Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:774

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
19/03916
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1971
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag tegen onder een ander gelegd beslag op sieraden en een contant geldbedrag ex art. 94 Sv. De voorwerpen zijn in beslag genomen in een strafrechtelijk onderzoek naar de beslagene, niet zijnde de klaagster. Naar aanleiding van verklaringen van klaagster in de klaagschriftprocedure over het geldbedrag, is tegen haar een verdenking gerezen van witwassen. De rechtbank heeft geoordeeld dat gelet hierop het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. De AG gaat in op de vraag of voor het oordeel dat gelet op de gerezen verdenking tegen klaagster het belang van strafvordering voortduurt, vereist is dat het beslag is of wordt omgezet op naam van de klaagster. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03916 B

Zitting 8 september 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de klaagster.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 2 augustus 2019 de klaagster in haar beklag, strekkende tot opheffing van het beslag op verschillende sieraden en een contant geldbedrag en teruggave van deze goederen aan haar, deels niet-ontvankelijkheid verklaard en het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard.1

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

1.3.

Klaagster heeft op 24 november 2017 een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend en daarin de opheffing verzocht van onder haar vriend, [betrokkene 1] , inbeslaggenomen sieraden en een contant geldbedrag van € 41.848,70, waarvan zij stelt dat zij deze bij hem in bewaring heeft gegeven. Naar aanleiding van hetgeen door de klaagster in de klaagschriftprocedure naar voren is gebracht over het in beslag genomen geldbedrag, is tegen haar een verdenking gerezen van witwassen, waarvoor zij, gelijktijdig met [betrokkene 1] , is vervolgd.

1.4.

Uit namens mij ingewonnen inlichtingen bij het openbaar ministerie en de rechtbank, is gebleken dat de strafrechter in de zaak tegen de beslagene, [betrokkene 1] , inmiddels op 22 juli 2020 vonnis heeft gewezen. In dit (niet onherroepelijke) vonnis heeft de strafrechter beslist op het beslag en ten aanzien van de in dit klaagschrift centraal staande, onder [betrokkene 1] in beslag genomen goederen en hiervan de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbenden. Ook in de strafzaak tegen klaagster is op 22 juli 2020 (een niet-onherroepelijk) vonnis gewezen door de strafrechter, waarin klaagster is veroordeeld wegens witwassen van het geldbedrag van € 41.848,70, dat onder [betrokkene 1] in beslag is genomen.

2 De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1.

De beslissing over het beslag in de strafzaak tegen [betrokkene 1] komt er in feite op neer dat het openbaar ministerie dient na te gaan wie de rechthebbende is van het geld waarvan klaagster middels haar klaagschrift de teruggave heeft verzocht. Een deel van de sieraden (twee oorbellen en een ring met een steentje) is hangende de beklagprocedure door het openbaar ministerie al teruggegeven aan [betrokkene 2] (zie de beschikking van de rechtbank hierna onder 3.3.), zodat klaagster, voor zover hier nog over wordt geklaagd (de schriftuur is daar niet duidelijk over), met betrekking tot deze sieraden in ieder geval niet ontvankelijk is.

2.2.

Wat het geldbedrag betreft geldt in zijn algemeenheid, dat indien hangende de beklagprocedure een vonnis wordt gewezen in de onderliggende strafzaak, dit in beginsel tot gevolg heeft dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaart, omdat een beschikking op het beklag “naar zijn aard” een beslissing is die wordt gegeven “in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande.”2 Ik meen dat deze rechtsregel in dit geval niet van toepassing is, omdat door de beslissing van de strafrechter nog steeds op het bestaande klaagschrift van de klaagster een beslissing kan volgen ten aanzien van de vraag of de klaagster als redelijkerwijs rechthebbende van het geldbedrag moet worden aangemerkt.3

2.3.

Omdat in de strafzaak tegen klaagster geen beslagbeslissingen zijn genomen, is er geen reden om klaagster niet ontvankelijk te verklaren in haar onderhavige cassatieberoep.

3 Het middel

3.1.

