Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:773

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-09-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
20/00813
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1594, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Ondertekening vonnis; art. 230 lid 3 Rv. Was rechtbank gehouden aantekeningen griffier te verstrekken aan partijen? Samenhang met zaak 20/00815.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00813

Zitting 4 september 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

W.L. Valk

In de zaak

[Eigenaar]

tegen

Provincie Groningen

Partijen worden hierna verkort aangeduid als de Eigenaar respectievelijk de Provincie.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

Dit cassatieberoep betreft een onteigeningsvonnis. Het middel bevat klachten over de ondertekening van het vonnis en het niet verstrekt zijn van aantekeningen van de griffier, alsook enkele motiveringsklachten. Het middel heeft voor het overgrote deel dezelfde inhoud als dat in de zaak met nummer 20/00815, waarin ik eveneens vandaag concludeer.

1.2

Geen van de klachten van het middel is gegrond. Ik geef uw Raad in overweging de zaak met toepassing van art. 81 Wet RO af te doen.

2 Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

(i) De Provincie is doende om de [weg] tussen [plaats 1] en [plaats 2] te verbreden alsmede de [a-straat] parallel aan de [weg] te reconstrueren. De werkzaamheden zijn voorzien in het provinciaal inpassingsplan [het PIP] (hierna: het PIP), vastgesteld op 20 april 2016 door Provinciale Staten.

(ii) De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 23 november 2016 de twee ingestelde beroepen tegen het PIP niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het PIP onherroepelijk is.

(iii) Een klein deel van het onteigeningsplan is gelegen binnen de begrenzing van bestemmingsplan Buitengebied [plaats 3] , zoals door de Gemeenteraad van de gemeente [plaats 3] op 1 november 2016 is vastgesteld. Na vaststelling zijn beroepen ingesteld. Inmiddels is de status van het bestemmingsplan voor wat betreft het te onteigenen perceelsgedeelte onherroepelijk door de uitspraak van de Raad van State van 24 april 2018.

(iv) In het kader van de voorbereiding van het KB hebben tekeningen van het werk met een toelichting, en lijst van eigenaren en grondplantekeningen ter inzage gelegen van 15 november 2018 tot en met 26 december 2018 bij de gemeente [plaats 3] .

(v) In het KB van 18 juni 20192 zijn op grond van art. 72a Ow voor de verbreding van de provinciale [weg] , wegvak [plaats 1] - [plaats 2] , tussen km. 6.439 en 9.426, alsmede de reconstructie van de [a-straat] parallel met de [weg] , tussen km. 7.698 en 9.235, met bijkomende werken in de gemeente [plaats 3] , ten name van de Provincie ter onteigening aangewezen de onroerende zaken in de gemeente [plaats 3] aangeduid op de grondtekeningen die ingevolge art. 63 Ow in de gemeente [plaats 3] en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage hebben gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

(vi) Ten behoeve van de werkzaamheden dient de Provincie te beschikken over het volgende perceelsgedeelte van de Eigenaar:

grondplannummer [001] : een deel van [002] ha van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats 1] , sectie [A] , nummer [003] , totaal groot [004] ha, kadastraal omschreven als ‘terrein (akkerbouw)’.

(vii) Het te onteigenen perceelsgedeelte is belast met een recht van hypotheek ten gunste van de Coöperatieve Rabobank U.A. De dagvaarding tot onteigening is overbetekend aan deze bank.

(viii) Het te onteigenen perceelsgedeelte is niet belast met inschrijvingen inzake beslagen.

2.2

De Provincie heeft op 12 juni 2019 op de voet van art. 54a Ow e.v. bij de rechtbank Noord-Nederland een verzoekschrift ingediend, strekkende tot opneming van de ligging en gesteldheid van het te onteigenen perceelsgedeelte.

2.3

Bij beschikking van 5 juli 20193 heeft de rechtbank mr. H.J.A. van Hoogmoed tot deskundige benoemd, is mr. M. Griffioen tot rechter-commissaris benoemd en is de datum voor de plaatsopneming bepaald op 17 september 2019. De plaatsopneming, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, heeft ook op die dag plaatsgevonden.

