Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:80

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-02-2020
Datum publicatie
06-02-2020
Zaaknummer
18/03501
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:489
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Middelen over (1) opzet bij brandstichting, (2) de formulering van een bijzondere voorwaarde bij de strafoplegging (klinische of ambulante behandeling) en (3) de termijnoverschrijding in cassatie. Conclusie strekt inzake (3) tot vernietiging t.a.v. de strafoplegging en tot verwerping voor het overige (1 en 2).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03501

Zitting 4 februari 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980 ,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 17 juli 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met algemene en bijzondere voorwaarden (waarover in de bespreking van het tweede middel meer).

  2. Namens de verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring van het opzet onvoldoende met redenen is omkleed.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

    “hij op 13 oktober 2015 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een kastruimte in een appartement op het adres [a-straat 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht en/of laten komen met brandba(a)r(e) materia(a)l(en), aanwezig in die kastruimte, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en de in de kastruimte aanwezige goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de (overige) in het appartementencomplex aanwezige bewoners en/of bezoekers te duchten was.”

  5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (hier weergegeven zonder voetnoten):

    “1. Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 14 oktober 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

    Ik ben namens de benadeelde Woonstichting Thuis gerechtigd tot het doen van aangifte.

    Op 13 oktober 2015 omstreeks 12.00 uur werd ik gebeld door een bewoner van het appartementencomplex gevestigd aan het [a-straat] te [plaats]. De man, de bewoner van appartement [a-straat 2] , vertelde mij dat appartement [a-straat 1] in brand stond.

    Het betreffende appartement is verhuurd aan [betrokkene 2] . Zij woont daar met twee kinderen, respectievelijk 4 en 8 jaar oud. De partner is [verdachte] .

    Het appartementencomplex bestaat uit 12 appartementen over drie woonlagen, begane grond, eerste en tweede verdieping. Het betreffende appartement bevindt zich op de 1e verdieping, in het midden. Aan weerskanten van het appartement en boven en onder zijn buren. Op het moment van de brand waren veel bewoners thuis. Er was veel gevaar voor de bewoners aanwezig in het appartementencomplex.

    2. Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 14 oktober 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] :

    Op 13 oktober 2015 omstreeks 11.40 uur was ik op het [a-straat 3] te [plaats] op bezoek bij een collega en keek ik uit over de straat. Mijn aandacht werd getrokken door iemand die ik zag rennen. Ik zag dat de man tijdens het rennen verschillende keren naar het appartement keek. Wij zijn naar buiten gegaan. Ik zag dat er zwarte rook vanuit de ventilatieroosters van het appartement kwam. Ik heb tegen mijn collega verteld hoe de man eruit zag. Mijn collega vertelde dat dit mogelijk de bewoner is geweest van [a-straat 1] te [plaats], alwaar ook de brand in de woning was.

    Het signalement van de man die wegrende is als volgt:

    - tussen de (het hof begrijpt) 1.70 en 1.80 meter;

    - stevig figuur;

    - getint, donkerder dan een Turk of Marokkaan. Ik denk eerder aan een Somalische man;

    - baardje en zijn sikje viel mij op;

    - hij droeg een grijze broek;

    - leeftijd ongeveer 40 jaar.

    Zijn gedrag was verdacht doordat hij een paar keer omkeek in de richting waar later brand bleek te zijn.

    3. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 oktober 2015, voor zover inhoudende als relaas van de waarnemingen en/of bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] of één van hen:

    Op 13 oktober 2015 omstreeks 11.48 uur kregen wij van de politiemeldkamer een melding van een woningbrand op de [a-straat 1] te [plaats]. Wij waren omstreeks 11.55 uur ter plaatse.

    Wij zagen dat de woning welke in brand stond [a-straat 1] te [plaats] betrof. Door de brandweercommandant is aan mij, verbalisant [verbalisant 1] , medegedeeld dat de brand in de bergkast achter de keuken zou zijn ontstaan.

