Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:806

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
19/01888
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1691
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Motiveringsklacht over het op onjuiste gronden verwerpen van het beroep op (extensief) noodweerexces. De conclusie gaat onder meer in op de vraag of het oordeel van het hof dat geen sprake was van ‘invoelbaar emotioneel overreageren’ maar van handelingen die van een zekere rationaliteit en berekenbaarheid getuigen begrijpelijk is. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01888

Zitting 15 september 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250 – op 27 maart 2019 door het gerechtshof Den Haag (i) ontslagen van alle rechtsvervolging voor de onder feit 1 bewezenverklaarde “poging tot doodslag” ten aanzien van [benadeelde partij] en (ii) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr, wegens feit 2 “poging tot zware mishandeling” ten aanzien van [slachtoffer] . Voorts heeft het hof beslissingen genomen met betrekking tot de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen en heeft het de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

  2. Tegen het arrest van het hof van 27 maart 2019 is cassatieberoep ingesteld namens de verdachte en hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.1

3. Het middel betreft (enkel) de veroordeling ter zake van feit 2 en keert zich tegen de verwerping van het beroep op extensief noodweerexces.

4. Voordat ik het middel inhoudelijk bespreek, geef ik eerst de feiten en omstandigheden van de zaak weer zoals deze door het hof in het bestreden arrest zijn vastgesteld:

5. “Op 3 januari 2012 bevond de destijds 73-jarige verdachte zich in de computerkamer van zijn woning toen [slachtoffer] (destijds 47 jaar oud) bij de verdachte voor de deur stond. De verdachte opende de deur voor [slachtoffer] om hem binnen te laten en liep de woonkamer in, waarna [slachtoffer] hem volgde. Na een korte tijd kwam ook [benadeelde partij] (destijds 46 jaar oud) onverhoeds de woning van de verdachte binnen. [benadeelde partij] bleef in de deuropening van de woonkamer staan. Tegen de verdachte werd gezegd dat zij alles gingen regelen, goedschiks dan wel kwaadschiks, en dat het anders verkeerd zou aflopen. De verdachte verzon een smoes om van de woonkamer, waar zij zich op dat moment alle drie bevonden, in de computerkamer te komen waar zijn vuurwapen lag. Na een worsteling met [benadeelde partij] mocht de verdachte uiteindelijk onder begeleiding van [benadeelde partij] , die hem bij de schouder vasthield, naar de computerkamer gaan. Aldaar heeft de verdachte uit het zicht van [benadeelde partij] een vuurwapen gepakt. De verdachte wilde in de computerkamer blijven om te praten. Daar voelde hij zich veiliger, omdat de kamer aan de galerij grenst. [slachtoffer] wilde echter in de woonkamer praten. Hierop liep de verdachte met het vuurwapen verborgen voor de anderen terug naar de woonkamer. [benadeelde partij] liep achter de verdachte aan. Onderwijl heeft de verdachte het vuurwapen doorgeladen en de veiligheidspal eraf gehaald. In de woonkamer draaide de verdachte zich om en richtte het vuurwapen op [benadeelde partij] . De verdachte zei daarbij dat hij wilde dat [slachtoffer] en [benadeelde partij] zijn woning zouden verlaten. [benadeelde partij] zei dat dat niet ging gebeuren en liep, terwijl de verdachte het vuurwapen op hem richtte, op de verdachte af, waarbij [benadeelde partij] bleef zeggen dat de verdachte het ziekenhuis in zou gaan. De verdachte schoot daarna op [benadeelde partij] , waarbij [benadeelde partij] werd geraakt in zijn bovenlichaam, net onder zijn ribbenboog. Ten tijde van het lossen van het schot bevond [benadeelde partij] zich op korte afstand van de verdachte.