2.4

De bescheiden als bedoeld in art. 54h Ow in verbinding met art. 23 Ow zijn tijdig ter griffie van de rechtbank gedeponeerd.

2.5

De Provincie heeft de Eigenaar bij exploot van 12 augustus 2019 gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden. Bij vonnis van 5 februari 2020 heeft de rechtbank de vervroegde onteigening van het perceelsgedeelte uitgesproken. Het voorschot op de schadeloosstelling voor de Eigenaar heeft zij bepaald op € 50.323,00. Voorts heeft zij de Provincie veroordeeld om haar bijkomend aanbod gestand te doen en heeft zij de reeds benoemde deskundige opgedragen de schadeloosstelling te begroten, heeft zij bepaald dat het uitgebrachte voorlopig oordeel van deskundige in deze procedure dient te worden beschouwd als concept-deskundigenrapport, heeft zij bepaald dat partijen de gelegenheid krijgen te reageren op het concept-rapport en heeft zij de deskundige opgedragen uiterlijk op 25 maart 2020 een ondertekend deskundigenrapport ter griffie van de rechtbank in te leveren. Ook heeft de rechtbank het Dagblad van het Noorden aangewezen als het nieuwsblad waarin overeenkomstig art. 54 Ow een uittreksel van het vonnis geplaatst dient te worden.

2.6

Op 18 februari 2020 heeft de Eigenaar – gelet op art. 52 lid 2 en lid 3 Ow in verbinding met art. 54l lid 1 Ow tijdig – ter griffie van de rechtbank verklaard cassatieberoep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank van 5 februari 2020.

2.7

Op 3 maart 2020 heeft de Eigenaar een procesinleiding ingediend bij de Hoge Raad. Op 4 maart 2020 heeft de Eigenaar – gelet op art. 53 lid 1 Ow in verbinding met art. 54l lid 1 Ow tijdig – het oproepingsbericht, de procesinleiding en de cassatieverklaring aan de Provincie betekend. De Provincie heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. Namens de Eigenaar is gerepliceerd.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het middel bestaat uit drie onderdelen (aangeduid als Klacht I t/m III).

3.2

Klacht I houdt in dat het vonnis nietig is omdat niet voldaan is aan het bepaalde in art. 230 lid 3 Rv. Het vonnis zou niet door de voorzitter maar door een ander lid van de meervoudige kamer zijn ondertekend. Uit het vonnis zou bovendien niet blijken dat het vonnis is ondertekend door de rechter die het vonnis heeft uitgesproken (de rolrechter).

3.3

Door tussenkomst van de griffie van de Hoge Raad deed ik, zowel in de onderhavige zaak als in de zaak met nummer 20/00815, navraag bij de rechtbank. Omdat de schriftelijke toelichting van mr. Van den Berg ook inhoudt dat het vonnis niet in het openbaar zou zijn uitgesproken, heb ik ook daarnaar laten vragen.

3.4

De griffier van de rechtbank antwoordde als volgt:

‘Naar aanleiding van uw vraag met betrekking tot de ondertekening en uitspraak van de vonnissen deel ik u het volgende mee.

Het vonnis inzake Provincie Groningen vs [de Eigenaar in de zaak met nummer 20/00815] is door een van de leden van de meervoudige kamer ondertekend, in dit geval mr. T.K. Hoogslag.

Het vonnis inzake Provincie Groningen vs [Eigenaar] is door de voorzitter van de meervoudige kamer ondertekend, in dit geval mr. M. Griffioen.

Beide vonnissen zijn zoals in het vonnis staat in het openbaar uitgesproken.’

3.5

Het vonnis is dus wel door de voorzitter van de meervoudige kamer ondertekend, zodat de klacht faalt.

3.6

In het vonnis is vermeld dat het op 5 februari 2020 in het openbaar is uitgesproken.4 Nu hiertegen geen cassatieklachten zijn gericht,5 dient van de juistheid hiervan uitgegaan te worden.

