingaan. Van een op aannemelijkheid door het hof te beoordelen omstandigheid was in zoverre geen sprake. Hetgeen de raadsman over de afwezigheid van de verdachte heeft aangevoerd komt erop neer dat hij de verdachte had verwacht omdat deze had gezegd dat hij op de terechtzitting van 16 januari 2020 zou verschijnen en dat de raadsman niet weet waarom de verdachte er niet was, aangezien hij geen contact met de verdachte kon krijgen. Met de overweging van het hof dat de oproeping voor de terechtzitting in persoon is betekend, de verdachte weet van de terechtzitting en het voor het eigen risico van de verdachte komt dat geen contact mogelijk is met zijn raadsman, heeft het hof naar het mij voorkomt in zoverre de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden betrokken bij de gemaakte belangenafweging.

37. De steller van het middel klaagt, als gezegd, onder meer dat het hof bij de vereiste afweging ten onrechte niet het aanwezigheidsrecht van de verdachte heeft betrokken, althans daarvan ten onrechte geen blijk heeft gegeven in zijn motivering. In zoverre faalt het middel. In de overweging van het hof – in reactie op het aanhoudingsverzoek in verband met het aanwezigheidsrecht van de verdachte – dat het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het belang van de verdachte bij aanhouding van de behandeling ligt besloten dat het hof een afweging heeft gemaakt tussen enerzijds het belang van de gevraagde aanhouding van de behandeling en het daaraan ten grondslag liggende belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en anderzijds het door het hof genoemde belang van een voortvarende rechtspleging.22

38. Uw Raad eist van de feitenrechter niet alleen dat hij in de motivering van zijn beslissing blijk geeft van de door hem gemaakte afweging tussen, kort gezegd, het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en het belang bij een doeltreffende en spoedige berechting, maar – als gezegd – ook dat daarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden worden betrokken. In dat verband trekt de aandacht dat het hof er geen blijk van heeft gegeven bij de gemaakte belangenafweging te hebben betrokken dat, zoals de raadsman heeft gesteld, de verdachte tegen wie in eerste aanleg verstek is verleend in hoger beroep alsnog een verklaring wenst af te leggen, dat de verdachte een straftoemetingsverweer wenste te voeren en dat in eerste aanleg vier weken hechtenis was opgelegd waardoor hij het risico liep dat zijn verblijfsvergunning werd ingetrokken. Het gaat bij deze argumenten evenwel om een concrete nadere invulling van het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht. In de overwegingen van het hof inzake het aanwezigheidsrecht ligt naar het mij voorkomt ook besloten waarom deze specifieke argumenten geen aanhouding rechtvaardigen. In zoverre het middel klaagt dat het hof die gronden niet kenbaar bij zijn belangenafweging heeft betrokken, faalt het op deze grond.

39. De derde deelklacht houdt in dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek is gebaseerd op onbegrijpelijke en/of – zo begrijp ik – ontoereikende gronden. De steller van het middel voert daartoe aan dat, hoewel de bij de afwijzing gebruikte term ‘temeer’ duidt op nadere aan de afwijzing ten grondslag gelegde gronden, het hof het belang van een voortvarende rechtspleging de bovenhand heeft gegeven louter omdat het onderzoek ter terechtzitting twee keer was aangehouden en op 16 januari 2020 een getuige ter terechtzitting was verschenen. De steller van het middel wijst erop dat de raadsman heeft aangevoerd dat de eerdere aanhoudingen niet aan de verdediging waren te wijten en dat de raadsman de verschenen getuige in afwezigheid van de verdachte wilde horen, zodat volgens de raadsman ‘de schade van de aanhouding beperkt’ was. Daarom zou nadere toelichting verdienen waarom het belang van een voortvarende rechtspleging prevaleert boven het aanwezigheidsrecht nu de zaak tweemaal was aangehouden, waarvan ‘kennelijk eenmaal omdat het hof een tijdig ingediende appelschriftuur wegens een eigen gebrekkige administratie niet bij de processtukken heeft gevoegd’ en een tweede keer omdat een door het hof opgeroepen getuige was verhinderd.

40. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof het belang van een voortvarende rechtspleging niet laten prevaleren louter omdat het onderzoek ter terechtzitting twee keer was aangehouden en de getuige ter terechtzitting was verschenen. Het hof heeft immers ook overwogen dat de verdachte wist van de terechtzitting en dat het voor zijn risico komt dat geen contact met zijn raadsman mogelijk was. Dat zijn omstandigheden die het hof – naast andere factoren die daarvoor van belang kunnen zijn, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak – in de vereiste belangenafweging kan betrekken.23 Dat doet er evenwel niet aan af dat het hof bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek mede betekenis heeft toegekend aan de eerdere aanhoudingen en het verschijnen van de getuige.

41. De raadsman heeft ter terechtzitting van 16 januari 2020 gesteld dat de eerdere twee aanhoudingen niet aan de verdediging waren te wijten. Volgens de raadsman was eerst de appelschriftuur ‘verdwenen’ en was daarna de getuige verhinderd. Op de terechtzitting van 20 juni 2019 heeft de raadsvrouw van de verdachte medegedeeld dat zij na indiening van de appelschriftuur contact heeft opgenomen met de strafgriffie van het hof omdat zij geen reactie had ontvangen. Evenmin had zij het standpunt van de advocaat-generaal met betrekking tot de daarin vervatte onderzoekswens – het als getuige horen van verbalisant [getuige] – ontvangen.

42. Uit de gedingstukken volgt niet dat voorafgaand aan de terechtzitting van 20 juni 2019 van de zijde van het hof of de advocaat-generaal is gereageerd op het getuigenverzoek in de appelschriftuur.24 Uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt ook niet dat de mededeling van de raadsvrouw dat zij geen reactie op de appelschriftuur had ontvangen is weersproken door het hof of de advocaat-generaal. Mede in dat licht kan niet aan de verdediging worden tegengeworpen dat vertraging is opgetreden doordat zij ter terechtzitting van 20 juni 2019 haar verzoek de verbalisant als getuige te horen heeft gehandhaafd met als gevolg dat de behandeling van de zaak werd aangehouden.25 De aanhouding van de behandeling van de zaak op 29 oktober 2019, als gevolg van de verhindering van de getuige, is evenmin aan de verdediging toe te rekenen. Ik wijs er voorts op dat, ondanks deze twee eerdere aanhoudingen, geen sprake was van een aanzienlijk tijdsverloop in hoger beroep. Tussen het instellen van het hoger beroep en de terechtzitting waarop het aanhoudingsverzoek is gedaan, waren afgerond dertien maanden verstreken. Ook dat relativeert het gewicht dat in de onderhavige zaak toekomt aan de eerdere aanhoudingen.

43. Met de steller van het middel acht ik de afwijzing van het aanhoudingsverzoek voor zover het hof daaraan ten grondslag heeft gelegd dat de verbalisant als getuige ter terechtzitting is verschenen, niet begrijpelijk. De raadsman heeft immers medegedeeld de getuige wel te willen horen; de ‘schade’ van de aanhouding zou daarom beperkt zijn. Daarmee heeft de raadsman tot uitdrukking gebracht dat het getuigenverhoor met instemming van de verdediging in afwezigheid van de verdachte op de terechtzitting van 16 januari 2020 kon plaatsvinden, zodat de getuige niet nodeloos was verschenen en op een nadere terechtzitting niet alsnog zittingstijd behoefde te worden ingeruimd voor het getuigenverhoor.26

44. Wat betreft het gewicht van de zaak wijs ik erop dat de verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van vier weken. Ik neem ten slotte in aanmerking dat geen sprake is van belangen van slachtoffers of benadeelden die zich verzetten tegen aanhouding van de behandeling van de zaak.

45. Gelet op het voorgaande is de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd.

46. Het tweede middel slaagt.

47. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding geven.

48. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het mondeling vonnis is niet op de voet van art. 395, tweede lid, Sv in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend.

