Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:787

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
19/04206
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:44, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon. Onderverzekering. Is verzekeringnemer jegens de assurantietussenpersoon gebonden aan de vaststelling van de brandschade volgens de polisvoorwaarden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04206

Zitting 4 september 2020

CONCLUSIE

T. Hartlief

In de zaak

[eiser]

(hierna: ‘ [eiser] ’)

tegen

[verweerster] B.V.

(hierna: ‘ [verweerster] ’)

In 1996, 2001 en in 2002 is [eiser] getroffen door brand in of rondom zijn woning. Zijn woning en een bijgebouw zijn daarbij telkens beschadigd geraakt. [eiser] was verzekerd bij Nationale Nederlanden. Artikel 3.2 van de op de verzekering toepasselijke algemene voorwaarden bepaalt dat de door een verzekerde gebeurtenis veroorzaakte schade wordt vastgesteld door twee experts. Verzekeraar en verzekeringnemer benoemen elk een expert.

De afwikkeling van de schades heeft lang geduurd. [eiser] heeft na elke brand bezwaren aangevoerd tegen de schadevaststelling door de op grond van artikel 3.2 ingeschakelde experts. In 2008 werd besloten dat er een bindend advies moest komen. De schade werd daarbij vastgesteld door expert [betrokkene 1] die (ernstige) onderverzekering constateerde. Daarop heeft Nationale Nederlanden een beroep gedaan (zie art. 7:958 lid 5 BW), waardoor [eiser] niet zijn volledige schade vergoed zag. [eiser] heeft vervolgens zijn assurantietussenpersoon [verweerster] aansprakelijk gesteld. Hij verwijt [verweerster] in strijd met de op haar rustende zorgplicht te hebben gehandeld door een situatie van onderverzekering in het leven te hebben geroepen en te laten voortbestaan.

Hierop ziet de onderhavige procedure. Rechtbank en hof hebben de vorderingen van [eiser] afgewezen. Het hof is er veronderstellenderwijs van uitgegaan dat [verweerster] in haar zorgplicht tekort is geschoten en heeft zich vervolgens de vraag gesteld of dit tot onderverzekering heeft geleid. In dit verband doet [eiser] een beroep op de waardering van [betrokkene 1] uit 2008 en [verweerster] op de waarderingen uit 2002 van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (de aan de zijde van [eiser] opgetreden contra-expert). [verweerster] heeft aangevoerd dat [eiser] op grond van artikel 3.2 gebonden is aan de waarderingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] uit 2002. Het hof heeft [verweerster] hierin gevolgd: volgens het hof geldt artikel 3.2 weliswaar slechts tussen [eiser] en Nationale Nederlanden, maar mag [verweerster] zich er in voorkomend geval toch op beroepen.

In cassatie richt [eiser] zijn pijlen, onder meer, op dit oordeel.

1 Feiten

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1

1.2

In 1996, 2001 en in 2002 is [eiser] getroffen door een drietal branden aan en bij zijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats 1] . Op 27 november 1996 heeft brand gewoed in het naastgelegen bijgebouw. Op 26 augustus 2001 is het woonhuis ernstig beschadigd door brand. Voordat tot herstel daarvan was overgegaan, heeft op 13 januari 2002 opnieuw brand gewoed in de woning. [eiser] heeft hierdoor schade geleden. De oorzaak van de branden was steeds brandstichting.

1.3

[eiser] had zijn woning met bijgebouw tegen (onder meer) brand verzekerd bij Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. (hierna: ‘Nationale Nederlanden’). Deze opstalverzekering was tot stand gekomen na bemiddeling van (de rechtsvoorgangster van) [verweerster] , die vanaf 1967 als assurantietussenpersoon is opgetreden voor [eiser] .

1.4

De verzekerde som bedroeg in 1996 voor de woning fl. 390.200,00 (€ 177.065,00) en voor de bijgebouwen fl. 68.300,00 (€ 30.993,00). De verzekerde som is blijkens het polisblad met ingang van 18 augustus 2001 verhoogd tot een bedrag voor de woning van fl. 446.800,00 (€ 202.749,00) en voor de bijgebouwen van fl. 75.300,00 (€ 34.170,00).

1.5

De polisvoorwaarden van de Perfect-Extra gebouwen verzekering vermelden onder Artikel 3 Schade:

3.2 Vaststelling door experts

De door een verzekerde gebeurtenis veroorzaakte schade en kosten worden vastgesteld door twee experts – de maatschappij en de verzekeringsnemer benoemen elk een expert – tenzij vaststelling door één expert wordt overeengekomen. Voor het geval van verschil benoemen de twee experts te zamen een derde expert, die binnen de grenzen van de door hen vastgestelde cijfers de bindende vaststelling zal verrichten (…)”

1.6

In verband met de brand in 1996 is namens Nationale Nederlanden de expert [betrokkene 4] ingeschakeld. De schade is toen niet afgewikkeld. Op 9 januari 2002 heeft de expert van Nationale Nederlanden [betrokkene 2] de schade alsnog vastgesteld op: verminderde verkoopwaarde € 20.420,00. De verzekerde som werd voldoende bevonden.

1.7

In verband met de brand in 2001 is namens Nationale Nederlanden de expert [betrokkene 2] ingeschakeld, die de schade op 9 november 2001 heeft vastgesteld op: herstelkosten (dus de herbouwwaarde) van de woning fl. 250.442,00 (€ 113.645,62), de verminderde verkoopwaarde op fl. 200.000,00 en de boven de verzekerde som te vergoeden kosten fl. 19.785,00 (€ 8.978,04). [betrokkene 5] heeft deze taxatie als contra-expert van [eiser] geaccordeerd. De verzekerde som werd voldoende bevonden.

1.8

Bij brief van 13 juni 2002 heeft Nationale Nederlanden aan [verweerster] betreffende de schade van 27 augustus 2001 van [eiser] meegedeeld dat conform de ontvangen herbouwverklaring en akkoordverklaring een uitkering gedaan kan worden van 50% van de naar herbouwwaarde berekende schade. Dit bedrag betrof € 56.822,81.

1.9

In verband met de brand in 2002 is namens Nationale Nederlanden wederom [betrokkene 2] als expert ingeschakeld. [eiser] weigerde [betrokkene 5] weer als zijn contra-expert te benoemen. [eiser] heeft [betrokkene 3] als contra-expert ingeschakeld. De schade is op 25 juli 2002 vastgesteld als volgt: herstel/herbouw € 91.305,00, opruimingskosten € 13.383,00, huurderving € 7.200.00 en herstel tuin € 5.747,00 (in totaal € 117.635,00). De verzekerde som werd onvoldoende bevonden en moest volgens het rapport zijn: € 225.681,00. In het rapport wordt aangegeven dat er tot op de datum van het rapport nog geen herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd, dat door de tweede brand extra schade aan het pand is ontstaan, onder meer dat de betonnen verdiepingsvloer grotendeels door de hitte is aangetast en dat de schade zo groot is dat het pand voor herstel/herbouw gesloopt moet worden tot op de betonnen begane grondvloer. Deze schadevaststelling is geaccordeerd door [betrokkene 3] .

1.10

Op 18 juni 2002 heeft [eiser] naar aanleiding van de brand van 2001 een eerste termijn ontvangen van € 64.635,09 op basis van herbouwwaarde. Aanvankelijk heeft [eiser] ingestemd met de vaststelling van die schade en gekozen voor herbouw. Enige tijd later heeft [eiser] zijn instemming met de vaststelling van de schade ingetrokken.

1.11

Op 15 november 2002 heeft [A] B.V. te [plaats 2] in opdracht van Nationale Nederlanden een taxatierapport opgesteld met betrekking tot het woonhuis van [eiser] . In het rapport is aangegeven dat inspectie van de indeling van het woonhuis niet plaats kon vinden als gevolg van de brandschades. Hij heeft de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik vóór het brandevenement van 26 augustus 2001 getaxeerd op € 430.000,00 en de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik na het brandevenement van 13 januari 2002 op € 300.000.00. De als gevolg van de brandschades verminderde verkoopwaarde van de woning bedraagt dus € 130.000,00.

1.12

Op 2 december 2002 wordt [eiser] de volgende vergoeding aangeboden (voor zover hier relevant):

 schade bijgebouw op basis van verkoop € 20.420,00 (-/- voorschot);

 schade aan woning 26 augustus 2001 in geval van herbouw € 113.645,62 exclusief bijkomende kosten;

 schade aan woning 13 januari 2002 in geval van herbouw € 91.305,00 exclusief bijkomende kosten;

 schade woning op basis van verkoopwaarde € 130.000,00 exclusief bijkomende kosten

(op basis van makelaarsrapport d.d. 15 november 2002).

Aan [eiser] wordt gevraagd alsnog een keuze te maken tussen afwikkeling op basis van herbouw dan wel verminderde verkoopwaarde. [eiser] maakt geen keuze en aanvaardt de aangeboden afwikkelingswijze niet.

1.13

Op 31 mei 2006 wordt namens [eiser] door zijn toenmalige advocaat mr. Vlasman een voorstel voor de schadeafwikkeling gedaan op basis van de bedragen met betrekking tot de schade aan de gebouwen genoemd in de expertiserapporten over de branden van 2001 en 2002. Mr. Vlasman komt hierbij in verband met bereddingskosten, wettelijke rente en dergelijke in totaal tot hogere bedragen dan in 2002 aan [eiser] aangeboden.

1.14

In 2007 worden de brandschades in overleg met Nationale Nederlanden nogmaals voorgelegd aan een expert, ditmaal aan [betrokkene 6] van [B] B.V. Naar aanleiding van deze expertise biedt Nationale Nederlanden aan [eiser] aan bij brief van 1 augustus 2007 voor de drie branden exclusief inboedelschade in totaal, inclusief de reeds ontvangen voorschotten van € 2.722,-- en € 64.638,--, te vergoeden € 351.247,00. Onderverzekering is daarbij niet aan de orde. [eiser] aanvaardt het aanbod niet.

1.15

Op 13 maart 2008 heeft [betrokkene 1] (hierna: ‘ [betrokkene 1] ’) in opdracht van [eiser] en Nationale Nederlanden bij akte van compromis een bindend advies gegeven. De uitspraak, opgenomen in het advies2 van 13 maart 2008 luidt:

“Aan de hand van een gedetailleerde calculatie zijn de volgende herstelkosten en dekkingen boven de verzekerde som vastgesteld:

• Herstelkosten woonhuis € 416.475,00,

• Herstelkosten schuur € 121.538,00.(...)”

Verder werden in dit bindend advies de opruimingskosten, bereddingskosten, kosten van herstel tuinaanleg en dergelijke gecalculeerd op totaal € 47.500,00.

1.16

Nationale Nederlanden heeft bij brief van 3 april 2008 aan [eiser] bericht dat zij zich wat betreft de schadevaststelling conformeert aan het bindend advies. Zij maakt daarin, naar aanleiding van de in de schadevaststelling van [betrokkene 1] geconstateerde onderverzekering, een berekening van de uit te keren vergoeding die uitkomt op een aanzienlijk lager bedrag dan de door [betrokkene 1] gecalculeerde schadebedragen (wat betreft het bijgebouw: € 39.615,00 (geïndexeerd naar 2008) in plaats van € 121.538,00, wat betreft de woning: € 222.587,00 (geïndexeerd naar 2008) in plaats van € 416.475,00 en wat betreft de kosten boven de verzekerde som: € 25.386,60 in plaats van € 47.500). Op basis van dit voorstel zou de totale vergoeding voor de drie branden zijn € 287.588,60, derhalve ca. € 64.000 minder dan het voorstel van 2007. Tezamen met een uitkering voor de inboedel en na aftrek van een reeds verstrekt voorschot biedt Nationale Nederlanden aan te betalen aan [eiser] € 251.728,60, wat betreft de opstal in twee termijnen, de tweede termijn in regie en na voltooiing van de herbouw. [eiser] aanvaardt deze afwikkeling niet.

1.17

Bij brief van 14 mei 2008 schrijft Nationale Nederlanden aan [eiser] :

“(...) dat er volgens de ondertekende aktes van schadevaststelling er al in 2002 overeenstemming was tussen de door u en door ons ingeschakelde experts. Er is via de volmacht van [verweerster] in december 2002 aan u een uitkeringsvoorstel gedaan. (...) Wij merken op dat bij de schadevaststelling in december 2002 geen onderverzekering door de experts is geconstateerd. Nu als gevolg van het bindend advies de schadevaststelling aanzienlijk hoger uitvalt moeten wij concluderen dat de verzekerde bedragen op de polis niet toereikend zijn. Omdat er niet meer uitgekeerd kan worden dan er op de polis verzekerd is wordt daar met de uitkering rekening mee gehouden. (...).”