3.7

Klacht II houdt in dat de aantekeningen van de griffier van de op 16 december 2019 gehouden pleidooien, die onderdeel zouden uitmaken van de gedingstukken,6 ondanks een verzoek van de Eigenaar door de rechtbank niet zijn verstrekt. Dit zou in strijd zijn met een goede procesorde. De Eigenaar zou van de inhoud van die aantekeningen van de griffier kennis hebben moeten kunnen nemen, onder andere met het oog op cassatie.

3.8

De klacht betreft niet het vonnis zelf, maar wat daarna is voorgevallen. Zij kan niet tot vernietiging leiden.7 Het niet tijdig door de rechtbank verstrekken van aantekeningen van de griffier zou – als er al een verplichting bestaat om die aan partijen te verstrekken – er hooguit toe kunnen leiden dat het cassatieberoep nog kan worden aangevuld. Daartoe zal dan wel een voorbehoud gemaakt moeten worden.8

3.9

In dit geval heeft de Eigenaar een voorbehoud tot aanvulling van het cassatieberoep gemaakt ten aanzien van de aantekeningen van de griffier van de op 16 december 2019 gehouden pleidooien en ten aanzien van het proces-verbaal van die pleidooien.

3.10

Ten aanzien van het proces-verbaal geldt dat er geen verplichting bestaat om deze van een pleidooi op te stellen en aan partijen te verstrekken.9 Niettemin heeft de rechtbank uiteindelijk een proces-verbaal opgesteld en aan partijen verstrekt. Van het gemaakte voorbehoud om het cassatieberoep aan te vullen heeft de Eigenaar vervolgens geen gebruik gemaakt.

3.11

Ten aanzien van aantekeningen van de griffier van een pleidooi geldt dat er in beginsel ook geen verplichting bestaat deze aan partijen verstrekken. In de regel zullen deze aantekeningen geen onderdeel uitmaken van de gedingstukken. In dit geval heeft de rechtbank in het vonnis vermeld dat het verloop van de procedure mede volgt uit de ‘aantekeningen van de griffier van de op 16 december 2019 gehouden pleidooien’. Indien hieruit afgeleid zou moeten worden dat de aantekeningen van de griffier van een pleidooi onderdeel uitmaken van de gedingstukken,10 spreekt mijns inziens vanzelf dat als een proces-verbaal wordt opgesteld en aan partijen gezonden, dit volstaat. Het proces-verbaal zal immers een uitwerking zijn van de aantekeningen van de griffier van het verhandelde ter zitting. Van de mogelijkheid om het cassatieberoep naar aanleiding van het proces-verbaal aan te vullen is geen gebruik gemaakt.

3.12

Ook los van het voorgaande meen ik dat de Eigenaar geen beroep op het door hem gemaakte voorbehoud meer toekomt. Het voorbehoud betreft een uitzondering op de regel dat de klachten reeds in de procesinleiding opgenomen moeten zijn. Indien de stukken aanleiding geven om het cassatieberoep aan te vullen, dient dit met bekwame spoed te gebeuren. Daarbij past niet dat de partij die het voorbehoud maakt, zich passief opstelt. Van die partij mag worden verwacht dat zij zich voldoende inspant om de desbetreffende stukken op korte termijn te ontvangen. Wanneer pogingen harerzijds om de stukken te ontvangen tevergeefs zijn, mag vervolgens worden verwacht dat zij uw Raad hierover informeert. Door de Eigenaar wordt echter in het geheel niets over het gemaakte voorbehoud opgemerkt, zodat er vanuit gegaan kan worden dat hij hiervan geen gebruik meer wenst te maken.