6. […]

7. Na het - hiervoor uiteengezette - schietincident in de woning van de verdachte, zijn [slachtoffer] en [benadeelde partij] de woning van de verdachte uitgerend. Zij zijn naar de (toegangs)hal van de 8e etage - met in die hal een lift en een trap - gerend. De verdachte is met het geladen vuurwapen in zijn hand zijn woning uitgegaan en achter [slachtoffer] en [benadeelde partij] aan gegaan. De verdachte is vervolgens in de deuropening van de (toegangs) hal van die etage gaan staan. [benadeelde partij] en [slachtoffer] zijn tot het einde van de hal doorgelopen. Omdat dit een doodlopend stuk betrof, zijn [slachtoffer] en [benadeelde partij] omgekeerd en teruggekomen, op zoek naar de trap, waartoe zij zich een stukje in de richting van de verdachte, moesten begeven. De verdachte heeft op dat moment zijn vuurwapen wederom gericht en gericht laag geschoten, waarbij [slachtoffer] in zijn been is geraakt. De verdachte was ervan op de hoogte dat het einde van de (toegangs)hal doodliep.”

8. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder feit 2 bewezenverklaard dat:

9. “hij op 3 januari 2012 te Rotterdam, in de deuropening van de (toegangs)hal nabij de woning gelegen aan de [a-straat 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft geschoten en daarbij een kogel in het bovenbeen van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

10. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

11. “Ten aanzien van feit 2:

12. 5. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 januari 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17F0 2012209065-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 9 januari 2012 afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Op 3 januari 2012 zijn wij, mijn maat (het hof begrijpt: [benadeelde partij] ) en ik, de woning van [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) aan de [a-straat 1] te [plaats] uitgerend. Wij gingen het trappenhuis in. Ik zag dat [verdachte] ook de woning uitkwam en achter ons aan kwam lopen. Wij liepen een inhammetje in waarvan ik dacht dat dit toegang gaf tot de trap. Dit bleek echter dood te lopen. Wij moesten dus weer teruglopen. Ik zag dat [verdachte] op dat moment in de toegangsdeur stond, welke toegang geeft vanaf de galerij naar het trappenhuis. Ik zag [verdachte] met het wapen in zijn handen, met de loop van het wapen in onze richting. Ik zag dat hij met zijn vinger de trekker overhaalde. Ik voelde direct een branderige pijn in mijn linker bovenbeen. Later bleek dat ik in mijn linkerbeen ben geraakt en dat een kogel in mijn been is gekomen en er weer uit is gegaan.

6. Een geschrift, zijnde een FARR-verklaring. d.d. 3 februari 2012, opgemaakt en ondertekend door de forensisch arts L.C. Los. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Medische, informatie/letselbeschrijving betreffende [slachtoffer] .

Bezoek SEH 3 januari 2012.

Schotwond aan het linker bovenbeen. Aan de voorzijde van het linker bovenbeen lijkt een traject te zien van +/- 3 cm met aan de uiteinden een in- en uitschotopening.

Genezingsduur is +/- 1 tot 2 weken en blijvend litteken.

7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2012, inhoudende een door de verdachte tegenover de officier van justitie afgelegde verklaring. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 6 januari 2012 afgelegde verklaring van de verdachte:

Op 3 januari (het hof begrijpt: 2012) was ik thuis. Er werd aangebeld. Toen ik de deur opendeed, kwam ik er achter dat het [slachtoffer] was. Binnen 30 à 40 seconden nadat ik de deur had geopend, volgde er een tweede man, ook zo'n gorilla (het hof begrijpt: [benadeelde partij] ). We stonden in de woonkamer. [slachtoffer] en de gorilla verlieten de woning. Toen deed ik iets stoms, ik geef het toe. Ik liep achter [slachtoffer] en de gorilla aan, de woning uit naar het portiek/de galerij op. Daar zag ik [slachtoffer] en de gorilla lopen. Ze liepen een kant op waar ze niet weg konden. Daar was geen uitgang. Dus liepen ze terug in mijn richting. Ik heb vervolgens het wapen opnieuw gericht, dit keer naar beneden. Ik schoot de ander in zijn been. [slachtoffer] en de gorilla renden weg.

8. De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 september 2015 - zakelijk weergegeven-:

Nadat ik op [benadeelde partij] had geschoten, renden [benadeelde partij] en [slachtoffer] weg. Het klopt, dat ik vervolgens achter hen aan ben gegaan. Ik ben in de deuropening van de hal blijven staan. [benadeelde partij] en [slachtoffer] waren helemaal doorgelopen, maar omdat het daar dood loopt, moesten zij terug. Ik heb toen weer geschoten.