1.18

De financiële afwikkeling van de branden met de verzekeraar heeft eerst plaatsgevonden in 2014. Bij brief van 28 april 2014 heeft [eiser] met het schadevoorstel van Nationale Nederlanden van 3 april 2008 ingestemd, waarna hij op 31 juli 2014 van [C] B.V. namens Nationale Nederlanden een bedrag van € 251.780,60 heeft ontvangen.

2 Het procesverloop

In eerste aanleg

2.1

[eiser] heeft [verweerster] bij dagvaarding van 17 april 2015 in rechte betrokken. Hij heeft gevorderd, kort samengevat, een verklaring voor recht dat [verweerster] aansprakelijk is jegens [eiser] voor de schade wegens de onderverzekering van zijn opstallen, dat [verweerster] aansprakelijk is jegens [eiser] voor de schade ontstaan door de vertraagde afwikkeling van de drie brandschades met Nationale Nederlanden en dat [verweerster] veroordeeld wordt tot het betalen van schadevergoeding aan [eiser] .3

2.2

De rechtbank heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen bij vonnis van 5 oktober 2016 (rov. 4.11. en dictum). De rechtbank is in haar vonnis eerst inhoudelijk ingegaan op de verwijten van [eiser] ter zake van de onderverzekering en de vertraging in de afwikkeling van de schade en heeft daarna aandacht besteed aan het beroep van [verweerster] op verjaring en op schending van de klachtplicht door [eiser] .

2.3

De rechtbank heeft geoordeeld dat het verwijt van [eiser] ter zake van de onderverzekering niet slaagt (rov. 4.2. tot en met 4.7.). Volgens de rechtbank is, voor zover daadwerkelijk sprake is van ernstige onderverzekering, die eerst in 2008 aan het licht gekomen. Uit hetgeen [eiser] heeft aangevoerd, volgt niet dat [verweerster] daarvan in een veel eerder stadium op de hoogte is geweest en dat haar daarvan een verwijt zou zijn te maken (rov. 4.2.). De schades zijn door experts vastgesteld. [eiser] stelt dat daarbij in 2001 en 2002 grote fouten zijn gemaakt en dat hij daarom de schadevaststellingen uit die tijd niet heeft willen accepteren, maar daarvan is niet gebleken. [eiser] heeft immers tegen die vaststellingen wat betreft de schade aan de woning op zichzelf geen bezwaren geuit. De rechtbank heeft in dit verband het volgende overwogen:

“4.3. (…) [eiser] stelt dat hij [verweerster] van meet af aan, onder meer bij brief van 23 augustus 2002 (prod. 12) en brief van 5 november 2002 (prod. 15) geïnformeerd heeft over de onjuiste vaststelling van de brandschades van 2001 en 2002 en de daaruit voortvloeiende problemen bij de afwikkeling van die schades met Nationale Nederlanden, maar dat blijkt niet uit die brieven. Hij heeft toen en in de loop van de tijd slechts bezwaren geuit tegen de vastgestelde vergoedingen die boven de verzekerde som uitgekeerd moesten worden, zoals de architectkosten, de kosten samenhangend met overheidseisen, de huurderving. Ook had hij bezwaar in verband met glasschade. Verder maakte [eiser] in die tijd een punt van de vergoeding voor de kosten van de contra-expert [betrokkene 3] . Geen enkele klacht ziet op de vaststelling van de schade aan de woning op zichzelf, Wat betreft de schade aan het bijgebouw ging de discussie over de vraag of op basis van herbouw of op basis van verkoopwaarde vergoed diende te worden. Tegen de vaststelling van de daarmee samenhangende bedragen is geen bezwaar geuit. Ter zitting heeft [eiser] nog wel gesteld dat de experts er in 2001 en 2002 ‘met de pet naar hebben gegooid’ maar ook nu heeft bij daarbij geen enkele concrete fout genoemd. De rechtbank constateert dat de advocaat van [eiser] bij zijn voorstel tot schadeafwikkeling in 2006 de schadevaststellingen van de woningschade tot uitgangspunt heeft genomen. Daaruit leidt de rechtbank af dat [eiser] zich daarmee toen op zichzelf kon verenigen. [eiser] heeft ook niets aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat de vastgestelde bedragen onvoldoende waren om in (of kort na) 2002 tot daadwerkelijke herbouw over te kunnen gaan. Een indicatie van de daarmee samenhangende kosten ontbreekt. Ook tegen de schadevaststelling door [betrokkene 6] in 2007 heeft [eiser] (slechts) aangevoerd dat dit een globale berekening zou betreffen en er niet uit kon worden afgeleid of het door [betrokkene 6] berekende bedrag voldoende zou zijn voor de herbouw. Dat de berekening onjuist zou zijn of dat de uitkering onvoldoende zou zijn voor herbouw blijkt uit de stellingen [van] [eiser] op geen enkele wijze.”

2.4

Daar komt volgens de rechtbank bij dat uit de expertiserapporten van 2001 en begin 2002 volgt dat de verzekerde som voldoende was (rov. 4.4.). Dat [verweerster] wist of kon weten dat de experts in 2001 en 2002 grote fouten zouden hebben gemaakt, en dat er sprake was aanzienlijke onderverzekering, is door [eiser] op geen enkele manier onderbouwd en ligt, gelet op het voorgaande, ook niet voor de hand (rov. 4.5.). De rechtbank heeft geconstateerd dat niet is gebleken dat [verweerster] voorafgaande aan de branden van 1996 en 2001 onvoldoende zorg heeft besteed aan de hoogte van de verzekerde som. Ook het expertiserapport naar aanleiding van de brand van 2001 gaf [verweerster] geen enkele aanleiding de verzekerde som nog eens onder de loep te nemen. De verzekerde som is toen immers voldoende bevonden. De zorgplicht van een assurantietussenpersoon gaat niet zover dat hij, nadat experts tot een schadevaststelling zijn gekomen én de verzekerde som voldoende hebben geoordeeld, op eigen initiatief nog een taxatie door een derde moet laten verrichten (rov. 4.6.). Voor zover al sprake was ernstige onderverzekering zoals voor het eerst door [betrokkene 1] in zijn schadevaststelling van 2008 geconstateerd ( [verweerster] betwist dat, onder meer stellende dat [betrokkene 1] de woning niet heeft gezien en is uitgegaan van de herbouw op een aanzienlijk hoger kostenniveau, terwijl er in het rapport van [betrokkene 1] met geen woord over de eerdere expertises wordt gerept), is dat gelet op het voorgaande niet aan [verweerster] te wijten (rov. 4.7.).

2.5

Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat ook het verwijt van [eiser] dat door toedoen van [verweerster] de afwikkeling van de brandschades ernstig is vertraagd, vergeefs wordt gemaakt:

“4.8. (…) De inschakeling van experts is conform de polisvoorwaarden correct gebeurd. Uit de over e[e]n weer in het geding gebrachte stukken blijkt dat er van de zijde van [verweerster] veelvuldig met [eiser] is gecorrespondeerd, waarbij [verweerster] aan [eiser] informatie over zijn positie heeft verstrekt, uitleg heeft verstrekt over bij [eiser] levende onduidelijkheden, meermaals heeft aangedrongen tot een keuze te komen wat betreft herbouw of verkoopwaarde, is ingegaan op argumenten die de advocaten van [eiser] hebben aan[ge]dragen en dergelijke. Het valt de rechtbank op dat van de zijde van [eiser] zeer uitvoerige brieven zijn geschreven die telkens weinig concreet zijn over wat [eiser] nu wilde of verwachtte van [verweerster] . De rechtbank wijst ook op hetgeen hiervoor in r.o. 4.3. is overwogen. Daar komt bij dat [eiser] zich gedurende tal van jaren heeft laten bijstaan door diverse opvolgende advocaten en ook rechtstreeks met Nationale Nederlanden in debat is gegaan over de schadeafwikkeling. [eiser] maakt niet duidelijk welke actie daarnaast van [verweerster] verwacht had mogen worden. Waarom [verweerster] op zou moeten komen voor renteschade vanaf 2002, terwijl [eiser] zelf de betaling van het reeds in 2008 aangeboden bedrag in 2014 heeft geaccepteerd zonder rentevergoeding van Nationale Nederlanden te verlangen, is zonder nadere uitleg onbegrijpelijk.”

2.6

Hierna is de rechtbank, hoewel de vorderingen van [eiser] wat haar betreft al op inhoudelijke gronden moeten worden afgewezen, nog kort ingegaan op het subsidiaire beroep van [verweerster] op verjaring. [verweerster] heeft in dit verband aangevoerd dat [eiser] reeds in 2002 bekend was met onderverzekering en dat daarom de vordering hoe dan ook is verjaard. De rechtbank kan dit niet volgen, zo heeft zij geoordeeld. In dit verband heeft de rechtbank in rov. 4.9. overwogen dat de in juli 2002 geconstateerde onderverzekering, wat daarvan verder ook zij, in die tijd van geen belang was. Daaraan is geen enkele consequentie verbonden. De (beweerde) onderverzekering is pas een rol gaan spelen, nadat [betrokkene 1] in zijn rapport van 2008 een ernstige onderverzekering constateerde. Toen werd [eiser] bekend met de (beweerde) schade en de aansprakelijke persoon ter zake van de onderverzekering. De brieven van [eiser] van 5 maart 2009 en 20 oktober 2011 aan [verweerster] leveren volgens de rechtbank geen stuiting van de verjaring op. Met de brieven van 18 januari 2012 en die van 31 december 2012 moet het evenwel voor [verweerster] duidelijk zijn geweest, zo heeft de rechtbank geoordeeld, dat [eiser] zich zijn recht op nakoming ter zake de vordering uit onderverzekering voorbehield. De rechtbank kan derhalve niet tot de conclusie komen dat die vordering van [eiser] verjaard is. De vordering in verband met de verweten vertraagde afwikkeling is, zo blijkt volgens de rechtbank uit het voorgaande, wel al verjaard. Dat verwijt ziet immers op handelen of nalaten van [verweerster] vanaf 2002 waarmee [eiser] toen al bekend was (rov. 4.9.).

2.7

De rechtbank is, eveneens ten overvloede, in rov. 4.10. ook nog kort ingegaan op het subsidiaire beroep van [verweerster] op schending van de klachtplicht door [eiser] . De rechtbank heeft hier herhaald dat de vorderingen al op inhoudelijke gronden worden afgewezen, maar vervolgens overwogen dat zij hoe dan ook tot de conclusie zou komen dat [eiser] te laat heeft geklaagd bij [verweerster] . [eiser] heeft immers tot in 2011 gewacht met [verweerster] op concrete wijze kenbaar te maken dat zij jegens hem tekortgeschoten was.4Wat betreft het verwijt van vertraagde afwikkeling is dat volgens de rechtbank veel te laat; dat ziet immers op handelen of nalaten van [verweerster] vanaf 2002 en de jaren nadien. Maar ook wat betreft het verwijt over de onderverzekering, die in 2008 was ontdekt, heeft [eiser] volgens de rechtbank te lang gewacht met [verweerster] daarmee bekend te maken. Ook dat zag op handelen of nalaten van [verweerster] in 2001/2002. [verweerster] had er alle belang bij zo spoedig mogelijk haar positie te kunnen bepalen door eventuele nog aanwezige bewijsstukken uit die tijd veilig te kunnen stellen en het rapport van [betrokkene 1] tijdig kritisch te kunnen beschouwen om niet in haar bewijspositie geschaad te worden. Van binnen bekwame tijd protesteren door [eiser] is volgens de rechtbank geen sprake.

In hoger beroep

2.8

[eiser] is met negen grieven in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank.

2.9

In rov. 3.3.1 heeft het hof de precieze vordering van [eiser] weergegeven en in rov. 3.3.2 heeft het hof samengevat wat [eiser] daaraan ten grondslag heeft gelegd:

“Aan zijn vordering tot schadevergoeding legt [eiser] ten grondslag dat [verweerster] als assurantietussenpersoon fouten heeft gemaakt.

De verwijten van [eiser] aan het adres van [verweerster] zijn, kort samengevat, tweeërlei: ten eerste maakt [eiser] aan [verweerster] verwijten ten aanzien van het niet naleven van diens zorgvuldigheidsverplichting als assurantietussenpersoon in de periode tot aan 2001/2002. Naar het hof begrijpt is [verweerster] vanaf 1967 de assurantietussenpersoon van [eiser] geweest. In 1972 heeft [eiser] in eigen beheer een woning verbouwd; deze is in de tijd dat hij nog in aanbouw was gewaardeerd door [verweerster] en vanaf dat moment is, behoudens een jaarlijkse indexering, de verzekerde waarde niet aangepast zo stelt [eiser] . Hierdoor is naar hij stelt onderverzekering opgetreden als gevolg waarvan aan [eiser] na een tweetal woningbranden in 2001 en 2002 niet de volledige schade is uitbetaald.