    Omstreeks 13.25 uur kwam [verdachte] , [betrokkene 2] en een kennis van [betrokkene 2] ter plaatse op de [a-straat] te [plaats]. Wij zagen dat verdachte [verdachte] aan het signalement, welke getuige [betrokkene 3] eerder opgaf, voldeed. Wij zagen namelijk:

    - dat hij gezet van postuur was;

    - dat hij een grijze broek droeg;

    - dat hij een baardje heeft met een lang stuk haren t.h.v. zijn kin;

    - da hij een donkerdere huidskleur heeft dan een Turk of een Marokkaan;

    - dat hij ongeveer 40 jaar zou zijn;

    - dat hij ongeveer 1.75m zou zijn.

    4. Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 15 oktober 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] :

    Ik woon op de [a-straat 2] te [plaats]. Ik woon op de begane grond. Boven mij woont een man en een vrouw met 2 kinderen.

    In de ochtend van 13 oktober 2015 zag ik toen ik naar buiten keek, de bovenbuurman hard voorbij lopen. Even later moest ik naar de wc. Ik rook daar een enorme plastic geur. Ik ben toen naar buiten gelopen. Ik zag dat er rook bij de deur aan de achterzijde (het hof begrijpt: van het appartement) van mijn bovenbuurman af kwam.

    5. Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 16 november 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :

    In de ruimte waar de verwarmingsketel staat, liggen oude kleren van de kinderen, een prullenbak, schoonmaakmiddelen en boodschappen.

    Op de bovenste plank die aan de muur was bevestigd, lagen dozen. Op de middelste planken lagen dozen en boodschappen. Op de onderste planken lagen alleen maar papieren en onder de onderste planken lagen kleding, kabels en schoenen. Onder de cv-ketel stond het groenterekje en ook de prullenbak. Het groenterekje was ongeveer de hoogte tussen een salontafel en een bureaublad. De prullenbak was even hoog als het groenterekje. Ik heb ook wasbenzine. Die stond voor zover ik weet op de bovenste plank.

    6. Een proces-verbaal bevindingen, d.d. 21 oktober 2015, voor zover inhoudende als relaas van de waarnemingen en/of bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

    Op 13 oktober 2015 omstreeks 14.00 uur werd door ons een forensisch technisch onderzoek verricht naar aanleiding van een woningbrand in de woning gelegen aan de (het hof begrijpt:) [a-straat 1] te [plaats]. Daarnaast werd op 15 oktober 2015 omstreeks 09.30 uur een aanvullend onderzoek uitgevoerd door [betrokkene 5] , werkzaam als brandonderzoeker bij het TBO (Team Brand Onderzoeken) van de regionale brandweer, in het bijzijn van mij, verbalisant [verbalisant 3] .

    De brand had gewoed in een kastruimte nabij de keuken, waarin zich onder andere een cv-ketel bevond. Door ons werden tijdens het onderzoek geen aanwijzingen verkregen dat de brand was ontstaan door een elektrische oorzaak dan wel de cv- ketel. Derhalve is de brand vermoedelijk ontstaan door het, al dan niet opzettelijk, inbrengen van open vuur.

    7. Een proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 11 juni 2016, voor zover inhoudende als relaas van de waarnemingen en/of bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

    Op 13 oktober 2015 werd door ons een brandonderzoek ingesteld in de woning [a-straat 1] te [plaats]. Het onderzoek werd verricht naar aanleiding van een brand in genoemde woning welke plaats vond op 13 oktober 2015.

    Naar aanleiding van het ingestelde forensisch technisch sporenonderzoek en de daarbij gedane waarnemingen en de verkregen informatie kan door ons worden gesteld dat:

    1. Met betrekking tot het ontstaan van de brand;

    - gelet op de aangetaste muren van de kast,

    - gelet op de aangetaste tussendeur,

    - gelet op de brandschade aan de planken,

    - gelet op de aangetaste cv-ketel,

    - gelet op het brandbeeld in de cv-ketel,

    de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan op de planken links naast de cv-ketel.