2 In de toelichting op het middel (onder 23) wordt opgemerkt dat het hof bij de afwijzing van het verzoek niet ‘het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting’ heeft betrokken. Uit de toelichting als geheel leid ik af dat de klacht niet is beperkt tot het niet in ’s hofs oordeel betrekken van dat belang, maar dat meer algemeen wordt geklaagd dat het hof niet ervan blijk heeft gegeven de op grond van de jurisprudentie van Uw Raad vereiste belangenafweging te hebben gemaakt.

3 Zie de Wet van 26 september 1996, Stb. 487.

4 A.J. Blok en L. Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1925, deel II, p. 106-107.

5 Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Schalken, rov. 3.3, herhaald in onder meer HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:37, NJ 2014/64.

6 Vgl. HR 13 januari 1981, nr. 72.118, DD 81.172, rov. 7.1. Zie ook HR 3 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AB8233, NJ 1984/443, rov. 10.1, waarin Uw Raad overwoog dat het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof ‘behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen de enige kenbron is van hetgeen op die zitting is voorgevallen’. In gelijke zin: HR 27 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZE0009 (niet gepubliceerd). Zie over het proces-verbaal van de terechtzitting als kenbron voorts: P.T.C. van Kampen, Papieren werkelijkheid. Het zittingsproces-verbaal in strafzaken (oratie Utrecht), Den Haag: Boom 2011, p. 11-12 en de aldaar genoemde jurisprudentie.

7 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 9e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 169.

8 In het geval van het Parket: op de voet van art. 83 jo. art. 120, tweede lid, en art. 111, tweede lid, RO.

9 Zie voorts G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, 9e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 694-695, waar wordt gesteld dat het proces-verbaal in beginsel voor juist wordt gehouden en dat in ‘evidente gevallen van misslagen’ de onjuistheid van het proces-verbaal kan worden aangenomen. Vgl. ook de conclusie van A-G Schipper (randnr. 7) voorafgaand aan HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7802 (art. 81 RO, niet gepubliceerd).

10 Vgl. HR 26 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC9538, DD 97.097 (proces-verbaal vermeldt verkeerde samenstelling hof) en HR 22 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2718, NJ 2001/656 m.nt. De Hullu (proces-verbaal vermeldt abusievelijk overlegging pleitnota).

11 Vgl. HR 27 juni 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6314, NJ 1979/151 (tussenarrest) en HR 17 oktober 1978, ECLI:NL:HR:AC6361, NJ 1979/152 (eindarrest; proces-verbaal vermeldt verkeerde samenstelling hof). Zie ook HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:456 (proces-verbaal vermeldt ten onrechte dat terechtzitting niet in het openbaar is gehouden) waarbij in de brief van de voorzitter een bericht van de griffier werd geciteerd.

12 Vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7246, NJ 2010/24 (in proces-verbaal verzuimd deel verklaring verdachte op te nemen).

13 Vgl. HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3161 (art. 81 RO; proces-verbaal vermeldt abusievelijk overlegging pleitnota) en HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3162 (eerste middel).

14 Vgl. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0207 (in proces-verbaal verzuimd te vermelden dat behandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden). Zie ook HR 31 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0993, NJ 1998/629 (in proces-verbaal is verzuimd bijstand van tolk te vermelden) met betrekking tot een verklaring van de substituut-griffier van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, met daarbij gevoegd een kopie van het audiëntieblad van de terechtzitting.

15 Vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:31 (proces-verbaal vermeldt verkeerde samenstelling hof) en HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:900 (eerste middel, art. 81 RO; proces-verbaal vermeldt ten onrechte dat behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden) waarin een ‘verbeterd exemplaar van het proces-verbaal’ respectievelijk een herstelproces-verbaal bij de brief van de voorzitter was gevoegd. Zie ook HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1582 (proces-verbaal vermeldt verkeerde samenstelling hof) waarin een herstelproces-verbaal bij de brief van de griffier was gevoegd.

16 De omstandigheid dat een dergelijke opname in voorkomende gevallen in strijd met de huisregels van het desbetreffende gerecht is gemaakt, doet daar niet aan af.