Het middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

3.2.

Het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van 20 maart 2019 houdt – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – het volgende in:

“De raadsman voert aan:

Cliënte is verdachte geworden naar aanleiding van haar eigen verklaring over de inbeslaggenomen goederen en gelden. Ik heb sinds de vorige zitting geen nieuwe informatie ontvangen van het Openbaar Ministerie. Het klaagschrift richt zich hoofdzakelijk tegen het beslag op een geldbedrag van € 41.848,70. Het is een bijzonder bedrag om thuis te hebben liggen. Cliënte woont echter op een woonwagenkamp en heeft minder vertrouwen in banken. Om die reden heeft zij het geld opgenomen van haar rekening. Haar moeder deed hetzelfde toen zij van de gemeente een geldbedrag heeft gekregen naar aanleiding van de verkoop van een woonwagenstandplaats. Zo moeder, zo dochter. U kunt het onverstandig vinden en het zelf niet doen, maar het geld heeft een legale herkomst en cliënte mag daarom zelf bepalen hoe ze haar geld bewaart. Naar aanleiding van de vorige zitting is het verzoek tot teruggave van het beslag afgewezen. Er werd gesteld dat de verklaringen van de moeder van cliënt en van cliënt niet overeenkomen. De moeder van cliënt zou bij de aanvraag van een uitkering hebben gezegd dat zij geen contant geld meer had. Ik twijfel aan die verklaring. Zij wilde een uitkering van de gemeente en had daarom er belang bij om te zeggen dat zij geen contant geld meer had. Indien zij dat niet zou hebben verklaard, dan zou zij geen uitkering hebben gekregen. We kunnen de verklaring van de moeder van cliënte niet meer toetsen omdat zij overleden is. Ik ben van mening dat voldoende aannemelijk is geworden dat het geld er wel is geweest. De moeder was een dame op leeftijd die niet veel geld opmaakte. Zij heeft een fors bedrag gepind en het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat zij het hele bedrag er doorheen heeft gejaagd. Daar komt nog bij dat cliënte ook zelf een geldbedrag van in totaal € 31.000,00 heeft opgenomen. Samen met de contante erfenis van haar moeder ter hoogte van € 10.000,00 verklaart dit bijna het volledige aangetroffen bedrag. Het is daarom in dit geval hoogst onaannemelijk dat er een verbeurdverklaring zal volgen. Er is een einddossier in de strafzaak, dus u kunt beslissen als ware u de inhoudelijke rechter. U vraagt mij naar de uitgave van € 20.000,00 voor aankoop van een auto. Er kan een auto gekocht zijn, maar het geld dat is aangetroffen past best binnen het bedrag van € 51.000,00 waarvoor een verklaring is gegeven.

De officier van justitie voert aan:

De zaak kan vandaag niet inhoudelijk behandeld worden. De omstandigheden zijn sinds de vorige zitting niet veranderd. Het is dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat er een verbeurdverklaring van het beslag zal volgen. De raadsman stelt dat de verklaring van de moeder van klaagster niet zal kloppen, maar het is ook niet aannemelijk dat de moeder van klaagster fraude gaat plegen. Ik ga ervan uit dat zij de formulieren naar waarheid heeft ingevuld. Klaagster heeft zelf jarenlang geen inkomen gehad, dus daar kan het geld niet vandaan komen. Ik persisteer bij het eerder ingenomen standpunt.

De rechter sluit het onderzoek en deelt mee dat de rechtbank uiterlijk 2 augustus 2019 uitspraak zal doen.”

3.3.

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

• de kennisgevingen van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 11 juli 2017 in het strafvorderlijk onderzoek tegen [betrokkene 1] 02/665131-17 en klaagster zelf 02/665184-18 in beslag zijn genomen: meerdere sieraden en een geldbedrag ter hoogte van € 41.848,70 (hierna: de sieraden en het geldbedrag);

• het klaagschrift, ingediend op 24 november 2017 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;

• het verweerschrift van de officier van justitie;

• de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 maart 2018;

• de beschikking van de Hoge Raad van 12 maart 2019;

• de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.