    2. Met betrekking tot de brandoorzaak;

    - gelet op de plaats waar de brand waarschijnlijk was ontstaan,

    - gelet op het brandbeeld,

    - gelet op het feit dat de knelkoppelingen van alle leidingen onder de ketel intact waren, kon een oorzaak ten gevolge van de vrijkomende gassen worden uitgesloten,

    - gelet op het kunnen uitsluiten van een technische dan wel elektrische oorzaak,

    - gelet op het detecteren met de MiniRae 2000 van ontbrandbare vloeistoffen dat een elektrische dan wel technische oorzaak door ons kon worden uitgesloten. Dat de brand waarschijnlijk is ontstaan door het al dan niet opzettelijk inbrengen van open vuur. Echter, gezien de aangetroffen situatie en het waargenomen brandbeeld dit beter past in het beeld van dat er door derden opzettelijk vuur in de woning was ingebracht, met andere woorden brandstichting.

    3. Met betrekking tot gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten was geweest;

    - gelet op het gegeven dat de betreffende woning een flatwoning betrof,

    - gelet op de verkregen informatie dat in een aangrenzende woning op het moment van het uitbreken van de brand personen aanwezig waren,

    - gelet op het gegeven dat de betreffende woning was gelegen binnen de bebouwde kom van [plaats] in een dichtbevolkte woonomgeving;

    dat gemeen gevaar voor personen en goederen aanwezig was.

    Gelet op het aangetroffen brandbeeld:

    - De inbranding van de kastdeur deed vermoeden dat de brandhaard zich rechts van de scharnierzijde, kijkend vanuit de kast naar de deur, in de kast bevond.

    - De inbrandhoogte van de kastdeur (ongeveer 140 cm vanaf de vloer) deed vermoeden dat de vuurbelasting hoog in de kast had plaatsgevonden.

    - Het feit dat er een gedeelte van het stucwerk van de muur, aan de zijde van de cv-ketel, weg was deed vermoeden dat daar de vuurbelasting hoog was geweest. De niet-aangetaste plastic onderdelen, de afvoer (onder de cv boven de vloer), de verwarmingsbuizen en de rode vulkraan bij het expansievat deed vermoeden dat de vuurbelasting zich niet voor de ketel had bevonden (links van de ketel). Tevens deed dit vermoeden dat de brandhaard zich hoger dan de genoemde onderdelen had bevonden.

    Samenvattende bevindingen:

    Gelet op de niet-aangetaste plastic onderdelen is het minder aannemelijk dat de brandhaard zich voor de ketel laag bij de vloer heeft bevonden.

    Gelet op de inbranding van de kastdeur, 140 cm, en het intact zijn van de rode vulkraan is het minder aannemelijk dat de brandhaard zich lager dan de genoemde kraan had bevonden, indien de locatie van de brandhaard direct links van de ketel was.

    8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Oost-Brabant d.d. 12 januari 2017, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

    Ik was op 13 oktober 2015 alleen in mijn appartement aan het [a-straat 1] te [plaats], ten tijde van het ontstaan van de brand.

    Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 juli 2018 heeft verdachte verklaard te blijven bij voornoemde verklaring.”

    6. Voorts heeft het hof met betrekking tot het bewijs overwogen:

“De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman - op gronden als verwoord in de pleitnota en mede onder verwijzing naar het zogenaamde Schipholbrand-arrest - aangevoerd dat niet met voldoende zekerheid kan worden gezegd dat verdachte opzettelijk de brand heeft gesticht dan wel dat verdachte de gevolgen van zijn veronderstelde handelen had kunnen en moeten voorzien, zodat ook niet gezegd kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de culpoze brandstichting. De raadsman is hierbij uitgegaan van de juistheid van de verklaring van verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft over de brand in zijn woning gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] verklaard dat hij in de keuken van zijn woning een sigaret heeft gerookt, dat hij de sigaret heeft gedoofd op een schoteltje op de tafel in de keuken, dat hij de gedoofde sigarettenpeuk vanaf het schoteltje in de prullenbak heeft gegooid die in de kastruimte in de keuken stond, dat hij vervolgens is gaan douchen en dat hij na het douchen merkte dat er brand was uitgebroken, waarna hij de woning heeft verlaten, naar de bus is gerend en met de bus naar een afspraak met zijn vrouw in het centrum van Eindhoven is gegaan. Het ontstaan van de brand moet daarom volgens verdachte - zo heeft hij achteraf geconcludeerd - berusten op een ongeluk, dat hij niet kon of heeft kunnen voorzien.