17 Geraadpleegd via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2017/11/13/documenten-modernisering-wetboek-van-strafvordering.

18 Vgl. onder meer HR 7 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:638; HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1819; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3713; HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2057 en HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:9. Zie ook de conclusie van A-G Knigge (randnummers 8 en 9) voorafgaand aan HR 23 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3665.

19 Harteveld voegde daaraan toe dat de zaak daarin verschilde van enkele in de conclusie besproken zaken ‘waarin de aanhoudingsverzoeken – ook al is het maar in beperkte mate – wél zodanig feitelijk waren aangekleed dat ze een aanknopingspunt opleverden voor de mee te wegen belangen van de verdachte’. Vgl. ook de conclusie van Harteveld voor HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:378 (randnummer 3.6).

20 Vgl. de conclusie van A-G Harteveld voor HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769, NJ 2020/229 m.nt. Mevis (randnummer 5.5); de conclusie van A-G Bleichrodt voor HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172 (randnummer 2.6) en de conclusie van A-G Spronken voor HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1158 (randnummer 4.2).

21 Vgl. HR 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:398 (raadsvrouw: ‘Hij had gezegd dat hij er zou zijn. Er kan sprake zijn van een miscommunicatie.’); HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737, NJ 2020/230 m.nt. Mevis (raadsman: ‘Ik vermoed dat mijn cliënt is uitgezet, maar ik weet het niet zeker.’); HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:669, NJ 2019/289 m.nt. Mevis (raadsman: ‘Misschien zit hij in vreemdelingenbewaring.’) en HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2020, NJ 2019/287 m.nt. Mevis (raadsvrouw: ‘Ik betwijfel ten zeerste dat het zijn eigen keuze is hier niet aanwezig te zijn. Hij is boos op alles en iedereen. Ik denk dat het met zijn problematiek te maken heeft.’).

22 Vgl. HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:826, NJ 2017/260 m.nt. Schalken. Zie ook HR 8 oktober 2019, nr. 17/05815 (art. 81 RO, niet gepubliceerd) en de daaraan voorafgaande conclusie (randnummer 10).

23 Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142 en 1145, NJ 2020/24 en NJ 2020/25 m.nt. Mevis, rov. 2.4.4. Ik teken hierbij volledigheidshalve aan dat die arresten betrekking hebben op de (zich hier niet voordoende) situatie die, kort gezegd, hierdoor wordt gekenmerkt dat de raadsman op de terechtzitting aangeeft dat hij niet weet waarom de verdachte niet is verschenen en dat hij het mogelijk acht dat de verdachte geen weet heeft van de zitting.

24 De appelschriftuur bevindt zich bij de gedingstukken. Blijkens daarop geplaatste datumstempels is het faxexemplaar op 21 december 2018 ingekomen ter griffie van de rechtbank en op 28 december 2018 bij de afdeling ‘Intake straf’ van het hof. Het origineel is op 24 december 2018 ingekomen ter griffie van de rechtbank en op 31 december 2018 bij de afdeling ‘Intake straf’ van het hof.

25 Ik wijs er hierbij op dat de appelschriftuur inhoudt dat de getuige in eerste aanleg niet is gehoord, dat de verdachte de inhoud van de verklaring van de getuige betwist, dat het proces-verbaal van verbalisant [getuige] het belangrijkste bewijsmateriaal in het dossier is en dat de bewezenverklaring ‘to a sole and decisive degree’ daarop gebaseerd zal zijn. Dat laatste heeft (nadien) bevestiging gevonden in de bewijsvoering van het hof.

26 Daaruit volgt tevens dat de zittingscapaciteit die voor de nadere terechtzitting zou moeten worden ingeruimd, beperkt was. Ik wijs er hierbij op dat, blijkens de noten onderaan de processen-verbaal van de terechtzittingen van 20 juni 2019 en 29 oktober 2019, voor de behandeling van de zaak op de volgende zitting (inclusief het getuigenverhoor) twintig minuten dienden te worden gereserveerd.