Het klaagschrift met raadkamernummer 17-008401 is op 21 februari 2018 behandeld door de raadkamer van deze rechtbank. Tegen de beschikking van 21 maart 2018 is cassatie ingesteld. Bij beschikking van 12 maart 2019 heeft de Hoge Raad de zaak terugverwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het klaagschrift is opnieuw ingeschreven onder raadkamernummer 19-002976 en is behandeld tijdens een openbare raadkamerzitting op 25 juli 2019. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. De Feijter, en mr. Van Rijsbergen als gemachtigd raadsman van klaagster.

Klaagster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.

De belanghebbende (overeenkomstig artikel 552a lid 5 Sv), zijnde [betrokkene 1] is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van de gelegde beslagen met last tot teruggave aan de klaagster. In het klaagschrift is namens klaagster aangevoerd dat op 11 juli 2017 onder [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1947, goederen in beslag zijn genomen. Een deel van deze goederen is eigendom van klaagster. Dit betreft een grijs sieradendoosje met twee oorbellen en een ring met een steentje, een grijs sieradendoosje met twee oorbellen en twee ringen, een zwarte sok met daarin één ketting met een kruis twee ringen en één armband, twee oorbellen, een zwart Audemars Piguet horloge en een geldbedrag van €41.848,70. Namens klaagster is aangevoerd dat zij haar vriend, [betrokkene 1] , heeft gevraagd de goederen veilig op te bergen. Dit is gebeurd op zijn adres. Klaagster heeft gesteld dat zij het geld deels contant van haar, op 2 november 2016 overleden, moeder heeft gekregen en deels heeft ontvangen uit de verkoop van haar woonwagen. De raadsman heeft namens klaagster aangevoerd dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen de teruggave van de goederen en dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een geldboete, ontneming of schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd of dat het beslag verbeurd wordt verklaard.

De officier van justitie heeft in een reactie aangevoerd dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Zij heeft gesteld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de verbeurdverklaring zal bevelen. Het geld is gevonden in een motorblok. De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij de verklaring van klaagster over de herkomst van het geld ongeloofwaardig acht. Immers is uit inlichtingen over de vermogenspositie van de moeder van klaagster gebleken dat zij een bijstandsuitkering heeft aangevraagd omdat het geld uit de verkoop van de woonwagen op was. De officier van justitie heeft daarnaast gesteld dat klaagster heeft aangevoerd dat zij op 7 maart 2011 een verhuiskostenvergoeding heeft opgenomen, terwijl uit opgevraagde gegevens is gebleken dat zij die vergoeding pas op 20 februari 2012 heeft ontvangen. Uit gegevens van de Belastingdienst is volgens de officier van justitie gebleken dat er verder in de periode van 2012 tot en met 2014 geen legaal inkomen van klaagster bekend is. Ten aanzien van het horloge en de nog niet geretourneerde sierraden heeft de officier van justitie gesteld dat ook voor die goederen nog geen legale herkomst is gevonden.

In raadkamer van 25 juli 2019 heeft de raadsman aangevoerd dat het binnen de kringen waarin klaagster verkeert niet bijzonder is om grote contante geldbedragen contant thuis te bewaren. Klaagster en haar moeder hebben allebei het geld dat zij voor de verkoop van hun woonwagen hebben gekregen, opgenomen en contant bewaard. De raadsman heeft gesteld dat de verklaring van de moeder van klaagster ten behoeve van het verkrijgen van een uitkering niet meegenomen kan worden, nu moeder niet meer over deze verklaring kan worden bevraagd aangezien zij overleden is en het niet ondenkbaar is dat zij heeft gelogen om een uitkering te kunnen krijgen. Gelet op het uitgavenpatroon van klaagster en haar moeder, is voldoende vast komen te staan dat het inbeslaggenomen geld het restant is van het bedrag dat uit een legale bron is verkregen. Hierin is zelfs de aankoop van een auto door klaagster meegenomen. Hierdoor is het hoogst onaannemelijk dat er een verbeurdverklaring van het geldbedrag zal volgen.