Volgens de partner van verdachte, [betrokkene 2] , stond de betreffende prullenbak onder de cv-ketel en had de prullenbak ongeveer de hoogte tussen een salontafel en een bureaublad. Dit komt overeen met de verklaring van verdachte afgelegd ten overstaan van de politie inhoudende dat de prullenbak ongeveer 50 centimeter hoog was (pagina 128 van het politiedossier). De verklaring van verdachte volgend, zou in dat geval de brand zijn ontstaan onder de cv-ketel op een hoogte van maximaal ongeveer 50 centimeter van de grond.

Dit scenario wordt echter weersproken door het forensisch technisch onderzoek dat naar aanleiding van de betreffende woningbrand is verricht. De conclusies die uit de bevindingen van dit onderzoek op dit punt worden getrokken, zijn dat:

- de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan op de planken links naast de cv-ketel,

- de inbranding van de kastdeur op 140 centimeter doet vermoeden dat de vuurbelasting hoog in de kast heeft plaatsgevonden en

- gelet op de niet-aangetaste plastic onderdelen (onder de cv boven de vloer) het minder aannemelijk is dat de brandhaard zich voor de ketel laag bij de vloer heeft bevonden.

Van discrepanties of omissies in het forensisch technisch onderzoek in de woning van verdachte is het hof niet gebleken en deze zijn door de verdediging ook niet aangevoerd. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van de conclusies en bevindingen uit het onderzoek.

Het hof acht op grond van het vorenstaande de verklaring van verdachte met betrekking tot het ontstaan van de brand in zijn woning onaannemelijk. Het hof wordt in dit oordeel nog gesterkt door het feit dat verdachte aanvankelijk bij de politie en tijdens het verhoor in het kader van de vordering tot inbewaringstelling heeft verklaard dat hij, toen hij zijn woning verliet, niet wist dat daar brand was. Pas nadat verdachte werd geconfronteerd met diverse (aantoonbare) onwaarheden in zijn verklaringen, heeft hij erkend dat hij tijdens het ontstaan van de brand in de woning was en de brand ook had opgemerkt. Ook de verklaring van verdachte ter zitting dat hij geschrokken, verlamd en in paniek was geraakt toen hij de brand had ontdekt, wordt door het hof niet aannemelijk geacht.

Op grond van de hiervoor vermelde door het hof gebezigde bewijsmiddelen is voor het hof voorts komen vast te staan dat er geen aanwijzingen zijn dat de brand een technische dan wel elektrische oorzaak had en dat de aangetroffen situatie en het waargenomen brandbeeld beter past in het beeld van dat er door derden opzettelijk vuur in de woning is ingebracht, met andere woorden brandstichting. Nu daarnaast voor het hof is komen vast te staan dat er geen andere personen dan verdachte in de woning aanwezig waren ten tijde van het ontstaan van de brand, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die opzettelijk vuur in de betreffende kastruimte heeft ingebracht, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de (overige) in het appartementencomplex aanwezige bewoners en/of bezoekers te duchten was. Het feit dat verdachte aanvankelijk heeft verzwegen dat hij de brand heeft opgemerkt vóórdat hij op 13 oktober 2015 zijn woning verliet, gecombineerd met de wijze waarop hij de woning heeft verlaten en het feit dat verdachte die dag heeft nagelaten na het constateren van de brand de brandweer of anderen te alarmeren en (naar zijn zeggen) zelfs zijn vrouw niet heeft ingelicht toen hij haar in de stad ontmoette, sterkt het hof in de overtuiging dat het niet anders kan dan dat verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht.”