Erratum:

Het hof heeft op pagina 10, vierde alinea, regel 9 t/m 13 van het arrest abusievelijk overwogen dat de verdachte op 6 januari 2012 tegenover de officier van justitie heeft verklaard dat hij iets stoms heeft gedaan door achter [slachtoffer] en [benadeelde partij] aan te gaan toen zij de woning uitrenden. Dit dient gelezen te worden als: toen zij de woning verlieten.”

7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2019 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“[…]

M.b.t feit 2, het schieten op [slachtoffer] , is de vraag of er sprake is van een poging doodslag. Tevens is ook hier de vraag of sprake is van een noodweersituatie.

[….]

Bij cliënt ontstaat totale paniek (de paniek sloeg toe, mijn wereld stond stil, het ging allemaal razendsnel, pag 12 verklaring). Als [benadeelde partij] dan op een afstand is van ongeveer 2 meter schiet cliënt. Hierna rennen [benadeelde partij] en [slachtoffer] de woning uit.

Cliënt gaat vervolgens in de deuropening kijken of ze echt weg zijn en ziet dan tot zijn grote schrik dat [slachtoffer] en [benadeelde partij] weer op hem af komen. Vervolgens schiet cliënt in angst en paniek nogmaals, waarbij hij laag richt en [slachtoffer] in zijn been raakt.

Conclusies

1. Uit de verklaring van cliënt volgt dat hij alleen [slachtoffer] heeft binnengelaten, [benadeelde partij] is wederrechtelijk zijn woning ingekomen.

2. In zijn woning was cliënt vervolgens niet vrij om te gaan en staan waar hij wilde. De verdediging stelt dat in de woning sprake was van een wederrechtelijke vrijheidsberoving van cliënt. Dit is een (voortdurende) ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

3. Cliënt heeft gedreigd met een pistool toen hij bij de bank stond en [benadeelde partij] bij de deuropening (afstand ongeveer 8 meter). [slachtoffer] zat toen op de tv-meubel. Hierna komt [benadeelde partij] op hem af.

[…]

Feit 2

Cliënt heeft aangegeven dat hij weer heeft geschoten toen [slachtoffer] en [benadeelde partij] op hem afkwamen. Hij heeft hierbij eenmaal laag geschoten in de richting van [slachtoffer] . Hij wilde ze afschrikken (pv zitting Hof pag 4: ik dacht ik schiet laag om ze af te schrikken en pv zitting Rb pag 5: Ik heb laag gericht. Het was een schot om schrik aan te jagen).

[…]

Subsidiair verzoekt de verdediging om ontslag van rechtsvervolging wegens extensief noodweerexces. Van extensief noodweerexces is sprake wanneer de afweerhandelingen worden voortgezet ook al is de aanranding zelf inmiddels afgewend. Gewezen wordt op hetgeen cliënt o.a. heeft verklaard bij de politie: Ik wilde in mijn paniek en angst zeker weten dat ze weg waren en ik liep ze hierom achterna. Toen ik in de deuropening van de hal stond, kwamen ze weer op mij afgelopen. De angst en paniek was er nog steeds. Ze kwamen weer op mij af.

Op de zitting van de rechtbank verklaart cliënt p 5: Ik dacht dat ze het weer op mij gemunt hadden en dat ze daarom op mij afkwamen. Toen ik de mannen op mij afzag komen was ik niet bij zinnen.

En bij het Hof pag 4: Ik zeg u dat ik op dat moment niet in mijn hoofd had dat zij een uitgang hadden gemist. Ik had geen tijd om na te denken.

De verdediging verzoekt derhalve subs om ontslag van rechtsvervolging.”

8. Het hof heeft het beroep op extensief noodweerexces als volgt samengevat en verworpen:

Strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde en strafbaarheid van de verdachte

Namens de verdachte heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de door hem overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen, betoogd dat de verdachte een beroep op extensief noodweerexces toekomt, zodat hij ook ten aanzien van dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Van extensief noodweerexces is sprake wanneer men te lang doorgaat met de verdediging of daarmee te laat start (het zogenoemde 'tardief exces'). Op het tijdstip van de verweten gedraging is de noodweersituatie weliswaar geëindigd en daarom bestaat de noodzaak tot verdediging niet meer, doch niettemin is de gedraging het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Op basis van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de navolgende redengevende feiten en omstandigheden vast.