Ten tweede maakt [eiser] aan [verweerster] verwijten ten aanzien van het niet naleven van diens zorgvuldigheidsverplichting na de woningbranden in 2001/2002. Onderdeel van het tweede verwijt is een belangrijk sub-verwijt inhoudende dat [verweerster] [eiser] onjuist zou hebben geadviseerd, namelijk zou hebben geadviseerd de beide branden gezamenlijk af te wikkelen hetgeen een onjuist advies is geweest, juist in verband met de later gebleken onderverzekering.”

2.10

In rov. 3.4. heeft het hof de grieven van [eiser] samengevat. Grief 1, gericht tegen rov. 4.2. en 4.3. van het vonnis, grief 2, gericht tegen rov. 4.4. en 4.5., grief 3, gericht tegen rov. 4.6. en grief 4, gericht tegen rov. 4.7., zijn daarbij als volgt weergegeven:

“Grief 1: [eiser] richt uit praktische overwegingen grief I tegen de in onderlinge samenhang te lezen overwegingen van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 4.2. en 4.3. van het vonnis. De rechtbank oordeelt daarin volgens [eiser] ten onrechte dat [verweerster] ter zake van de onderverzekering geen verwijt treft, omdat zij daarvan niet al in een veel eerder stadium op de hoogte was of had moeten zijn. In samenhang hiermee oordeelt de rechtbank eveneens ten onrechte dat [eiser] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de schadevaststellingen niet juist waren of dat de uitkering onvoldoende was om in of kort na 2002 tot daadwerkelijke herbouw over te kunnen gaan, dat niet is gebleken dat grote fouten zijn gemaakt bij de schadevaststellingen ten aanzien van de schade aan de opstallen op zichzelf, en dat [eiser] daarom de schadevaststellingen niet heeft willen accepteren.

In grief 2 voert [eiser] aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt in rechtsoverweging 4.4. en 4.5. dat uit de expertiserapporten van 2001 en 2002 volgt dat de verzekerde som voldoende was en dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat [verweerster] wist of kon weten dat de experts in 2001 en 2002 grote fouten hebben gemaakt en dat er sprake was van aanzienlijke onderverzekering.

Met grief 3 komt [eiser] op tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.6. dat niet is gebleken dat [verweerster] voorafgaande aan de branden van 1996, 2001 en 2002 onvoldoende zorg heeft besteed aan de hoogte van de verzekerde som. Bovendien oordeelt de rechtbank ten onrechte dat ook naar aanleiding van de brand in 2001 [verweerster] de verzekerde som niet nog eens onder de loep hoefde te nemen, omdat de verzekerde som toen door de onzorgvuldig handelende experts voldoende is bevonden.

In grief 4 stelt [eiser] dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.7. ten onrechte heeft overwogen dat voor zover er al sprake was van ernstige onderverzekering zoals voor het eerst in 2008 door [betrokkene 1] geconstateerd, [verweerster] hiervan geen verwijt treft. (…)”

2.11

Het hof heeft deze grieven, die alle het verwijt ter zake van de onderverzekering betreffen, in rov. 3.5.1 tot en met 3.5.4.6 gezamenlijk beoordeeld, vanwege:

“3.5.1 (…) de samenhang tussen de grieven en de rechtsoverwegingen, waarbij in de rechtsoverwegingen 4.2. tot en met 4.7 onderling naar elkaar wordt verwezen en die dezelfde strekking hebben en toelichting kennen en die alle zien op het verwijt dat [eiser] maakt aan [verweerster] omtrent de vermeende onderverzekering. (…)”

2.12

Grief 5 is gericht tegen rov. 4.8. van het vonnis en:

“3.4 (…) ziet op de beoordeling door de rechtbank van het verwijt van [eiser] dat de afwikkeling van de brandschades door toedoen van [verweerster] ernstig is vertraagd.”

Het hof heeft deze grief beoordeeld in rov. 3.5.5 tot en met 3.5.6.3.

2.13

De grieven 6 tot en met 9, gericht tegen rov. 4.9. en 4.10. van het vonnis die betrekking hebben op het subsidiaire beroep op verjaring respectievelijk schending van de klachtplicht, zijn door het hof als volgt samengevat:

“3.4 (…) In grief 6 betoogt [eiser] dat de rechtbank ten onrechte oordeelt in rechtsoverweging 4.9. van het vonnis dat [eiser] in 2008 bekend raakte met de aansprakelijke persoon ter zake van de onderverzekering.

In grief 7 voert [eiser] aan dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.9. van het vonnis ten onrechte concludeert dat de vordering in verband met de [verweerster] verweten vertraagde afwikkeling is verjaard.

Grief 8 luidt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld in rechtsoverweging 4.10. van het vonnis dat [eiser] niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd wat betreft het verwijt ter zake van de onderverzekering.

In Grief 9 stelt [eiser] dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.10. van het vonnis ten onrechte heeft geconcludeerd dat [eiser] niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd wat betreft het verwijt ter zake van de vertraagde afwikkeling.”

2.14

In rov. 3.5.7 is het hof tot de slotsom gekomen dat deze grieven geen nadere bespreking behoeven (randnummer 2.43 hierna).

2.15

Nadat het hof in rov. 3.4. de grieven heeft weergegeven en voordat het hof aan zijn bespreking van de grieven is toegekomen, heeft het in rov. 3.5.1 tot en met 3.5.3 eerst een algemene beschouwing gegeven over de grieven en de stellingen van beide partijen. In dit verband heeft het hof het verweer van [verweerster] ter zake van het in verband met de (vermeende) onderverzekering als volgt weergegeven:

“3.5.1 (…) [verweerster] concludeert, kort samengevat, dat zij niet tekort geschoten is in haar zorgplicht. Dat na het bindend advies van [betrokkene 1] in 2008, maar liefst 12 jaar na de eerste brand en zes jaar na de derde brand een hogere schadevaststelling van de opstallen per ultimo 2007 heeft plaatsgevonden, waarvan de hoogte en juistheid uitdrukkelijk door [verweerster] wordt betwist, doet hier niet aan af.”

2.16

Vervolgens heeft het hof de door van [eiser] gegeven juridische uiteenzetting over schending van de zorgplicht met onderverzekering als gevolg, als volgt samengevat:

“3.5.2 (…) [eiser] heeft omstandig aan de hand van literatuur en jurisprudentie uiteengezet welke de omvang is van de zorgplicht van een assurantietussenpersoon. Daaronder behoort, naar de stelling van [eiser] de verplichting om periodiek met de verzekeringnemer na te lopen welke verzekeringen er zijn, en of deze nog adequaat zijn. Daaronder behoort ook de controle of de verzekerde som nog toereikend is om schade te dekken. Ook al heeft een assurantietussenpersoon zelf niet de deskundigheid om de waarde van een object te schatten, hij dient de verzekeringnemer te waarschuwen voor de gevaren van een mogelijke onderverzekering en hem te adviseren het verzekerde object te taxeren. Dat heeft [verweerster] volgens [eiser] in de periode tot 2001/2002 nagelaten. [eiser] voegt daaraan toe dat [verweerster] zich er niet op mocht verlaten dat de indexeringsclausule eventuele waardestijgingen wel zou opvangen, temeer niet omdat uit het feit dat zelfs de geïndexeerde verzekerde som zozeer ontoereikend was als later bleek, afgeleid kan worden dat de allereerste waardering, in 1972, uitgevoerd door of namens [verweerster] , vergaand te laag moet zijn geweest. (…)”

2.17

Met betrekking tot het verweer van [verweerster] op dit punt heeft het hof als volgt overwogen:

“3.5.2 (…) [verweerster] heeft aangevoerd dat wel geregeld met [eiser] over, onder meer, de verzekerde som is gesproken maar dit vooralsnog slechts vrij mager met concrete feiten onderbouwd.”

2.18

Mocht [verweerster] in haar zorgplicht zijn tekortgeschoten, het hof is daar veronderstellenderwijs vanuit gegaan, dan rijst vervolgens de vraag wat hiervan de gevolgen zijn geweest:

“3.5.3 Als het hof veronderstellenderwijze aanneemt dat [verweerster] in dit opzicht in haar zorgplicht tekort zou zijn geschoten, dient het aan de orde te stellen waartoe dat heeft geleid. (…)”

2.19

In dit verband heeft het hof de visies van beide partijen weergegeven:

“3.5.3 (…) In de visie van [eiser] heeft dat tot de later geconstateerde onderverzekering geleid. Hij verwijst dan naar de onderverzekering zoals die volgt uit de herbouwwaarde zoals [die] door [betrokkene 1] in 2008 is berekend in vergelijking met de toen geldende verzekerde som. [verweerster] betwist echter op uiteenlopende gronden de juistheid van dat rapport en/of dat dit rapport leidend zou zijn. [verweerster] betwist dat er ooit, feitelijk, sprake is geweest van onderverzekering. (…)”

2.20

Dit heeft het hof tot de vaststelling gebracht:

“3.5.3 (…) dat als er inderdaad geen onderverzekering bestond daarmee een eventueel tekortschieten van [verweerster] niet tot schade heeft geleid en dan dat tekortschieten niet nader behoeft te worden onderzocht.”

2.21

Vervolgens heeft het hof onder het kopje ‘Onderverzekering’ in rov. 3.5.4 tot en met 3.5.4.6, tegen de achtergrond van zijn vaststelling dat als er inderdaad geen onderverzekering bestond, daarmee een eventueel tekortschieten van [verweerster] niet tot schade heeft geleid, onderzocht of er al dan niet sprake is geweest van onderverzekering.

2.22

In het kader van dat onderzoek heeft het hof eerst een aantal feiten vastgesteld:

“3.5.4.1 Na de eerste woningbrand zijn onderzoeken uitgevoerd door de expert [betrokkene 4] en contra-expert [betrokkene 5] . Het hof laat die taxaties verder buiten beschouwing. Immers na de tweede brand heeft [verweerster] de suggestie gedaan de woningbranden gezamenlijk te behandelen (de vraag of dat een onjuist advies was komt verderop aan de orde) en heeft namens de verzekeraar Nationale Nederlanden een taxateur [betrokkene 2] de schade opgenomen. De herstel/herbouwschade als gevolg van de brand op 13 januari 2002 werd door hem getaxeerd op € 91.305,- aanvullend ten opzichte van de al eerder opgenomen afwikkeling van de brandschade van 26-08-2001. Bij de taxatie van die eerste brand was de schade vastgesteld door een schadevaststelling op basis van herstel/nieuwbouw van fl. 250.442,- (€ 113.645,62)

[eiser] heeft een contra-expert aangezocht, [betrokkene 3] . [betrokkene 3] heeft zich namens verzekeringnemer bij “akkoordverklaring/akte van schadetaxatie” van 25 juli 2002 akkoord verklaard met deze schadevaststelling van [betrokkene 2] .

[eiser] heeft ernstige bezwaren opgeworpen tegen de uitkomst en in het bijzonder tegen de beoordeling door zijn eigen contra-expert [betrokkene 3] ; zijn bezwaren tegen [betrokkene 3] zijn inhoudelijk van aard, maar bovendien stelt hij dat [betrokkene 3] ten onrechte "namens” [eiser] met de schatting van [betrokkene 2] akkoord is gegaan terwijl [eiser] daarmee niet had ingestemd.

In 2007 heeft een onderzoek plaatsgevonden door een door Nationale Nederlanden aangewezen taxateur [betrokkene 6] ; in een brief van 2007 heeft Nationale Nederlanden aan [eiser] doen weten bereid te zijn tot uitkering over te gaan van een schadebedrag van € 351.247,- voor de drie branden op basis van de berekening van [betrokkene 6] . Impliciet volgt daaruit dat op dat moment Nationale Nederlanden zich niet beriep op enige onderverzekering, zulks ofschoon de begroting van [betrokkene 6] leidde tot een herbouwwaarde welke enkele tienduizenden euro’s boven de verzekerde waarde lag.

Eind 2007 is er, buiten [verweerster] om, een overeenkomst tussen [eiser] en Nationale Nederlanden gesloten waarbij partijen afspraken dat de herbouwwaarde bindend zou worden vastgesteld door een vijfde deskundige, [betrokkene 1] .