De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij het schriftelijk ingenomen standpunt. Zij acht het niet aannemelijk dat de moeder van klaagster fraude heeft gepleegd bij het aanvragen van een uitkering.

2. De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.

Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het klaagschrift.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

De rechtbank stelt vast dat uit de eerdere behandeling van het klaagschrift is gebleken dat twee oorbellen en een ring met een steentje reeds zijn teruggegeven aan [betrokkene 2] . De raadsman heeft dit destijds niet betwist noch aangevoerd dat deze sieraden ten onrechte aan de verkeerde persoon terug zijn gegeven. Voor zover het klaagschrift zich nog tegen het beslag op deze goederen richt dient klaagster in dit onderdeel van het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu het beslag reeds is teruggegeven en klaagster geen belang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel over dit deel van het beslag.

De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:

a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,

b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.

De rechtbank stelt vast dat uit de kennisgevingen van inbeslagneming volgt dat de sieraden en het geldbedrag aanvankelijk in beslag zijn genomen in het strafrechtelijke onderzoek tegen [betrokkene 1] . Uit de verklaringen van klaagster is voldoende aannemelijk geworden dat zij als redelijkerwijs rechthebbende op de inbeslaggenomen sieraden en het inbeslaggenomen geldbedrag aangemerkt dient te worden. Echter, gelet op haar eigen verklaringen over de inbeslaggenomen sieraden en het geldbedrag is tegen klaagster zelf een verdenking van witwassen gerezen. Het beslag op de sieraden en het geldbedrag duurt ook in haar eigen strafzaak voort. Om deze reden dient de rechtbank ook te toetsen of het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave van de goederen.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.

Uit het procesdossier is gebleken dat de sieraden en het geldbedrag van klaagster in beslag zijn genomen bij een doorzoeking. Deze doorzoeking is gevolgd naar aanleiding van een verdenking van witwassen jegens meerdere leden van de familie […] . Uit het dossier volgt dat er contante geldstromen zijn geconstateerd die niet verklaard werden. Tijdens de doorzoeking is het geldbedrag aangetroffen in een motorblok en zijn er sieraden aangetroffen in een luchtfilter. De raadsman heeft voor de inbeslaggenomen voorwerpen en het geldbedrag een verklaring gegeven. Echter, uit de reactie van de officier van justitie volgt dat deze verklaring na verificatie geen stand lijkt te kunnen houden. De enkele stelling van de raadsman dat de verklaring van de moeder van klaagster buiten beschouwing dient te worden gelaten nu zij niet nogmaals gehoord kan worden, doet gelet op de summiere toets in raadkamer niets af aan de conclusie van de officier van justitie ten behoeve van de raadkamer. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de tegen klaagster gerezen verdenking van witwassen en het ontbreken van een op het moment van de raadkamerzitting concrete verifieerbare en onderbouwde verklaring, niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen sieraden en het geldbedrag zal bevelen. Het strafvorderlijk belang verzet zich tegen opheffing van de gelegde beslagen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.

3. De beslissing

De rechtbank verklaart:

  • -

    klaagster voor zover het klaagschrift zich richt tegen het beslag op de twee oorbellen en de

  • -

    ring met het steentje niet-ontvankelijk in het klaagschrift;

  • -

    het klaagschrift voor het overige ongegrond.”

3.4.

De klacht is dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat het beslag op de sieraden en het contante geldbedrag van € 41.848,70 door de later tegen de klaagster gerezen verdenking ter zake van witwassen, ook in haar strafzaak voortduurt. Dit blijkt volgens de steller van het middel niet uit het inmiddels verstrekte einddossier. Hij wijst erop, dat een blik over de papieren muur leert dat de goederen nog altijd slechts in beslag zijn genomen onder [betrokkene 1] en dat het beslag dus niet is omgezet op naam van de klaagster.

3.5.