Na het - hiervoor uiteengezette - schietincident in de woning van de verdachte, zijn [slachtoffer] en [benadeelde partij] de woning van de verdachte uitgerend. Zij zijn naar de (toegangs)hal van de 8e etage - met in die hal een lift en een trap - gerend. De verdachte is met het geladen vuurwapen in zijn hand zijn woning uitgegaan en achter [slachtoffer] en [benadeelde partij] aan gegaan. De verdachte is vervolgens in de deuropening van de (toegangs)hal van die etage gaan staan. [benadeelde partij] en [slachtoffer] zijn tot het einde van de hal doorgelopen. Omdat dit een doodlopend stuk betrof, zijn [slachtoffer] en [benadeelde partij] omgekeerd en teruggekomen, op zoek naar de trap, waartoe zij zich een stukje in de richting van de verdachte, moesten begeven. De verdachte heeft op dat moment zijn vuurwapen wederom gericht en gericht laag geschoten, waarbij [slachtoffer] in zijn been is geraakt. De verdachte was ervan op de hoogte dat het einde van de (toegangs)hal doodliep.2

Naar het oordeel van het hof was de noodweersituatie in de woning van de verdachte reeds beëindigd nadat [slachtoffer] en [benadeelde partij] na het geloste schot uit de woning van de verdachte waren gerend. Dat toen bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding in zijn woning acht het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden. Het hof acht in dit verband van belang dat de verdachte op 6 januari 2012 - recent na het delict - tegenover de officier van justitie louter heeft verklaard dat hij iets stoms heeft gedaan door achter [slachtoffer] en [benadeelde partij] aan te gaan toen zij zijn woning uitrenden. Hij heeft verklaard dat [benadeelde partij] en [slachtoffer] een kant op liepen waar ze niet weg konden, omdat daar geen uitgang was, en dat ze dus terugliepen in zijn richting. Eerst op 7 mei 2012 heeft de verdachte verklaard dat hij uit paniek en angst zeker wilde weten dat [slachtoffer] en [benadeelde partij] weg waren en dat hij om die reden achter hen aan is gegaan. Het hof acht deze verklaring voor het achternalopen van [slachtoffer] en [benadeelde partij] niet aannemelijk, mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte pas vier maanden nadat het schietincident had plaatsgevonden met deze inkleuring van zijn emotie is gekomen. Daar komt bij dat de handelingen van de verdachte - verlaten van zijn woning, met geladen vuurwapen naar de (toegangs)hal gaan, aldaar in de deuropening gaan staan wetende dat het aan het einde van de (toegangs)hal doodloopt en gericht laag schieten - naar het oordeel van het hof niet stroken met de wijze van handelen van een in angst en paniek verkerend persoon. Naar het oordeel van het hof was dan ook geen sprake van 'invoelbaar emotioneel overreageren', doch van handelingen die van een zekere rationaliteit en berekenbaarheid getuigen. Door onder deze omstandigheden achter [slachtoffer] en [benadeelde partij] aan te gaan, is de verdachte (de mogelijkheid van) een nieuwe confrontatie met hen niet uit de weg gegaan doch heeft, hij deze juist opgezocht en aldus de kans op (een tweede) escalatie, aanvaard.

Het beroep op extensief noodweerexces wordt daarom verworpen.”

9. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verwerping van het verweer voor zover daarin een beroep wordt gedaan op extensief noodweerexces onvoldoende met redenen is omkleed, nu het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat verdachte kort na het feit heeft verklaard dat hij destijds “iets stoms” heeft gedaan en daaruit nu juist niet kan volgen dat verdachte rationeel en berekenend heeft gehandeld, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat de handelingen zich hebben afgespeeld in een zeer kort tijdsbestek, derhalve zeer kort nadat sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding waardoor verdachte genoodzaakt is geweest een pistool af te vuren.

10. In zijn arrest van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316, m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad een samenvattend overzicht gegeven van mogelijke aandachtspunten voor de beoordeling van een beroep op noodweer en noodweerexces. Hier van belang zijn de volgende overwegingen van de Hoge Raad (met weglating van de voetnoten):

Noodweerexces

3.6.1. Noodweerexces kan in beeld komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.

3.6.2. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

3.6.3. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde "onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.