3.13

Klacht III a betreft de uitleg door de rechtbank van het verweer van de Eigenaar met betrekking tot de schending van het gelijkheidsbeginsel door de Provincie. De rechtbank heeft dit opgevat als alleen ziende op het minnelijk overleg voorafgaand aan het slaan van het KB. Deze uitleg is volgens de klacht onbegrijpelijk. Aan het beroep op de schending van het gelijkheidsbeginsel ligt ten grondslag dat aan de Eigenaar, anders dan aan andere betrokken grondeigenaren, geen meewerkvergoeding van 20% is aangeboden. Dit zou gelden voor de door de Provincie gedane aanbiedingen van zowel voor als na het slaan van het KB, aldus het onderdeel. Het onderdeel zelf verwijst naar pleitaantekeningen van de Provincie, maar daaruit volgt uiteraard niet welke stellingen de Eigenaar heeft ingenomen.11 Niettemin is voldoende duidelijk op welke stellingen van de Eigenaar de klacht het oog heeft, want dit volgt uit de inleiding op het middel (met vermelding van vindplaatsen).12

3.14

Het verweer zou allereerst te vinden zijn in de conclusie van antwoord onder 2 tot en met 13.13 Uitsluitend hetgeen onder 2 tot en met 6 is vermeld, heeft betrekking op de gestelde schending van het grondbeginsel van gelijke behandeling. De conclusie van antwoord vermeldt onder 2:

‘Gedaagde verzoekt uw rechtbank om de vorderingen van eiseres om (bij vervroeging) de onteigening uit te spreken, af te wijzen. Er is geen noodzaak tot onteigening aangezien de Provincie geen redelijke poging tot minnelijke verwerving heeft ondernomen. De Provincie heeft het grondbeginsel van gelijke behandeling van gelijke gevallen geschonden. De Kroon heeft daardoor in redelijkheid niet tot het onteigeningsbesluit kunnen komen.’

3.15

Onder 3 tot en met 6 van de conclusie van antwoord heeft de Eigenaar het verweer onder het kopje ‘Schending grondbeginsel gelijke behandeling’ nader uitgewerkt. De conclusie van antwoord vermeldt onder 6:

‘Vanwege deze schending van het beginsel van gelijke behandeling kan niet worden gesteld dat de Provincie een redelijke poging tot minnelijke verwerving heeft ondernomen. Het KB kan de rechtmatigheidstoets niet doorstaan.’

3.16

Uit het voorgaande volgt dat de Eigenaar een uitdrukkelijke koppeling heeft gemaakt tussen de beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel en de rechtmatigheidstoets van het KB.

3.17

De Eigenaar verwijst voor het verweer ook naar p. 1 tot en met 4 van de pleitnota. Op die plek wordt uitgewerkt dat in biedingen voorafgaand aan het KB geen efficiency premie is aangeboden. In lijn hiervan wordt in het vervolg van de pleitnota – waarnaar door de steller van het middel niet wordt verwezen – de schending van het grondbeginsel gelijke behandeling (door geen efficiency premie aan te bieden) nadrukkelijk in het kader van de rechtmatigheidstoets geplaatst.14 De opmerkingen van mr. Van Gessel namens de Eigenaar tijdens het pleidooi, zoals vermeld in het proces-verbaal, lijken hiermee in lijn te zijn.15

3.18

Dat de rechtbank het verweer van de Eigenaar ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel zo heeft opgevat dat dit uitsluitend is aangevoerd in het kader van het minnelijk overleg vóór het slaan van het KB, is dan ook allerminst onbegrijpelijk. De klacht treft dus geen doel.

3.19

Gelet op het voorgaande falen ook Klacht III b en Klacht III c. Zij nemen immers beide tot uitgangspunt dat het verweer van de Eigenaar ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel ook ziet op het minnelijk overleg na het slaan van het KB.

3.20

Klacht III d heeft betrekking op het verweer van de Eigenaar dat de schikkingsonderhandelingen van onvoldoende kwaliteit zijn geweest. Daartoe heeft de Eigenaar aangevoerd dat a) geen inzage is verstrekt in de onderbouwing van de taxatiewaarde die aan het aanbod ten grondslag lag, b) de Provincie onredelijke voorwaarden heeft gesteld met betrekking tot het onderhoud van de sloot en c) de Provincie hem had moeten wijzen dat hij op kosten van de provincie een taxateur kon inschakelen.