Nationale Nederlanden heeft daarbij opgemerkt dat haar gebondenheid enkel ertoe strekte de te taxeren herbouwwaarde tot uitgangspunt te nemen, maar er niet aan in de weg stond dat Nationale Nederlanden haar verplichtingen jegens [eiser] zou bepalen met inachtneming van de polis (lees: de verzekerde waarde). Daarna heeft [betrokkene 1] de herbouwwaarde berekend op de hiervoor genoemde bedragen van € 416.475,-- resp. € 121.538,--.”

2.23

In aansluiting hierop heeft het hof aangegeven dat [eiser] zich tegenover [verweerster] beroept op de waardering van [betrokkene 1] uit 2008, terwijl [verweerster] zich tegenover [eiser] beroept op de waarderingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] uit 2002 (rov. 3.5.4.2).

2.24

Daarbij, zo heeft het hof overwogen, beroepen [eiser] en [verweerster] zich beide zowel op formele argumenten als op inhoudelijke (materiële) argumenten (rov. 3.5.4.2).

2.25

Ten aanzien van de formele argumenten heeft het hof het volgende overwogen:

“3.5.4.3 Wat de formele argumenten betreft:

- [verweerster] beroept zich ten aanzien van de waardering uit 2002 erop dat deze is geaccordeerd door de contra-expert [betrokkene 3] die [eiser] zelf heeft aangesteld, zodat [eiser] daaraan gebonden is.

- [eiser] stelt daaraan niet gebonden te zijn omdat, kort gezegd, de contra-expert buiten zijn boekje is gegaan, immers zonder goedvinden van hem – [eiser] – met de taxatie van [betrokkene 2] had ingestemd.

- [eiser] beroept zich ten aanzien van de waardering van 2008 erop dat was af gesproken dat [betrokkene 1] de herbouwwaarde bindend zou bepalen en daaraan dient ook [verweerster] zich volgens [eiser] te conformeren.

- [verweerster] stelt dat de akte van compromis tussen [eiser] en Nationale Nederlanden geheel buiten haar om is gesloten en dat het bindende karakter van de berekening van [betrokkene 1] niet aan haar, [verweerster] , kan worden tegengeworpen.

- [eiser] stelt daar weer tegenover dat [verweerster] selectief, naar gelang haar uitkomt, zich beroept [op] het wel of niet bindende karakter van de betrokken waarderingen: als het gaat om de waarderingen van 2002 meent [verweerster] [eiser] daaraan wel te kunnen houden, maar als [eiser] [verweerster] aan de taxatie van 2008 wenst te houden beroept [verweerster] zich erop dat zij daaraan niet gebonden zou zijn.”

2.26

Het hof heeft vervolgens het beroep van [verweerster] op de waarderingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] uit 2002 gehonoreerd:

“3.5.4.4 Met betrekking tot de formele argumenten overweegt het hof als volgt.

Het verwijt van [eiser] dat [verweerster] selectief winkelt gaat niet op. De situatie ten tijde van de taxaties in 2002 was wezenlijk anders dan die in 2008.

In 2002 was [verweerster] – daaronder begrepen “ [C] ” – nog intensief betrokken bij de afwikkeling. Ook al raakte de taxatie haar, [verweerster] , niet rechtstreeks – de taxatie strekte immers tot vaststelling van de verplichtingen van Nationale Nederlanden jegens [eiser] (en daarbij was [verweerster] inderdaad geen partij (nr. 4.4.17 mvgr) – voor de vraag of en in hoeverre [eiser] aan [verweerster] verwijten zou kunnen maken dat deze hem niet voor de gevaren van onderverzekering had gewaarschuwd mag [verweerster] zich er, in voorkomend geval, op beroepen dat de herbouwwaarde was vastgesteld op een wijze dat [eiser] daaraan gebonden was, immers met behulp van taxaties conform de polisvoorwaarden.

In 2008 heeft Nationale Nederlanden om haar moverende redenen, al dan niet omdat zij ervan uitging dat zij toch niet tot méér dan betaling van het verzekerde bedrag kon worden gehouden, ervoor gekozen om zich bij voorbaat neer te leggen bij de taxatie van de herbouwwaarde door een externe deskundige. [verweerster] was bij die afspraak geen partij. Wat er ook zij van enige vereenzelviging tussen [verweerster] en “ [C] "’: het feit dat “ [C] "’ gevolmachtigde was van Nationale Nederlanden betekende dat “ [C] '’ Nationale Nederlanden kon binden, maar dat betekende niet dat “ [C] "’, of [verweerster] , rechtens gebonden was aan toezeggingen van Nationale Nederlanden jegens [eiser] , ook waar dat eigen verplichtingen van [verweerster] jegens [eiser] zou raken.

In 2008 heeft [verweerster] zich nooit uitgelaten of gedragen op een wijze dat [eiser] daaruit af kon leiden dat [verweerster] het inhoudelijk eens was met de berekening van [betrokkene 1] .

In 2002 daarentegen heeft [eiser] weliswaar vele bezwaren aangevoerd tegen de begroting van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , doch die richten zich niet specifiek tegen de begroting van de herbouwwaarde, maar tegen vooral nevenposten die onderdeel zouden moeten uitmaken van de schadeberekening.

Van enig[e] inhoudelijk bezwaar tegen de taxatie, waarmee ook de door [eiser] aangezochte taxateur akkoord was is niets gebleken. Onbetwist is verder dat Nationale Nederlanden op basis van deze taxatie over wenste te gaan tot uitkering van het schadebedrag. De vraag of er sprake was van onderverzekering laat staan dat Nationale Nederlanden daarop een beroep deed was in het geheel niet aan de orde.

Onjuist is het standpunt van [eiser] dat bij gebreke van instemming van hemzelf met de bevindingen van zijn eigen expert hij daaraan niet gebonden zou zijn. Immers conform de polisvoorwaarden wordt de schade vastgesteld door twee experts, waarbij verzekeraar en verzeker[ing]nemer elk een expert benoemt. Dit impliceert dat de verzekerde gehouden is zich bij de uitkomst van de bevindingen van zijn eigen expert neer te leggen. In het geval dat de (experts van) verzekerde en verzekeraar het oneens zijn bieden de polisvoorwaarden de mogelijkheid dat de taxateurs gezamenlijk een derde expert aanzoeken. In onderhavig geval was er echter geen sprake van een verschil tussen de beide taxateurs.

Dit alles betekent dat [eiser] gebonden is aan de taxatie van 2002 en dat [verweerster] zich daar ook op mag beroepen.

De berekening van 2008 moge dan wel de basis vormen voor de verplichtingen van Nationale Nederlanden jegens [eiser] , wat Nationale Nederlanden verder ook van de berekende herbouwwaarde mocht vinden, maar bewijst bij deze stand van zaken niet dat er, in 2001/2002, in 1996 of in 1972, daadwerkelijk van enige onderverzekering van betekenis sprake is geweest. De rechtsverhouding waarbinnen de bindende taxatie is overeengekomen is, zoals hiervoor al aangegeven, een heel andere die tussen [eiser] en [verweerster] .”

2.27

De ‘materiële’ (inhoudelijke) argumenten van [eiser] en [verweerster] heeft het hof als volgt samengevat:

“3.5.4.5 Wat de materiële argumenten betreft hebben partijen het volgende aangevoerd:

- [eiser] wijst erop dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in 2002 niet een uitgebreide berekening van de herbouwwaarde – gelijk [betrokkene 1] in 2008 wel heeft gedaan –, doch slechts kennelijk globale ramingen hebben opgesteld. De onderliggende bescheiden heeft [eiser] naar hij stelt nooit kunnen krijgen.

- [verweerster] betwist op zichzelf niet dat een uitgebreide berekening welke aan de waardering in 2002 ten grondslag zou hebben gelegen ontbreekt, maar wijst er wel op dat [eiser] weliswaar bezwaren heeft gemaakt tegen die waardering, maar dit juist niet de begrote herbouwwaarde betrof; het ging om allerlei nevenaanspraken waarop de bezwaren van [eiser] zich hadden gericht.

- [eiser] wijst erop dat de berekening van [betrokkene 1] uit 2008 deugdelijk is onderbouwd. [verweerster] heeft bezwaren tegen die berekening. [eiser] stelt dat de bezwaren van [verweerster] berusten op verkeerde lezing van het rapport van [betrokkene 1] .

(…)”

2.28

Met betrekking tot deze inhoudelijke argumenten heeft het hof overwogen dat tegen de hiervoor omschreven achtergrond, waaruit blijkt dat [eiser] is gebonden aan de taxatie van 2002 en [verweerster] zich daarop ook mag beroepen, een nader onderzoek naar de inhoudelijke juistheid van de diverse taxaties en berekeningen niet meer aan de orde is (rov. 3.5.4.5). Het hof is dus niet ingegaan op de inhoudelijke argumenten.

2.29

Dit alles heeft geleid tot de conclusie:

“3.5.4.6 (…) dat het niet meer ter zake doet of [verweerster] zijn zorgplicht als assurantietussenpersoon voorafgaand aan het moment waarop de schadeveroorzakende gebeurtenissen zich voordeden, hoe die ook moet worden ingevuld, naar behoren heeft vervuld. Een eventueel onvoldoende gevolggeven aan zijn zorgverplichting in dit opzicht heeft immers niet tot schade geleid. (…)”

2.30

Ten overvloede heeft het hof hierbij nog wel opgemerkt:

“3.5.4.6 (…). dat uit de onder 3.1 vastgestelde feiten blijkt dat er in 2001 kort voor de eerste woningbrand een verhoging van de verzekerde waarde van de woning met meer dan 30 % heeft plaatsgevonden. (…)”

2.31

Naar het oordeel van het hof zijn de grieven 1 tot en met 4, die op het verwijt ter zake van de (vermeende) onderverzekering zien, dus vergeefs voorgedragen (rov. 3.5.4.6).

2.32

In rov. 3.5.5 tot en met 3.5.6.3 heeft het hof grief 5 (randnummer 2.12 hiervoor) besproken. Deze grief heeft, zo heeft het hof overwogen in rov. 3.5.5, betrekking op het verwijt van [eiser] dat door toedoen van [verweerster] de afwikkeling van de brandschades ernstig is vertraagd. [verweerster] zou [eiser] onvoldoende begeleiding bij de afwikkeling van de schade hebben verleend en op die manier niet hebben gehandeld volgens de op haar rustende zorgplicht.

2.33

Het hof heeft in dit verband eerst aandacht besteed aan een “sub-verwijt” van [eiser] aan het adres van [verweerster] . Dit sub-verwijt houdt in dat [verweerster] onjuist heeft geadviseerd door voor te stellen dat na de tweede woningbrand de beide woningbranden uit 2001 en 2002 afgewikkeld zouden worden als ware sprake geweest van één gebeurtenis. Het hof heeft het volgende overwogen:

“3.5.5.1 (…).

Het hof stelt vast dat [eiser] niet concreet aangeeft waarin de onjuistheid van dit op praktische gronden gegeven advies zou zijn gelegen noch ter onderbouwing van deze stelling steekhoudende feiten of omstandigheden aanvoert.

Gesteld noch gebleken is dat, de eventuele onderverzekering weggedacht, de optelsom van de deelschades in 2001 en 2002 (als die destijds afzonderlijk zouden zijn vastgesteld) zou hebben geleid tot een hoger bedrag dan de totale schade welke na 2002 kon worden vastgesteld.

[eiser] heeft niet méér aangevoerd dan dat dit advies van [verweerster] onjuist is omdat als elk van de beide deelschades als twee separate evenementen zouden zijn af gewikkeld er dan in het kader van het aanbod in 2008 door Nationale Nederlanden geen onderverzekering [zou] zijn toegepast en [eiser] dan de door [betrokkene 1] geconstateerde woningbrandschades integraal vergoed zou hebben gekregen.

[eiser] heeft geen concrete feitelijke onderbouwing gegeven van deze stelling die louter op aannames is gebaseerd. Meer in het bijzonder laat [eiser] na toe te lichten op welke grond hij, als het hele pand (aanzienlijk) onderverzekerd zou zijn geweest, bij een deelschade welke nominaal beneden het plafondbedrag van de polis zou zijn gebleven, recht zou hebben kunnen doen gelden op integrale vergoeding van die deelschade.

Verder is een verzekeringsmaatschappij niet verplicht een beroep te doen op onderverzekering. Zo heeft Nationale Nederlanden zich naar aanleiding van de begroting door [betrokkene 6] in 2007 niet beroepen op onderverzekering, ook al had de begrote herbouwwaarde in relatie tot de verzekerde som daartoe wel aanleiding kunnen geven. Het ging toen echter om een procentueel gezien beperkte onderverzekering en Nationale Nederlanden heeft er kennelijk om haar moverende redenen voor gekozen zich niet op onderverzekering te beroepen.