7. Allereerst heeft het hof de verklaring van de verdachte, die erop neerkomt dat de brand mogelijk is ontstaan doordat hij een gedoofde sigarettenpeuk in een prullenbak had gegooid die in de kastruimte in de keuken stond, als onaannemelijk aangemerkt op grond van de bevindingen en conclusies uit het forensisch technisch onderzoek naar de oorzaak van de woningbrand. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte wisselende verklaringen met aantoonbare onwaarheden over de brand heeft afgelegd en hij aanvankelijk de constatering van de brand heeft verzwegen en ook heeft nagelaten de brandweer of anderen te alarmeren. Voorts heeft het hof in zijn oordeel dat de verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht de vaststellingen betrokken dat de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan op de planken links van de cv-ketel en dat er geen aanwijzingen zijn dat de brand een technische dan wel elektrische oorzaak had. Op grond van de, in ’s hofs bewijsvoering vervatte, redengevende feiten en omstandigheden heeft het hof geoordeeld, en kunnen oordelen, dat het niet anders kan dan dat de verdachte opzettelijk de brand heeft gesticht. Dat in de als bewijsmiddelen 6 en 7 gebezigde processen-verbaal wordt gerept van “vermoedelijk”, “waarschijnlijk” en “al dan niet opzettelijk”, doet aan het oordeel van het hof niet af; de beantwoording van de rechtsvraag of van opzet sprake is, is immers voorbehouden aan de rechter.

8. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, heeft het hof het bestreden oordeel (dus) mede gebaseerd op de vaststelling dat geen aanwijzingen voor een technische of elektrische oorzaak van de brand zijn gebleken.

9. De bewezenverklaring is, ook in het licht van hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, voldoende met redenen omkleed.

10.Het middel faalt.

11.Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde dat de verdachte “zich onder behandeling zal stellen van de GGZE De Omslag of een soortgelijke zorginstelling, op tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven” onverenigbaar is met art. 14c, tweede lid, Sr, nu niet tevens is bepaald dat deze behandeling een ambulant karakter heeft.

12. Art. 14c, tweede lid, Sr luidde van 1 april 2012 tot 18 september 2018, voor zover hier relevant1:

“Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:

(…)

10° opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;

11° een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;”

13. Het bestreden arrest houdt onder het opschrift “Beslissing” in:

“Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest telefonisch zal melden bij Reclassering Nederland, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te ‘s-Hertogenbosch (telefoonnummer 073-6408080);

- zich daarna zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich onder behandeling zal stellen van de GGZE De Omslag of een soortgelijke zorginstelling, op tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, ten einde een langdurig sturend contact met veroordeelde te onderhouden.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.”

14. Ik meen dat aan het middel een onjuiste lezing en kwalificatie van de bedoelde bijzondere voorwaarde ten grondslag ligt. Het hof heeft namelijk te dien aanzien niet de intramurale opneming in een zorginstelling in de zin van art. 14c, tweede lid onder 10°, Sr opgelegd. De beslissing van het hof laat in dit verband geen andere lezing toe dan dat het met toepassing van art. 14c, tweede lid onder 11°, Sr de verdachte heeft verplicht tot het zich (ambulant) onder behandeling stellen van een zorginstelling zonder (dus) dat hij daartoe in een inrichting wordt opgenomen. Gezien de kernstukken was een klinische behandeling niet aan de orde en ook helemaal niet geïndiceerd.2

15. Daarin is een wezenlijk verschil gelegen met de door de steller van het middel aangehaalde arresten van HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2593 en HR 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:946.3 In die zaken liet het hof het aan de reclassering om te bepalen of de veroordeelde “zich onder klinische dan wel ambulante (psychotherapeutische) behandeling” moest laten stellen respectievelijk “zich ambulant of klinisch” moest laten behandelen. En dat nu was volgens de Hoge Raad onverenigbaar met de desbetreffende bepaling, omdat de beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging, en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter. De Hoge Raad deed de zaak zelf af en vernietigde de bestreden uitspraak wat betrof de woorden “klinische dan wel” respectievelijk “of klinisch”. Deze uitspraken zijn begrijpelijk indien wordt bedacht dat een intramurale behandeling vrijheidsontneming met zich brengt en derhalve op grond van art. 113, derde lid, van de Grondwet alleen kan worden opgelegd door de rechterlijke macht.4 De aanname in de schriftuur dat “iets soortgelijks geldt voor de in art. 14c, tweede lid onder 11, Sr [neergelegde] voorwaarde van behandeling door een deskundige of zorgstinstelling, die een ambulant karakter moet hebben en géén klinische behandeling mag omvatten”, vindt geen steun in het recht.

