Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:807

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
19/01187
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2019:685
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1725
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Bedreiging. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). 2. Overschrijding inzendtermijn. De conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in de mate die de HR goeddunkt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01187

Zitting 15 september 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 27 februari 2019 in de zaak met parketnummer 13-689179-13 wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” en in de zaak met parketnummer 13-684042-16 wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2014 met parketnummer 13-132969-13 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 13-684042-16 in strijd met het bepaalde in artikel 342 lid 2 Sv uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, te weten de aangeefster van het desbetreffende feit ( [benadeelde] ).

4. Voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

in de zaak met parketnummer 13-684042-16:

hij op meer tijdstippen in de periode van 27 januari 2016 tot en met 30 januari 2016 te Amsterdam, zijn, verdachtes ex-vriendin [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend via de telefoon een of meer sms-berichten verzonden naar voornoemde [benadeelde] met de teksten

- op 27 januari 2016: “Ik pakje toch wel” en

- op 29 januari 2016: “Wolah, ik maak je dood zegje als je morgen niet naar mij toe komt klaar ga me dingen doen” en “Als je niet komt maak je af” en “Jij bent dood, w8 maar” en

- op 30 januari 2016 “Maak jou af ga je gang" en “Een ding kan ik je alvast zeggen jij gaat dood" en “Het is egt game over dit gaat goed uit de hand lopen laatje wel zien wie de baas is" en telefonisch tegen voornoemde [benadeelde] heeft gezegd: “Ik ga je doodschieten”,

althans woorden met gelijke dreigende aard en strekking.

5. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in artikel 365a Sv in verbinding met artikel 415 lid 1 Sv. In die aanvulling heeft het hof het volgende opgemerkt:

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 13-684042-16:

6. Het hof neemt over uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 1 maart 2016, dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep, de bewijsmiddelen 5 en 6.”

6. Bewijsmiddelen 5 en 6, opgenomen op p. 3-4 van het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 maart 2016 dat is gehecht aan de aantekening van het mondeling vonnis van diezelfde datum, houden het volgende in:

5. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2016023315-1 van 30 januari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pag. 1-9 (inclusief prints van sms-berichten).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [benadeelde] , zakelijk weergegeven:

Ik, [benadeelde] , wil aangifte doen van bedreiging. Ik word op dit moment door mijn ex- vriend bedreigd met de dood. Mijn ex-vriend is [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992. [...] [verdachte] is sinds 25 januari 2016 vrij gekomen uit detentie. Ik kreeg op 27 januari 2016 meerdere oproepen van het nummer [(...)] . Ik kende het nummer niet en nam deze op. Ik hoorde direct aan zijn stem dat het [verdachte] was. Op 27 januari heb ik berichten ontvangen van [verdachte] . Deze heb ik op mijn telefoon gekregen. De berichten van toen bevatten de tekst: "Ik pakje toch wel”. Op 29 januari ontving ik van [verdachte] de volgende berichten: "Wolah ik maak je dood zeg je als jij morgen niet naar mij toe komt klaar ga me dingen doen”, “Als je niet komt maak ik je af: en "Jij bent dood”. "w8 maar”. Op 30 januari ontving ik van [verdachte] de volgende berichten: "Maak jou af ga je gang” en "Een ding kan ik je alvast zeggen jij gaat dood” en "het is egt game over dit gaat goed uit de hand lopen laatje wel zien wie de baas is”. Deze feiten zijn gepleegd tussen 27 januari 2016 en 30 januari 2016 op de [a-straat 1] te [plaats] .

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016023315-6 van 30 januari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , doorgenummerde pag. 13.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 30 januari 2016 bevonden wij, verbalisanten, ons in het politiebureau Ferdinand Bolstraat te Amsterdam. Aldaar hoorden wij verbalisanten dat de ons ambtshalve bekende [verdachte] die middag zijn ex-vriendin meermalen telefonisch had bedreigd met onder andere de woorden: "Ik ga je doodschieten”.

7. Ter terechtzitting van 26 september 2017 heeft de verdachte ten aanzien van het hier bestreden feit verklaard:


U vraagt mij naar de reden van hoger beroep in zaak B. Dat is een welles-nietesspelletje. Er zijn wat dingen gebeurd tussen mij en mijn vriendin. Ik heb inderdaad die sms’jes verstuurd en daar heb ik spijt van.”1

8. Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van artikel 342 lid 2 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend door de rechter worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad geeft in zijn uitspraken daarom geen algemene regels over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.2

9. Het steunbewijs dient uit een andere bron afkomstig te zijn dan de alleenstaande getuigenverklaring.3 Een de auditu-verklaring die neerkomt op een herhaling van hetgeen de aangever aan de getuige heeft verteld, biedt dus onvoldoende steun.

10. Bewijsmiddel 5 betreft de in een proces-verbaal neergelegde verklaring van de aangeefster zelf. Bewijsmiddel 6 is een proces-verbaal dat door drie opsporingsambtenaren is opgemaakt en waarin is opgenomen dat zij “hoorden” dat de verdachte zijn ex-vriendin meermalen telefonisch had bedreigd met de dood. Het hof heeft echter niet vastgesteld van wie de verbalisanten dat hebben gehoord. Zodoende is niet uit te sluiten dat de verbalisanten van de aangeefster zelf hebben gehoord dat zij telefonisch werd bedreigd of dat die informatie via een ander tot haar te herleiden is. Evenmin ligt anderszins in de bewijsvoering besloten dat hetgeen zij hoorden uit een andere bron dan de aangeefster afkomstig is, zodat niet kan worden gezegd dat aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

11. Toch hoeft dit niet tot cassatie te leiden. In hoger beroep heeft de verdachte ter terechtzitting van 26 september 2017 verklaard dat hij inderdaad “die” sms-berichten heeft verstuurd en dat hij daarvan spijt heeft. Deze verklaring kan alleen worden begrepen in het licht van de sms-berichten die in de tenlastelegging zijn bedoeld. Deze verklaring ondersteunt daarmee de bewijsmiddelen 5 en 6: de verdachte bevestigt degene te zijn die de sms-berichten heeft verstuurd waarmee de aangeefster (op de dag dat zij aangifte heeft gedaan) telefonisch werd bedreigd. Aldus zie ik niet hoe cassatie kan bijdragen aan een goede rechtsbedeling.

12. Het eerste middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

14. Op 5 maart 2019 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 17 december 2019 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met afgrond anderhalve maand overschreden. Een voortvarende afdoening door de Hoge Raad behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dit dient te leiden tot strafvermindering.

15. Het middel is terecht voorgesteld.

16. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2017 bij het hof Amsterdam, p. 2.

2 Zie o.a.: HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512, en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 met gemeenschappelijke noot van Borgers; HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4493, NJ 2011/37; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, NJ 2014/252 m.nt. Reijntjes; HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3472, NJ 2015/484 m.nt. Borgers; HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, NJ 2018/298 m.nt. Rozemond, en meest recent HR 13 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095.

3 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers & T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 844. Zie ook o.a. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013/279 m.nt. Reijntjes; HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1247, NJ 2015/489 m.nt. Borgers, en HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2483.