In 2002 heeft Nationale Nederlanden zich bij de begroting van de deelschades niet op onderverzekering beroepen, naar aangenomen moet worden omdat, ook indien de hiervoor omschreven proportionele toets zou worden aangelegd, er geen aanleiding was voor enige korting wegens onderverzekering.

Dat zegt niets over hoe Nationale Nederlanden zich zou hebben opgesteld als destijds de deelschades zouden zijn vastgesteld overeenkomstig de bedragen zoals die, door terugrekenen, uit de berekening van [betrokkene 1] in 2008 zouden kunnen worden afgeleid. Vanzelfsprekend is het in hoge mate speculatief hoe Nationale Nederlanden zich destijds zou hebben opgesteld, maar daar gaat het hier niet om: het gaat erom of het uit praktische overwegingen gegeven advies van [verweerster] om de beide woningbranden te behandelen als ware sprake geweest van één evenement, in het licht van de hiervoor geschetste systematiek al dan niet onjuist is te noemen. Dat is niet het geval. Op deze grond moet dit verwijt worden verworpen.”

2.34

Daarna heeft het hof overwogen dat het “sub-verwijt” ook op een andere grond moet worden verworpen:

“3.5.5.2 Zoals hiervoor al is vastgesteld was er ten tijde van het voornoemde door [verweerster] gegeven advies van onderverzekering geen sprake. Dit brengt mee dat een eventuele onjuistheid van het advies van [verweerster] niet tot schade heeft geleid. Op die zelfstandige grond dient dit verwijt van [eiser] eveneens te worden verworpen.”

2.35

Daarna is het hof teruggekeerd naar het hoofdverwijt. Het hof heeft dit hoofdverwijt eerst gepreciseerd:

“3.5.6 [eiser] heeft [verweerster] verder verweten dat zij in het kader van een correcte en vlotte schadeafwikkeling had moeten weten dat het voorstel schadeafwikkeling 2002 was gebaseerd op een volstrekt onacceptabele schadevaststelling.

Met name heeft [verweerster] zo stelt [eiser] , niets gedaan om het geschil met contraexpert [betrokkene 3] uit de wereld te helpen.

Ook zou [verweerster] vanaf 2002 niets meer hebben ondernomen voor [eiser] om te bewerkstelligen dat de afwikkeling van de schades met Nationale Nederlanden op basis van juiste vaststellingen zou kunnen plaatvinden.

[eiser] stelt dat [verweerster] bij Nationale Nederlanden had moeten bewerkstelligen dat er met de nodige voortvarendheid de schade werd vastgesteld, meer in het bijzonder Nationale Nederlanden ertoe had moeten bewegen dat de heide schadevoorvallen alsnog als afzonderlijke evenementen zouden worden afgewikkeld.”

2.36

In rov. 3.5.6.1 heeft het hof deze verwijten geschaard onder de noemer “de gang van zaken rondom de schadeafwikkeling”, waarbij het hof een onderverdeling heeft gemaakt in feiten en omstandigheden die van belang zijn met betrekking tot:

- het geschil met [betrokkene 3] ;

- het bewerkstelligen van een correcte en spoedige schadeafwikkeling door Nationale Nederlanden; en

- het standpunt dat [verweerster] Nationale Nederlanden ertoe had moeten bewegen alsnog de schade af te handelen op basis van twee afzonderlijke evenementen.

2.37

Met betrekking tot het geschil met [betrokkene 3] zijn volgens het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang:

“3.5.6.1 (…)

- Na de branden van 2001 en 2002 zijn conform de polisvoorwaarden experts ingeschakeld door verzekeraar en verzeker[ing]nemer [eiser] . In 2002 heeft [eiser] heeft [betrokkene 3] benoemd als contra-expert omdat hij niet nogmaals van de diensten van contra-expert [betrokkene 5] gebruik wilde maken. Eind 2002 lagen schaderapporten voor die als grondslag voor een verzekeringsuitkering konden dienen.

- [eiser] is op dat moment bezwaar gaan maken tegen onderdelen van het door de door hem aangezocht[e] expert [betrokkene 3] in zijn opdracht opgemaakte rapport. Problemen rondom de facturatie hebben geleid tot een gerechtelijke procedure tussen [eiser] en [betrokkene 3] .

- In een uitvoerige correspondentie tussen [eiser] en [verweerster] is een en ander door [eiser] aan de orde gesteld. In antwoord daarop heeft [verweerster] verschillende malen de gang van zaken uitgelegd waarbij zij heeft aangegeven dat, nu [betrokkene 3] de door [eiser] aangezochte expert was hij die uit dien hoofde de belangen van [eiser] behartigde, het niet aan [verweerster] was om in die relatie te treden. Verder heeft zij daarbij aangegeven dat een assurantietussenpersoon geen enkele invloed kan uitoefenen bij vaststelling van schades. (…)”

2.38

Daarna heeft het hof aangeduid welke feiten en omstandigheden van belang zijn in verband met het bewerkstelligen van een correcte en spoedige schadeafwikkeling door Nationale Nederlanden:

“3.5.6.1. (…)

- [verweerster] heeft reeds op 28 maart 2002 aan [eiser] geadviseerd om ter voorkoming van een impasse bij de schadeafhandeling de benoeming van een contra expert te regelen.

- [eiser] heeft in 2002 zelf een overeenkomst gesloten met de expert [betrokkene 3] en [verweerster] was niet op de hoogte van de inhoud van de opdracht.

- Vrijwel onmiddellijk na het uitkomen van het rapport van [betrokkene 3] heeft [eiser] rechtsbijstand gezocht en is via een advocaat rechtstreeks gaan communiceren met Nationale Nederlanden.

- In juni 2006 heeft de toenmalige raadsman van [eiser] mr. Vlasman, "in vervolg op de in (zijn) brief van 27 oktober 2005 gedane aanzet tot een totaaloplossing voor de tussen cliënt en Nationale Nederlanden gerezen discussie omtrent de vergoeding van de (...) schade als gevolge van de branden’' in een brief gericht aan [C] BV een voorstel gedaan aan Nationale Nederland op basis van de bedragen uit de in 2002 uitgekomen schaderapporten.

- In 2007 is opnieuw een schaderapport opgemaakt op basis waarvan Nationale Nederlanden een voorstel heeft gedaan voor schadeafwikkeling welk voorstel niet is geaccepteerd door [eiser] .

- In 2008 is een bindend advies procedure afgesproken tussen [eiser] en Nationale Nederlanden. [verweerster] is daarin niet gekend.

- Eerst in 2014 is uiteindelijk tot schade-uitkering overgegaan (…).”

2.39

Volgens het hof kan een weergave van het standpunt van [eiser] dat [verweerster] Nationale Nederlanden ertoe had moeten bewegen alsnog de schade af te handelen op basis van twee afzonderlijke evenementen achterwege blijven (rov. 3.5.6.1, slot). Dit verwijt stuit volgens het hof reeds af op zijn oordeel (rov. 3.5.5.1, weergegeven in randnummer 2.33 hiervoor) dat [eiser] zijn stellingname, inhoudende dat hij bij afwikkeling van de schade op basis van twee afzonderlijke evenementen, de facto aanspraak had kunnen maken op integrale vergoeding van de bij elk van die evenementen geleden schade, op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd.

2.40

Het verwijt van [eiser] dat ziet op het handelen van contra-expert [betrokkene 3] en de rol van [verweerster] daarbij is volgens het hof vergeefs gemaakt:

“3.5.6.2 [eiser] Iaat na concreet aan te geven wat hij in dit verband van [verweerster] zou hebben verwacht. Waar hij het heeft over het feit dat de schaderapporten volstrekt niet deugden is dat, nog daargelaten dat hij niet nader aangeeft waarin die ondeugdelijkheid is gelegen, een omstandigheid die niet aan [verweerster] verweten kan worden. Zoals hiervoor reeds overwogen is het zo dat [eiser] gebonden was aan de rapportage van de door hem aangezochte contra-expert [betrokkene 3] . In de verhouding [eiser] - [betrokkene 3] kan [verweerster] niet treden uit hoofde van haar positie als assurantietussenpersoon.

Waarom het dan op de weg van [verweerster] zou hebben gelegen om te bewerkstelligen dat het geschil van [eiser] met [betrokkene 3] werd opgelost geeft [eiser] niet aan. [eiser] zelf stelt dat [betrokkene 3] een incassoprocedure tegen [eiser] is begonnen in januari 2003 die uiteindelijk pas in 2007 door [betrokkene 3] is verloren, wat voor enorme vertraging van de schadeafwikkeling heeft gezorgd.

Ook ter zake de, naar [eiser] stelt, gerechtvaardigde klachten over de vaststelling van de schade laat [eiser] na aan te geven wat er in dat opzicht van [verweerster] verwacht had moeten/mogen worden. De schadevaststelling heeft plaatsgevonden conform de daartoe in de polis vastgestelde regeling. Het is onbetwist dat een assurantietussenpersoon niet degene is die verantwoordelijk is voor de vaststelling van de schade en voorts heeft [eiser] zelf, buiten [verweerster] om, [betrokkene 3] als onafhankelijk expert daartoe aangesteld. (…).”

2.41

Ook het verwijt met betrekking tot de afhandeling van de schades heeft [eiser] vergeefs gemaakt:

“3.5.6.2 (…) Eveneens is onduidelijk wat [eiser] aan [verweerster] verwijt over de afhandeling van de schades. [verweerster] heeft, naar zij onweersproken heeft aangevoerd, ervoor gezorgd dat [eiser] reeds korte tijd na de branden twee maal een voorschot op de schade heeft ontvangen. Verder blijkt uit de gang van zaken dat het [eiser] is geweest die niet akkoord ging met de voorstellen ter zake van schadeafwikkeling en daarmee het proces heeft vertraagd. Wat daarin de rol van [verweerster] zou zijn geweest blijkt niet.

Voor wat betreft de stelling dat expertiserapporten niet door [verweerster] aan [eiser] beschikbaar zouden zijn gesteld: [verweerster] heeft daartegen aangevoerd dat het gebruikelijk is dat niet de assurantietussenpersoon is maar de verzekerde zelf de beschikking krijgt over de expertiserapporten. Nog los daarvan is niet duidelijk wat de vertraging is die door het in 2002 niet beschikbaar hebben van deze rapporten zou zijn opgetreden. Het zich niet kunnen vormen van een adequaat beeld over het voorstel van 2 december 2002 kan zonder nadere toelichting onmogelijk de oorzaak ervan zijn dat [eiser] eerst in augustus 2014 akkoord is gegaan met de schade uitkering, temeer niet nu [eiser] zelf erkent dat hij in ieder geval vanaf februari 2004 wel de beschikking over de desbetreffende rapporten had. Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat [verweerster] reeds op 17 december 2004 een voorstel tot afwikkeling van de schade heeft gedaan op basis van de door [eiser] ingeschakelde contra-experts. In de desbetreffende mail wordt ook vermeld dat [eiser] de juistheid van de rapportages van de contra-experts zonder enige onderbouwing ter discussie stelt. Op initiatief van Nationale Nederlanden is op 1 augustus 2007 wederom een voorstel tot schadeafwikkeling gedaan aan [eiser] .

Op geen enkel moment geeft [eiser] concreet aan wat hij precies van [verweerster] verwacht. [eiser] maakt in zijn brief van aan Nationale Nederlanden van 28 april 2008 in reactie op de schadevaststelling door Nationale Nederlanden zelfs melding van een verwijdering tussen [verweerster] en hemzelf en acht het geen aanbeveling zijn zaken door [verweerster] te laten afhandelen en wil hij deze ineens zelf met Nationale Nederlanden afhandelen.

Tegen die achtergrond kon [verweerster] er in redelijkheid geen verwijt van worden gemaakt dat zij geen actieve rol meer heeft gespeeld bij de afwikkeling van de schade.”

2.42

Dit heeft het hof tot de slotsom gebracht:

“3.5.6.3 (…) dat van aan [verweerster] toe te rekenen vertraging van de uitkering geen sprake is en dat evenmin is gebleken van nalatigheid van [verweerster] voor wat betreft het bespoedigen van de uitkering. Voor aansprakelijkheid voor renteschade is onder deze omstandigheden geen grond. De causale keten die [eiser] in mvgr 8.6.55 aan dit onderdeel van zijn vordering ten grondslag legt gaat uit van onjuist gebleken aannames en vermoedens zoals hiervoor reeds vastgesteld.”