16. Twee arresten die niet in de schriftuur worden genoemd maar wel gelijkenis vertonen met de onderhavige zaak zijn HR 26 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8475, NJ 1985/139 en HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806. Weliswaar ging het in deze arresten om art. 14c, tweede lid, (oud) Sr, zoals dat tot 1 april 2012 luidde.5 Kort gezegd oordeelde de Hoge Raad toen dat “in het recht geen steun [is] te vinden voor de opvatting dat de rechter het niet aan een reclasseringsvereniging mag overlaten om onder goedkeuring van de reclasseringsraad te bepalen of en gedurende welke periode – tijdens de door de rechter vastgestelde proeftijd – de veroordeelde zich onder psychiatrische behandeling buiten een inrichting zal stellen”. Bij arrest van 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5449, NJ 2013/132 heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechtspraak ten aanzien van art. 14c (oud) Sr ook van toepassing is op het nieuwe art. 14c Sr.

17. Het middel faalt.

18. Het derde middel klaagt dat de inzendingstermijn in cassatie is overschreden.

19. Dit middel is terecht voorgesteld: tussen het instellen van het cassatieberoep op 19 juli 2018 en de binnenkomst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad op 9 april 2019 zijn meer dan acht maanden verstreken. Daarmee is de redelijke inzendtermijn overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Deze termijnoverschrijding moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

20. Het middel is gegrond.

21. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij Wet van 15 juni 2018, houdende verbeteringen in enkele wetten van het ministerie van Justitie en Veiligheid (Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2018), Stb. 2018, 228 zijn de leden 1, 3 en 4 aangepast en is lid 5 toegevoegd. Deze wijzigingen hebben geen betrekking op de in het middel genoemde onderdelen 10 en 11 van het tweede lid.

2 Een blik over de papieren muur (met name het door de raadsman op 3 juli 2018 doorgezonden e-mailbericht van [betrokkene 6] , systeemtherapeut bij de Omslag) leert dat in deze zaak sprake is van een tweewekelijks bezoek aan de Omslag en dat de behandeling vooral een steunend en structurerend karakter heeft.

3 Vgl. ook: HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5449, NJ 2013/132; HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806; HR 6 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9573, NJ 1991/274, m.nt. G.E. Mulder.

4 In zijn conclusie vóór het arrest van 2 oktober 2001 gaat mijn voormalige ambtgenoot Machielse nader in op het verschil tussen ambulante en klinische behandeling en schrijft hij: “Voorts miskent de steller van het middel dat het in casu om een aan een (deels) voorwaardelijke straf verbonden bijzondere voorwaarde ex art. 14c lid 2 sub 5 Sr gaat en niet, zoals in het door de raadsman aangehaalde HR NJ 1991, 274, om een bijzondere voorwaarde op grond van art. 14c lid 2 sub 2 Sr. Art. 14c lid 2 sub 5 Sr biedt de rechter een grote mate van vrijheid om bijzondere voorwaarden op te leggen, waaronder - zoals in casu - een ambulante psychiatrische behandeling. Daarbij mag de rechter het, mede met het oog op art. 8 lid 1 sub c van de Reclasseringsregeling 1995, aan de reclassering overlaten gelet op de mede aan deze toebedeelde taak van het houden van toezicht, om te bepalen gedurende welke periode - mits binnen de door de rechter vastgestelde proeftijd - de veroordeelde zich onder deze behandeling zal dienen te stellen. Dit in tegenstelling tot de bijzondere voorwaarde inhoudende opneming in een (psychiatrische) inrichting ter verpleging die op grond van art. 14c lid 2 sub 2 Sr wordt opgelegd. In dat geval is de beslissing voor welke duur deze behandeling wordt opgelegd voorbehouden aan de rechter, hetgeen zijn rechtvaardiging vindt in het feit dat het dan om een opname, dus een intramurale, en niet om een ambulante, behandeling gaat.”

5 Gewijzigd bij Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, Stb. 2011, 545 en Stb. 2011, 615.