Als gezegd is op 22 juli 2020 zowel in de strafzaak tegen de beslagene [betrokkene 1]4 als tegen de klaagster vonnis gewezen en is klaagster veroordeeld wegens witwassen van het geldbedrag van € 41.848,70.5 Uit het strafvonnis van de beslagene, [betrokkene 1] , blijkt dat de strafrechter ten aanzien van het geldbedrag van € 41.848,70 de bewaring heeft gelast ten behoeve van de rechthebbenden. De strafzaak tegen de klaagster bevat, omdat er kennelijk geen sprake is van ten laste van haar in beslag genomen voorwerpen geen beslissing omtrent enig beslag. Hieruit maak ik op dat het beslag op de sieraden en het geldbedrag niet is omgezet op naam van de klaagster en er ook geen verbeurdverklaring is uitgesproken ten aanzien van het geldbedrag dat voorwerp was van de ten opzichte van klaagster bewezenverklaarde witwashandelingen. Dat had wel gekund omdat inbeslagneming geen vereiste is voor verbeurdverklaring.6

3.6.

Ik heb mij afgevraagd of, voor het oordeel van de beklagrechter in de onderhavige beklagprocedure dat gelet op de gerezen verdenking tegen de klaagster, het belang van strafvordering voortduurt, vereist is dat het beslag is of wordt omgezet op naam van de klaagster.7

3.7.

Uitgangspunt is dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.8 Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen9- ook in een zaak betreffende een ander dan de klager10- of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen,11 al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b lid 1 onder 4° Sr jo art. 552f Sv.12

3.8.

Dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag kan vorderen wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen ter waarheidsvinding in een andere zaak dan die van de klager13, betekent dat het niet van belang is onder wie of ten laste van wie het voorwerp in beslag is genomen. Waar het om gaat is of er enig strafvorderlijk onderzoeksbelang is met het oog op een veroordeling. En dat hoeft niet de veroordeling van de beslagene te zijn.14

3.9.

In het onderhavige geval was de beklagrechter van oordeel dat het belang van strafvordering er in was gelegen dat niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter, later oordelend, in de strafzaak tegen de klaagster de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen sieraden en het geldbedrag zou bevelen, ondanks dat het beslag (oorspronkelijk) was gelegd ten behoeve van strafvorderlijk onderzoek naar en op de naam van de beslagene. Dat oordeel getuigt naar mijn oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Art. 94 Sv schrijft voor dat vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen ter zake waarvan verbeurdverklaring kan worden bevolen. Ook in het overzichtsarrest van de Hoge Raad gaat het om over ‘de verbeurdverklaring’, maar niet uitdrukkelijk de verbeurdverklaring in de strafzaak ter zake van degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen of tegen wie het strafrechtelijk onderzoek zich richt. Geen rechtsregel verzet zich er naar mijn mening dan ook tegen dat de beklagrechter tot het oordeel komt dat er nog een belang van strafvordering bestaat omdat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de verbeurdverklaring zal bevelen in een (nieuwe) strafzaak tegen de klaagster.

3.10.

Een andere kwestie, of liever gezegd een puzzel, is wat de praktische gevolgen zijn van de omstandigheid dat – zoals in het onderhavige geval – door het openbaar ministerie is nagelaten het beslag om te zetten op naam van klaagster. Als het openbaar ministerie dat had gedaan voorafgaand aan de berechting van klaagster, dan had de strafrechter daarover in klaagsters strafzaak een beslissing kunnen nemen en ook de verbeurdverklaring kunnen gelasten van het contante geldbedrag dat is witgewassen.15 Omdat het beslag niet is omgezet, kon de strafrechter alleen in de strafzaak tegen de beslagene ( [betrokkene 1] ) beslissingen nemen ten aanzien van het beslag. Als in de strafzaak tegen de klaagster wel ex art. 33a jo. art. 34 Sr een verbeurdverklaring ter zake van het contante geldbedrag was bevolen – en dat is zoals hiervoor is uiteengezet ook zonder inbeslagneming mogelijk - dan had de klaagster het geldbedrag moeten uitleveren. Dat zou echter niet goed mogelijk zijn geweest, omdat er nog beslag op rustte. Mogelijk is dit de reden geweest dat de rechtbank in de strafzaak tegen de beslagene ( [betrokkene 1] ) slechts de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden heeft bevolen en in de strafzaak tegen de klaagster niet de verbeurdverklaring van het geldbedrag heeft uitgesproken. De uitkomst is dat het contante geldbedrag ten behoeve van de rechthebbende in bewaring is gegeven, terwijl (getuige het strafvonnis van de klaagster) wel vast is komen te staan dat de klaagster de rechthebbende op het geld is, dat voorwerp is geweest van een strafbaar feit (witwassen).