2.43

Na aldus tot de slotsom te zijn gekomen dat grief 5 niet slaagt, heeft het hof in rov. 3.5.7 overwogen dat de grieven 6, 7, 8 en 9 (die betrekking hebben op het subsidiaire beroep door [verweerster] op verjaring en schending van de klachtplicht) geen bespreking behoeven, omdat deze grieven gericht zijn tegen, naar de rechtbank uitdrukkelijk heeft weergegeven, overwegingen ten overvloede tegen de achtergrond van het gegeven dat reeds op inhoudelijke gronden de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Nu geen van de grieven (grieven 1 tot en met 5) van [eiser] gericht tegen de inhoudelijke beslissingen van de rechtbank slaagt, staan daarmee die beslissingen van de rechtbank vast en behoeven de grieven 6 tot en met 9 geen nadere bespreking.

2.44

Dit alles leidt volgens het hof tot de slotsom dat geen van de grieven doel treft. Voor het horen van getuigen heeft het hof geen aanleiding gezien. Het daarop betrekking hebbende aanbod van partijen heeft het hof afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd (rov. 3.5.8 en dictum). [eiser] is als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (dictum).

2.45

[eiser] heeft bij procesinleiding van 11 september 2019, derhalve tijdig, beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft bij verweerschrift tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd en heeft haar standpunten schriftelijk doen toelichten. Vervolgens hebben partijen gelijktijdig gerepliceerd ( [eiser] ) en gedupliceerd ( [verweerster] ).

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel van [eiser] bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 kent een inleiding en vijf subonderdelen, waarbij het tweede subonderdeel is onderverdeeld in 1.2, 1.2.1 en 1.2.2. Onderdeel 2 kent geen subonderdelen. Onderdeel 3 betreft een voorbehoud. Dit onderdeel houdt geen klacht in, maar de vermelding dat op 6 december 2018 bij het hof een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en dat [eiser] het proces-verbaal nog niet heeft ontvangen. [eiser] behoudt zich het recht voor om, zo het proces-verbaal daartoe aanleiding geeft, het arrest van het hof nog met nadere klachten te bestrijden.

Onderdeel 1

3.2

Onderdeel 1 draagt het kopje ‘Onderverzekering’. Het is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.5.4 tot en met 3.5.4.6 met betrekking tot de vraag of al dan niet sprake is geweest van onderverzekering.

Subonderdeel 1.1

3.3

Subonderdeel 1.1 houdt zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht in. Het hof heeft, zo luidt de rechtsklacht, in rov. 3.5.4.4, 3.5.4.5 en 3.5.4.6 miskend dat voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre [eiser] schade heeft geleden ten gevolge van de door het hof veronderstelde (rov. 3.5.3) zorgplichtschending van [verweerster] , beslissend is wat feitelijk zou zijn gebeurd indien [verweerster] haar zorgplicht zou zijn nagekomen. Het hof heeft ten onrechte niet onderzocht wat feitelijk zou zijn gebeurd indien [verweerster] haar zorgplicht zou zijn nagekomen en in het bijzonder niet wat de verzekerde som dan zou zijn geweest en welke uitkering Nationale Nederlanden dan zou hebben gedaan.

3.4

Het subonderdeel voert aan dat het hof beslissend heeft geacht dat [eiser] gebonden is aan de vaststelling van de herbouwwaarde van zijn eigen expert en diens bevindingen en taxatie van 2002 en dat ook [verweerster] zich daarop mag beroepen. Volgens het subonderdeel is daarmee echter niet vastgesteld of al dan niet sprake was van onderverzekering en/of wat feitelijk zou zijn gebeurd indien [verweerster] haar zorgplicht zou zijn nagekomen.

3.5

De motiveringsklacht houdt in dat niet, althans niet zonder nadere motivering, valt in te zien waarom de omstandigheid dat [verweerster] zich erop mag beroepen dat [eiser] gebonden is aan de herbouwwaarde/bevindingen/taxatie van zijn eigen expert in 2002, zou doen vaststaan of al dan niet sprake was van onderverzekering en/of wat feitelijk zou zijn gebeurd indien [verweerster] aan haar zorgplicht zou hebben voldaan.

3.6

In mijn bespreking van het subonderdeel stel ik het volgende voorop. Het hof heeft in rov. 3.5.3, eerste alinea, overwogen dat als het, bij wijze van veronderstelling, aanneemt dat [verweerster] in haar zorgplicht is tekortgeschoten, aan de orde moet komen waartoe dit dan heeft geleid. Volgens [eiser] heeft dat dan tot onderverzekering geleid, maar [verweerster] heeft betwist dat er ooit feitelijk sprake is geweest van onderverzekering (rov. 3.5.3, tweede alinea). Het hof heeft vastgesteld dat als er inderdaad geen onderverzekering bestond, daarmee een eventueel tekortschieten van [verweerster] niet tot schade heeft geleid en dan dat tekortschieten niet nader behoeft te worden onderzocht (rov. 3.5.3, derde alinea). Het hof heeft vervolgens onderzocht of sprake is geweest van onderverzekering (rov. 3.5.4). In dit verband heeft het hof, in rov. 3.5.4.2, overwogen dat [eiser] een beroep doet op de waardering van [betrokkene 1] uit 2008 (randnummers 1.15 en 1.16 hiervoor) en dat [verweerster] een beroep doet op de waarderingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] uit 2002 (randnummer 1.9 hiervoor). Volgens het hof beroepen [eiser] en [verweerster] zich beide deels op formele argumenten, deels op inhoudelijke (materiële) argumenten (rov. 3.5.4.2, tweede zin). Eén van de formele argumenten betreft het argument van [verweerster] dat [eiser] gebonden is aan de waarderingen van [betrokkene 2] en de aan de zijde van [eiser] opgetreden contra-expert [betrokkene 3] uit 2002 (rov. 3.5.4.3). Het hof heeft dit argument gegrond bevonden; in de tweede alinea van rov. 3.5.4.4 heeft het hof overwogen dat [verweerster] zich er, in voorkomend geval, op mag beroepen dat de herbouwwaarde was vastgesteld op een wijze dat [eiser] daaraan gebonden was, immers met behulp van taxaties conform de polisvoorwaarden. Daarvoor is volgens het hof redengevend dat:

- [verweerster] geen partij was bij de waardering door [betrokkene 1] in 2008, waarbij Nationale Nederlanden ervoor koos zich bij voorbaat bij deze waardering neer te leggen (rov. 3.5.4.4, derde alinea en randnummers 1.15 en 1.16 hiervoor);

- [verweerster] zich in 2008 nooit heeft uitgelaten of gedragen op een wijze dat [eiser] daaruit kon afleiden dat [verweerster] het inhoudelijk eens was met de berekening van [betrokkene 1] (rov. 3.5.4.4, vierde alinea);

- niet is gebleken van enig inhoudelijk bezwaar van [eiser] tegen de taxatie in 2002, waarmee ook de door [eiser] aangezochte taxateur akkoord was. Onbetwist is verder dat Nationale Nederlanden op basis van deze taxatie over wenste te gaan tot uitkering van het schadebedrag. De vraag of er sprake was van onderverzekering, laat staan dat Nationale Nederlanden daarop een beroep deed, was in het geheel niet aan de orde in 2002 (rov. 3.5.4.4, vierde alinea).

- [eiser] is ook bij gebreke van instemming van hemzelf met de bevindingen van zijn eigen expert gebonden aan de schadevaststelling in 2002 (rov. 3.5.4.4, vijfde alinea). Het hof heeft hier een uitleg gegeven van de verzekeringsvoorwaarde die is geciteerd in randnummer 1.5 hiervoor.

Dit alles betekent volgens het hof dat [eiser] gebonden is aan de taxatie van 2002 en dat [verweerster] zich daar ook op mag beroepen (rov. 3.5.4.4, zesde alinea). Volgens het hof bewijst de berekening van 2008 bij deze stand van zaken niet dat er in 2001/2002, in 1996 of in 1972 daadwerkelijk van enige onderverzekering van betekenis sprake is geweest (rov. 3.5.4.4, zevende alinea). Het hof heeft in dit verband ook van belang geacht dat de rechtsverhouding waarbinnen de bindende taxatie is overeengekomen, een heel andere is dan die tussen [eiser] en [verweerster] (de laatste zin van rov. 3.5.4.4).

3.7

De rechtsklacht van het subonderdeel faalt. Het hof was mijns inziens niet zonder meer gehouden om te onderzoeken of feitelijk sprake is geweest van onderverzekering. Het hof mocht, in het kader van efficiëntie, het geven van een antwoord op deze vraag achterwege laten op de grond dat dit antwoord niet van belang is omdat van aansprakelijkheid van [verweerster] (vanwege het laten ontstaan en in stand houden van een situatie van onderverzekering) om een andere reden – een ‘formeel argument’ – geen sprake zou zijn. Het hof heeft dus, anders dan het subonderdeel naar voren brengt, niet beslissend hoeven achten wat feitelijk zou zijn gebeurd indien [verweerster] haar zorgplicht zou zijn nagekomen.

3.8

De motiveringsklacht van het subonderdeel faalt eveneens. Deze klacht bouwt immers voort op de rechtsklacht. Bovendien mist de motiveringsklacht feitelijke grondslag, nu het hof niet heeft overwogen dat de omstandigheid dat [verweerster] zich erop mag beroepen dat [eiser] gebonden is aan de herbouwwaarde/bevindingen/taxatie van zijn eigen expert in 2002, doet vaststaan dat geen sprake was van onderverzekering. Het hof heeft de vraag naar het bestaan van onderverzekering nadrukkelijk onbeantwoord gelaten.

3.9

Het voorgaande laat onverlet dat het hof mogelijk ten onrechte heeft overwogen dat de vraag naar onderverzekering onbeantwoord kan blijven op grond van het door [verweerster] aangedragen formele argument. Deze inhoudelijke kwestie wordt echter niet door subonderdeel 1.1 aan de orde gesteld, maar door subonderdelen 1.2 en 1.3. Ik zal die subonderdelen gezamenlijk bespreken, nu zij beide het oordeel van het hof in rov. 3.5.4.4 bestrijden dat [eiser] gebonden is aan de waarderingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] uit 2002.

Subonderdeel 1.2

3.10

Dit subonderdeel bestaat uit een inleiding (1.2) en twee sub-subonderdelen (1.2.1 en 1.2.2).

3.11

In de inleiding wordt duidelijk gemaakt dat het subonderdeel klaagt over het oordeel van het hof in de tweede alinea van rov. 3.5.4.4 dat [verweerster] zich jegens [eiser] , in voorkomend geval, erop mag beroepen dat de herbouwwaarde was vastgesteld op een wijze dat [eiser] daaraan gebonden was, immers met behulp van taxaties conform de polisvoorwaarden. Het subonderdeel klaagt voorts over de oordelen van het hof in de vijfde en zesde alinea van rov. 3.5.4.4 dat [eiser] tegenover [verweerster] is gebonden aan de bevindingen en de taxatie van zijn eigen expert in 2002. Volgens het subonderdeel zijn deze oordelen van het hof onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. In dit verband wordt erop gewezen dat op grond van artikel 3 van de polisvoorwaarden van de bij Nationale Nederlanden lopende opstalverzekering van [eiser] geldt dat een taxatie door een door de verzekeringnemer benoemde expert betekenis kan hebben voor de vaststelling van de door een verzekerde gebeurtenis veroorzaakte schade en kosten. Verwezen wordt naar rov. 3.1, tweede en vierde gedachtestreepje.

3.12

Sub-subonderdeel 1.2.1

Onder 1.2.1 wordt een rechtsklacht geformuleerd. Aangevoerd wordt dat de oordelen van het hof dat [eiser] gebonden is aan de herbouwwaarde/bevindingen/taxatie van zijn eigen expert en dat [verweerster] zich daarop mag beroepen, onjuist zijn, omdat het hof heeft miskend dat een overeenkomst in beginsel alleen bindende kracht heeft tussen de personen die partij zijn bij de overeenkomst en in dit geval dus slechts tussen [eiser] en Nationale Nederlanden. Het hof heeft volgens het sub-subonderdeel ten onrechte geoordeeld dat de herbouwwaarde zoals in 2002 door [eiser] expert vastgesteld en diens bevindingen en taxatie dwingend tussen [eiser] en [verweerster] vaststaan, omdat zij conform de polisvoorwaarden zijn opgesteld.