3.21

De Eigenaar heeft deze verweren reeds bij de Kroon naar voren gebracht. De Kroon heeft die verweren verworpen. Gelet daarop heeft de rechtbank in respectievelijk rechtsoverweging 5.11, 5.13 en 5.15 getoetst of die oordelen van de Kroon de (marginale) toets doorstaan. Omdat die oordelen de marginale toets doorstaan, verwerpt de rechtbank de verweren van de Eigenaar.

3.22

Gelet op art. 17 Ow moet de onteigenende partij trachten hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Daarbij gaat het om de periode tussen het definitief worden van het besluit tot onteigening en het uitbrengen van de dagvaarding tot onteigening. In die periode zal de onteigenende partij derhalve een voldoende serieuze poging moeten doen. Bij de vraag of die poging voldoende serieus is geweest, kan ook acht worden geslagen op omstandigheden die zich voor het definitief worden van het besluit tot onteigening hebben voorgedaan.16 Indien een onteigende partij bijvoorbeeld reeds voor het definitief worden van het besluit tot onteigening duidelijk te kennen heeft gegeven dat minnelijk overleg geen zin heeft, dan zal dit tot gevolg hebben dat aan de strekking van art. 17 Ow (een voldoende serieuze poging) sneller zal zijn voldaan.

3.23

In dit geval is door de Eigenaar weliswaar het verweer gevoerd dat aan de onderhandelingsplicht van art. 17 Ow niet is voldaan, maar daarbij heeft hij zich uitsluitend gebaseerd op omstandigheden die zich vóór de totstandkoming van het KB van 18 juni 2019 hebben voorgedaan.17 Dat die omstandigheden maakten dat ook na het definitief worden van het besluit tot onteigening geen voldoende serieuze onderhandelingspoging is ondernomen (art. 17 Ow) heeft de Eigenaar niet aangevoerd.18 Allerminst onbegrijpelijk is daarom dat de rechtbank uitsluitend heeft beoordeeld of het oordeel van de Kroon onjuist was. In dat verband volstond een marginale toetsing van het oordeel van de Kroon.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 Wet RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vergelijk het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, onder 2.1 tot en met 2.8.

2 Koninklijk Besluit van 18 juni 2019, nummer 2019001169 (Staatscourant van 15 juli 2019, nr. 35688).

3 En niet van 4 juli 2019, zoals vermeld onder 2.10 van het vonnis.

4 Zie het slot van het vonnis.

5 Pas in de schriftelijke toelichting van mr. Van den Berg wordt onder 2.2 voor het eerst opgemerkt dat het vonnis niet in het openbaar zou zijn uitgesproken. Dat het vonnis wel in het openbaar is uitgesproken volgt niet alleen uit het vonnis zelf maar ook uit het bericht van de rechtbank.

6 Dit wordt afgeleid uit het feit dat het vonnis onder 1.1 vermeldt dat het verloop van de procedure onder meer blijkt uit de aantekeningen van de griffier van de op 16 december 2019 gehouden pleidooien.

7 Zie HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:413.

8 Zie HR 26 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR2784, NJ 2005/25.

9 Zie ook de conclusie van plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2017:1330) voor HR 9 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:178, onder 2.53 en 2.54.

10 Vergelijk Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/282.

11 In voetnoot 2 wordt verwezen naar de pleitaantekeningen - algemeen deel van mr. S.A. Frijling onder 17 en 20.

12 In voetnoot 1 bij de procesinleiding wordt verwezen naar conclusie van antwoord onder 2 t/m 13 en pleitnota p. 1 t/m 4.

13 Noot 1 bij de procesinleiding.

14 De Provincie wijst hier terecht op, zie schriftelijke toelichting van mr. Sluysmans onder 23.

15 Proces-verbaal, p. 2.

16 HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, NJ 1999/24 (onteigening ‘Eerste herziening Spangen’).

17 Zie conclusie van antwoord onder 1 en 7 t/m 13.

18 De Provincie heeft op 18 juli 2019 een laatste aanbod gedaan, zie productie 9 bij de inleidende dagvaarding.