3.6.4. Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een beroep op noodweerexces mogelijk is in gevallen waarin de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet direct van het slachtoffer zelf uitging. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in situaties waarin het slachtoffer wel een aandeel had in de aanranding of de dreiging daarvan, of waarin sprake was van andere gedragingen van het slachtoffer waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die ertoe hebben geleid dat de verdachte - handelende in een hevige gemoedsbeweging - zich op het slachtoffer richtte.”

11. Het hof heeft het voor (extensief) noodweerexces toepasselijke toetsingskader niet miskend. Maar is het bestreden oordeel van het hof, dat van feitelijke aard is, ook voldoende begrijpelijk?3

12. Naar het oordeel van het hof is in de woning van de verdachte sprake geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, maar was deze noodweersituatie reeds beëindigd nadat [slachtoffer] en [benadeelde partij] na het eerste door de verdachte geloste schot (op [benadeelde partij] ) de woning van de verdachte hadden verlaten. Dit oordeel wordt in de schriftuur niet betwist, zodat daarvan in cassatie kan worden uitgegaan.

13. Uit de – evenmin in cassatie bestreden – vaststellingen van het hof ter zake van de feitelijke gang van zaken na het verlaten van de woning van de verdachte, blijkt het volgende. Na het schietincident in de woning van de verdachte, gelegen op de achtste etage van een appartementencomplex, verlaten [slachtoffer] en [benadeelde partij] de woning van de verdachte. Zij rennen naar de (toegangs)hal, waarin zich een lift en een trap bevinden. De verdachte gaat met zijn nog geladen vuurwapen in de hand achter [slachtoffer] en [benadeelde partij] aan. Hij blijft in de deuropening van de (toegangs)hal staan. [slachtoffer] en [benadeelde partij] lopen tot het einde van de hal door. Deze hal loopt dood. De verdachte wist dit. [slachtoffer] en (de gewonde) [benadeelde partij] lopen op zoek naar de trap terug in de richting van de verdachte. De verdachte richt op dat moment zijn vuurwapen op [slachtoffer] en schiet gericht laag, waardoor [slachtoffer] in zijn been wordt geraakt.

14. Voorts heeft het hof geoordeeld dat nadat de noodweersituatie was beëindigd en [slachtoffer] en [benadeelde partij] de woning van de verdachte hadden verlaten het, zo begrijp ik de overweging van het hof, niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding in zijn woning. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte recent na het delict tegenover de officier van justitie louter heeft verklaard dat hij “iets stoms” had gedaan door achter [slachtoffer] en [benadeelde partij] aan te gaan toen deze zijn woning uitrenden en dat zij een kant opliepen waar zij niet weg konden (omdat daar geen uitgang was) en weer in zijn richting terugliepen. Ook heeft het hof daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte pas vier maanden na het schietincident met een inkleuring van zijn emotie is gekomen door toen pas te verklaren dat hij, naar zijn zeggen uit paniek en angst, zeker wilde weten dat [slachtoffer] en [benadeelde partij] weg waren en dat hij om die reden achter hen is aangegaan. Naar het oordeel van het hof stroken de handelingen van de verdachte – het verlaten van zijn woning en met een geladen vuurwapen naar de (toegangs)hal gaan, aldaar in de deuropening gaan staan wetende dat het aan het einde van de hal doodloopt en gericht laag schieten – niet met de wijze van handelen van een in angst en paniek verkerend persoon, maar getuigen die handelingen juist van een zekere rationaliteit en berekenbaarheid. Van een ‘invoelbaar emotioneel overreageren’ is geen sprake geweest, aldus het hof, integendeel: door onder deze omstandigheden achter [slachtoffer] en [benadeelde partij] aan te gaan, is de verdachte de mogelijkheid van een nieuwe confrontatie niet uit de weg gegaan en heeft hij de kans op een tweede escalatie aanvaard.