Sub-subonderdeel 1.2.2

3.13

Onder 1.2.2 wordt aangevoerd dat deze oordelen van het hof althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn, nu niet valt in te zien op welke grond, in afwijking van het uitgangspunt van de “relativiteit van de contractswerking”, [eiser] 'in voorkomend geval' niettemin tegenover [verweerster] gebonden zou zijn en/of [verweerster] zich op de gebondenheid van [eiser] mag beroepen. Ook de door het hof in de tweede alinea van rov. 3.5.4.4 benadrukte omstandigheid dat [verweerster] in 2002 nog intensief bij de afwikkeling betrokken was, kan niet verklaren dat [eiser] tegenover [verweerster] aan de herbouwwaarde/bevindingen/taxatie uit 2002 gebonden is c.q. [verweerster] zich daarop mag beroepen, in ieder geval niet zonder nadere motivering.

Subonderdeel 1.3

3.14

Volgens subonderdeel 1.3 raakt het slagen van (een van) de voorafgaande subonderdelen ook 's hof oordeel in de zevende alinea van rov. 3.5.4.4. Het betreft het oordeel van het hof dat de berekening van 2008 dan wel de basis moge vormen voor de verplichtingen van Nationale Nederlanden jegens [eiser] , wat Nationale Nederlanden verder ook van de berekende herbouwwaarde mocht vinden, maar bij deze stand van zaken niet bewijst dat er, in 2001/2002, in 1996 of in 1972, daadwerkelijk van enige onderverzekering van betekenis sprake is geweest. In het subonderdeel zijn de woorden “bij deze stand van zaken” geaccentueerd. Daarachter heeft het subonderdeel geplaatst: “waarin tussen [eiser] en [verweerster] de herbouwwaarde/taxatie/bevindingen uit 2002 bindend vaststaan”.

3.15

Volgens het subonderdeel wordt het oordeel van het hof in de zevende alinea van rov. 3.5.4.4 geraakt, omdat als tussen [eiser] en [verweerster] de herbouwwaarde/bevindingen/taxatie uit 2002 niet bindend zouden vaststaan, dan niet meer valt in te zien waarom de berekening uit 2008 van de bij de drie branden veroorzaakte schade niet zou (kunnen) bewijzen dat sprake was onderverzekering. In die berekening wordt immers gekomen tot een schadebedrag van € 416.475,-- voor herstel van het woonhuis en € 121.538,-- voor herstel van de schuur, en die bedragen overtreffen de verzekerde som ruimschoots.

3.16

Zoals gezegd zie ik aanleiding de subonderdelen 1.2 en 1.3 gezamenlijk te bespreken, nu deze subonderdelen beide het oordeel van het hof in rov. 3.5.4.4 bestrijden dat [eiser] gebonden is aan de waarderingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] uit 2002.

3.17

De motiveringsklacht van sub-subonderdeel 1.2.2 slaagt. [eiser] heeft [verweerster] verweten dat [verweerster] als assurantietussenpersoon niet voldaan heeft aan zijn zorgvuldigheidsverplichting in de periode van 1967 tot aan 2001/2002 (rov. 3.3.2). In 2008 is aan het licht gekomen dat de woning en het bijgebouw van [eiser] – naar aan te nemen valt: al die tijd al – waren onderverzekerd (randnummers 1.15 en 1.16 hiervoor). Het hof heeft [eiser] jegens [verweerster] gebonden geacht aan de (door de contra-expert van [eiser] geaccordeerde) waardering van 2002 (rov. 3.5.4.4, zesde alinea). Dit oordeel van het hof is mijns inziens onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft [eiser] jegens [verweerster]n gebonden geacht aan de op artikel 3.2 van de polisvoorwaarden van de Perfect-Extra gebouwenverzekering gebaseerde schadevaststelling in 2002 (de tweede alinea van rov. 3.5.4.4), waarbij het hof een uitleg van deze bepaling heeft gegeven (de vijfde alinea van rov. 3.5.4.4), maar deze bepaling voorziet slechts in gebondenheid van [eiser] jegens Nationale Nederlanden. [verweerster] komt hierop dus, in beginsel, geen beroep toe. Dit laatste heeft het hof – anders dan in het kader van de rechtsklacht van sub-subonderdeel 1.2.1 wordt betoogd – niet miskend (zie immers de tweede alinea van rov. 3.5.4.4), maar de omstandigheden die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat, ook al raakte de taxatie in 2002 [verweerster] niet, [verweerster] [eiser] daar toch aan mag houden, kunnen het oordeel van het hof niet dragen. Zo valt niet in te zien waarom daartoe redengevend kan zijn dat [eiser] in 2002 geen specifieke bezwaren heeft geuit tegen de begroting van de herbouwwaarde, dat van een inhoudelijk bezwaar van [eiser] tegen de taxatie destijds niet is gebleken en dat de vraag of er sprake was van onderverzekering, laat staan dat Nationale Nederlanden daarop een beroep deed, in 2002 in het geheel niet aan de orde was. Deze omstandigheden hebben zich immers afgespeeld in de verhouding tussen [eiser] en Nationale Nederlanden en dus niet in de verhouding tussen [eiser] en [verweerster] . Uit het (aanvankelijke) akkoord van [eiser] met de begroting van de herbouwwaarde (randnummers 1.9 en 1.10), althans uit de omstandigheid dat [eiser] geen inhoudelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de begroting van de herbouwwaarde, heeft [verweerster] niet kunnen afleiden dat [eiser] , mocht later (toch) blijken van onderverzekering, [verweerster] niet daarop zou aanspreken. Die omstandigheden staan er dus niet aan de in weg dat [eiser] dit thans alsnog doet. In dit verband is ook van belang dat [eiser] enige tijd na 18 juni 2002 zijn aanvankelijk gegeven instemming met de schadevaststelling van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft ingetrokken (randnummer 1.10 hiervoor), hetgeen Nationale Nederlanden – kennelijk – heeft aanvaard. Na 2002 ging het verhaal tussen [eiser] en Nationale Nederlanden dus nog verder. Ook in het licht hiervan heeft het hof [eiser] mijns inziens niet gebonden kunnen achten aan de op artikel 3.2 van de polisvoorwaarden gebaseerde schadevaststelling in 2002 – jegens [verweerster] – op grond van omstandigheden omtrent de schadebegroting in deze periode.

3.18

In de vierde alinea van rov. 3.5.4.4 heeft het hof ook aan zijn oordeel – zijn oordeel dat [verweerster] zich kan beroepen op gebondenheid van [eiser] aan de schadevaststelling in 2002 – ten grondslag gelegd dat in 2002 de vraag of er sprake was van onderverzekering, laat staan dat Nationale Nederlanden daarop een beroep deed, in het geheel niet aan de orde was. Het hof laat deze omstandigheid dus in het nadeel van [eiser] uitpakken. Dat deze omstandigheid in het nadeel van [eiser] zou moeten uitpakken, ligt echter niet direct voor de hand. In 2008 bleek immers dat er – al die tijd – wél sprake was van onderverzekering. Daarop komt [eiser] in beginsel een beroep toe. Niet valt in te zien waarom de omstandigheid dat de vraag naar onderverzekering in 2002 in het geheel niet aan de orde was, maakt dat [eiser] geen beroep toekomt op de constatering in 2008 dat er al die tijd wél sprake van onderverzekering.

3.19

De overweging van het hof in de zevende alinea van rov. 3.5.4.4, waarover subonderdeel 1.3 klaagt, is mijns inziens eveneens onvoldoende gemotiveerd. Het hof overweegt hier dat de berekening van 2008 bij deze stand van zaken niet bewijst dat er in 2001/2002, in 1996 of in 1972 daadwerkelijk van enige onderverzekering van betekenis sprake is geweest. Deze overweging kan niet in stand blijven, omdat net zo goed gesteld kan worden dat het feit dat [verweerster] een beroep toekomt op gebondenheid van [eiser] aan de schadevaststelling in 2002 – een ‘formeel argument’ – niet bewijst dat er in 2001/2002, in 1996 of in 1972 géén sprake was van onderverzekering en het hof nadrukkelijk niet heeft onderzocht of ook vóór 2008 sprake was van onderverzekering (rov. 3.5.4.5, laatste zin).

3.20

Het voorgaande brengt mee dat de motiveringsklacht van sub-subonderdeel 1.2.2 en subonderdeel 1.3 doel treffen, hetgeen tot gevolg heeft dat rov. 3.5.4.4 niet in stand kan blijven. De rechtsklacht van sub-subonderdeel 1.2.1 faalt, nu het hof niet heeft miskend dat een overeenkomst in beginsel alleen bindende kracht heeft tussen de personen die partij zijn bij de overeenkomst (randnummer 3.17 hiervoor).

Subonderdeel 1.4

3.21

Subonderdeel 1.4 richt een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.5.4.6, eerste alinea, dat een eventueel onvoldoende gevolggeven door [verweerster] aan haar zorgplicht niet tot onderverzekering en niet tot schade heeft geleid. Het subonderdeel voert aan dat [betrokkene 3] in 2002 tot de conclusie is gekomen dat de verzekerde som voor de woning onvoldoende was: de verzekerde som voor de woning had volgens hem € 225.681,-- in plaats van € 202.749,-- dienen te belopen. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar rov. 3.1, achtste gedachtestreepje (randnummer 1.9 hiervoor). Volgens het subonderdeel valt bij deze vaststelling, waaraan [eiser] volgens het hof gebonden is en waarop [verweerster] zich mag beroepen, niet in te zien waarom een eventueel onvoldoende gevolggeven door [verweerster] aan haar zorgplicht niet tot onderverzekering en niet tot schade heeft geleid. Als in 2002 de verzekerde som namelijk onvoldoende was, dan valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom het voldoen door [verweerster] aan haar zorgplicht, hoe die ook moet worden ingevuld, met het oog op het toereikend zijn van de verzekerde som, niet ertoe zou hebben geleid dat de verzekerde som zou zijn verhoogd. Althans, niet valt zonder nadere motivering in te zien waarom een hogere verzekerde som niet ertoe zou hebben geleid dat Nationale Nederlanden een grotere uitkering aan [eiser] zou hebben gedaan. Onderverzekering heeft immers altijd gevolgen voor de hoogte van de aanspraak op schadevergoeding, of de schade nu hoger (art. 7:955 lid 1 BW) of lager (art. 7:958 lid 5 BW) is dan de verzekerde som.

3.22

Het subonderdeel komt erop neer dat, nu er in 2002 aantoonbaar sprake was van onderverzekering (rov. 3.1, achtste gedachtestreepje, weergegeven in randnummer 1.9 hiervoor), en [eiser] volgens het hof gebonden is aan de schadevaststelling van 2002, het oordeel van het hof dat een eventueel onvoldoende gevolggeven door [verweerster] aan haar zorgplicht niet tot onderverzekering en niet tot schade heeft geleid, niet in stand kan blijven.

3.23

Mijns inziens heeft het hof in rov. 3.5.4.6, eerste alinea, van het bestreden arrest – de tweede en derde alinea worden door het subonderdeel niet bestreden – slechts een gevolgtrekking gemaakt, gelet op de frase waarmee rov. 3.5.4.6 aanvangt: “Dit alles leidt tot de conclusie dat (…)”. Het hof heeft dus in rov. 3.5.4.6, eerste alinea, geen zelfstandige grond gegeven waarop de vorderingen van [eiser] afstuiten; het hof heeft daarentegen slechts aangegeven wat het gevolg is van hetgeen het heeft overwogen in rov. 3.5.4 tot en met 3.5.4.5. [eiser] was daarom niet gehouden om in cassatie ook een klacht tegen rov. 3.5.4.6. eerste alinea, te richten. Deze rechtsoverweging wordt meegetrokken door rov. 3.5.4.4, dat door het slagen van subonderdelen 1.2 en 1.3 omvalt. Nu rov. 3.5.4.6, eerste alinea, sneuvelt, behoeft subonderdeel 1.4 eigenlijk geen bespreking meer. Ten overvloede merk ik evenwel op dat subonderdeel 1.4 – op zichzelf beschouwd, als gericht tegen rov. 3.5.4.6, eerste alinea, en rov. 3.5.4.4 even weggedacht – faalt. De klacht van dit subonderdeel mist feitelijke grondslag waar het stelt dat het hof in rov. 3.5.4.6, eerste alinea, heeft overwogen dat een onvoldoende gevolggeven door [verweerster] aan haar zorgplicht niet tot onderverzekering heeft geleid. Het hof heeft het immers slechts over ‘niet tot schade geleid” en niet over ‘niet tot onderverzekering geleid’. Voorts heeft te gelden dat Nationale Nederlanden destijds geen beroep heeft gedaan op de wel geconstateerde onderverzekering omdat daar geen aanleiding toe was (rov. 3.5.5.1, vijfde alinea). Bij deze stand van zaken is er mijns inziens geen sprake van dat het oordeel van het hof, dat een eventueel onvoldoende gevolggeven door [verweerster] aan haar zorgplicht niet tot schade heeft geleid, in strijd is met hetgeen in rov. 3.1, achtste gedachtestreepje staat.