3.11.

Deze patstelling is echter een probleem dat onder de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie valt en doet niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van de beklagrechter. Om uit de patstelling te geraken zal in hoger beroep het beslag door het openbaar ministerie moeten worden omgezet op naam van klaagster, zodat in de strafzaak tegen klaagster in ieder geval kan worden beslist op wat er met het inbeslaggenomen geldbedrag moet gebeuren.

3.12.

Het middel faalt.

4 Conclusie

4.1.

Het middel faalt.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak is eerder gecasseerd door de Hoge Raad omdat het proces-verbaal behandeling door de raadkamer niet inhield dat de behandeling in het openbaar had plaatsgevonden, zie HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:347. De zaak is opnieuw behandeld en ligt thans voor de tweede keer voor in cassatie.

2 Vgl. HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989.

3 Vgl. HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4128 en HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2087 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Knigge. In deze zaken werd (impliciet) geoordeeld dat de (derde-)klager in de beklagprocedure ontvankelijk was ondanks een reeds gewezen strafvonnis, omdat de strafrechter niet had beslist op het beslag. Zie ook mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2019:1206 en de daarop volgende beschikking van de Hoge Raad van 21 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:89 waarin de klager ontvankelijk is geacht.

4 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, 22 juli 2020, parketnummer 02/665131-17 ( [betrokkene 1] ): [betrokkene 1] is door de rechtbank vrijgesproken van witwassen; het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld.

5 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, 22 juli 2020, parketnummer 02/665184-18. De klaagster/verdachte heeft hoger beroep ingesteld. Bij een eventuele vernietiging in cassatie zal de zaak dan ook moeten worden verwezen naar het hof.

6 Zie art. 34 Sr en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3689 ten aanzien van conservatoir beslag. Volgens art. 34 lid 2 Sr moeten de voorwerpen, als er geen beslag op is gelegd, worden uitgeleverd of de geschatte waarde ervan worden betaald. Anders dan bij onttrekking aan het verkeer, kan echter geen afzonderlijke vordering door de officier van justitie worden ingesteld ter zake van het een reeds in beslag genomen geldbedrag. Wel kan eventueel een afzonderlijke procedure ter vaststelling van wederrechtelijk verkregen voordeel in gang worden gezet.

7 Het staat het openbaar ministerie vrij om het beslag om te zetten in die zin dat het klassieke beslag ten laste van een ander wordt gelegd dan laste van wie het oorspronkelijk in beslag is genomen. Vgl. het recht van het openbaar ministerie om klassiek beslag om te zetten naar conservatoir beslag: HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2786.

8 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654.

9 Vgl. HR 1 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4701, NJ 2009/408.

10 Vgl. HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2496.

11 Vgl. HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9151, NJ 2009/149.

12 Vgl. HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0335.

13 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823 rov. 2.9 en HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2496.

14 Vgl. HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2496 en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Wortel, onder 19 e.v. Een andere vraag is dan weer welk onderzoeksbelang in het kader van waarheidsvinding kan zijn gemoeid bij het contante geldbedrag, maar dat is hier verder niet aan de orde. Ook een eventuele verbeurdverklaring kan een te rechtvaardigen belang zijn.

15 De (niet reeds aan [betrokkene 2] teruggegeven) sieraden waren geen onderwerp van het witwassen. Mogelijk kan klaagster dus in een klaagschriftprocedure teruggave hiervan verzoeken.