15. Deze motivering van het hof vertoont gelijkenis met die van het hof ‘s-Hertogenbosch in een zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, NJ 2008/510, m.nt. Borgers. In die zaak was de verdachte, terwijl hij bij zijn nieuwe vriendin sliep, door de ex-vriend van zijn vriendin aangevallen. Tussen de verdachte en het slachtoffer was in de slaapkamer een worsteling ontstaan. Het gevecht verplaatste zich naar de overloop. Daar viel het slachtoffer op de een of andere manier van de trap. De verdachte ging de trap af. Het slachtoffer probeerde overeind te komen, maar de verdachte sloeg en schopte het slachtoffer tegen het hoofd en het lichaam, ook toen het slachtoffer op de grond lag. De verdachte vroeg aan het slachtoffer wat hij met de computer en de telefoon had gedaan. Op enig moment hield de verdachte op met slaan en schoppen. Na enige tijd sleepte hij het slachtoffer naar buiten en legde hem neer op een grasveldje voor de woning van zijn vriendin. De Hoge Raad overwoog, voor zover voor beoordeling van het middel van belang, als volgt:

“Het derde middel behelst voorts de klacht dat onbegrijpelijk is de overweging van het Hof dat handelen vanuit een door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging niet aannemelijk is geworden, omdat het handelen van de verdachte veeleer getuigt van een zekere rationaliteit en doelgerichtheid. Blijkens de hiervoor onder 3.2.4 weergegeven overwegingen heeft het Hof onderzocht of ten tijde van de confrontatie onderaan de trap (de tweede fase) sprake was van een door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft daarbij niet miskend dat aan een geslaagd beroep op noodweerexces niet in de weg behoeft te staan dat ook andere factoren dan de wederrechtelijke aanranding hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft echter niet aannemelijk geacht dat het handelen van de verdachte in de tweede fase het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanige hevige angst of woede, veroorzaakt door de eerdere aanranding, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41, tweede lid, Sr. Het Hof heeft een zekere rationaliteit en doelgerichtheid – waarmee het Hof kennelijk het oog erop had dat de verdachte met een bepaalde mate van berekening het slachtoffer (definitief) wilde uitschakelen – en dus niet een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging doorslaggevend geacht in het handelen van de verdachte. Het Hof is mede op grond van door de verdachte afgelegde verklaringen tot dat oordeel gekomen. Het niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende oordeel van het Hof is, gelet op de door het Hof vastgestelde feiten, niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. Het derde middel faalt ook in zoverre.”

16. Eveneens met de onderhavige zaak vergelijkbaar en van recenter datum is HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:904. De verdachte had buiten zijn belwinkel zijn ex-zwager meerdere malen met een bezemsteel op het hoofd en lichaam geslagen na een confrontatie kort daarvoor in de belwinkel waarbij de verdachte met een schroevendraaier in zijn rug was gestoken door de ex-zwager. Uit het gedrag van de verdachte, te weten dat hij eerst korte tijd naar buiten was gelopen, hij vervolgens de winkel weer was ingelopen, hij de deur van de winkel had gesloten, hij rond had gekeken, en een bezem had gepakt, hij in de winkel een klant die probeerde te verhinderen dat hij naar buiten ging aan de kant had geschoven en hij vervolgens naar buiten was gegaan om zijn ex-zwager (alsnog) met een bezem te slaan, leidde het hof – bij afwezigheid van een nadere onderbouwing van het tegendeel – af dat verdachte zich in emotioneel opzicht weer voldoende in de hand had en dat bij de verdachte geen sprake meer was van een door die eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Het hof verwierp het beroep op (extensief) noodweerexces. De Hoge Raad hield het oordeel van het hof in stand en overwoog daartoe:

“Het hof heeft aan de verwerping van het beroep op noodweerexces kennelijk ten grondslag gelegd dat weliswaar een hevige gemoedsbeweging direct na het beëindigen van de noodweersituatie niet kon worden uitgesloten, maar dat daarvan ten tijde van de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling met een bezemsteel geen sprake meer was. Daarbij heeft het hof overwogen dat de verdachte zich toen in emotioneel opzicht weer voldoende in de hand had gelet op zijn gestructureerde handelen na de beëindiging van de noodweersituatie waarin hij de winkel korte tijd verliet, vervolgens terugkeerde in de winkel, de toegangsdeur dicht deed, rondkeek en een bezem pakte, vervolgens een klant opzij duwde die hem probeerde tegen te houden, de toegangsdeur opende en met een bezem de winkel verliet. Het hierop gebaseerde oordeel dat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, mede in het licht van hetgeen is aangevoerd, niet onbegrijpelijk.