Subonderdeel 1.5

3.24

Dit subonderdeel voert aan dat, hoewel het hof in de zevende alinea van rov. 3.5.4.4 ook heeft geoordeeld ter zake van het in 1996 bestaan van onderverzekering, het hof in de tweede alinea van rov. 3.3.2 uitsluitend lijkt te willen nagaan of [verweerster] in de periode 2001/2002 is tekortgeschoten in haar zorgplicht met betrekking tot het voorkomen van een onderverzekering. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat, mocht het hof zich daartoe inderdaad beperken, dat dan onbegrijpelijk is in het licht van de processtukken van [eiser] . [eiser] heeft daarin immers, zoals het hof in rov. 3.2.2 ook heeft onderkend, [verweerster] niet slechts verweten dat zij haar zorgplicht in de periode 2001/2002 heeft geschonden, maar ook daaraan voorafgaand, omdat in ieder geval al vanaf 1996 sprake is geweest van onderverzekering. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar vindplaatsen in de memorie van grieven.

3.25

Het subonderdeel verwijst naar de volgende randnummers in de memorie van grieven: 4.3.22, 4.5.10, 8.2.11, 8.2.12, 8.2.21, 8.2.25, 8.2.45, 8.2.46. Uit de teksten bij deze randnummers blijkt inderdaad, zoals het subonderdeel aanvoert, dat [eiser] heeft gesteld dat [verweerster] zich nimmer aan de zorgplicht met betrekking tot het voorkomen van onderverzekering heeft gehouden. Zo staat in de tekst bij randnummer 4.3.22:

“(…) [verweerster] heeft zich noch bij het aangaan van de verzekering, noch in een later stadium ervan gewist dat [eiser] (nog) goed verzekerd was. (…)”

In randnummer 4.5.10:

“Door decennialang niet meer om te kijken naar de verzekerde som, zelfs niet na de eerste brand in 1996, is [verweerster] ernstig tekortgeschoten (…).”

En in randnummer 8.2.11:

“Kortom, als vaststaand moet worden aangenomen dat steeds sprake is geweest van onderverzekering van de opstallen van [eiser] , hoogstwaarschijnlijk van meet af aan vanaf de initiële vaststelling van de verzekerde som. (…)”

Ook uit de teksten bij de overige randnummers blijkt dat [eiser] heeft gesteld dat steeds, dus ook al in 1976, sprake is geweest van onderverzekering (door toedoen van [verweerster] ).

3.26

Het hof heeft mijns inziens echter niet miskend dat [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat er door [verweerster] altijd sprake is geweest van onderverzekering. Uit de tweede alinea van rov. 3.2.2 kan niet worden afgeleid dat het hof zich beperkt heeft tot de periode 2001/2002, zoals het subonderdeel aanvoert. Daarentegen blijkt uit die rechtsoverweging dat het hof er oog voor heeft gehad dat [eiser] ook aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat de opstallen ernstig onderverzekerd waren ten tijde van de brand in 1996. Ook uit de zevende alinea van rov. 3.5.4.4 blijkt dat het hof heeft begrepen dat het verwijt van [eiser] inhield dat (mogelijk) reeds in 1976 al sprake was van onderverzekering. Subonderdeel 1.5 faalt derhalve.

Onderdeel 2

3.27

Dit onderdeel draagt het kopje ‘Tekortschieten ter zake van de afwikkeling van de brand in 1996’. Het onderdeel voert aan dat [eiser] [verweerster] heeft verweten dat zij op geen enkele manier heeft gewaarschuwd dat hij, ter veiligstelling van zijn vanwege de brand in 1996 verkregen rechten onder de polis, tijdig een aanvang met de herbouw van de schuur/berging had moeten maken, terwijl dit volgens [eiser] wel op haar weg had gelegen als redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon.

3.28

Het onderdeel klaagt vervolgens dat het hof niet op dit verwijt heeft gerespondeerd, in het bijzonder niet in rov. 3.5.6 tot en met 3.5.6.3, waarin het hof heeft geoordeeld over het meer algemene verwijt van [eiser] dat door toedoen van [verweerster] de afwikkeling van de brandschades ernstig is vertraagd. Aldus heeft het hof volgens het onderdeel een essentiële stelling van [eiser] in strijd met art. 24 Rv gepasseerd, of ontoereikend gemotiveerd verworpen. Volgens het onderdeel valt zonder nadere motivering in ieder geval niet in te zien dat [verweerster] niet is tekortgeschoten in haar verplichting tot het waarschuwen van [eiser] dat hij op tijd een aanvang met de herbouw diende te maken ter veiligstelling van zijn rechten. Het hof heeft niet vastgesteld dat [verweerster] in dit geval [eiser] in verband hiermee niet had behoeven te waarschuwen dan wel dat [verweerster] [eiser] wel voldoende zou hebben gewaarschuwd.

3.29

[eiser] heeft inderdaad gesteld, zoals het onderdeel aanvoert, dat [verweerster] valt te verwijten dat zij op geen enkele manier heeft gewaarschuwd dat [eiser] , ter veiligstelling van zijn vanwege de brand in 1996 verkregen rechten onder de polis, tijdig een aanvang met de herbouw van de schuur/berging had moeten maken. In randnummer 8.6.21 van de memorie van grieven staat het volgende:

“ [eiser] ontving vervolgens op 6 november 2002 (productie 16) van [verweerster] de onverwachte onheilstijding dat de brandschade van 1996 betreffende de schuur/berging niet meer zou worden afgewikkeld op basis van herbouwwaarde van het pand, zoals [eiser] in 1996 met [betrokkene 4] (de destijds namens Nationale Nederlanden ingeschakelde expert) had afgesproken, maar op basis van de veel lagere verkoopwaarde daarvan. Dit zonder dat [verweerster] [eiser] vooraf op enige manier had gewaarschuwd dat hij ter veiligstelling van zijn rechten onder de polis eerder een aanvang met de herbouw van de schuur/berging had moeten maken. Dit lag wel op haar weg als redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon. [verweerster] had ook hier voor [eiser] moeten opkomen.”

3.30

In randnummer 8.6.22 valt vervolgens het volgende te lezen:

“Deze fout is uiteindelijk later alsnog gecorrigeerd door Nationale Nederlanden in haar afwikkelingsvoorstel van 3 april 2008, toen voor wat betreft de schade van 1996 alsnog een vergoeding berekend op basis van herbouwwaarde werd aangeboden. Maar dit pas na veelvuldig aandringen door [eiser] . Ook op dit punt heeft [verweerster] [eiser] voortdurend in de kou laten staan. Zij heeft werkelijk niets ondernomen – ook niet in een later stadium – om Nationale Nederlanden onder verwijzing naar de in 1996 tussen [eiser] en [betrokkene 4] gemaakte afspraak alsnog op andere gedachten te brengen. Dat had wel gemoeten, alsook gekund, (…).”

3.31

In rov. 3.5.5 tot en met 3.5.6.3 van het bestreden arrest heeft het hof aandacht besteed aan grief 5. In deze overwegingen heeft het hof een aantal belangrijke verwijten van [eiser] besproken. Zo heeft het hof in rov. 3.5.5.1, eerste alinea, het volgende overwogen:

“3.5.5.1 Het hof besteedt vooreerst aandacht aan het sub-verwijt dat [verweerster] [eiser] onjuist zou hebben geadviseerd door voor te stellen dat na de tweede woningbrand de beide woningbranden uit 2001 en 2002 afgewikkeld zouden worden als ware sprake geweest van één gebeurtenis.”

En in rov. 3.5.6:

“3.5.6 [eiser] heeft [verweerster] verder verweten dat zij in het kader van een correcte en vlotte schadeafwikkeling had moeten weten dat het voorstel schadeafwikkeling 2002 was gebaseerd op een volstrekt onacceptabele schadevaststelling.

Met name heeft [verweerster] zo stelt [eiser] , niets gedaan om het geschil met contraexpert [betrokkene 3] uit de wereld te helpen.

Ook zou [verweerster] vanaf 2002 niets meer hebben ondernomen voor [eiser] om te bewerkstelligen dat de afwikkeling van de schades met Nationale Nederlanden op basis van juiste vaststellingen zou kunnen plaatvinden.

[eiser] stelt dat [verweerster] bij Nationale Nederlanden had moeten bewerkstelligen dat er met de nodige voortvarendheid de schade werd vastgesteld, meer in het bijzonder Nationale Nederlanden ertoe had moeten bewegen dat de heide schadevoorvallen alsnog als afzonderlijke evenementen zouden worden afgewikkeld.”

3.32

Mijns inziens heeft het hof, door deze verwijten van [eiser] in het kader van grief 5 te bespreken, de belangrijkste verwijten van [eiser] besproken. Dat deze verwijten het belangrijkst waren, blijkt uit de pleitaantekeningen van de advocaat van [eiser] , waarin deze verwijten worden herhaald, maar het verwijt ter zake van de brand in 1996 niet. In die pleitaantekeningen wordt, onder het kopje “Het niet correct bijstaan door [verweerster] ”, nadrukkelijk ‘ingezoomd’ op een drietal ‘ernstige tekortkomingen’:

1. [eiser] bezwaren tegen het afwikkelingsvoorstel van 2 december 2002;

2. [eiser] verwijt [verweerster] dat zij niets heeft gedaan om te bevorderen dat het geschil met [betrokkene 3] werd opgelost;

3. De gezamenlijke afwikkeling van de twee woningbranden.5

Uit het benadrukken van deze ‘ernstige tekortkomingen’ in de pleitaantekeningen heeft het hof mijns inziens mogen afleiden dat het verwijt ter zake van de brand in 1996 kennelijk tot de minder ernstige verwijten behoort en slechts is aangevoerd ter onderbouwing van het meer algemene standpunt van [eiser] dat [verweerster] hem voortdurend in de kou heeft laten staan. Dat het verwijt ter zake van de brand in 1996 tot de minder ernstige verwijten behoort, heeft het hof mijns inziens ook mogen afleiden uit de frase “Deze fout is uiteindelijk later alsnog gecorrigeerd door Nationale Nederlanden in haar afwikkelingsvoorstel van 3 april 2008” (zie het citaat in randnummer 3.30 hiervoor). Hieruit kan worden afgeleid dat het aan het verwijt ten grondslag liggende probleem uiteindelijk in 2008 is opgelost en van schade in zoverre geen sprake is. Bij deze stand van zaken kan niet gesproken worden van een essentiële stelling waaraan het hof expliciet aandacht had moeten besteden.

3.33

Het hof was mijns inziens ook niet gehouden om aandacht te besteden aan de onderhavige stelling van [eiser] , omdat grief 5, waarin deze stelling wordt ingenomen, een groot aantal verwijten aan het adres van [verweerster] betreft en maar liefst 11 pagina’s beslaat (en 58 randnummers telt) – de memorie van grieven bestrijkt in totaal 144 pagina’s – waarin één lang betoog wordt gehouden zonder enige indeling. Bij deze stand van zaken kan het hof niet worden nagedragen dat het een bespreking van de onderhavige stelling achterwege heeft gelaten.

3.34

Onderdeel 2 is dus vergeefs voorgesteld.

Onderdeel 3

3.35

Onderdeel 3 houdt, zoals hiervoor reeds is opgemerkt (randnummer 3.1) niet een klacht in, maar is een voorbehoud.

Slotsom

3.36

Gelet op het slagen van de subonderdelen 1.2 en 1.3 kan het bestreden arrest niet in stand blijven en moet verwijzing volgen. Na verwijzing komt mogelijk ook het beroep van [verweerster] op verjaring en schending van de klachtplicht nog aan de orde.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Deze feitenweergave is gebaseerd op de in cassatie niet bestreden rov. 3.1 uit het bestreden arrest. Het bestreden arrest betreft hof ’s-Hertogenbosch 11 juni 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2125, in het hoger beroep op Rb. Oost-Brabant 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5645 (niet gepubliceerd).

2 Productie 29 bij de inleidende dagvaarding.

3 Rov. 3.1. van het hiervoor (voetnoot 1) genoemde vonnis van de rechtbank Oost-Brabant.

4 De rechtbank grijpt in dit verband terug naar rov. 4.9. Hierin heeft zij overwogen dat [eiser] eerst in zijn brief van 20 oktober 2011 aan [verweerster] iets heeft opgemerkt over onderverzekering, maar dat van een aanmaning of een mededeling dat [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming ter zake een vordering in verband met onderverzekering voorbehoudt, uit die brief niet blijkt.

5 Pleitaantekeningen mr. H.P.D. den Teuling, randnummers 41., 45., 52. en 57.