17. Er is nog een aspect waarvoor ik hier aandacht vraag, en dat is het oordeel van het hof in de onderhavige zaak dat “geen sprake was van ‘invoelbaar emotioneel overreageren’, doch van handelingen die van een zekere rationaliteit en berekenbaarheid getuigen”.

18. In de hierboven weergegeven overweging van HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:904 haalt de Hoge Raad de overweging van het hof aan dat de verdachte zich toen in emotioneel opzicht weer voldoende in de hand had gelet op zijn gestructureerde handelen na de beëindiging van de noodweersituatie etc. en oordeelt hij dat het daarop gebaseerde oordeel dat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en, mede in het licht van hetgeen is aangevoerd, niet onbegrijpelijk is.4 In haar conclusie die aan dit arrest voorafgaat, ziet mijn ambtgenoot Spronken in het verband van noodweerexces een verschil tussen ‘gestructureerd handelen’ en ‘bewust handelen’. Daarbij gaat zij in op de zaak die voorlag in HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:195, NJ 2020/262, m.nt. Jörg, in welke zaak (het betrof een slepende familietwist) de verdachte een ander met een mes in de rug had gestoken en het hof het beroep op noodweerexces had verworpen op de grond dat de verdachte bewust was geweest van zijn handelen en bewust had gestoken. In zijn noot onder dat arrest van 4 februari 2020 schrijft Jörg treffend dat het hof daarmee het domein van de concrete feiten had verlaten en een nieuwe subregel voor noodweerexces had geformuleerd, te weten dat (volgens het hof) bewust handelen eraan in de weg staat om een hevige gemoedsbeweging te kunnen aannemen. De Hoge Raad vond dit te ver gaan en casseerde de uitspraak van het hof:

“3.3 Het oordeel van het hof dat geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging vanwege de enkele omstandigheid dat de verdachte zich bewust was van zijn handelen en bewust heeft gestoken om een einde te maken aan de ruzie is zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat ‘bewust handelen’ niet zonder meer onverenigbaar is met “een hevige gemoedsbeweging” als bedoeld in artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.”

Volgens Spronken valt deze overweging goed te plaatsen in het licht hiervan dat enkel ‘bewust handelen’ minder omvat dan ‘gestructureerd handelen’, nu het gestructureerd handelen een samenstel van meerdere handelingen impliceert, waarin een zekere systematiek, orde of doelgerichtheid te ontwaren valt. Bewust handelen is vergeleken daarmee een veel abstracter begrip; ook in een toestand van hevige gemoedsbeweging kan iemand immers bewust handelen. Spronken komt in haar conclusie (vóór HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:904) tot de slotsom dat het middel faalt. De Hoge Raad heeft haar daarin dus gevolgd.

19. In zijn conclusie voorafgaand aan HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1054 (de zaak betrof een mislukte ripdeal in een hotelkamer waarbij werd geschoten) heeft mijn ambtgenoot Vegter de vraag opgeworpen “of gericht schieten inderdaad uitsluit dat er is geschoten, terwijl of omdat verdachte bang (angst) of in paniek was”. Het komt Vegter voor dat van absolute uitsluiting van gericht schieten door angst geen sprake hoeft te zijn, en dat het dan toelichting verdient waarom angst en/of paniek en gericht schieten zich in een concreet geval niet met elkaar verdragen. Zijn standpunt, dat denk ik op zichzelf onderschreven kan worden, luidt dat het gericht schieten zonder ontbrekende toelichting nog niet zonder meer uitsluit dat gehandeld is vanuit een hevige gemoedsbeweging als angst en/of paniek. De klacht over de verwerping van het beroep op noodweerexces trof zijns inziens bij één van de feiten doel. In deze zaak volgt de Hoge Raad de advocaat-generaal niet in zijn conclusie:

“2.5.1 Aan de verwerping van het beroep op noodweerexces ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde heeft het hof onder meer ten grondslag gelegd dat het de verklaring van de verdachte dat hij in paniek met een arm voor zijn ogen geschoten heeft, niet aannemelijk vindt. Het hof heeft dit aspect van de verklaring van de verdachte echter wel voor het bewijs gebruikt als onderdeel van bewijsmiddel 9. Over die inconsistentie klaagt het middel terecht.

2.5.2 Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden. Het betreft een kennelijke vergissing van het hof dat het deze onderdelen van bewijsmiddel 9 in de bewijsmotivering heeft opgenomen. De bewijsmiddelen 11, 12 en 13 bieden geen steun voor deze onderdelen, evenmin als de vaststellingen van het hof dat minimaal vijf keer door de verdachte is geschoten, alle aangetroffen projectielen in de lichamen van de Colombianen zijn aangetroffen en in de hotelkamer geen kogelbeschadigingen zijn aangetroffen dan enkel één in de post van de badkamer/toiletdeur. Het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een gericht en beheerst schieten en dat het daarom niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft geschoten ten gevolge van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de dreigende ogenblikkelijke aanranding van zijn en [betrokkene 5] lijf, is gelet daarop niet onbegrijpelijk.”

20. Uit de hiervoor besproken rechtspraak kan worden opgemaakt dat ‘bewust’ handelen niet uitsluit dat de verdachte in een hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld. Het komt daarbij wel op de motivering van het oordeel aan. Gestructureerd handelen, hetgeen dan uiteraard door de feitenrechter moet zijn vastgesteld, gaat verder en lijkt gelet op HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:904 de daarop gebaseerde verwerping van het beroep op (extensief) noodweerexces zelfstandig te kunnen dragen. In ieder geval zal, zoals mijn ambtgenoot Vegter onder verwijzing naar een publicatie van Ter Haar opmerkt,5 een verdachte die in zijn gestelde ‘exceshandelen’ enige rationaliteit of doelgerichtheid aan de dag heeft gelegd, zijn beroep op noodweerexces niet snel gehonoreerd zien.

21. De “rationaliteit en berekenbaarheid” waarvan het hof spreekt in zijn oordeel ten aanzien van het tweede schietincident – het gericht laag schieten waardoor [slachtoffer] in zijn been wordt geraakt (feit 2) –, komen naar hun inhoud en betekenis overeen met de rationaliteit en doelgerichtheid waarop in het vorige randnummer is gewezen. Het hof heeft de rationaliteit en berekenbaarheid, mede in het licht van hetgeen is aangevoerd, gemotiveerd vastgesteld. Anders dan de stellers van het middel menen, heeft het hof deze vaststelling niet alleen gegrond op de verklaring van de verdachte dat hij “iets stoms” heeft gedaan. Daarop struikelt de klacht al; de feitelijke grondslag ontbreekt. Daarnaast is door het hof overwogen dat de verdachte pas vier maanden later met een inkleuring van zijn emoties is gekomen en de door het hof genoemde handelingen van de verdachte niet stroken met de wijze waarop een in angst en paniek verkerend persoon zou handelen. Daar komt bij dat door de stellers van het middel niet is verduidelijkt waarom eigenlijk uit die eerdere verklaring van de verdachte dat hij “iets stoms” heeft gedaan niet een rationeel en berekenend handelen zou kunnen volgen.

22. Na het voorgaande kan mijn slotsom kort zijn: het hof heeft het beroep op noodweerexces verworpen op gronden die deze verwerping kunnen dragen (ook waar door het hof in aanmerking is genomen dat de verdachte met zijn handelen een nieuwe confrontatie niet uit de weg is gegaan en hij deze juist heeft opgezocht en daarmee de kans op (een tweede) escalatie heeft aanvaard).

23. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij akte van 4 februari 2020 is het cassatieberoep partieel ingetrokken in zoverre dat het zich niet richt tegen de door het hof genomen beslissingen aangaande feit 1 en de door het hof verleende vrijspraak van poging tot moord en poging tot doodslag aangaande feit 2.

2 Hoewel deze passage ook al in randnummer 4 is opgenomen, heb ik haar voor de leesbaarheid hier laten staan.

3 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 263.

4 Vgl. ook HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012/520, m.nt. Keulen (‘met een bepaalde mate van berekening het slachtoffer (definitief) willen uitschakelen’).

5 R. ter Haar, ‘Proportionaliteit en noodweerexces: over de grenzen van het noodweerrecht en de verantwoordelijkheid van de aanvaller voor de overschrijding van die grenzen, TPWS 2018/62. Daarin schrijft Ter Haar voorts: “Het affect heeft een directe, onmiddellijke reflexieve werking op de zelfbeheersing. Het is het tegenovergestelde van bezinning, van ‘normreflectief handelen”.