Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:770

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
19/02675
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1688
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. De woning van de verdachte en zijn partner is voor tonnen verbouwd en de betalingen daarvoor zijn gedaan met contant geld, dat hij naar eigen zeggen contant uit Suriname heeft opgehaald (€ 260.000,-). Middelen over gewoontewitwassen en de verbeurdverklaring van de woning. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen. Samenhang met 19/02674.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02675

Zitting 8 september 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 29 mei 2019 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2017 bevestigd, onder aanvulling van gronden, en aldus de verdachte wegens gewoontewitwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 112.435,-, subsidiair 365 dagen. Voorts is de woning van de verdachte en de medeverdachte verbeurdverklaard, met dien verstande dat indien bij de verkoop/veiling de woning meer oplevert dan € 263.830,-de helft van de netto meerwaarde aan de verdachte wordt vergoed op grond van art. 33c Sr.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/02674. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. H.S. Bugter, advocaat te Nijmegen, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van gewoontewitwassen.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“in de periode van 1 april 2013 tot en met 30 april 2014, in [plaats] , van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij telkens geldbedragen van tenminste 263.830 euro verworven en voorhanden gehad en omgezet en gebruik gemaakt van die geldbedragen, immers heeft hij, verdachte, met die geldbedragen (luxe) goederen en diensten aangeschaft, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedragen - geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven.”

6. Deze bewezenverklaring is gemotiveerd aan de hand van de zogeheten promis-werkwijze. In het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank is ten aanzien van het tenlastegelegde gewoontewitwassen overwogen (hier met overneming van de voetnoten):

4. Waardering van het bewijs

4.1 Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Aanleiding

Op 23 november 2015 ontvangt de FIOD een emailbericht van de curator in het faillissement van [A] B.V. (hierna: [A] ), waarin staat vermeld dat een natuurlijk persoon aan een installateur een bedrag van € 280.000,- contant heeft betaald.2 De installateur heeft de werkzaamheden en materialen van de gefailleerde vennootschap contant voldaan aan (de bestuurder van) de gefailleerde vennootschap.3

Vervolgens legt de curator een offerte over, gedateerd 31 mei 2013, van [B] (hierna: [betrokkene 1] ) aan [verdachte] , met adres [a-straat 1] te [plaats] , voor een totaalbedrag van € 280.350,26. Het betreft een offerte voor het aanleggen van een “compleet nieuwe elektrische installatie voorzien van KNX” in de woning.4

Start onderzoek

Naar aanleiding daarvan wordt een onderzoek opgestart, omdat wordt geconcludeerd dat er geen legale bron te traceren is die de oorsprong van € 280.000,- contant geld kan rechtvaardigen. De contante transacties staan niet in verhouding tot de bekende legale inkomsten van verdachte en zijn partner. Tevens kunnen de betalingen niet geheel zijn voldaan uit de hypothecaire lening.5

Doorzoeking

Op 30 mei 2016 wordt de woning van verdachte en zijn partner doorzocht, waarbij offertes en facturen worden aangetroffen die betrekking hebben op een verbouwing en aanschaf van goederen in 2013. Er zijn bescheiden aangetroffen van onder andere de volgende bedrijven:

- [C] (gedateerd 21-10-2013)6;

- [D] (gedateerd 19-04-2013)7;

- [E] (gedateerd 12-11-2013)8;

- [F] (gedateerd 16-01-2014)9 en

- [G] (gedateerd 10-04-2014)10.

Betalingen

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ongeveer € 130.000,- contant heeft betaald aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , de bestuurder van de gefailleerde vennootschap [A] , voor de verbouwing van het huis van hem en zijn partner. Daarnaast heeft hij te kennen gegeven dat de bedragen, genoemd door de overige leveranciers, ook wel kloppen, met uitzondering van het bedrag van € 14.000,- aan [H] , omdat hij dit bedrag heeft voldaan aan [betrokkene 1] en dus is meegenomen in het contante bedrag ad € 130.000,- zoals hierboven genoemd. Ook het bedrag van rond de € 60.000,- dat zou zijn betaald aan [C] , klopt.11

De contante betalingen aan de overige leveranciers betreffen de volgende bedragen:12

- [C] : € 58.500,-

- [D] : € 30.000,-

- [E] : € 7.400,-

[F] : € 15.130,-

[G] : € 22.800,- +

-----------------

TOTAAL € 133.830,-

De vragen die de rechtbank moet beantwoorden

De vraag in deze zaak is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van (gewoonte)witwassen van het aan hem ten laste gelegde geldbedrag.

4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Verdachte heeft ten aanzien van de contante geldbedragen pas in een zeer laat stadium een verklaring gegeven. Zijn verklaring is niet concreet en verifieerbaar en juist wel hoogst onwaarschijnlijk. Verdachte heeft slechts het bestaan van een eventuele bron van inkomsten aangegeven, maar niet de legale herkomst van het geld concreet gemaakt. De uiteindelijke verwijzingen naar onbekende personen met onbekende vastgoedtransacties in Suriname hebben niet te gelden als een concrete verifieerbare verklaring die de herkomst van de gelden inzichtelijk hebben kunnen maken. De verklaring van verdachte bevat daarnaast zeer veel onwaarschijnlijkheden. Het kan daarom niet anders zijn dat de contante geldbedragen, waarmee de verbouwing van de woning is gefinancierd, van enig misdrijf afkomstig zijn.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over de herkomst van het bestede geld, namelijk dat hij € 260.000,- contant in Suriname heeft opgehaald en dat dit opbrengsten betreffen uit de verkoop van percelen grond. Doordat koopovereenkomsten met NAW-gegevens zijn verstrekt, de handtekeningen zijn gelegaliseerd door een notaris en is verklaard waar deze koopovereenkomsten zijn opgevraagd, is sprake van een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Het was aan het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen, maar daarvan is afgezien. Op geen enkele wijze kan worden vastgesteld dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Voor het geval de rechtbank tot een andere conclusie komt, doet de raadsman subsidiair het voorwaardelijke verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden, zodat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om haar stellingen nader te onderbouwen.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

Vermoeden van witwassen

Bij de beoordeling van de vraag of verdachte zich aan (gewoonte)witwassen schuldig heeft gemaakt, dient als uitgangspunt te worden genomen dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het ten laste gelegde geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. Daarom zal ten eerste moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer van een vermoeden van witwassen sprake is. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende:

- Verdachte heeft verklaard het totaalbedrag ad € 260.000,- in twee keer contant uit Suriname te hebben meegebracht naar Nederland. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Daarnaast brengt het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich. Verdachte heeft het contante geld niet bij de douane en de Belastingdienst opgegeven, kennelijk bedoeld om de meldgrens te ontduiken;

- Verdachte heeft verklaard dit contante bedrag thuis te hebben bewaard, hetgeen eveneens een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt;

- Uit informatie van de Belastingdienst over het inkomen van verdachte en zijn partner [medeverdachte], met betrekking tot het jaar 2013, blijkt dat zij een besteedbaar inkomen van € 41.773,- hadden, waarop de kosten levensonderhoud voor een gezin met drie kinderen nog in mindering moeten worden gebracht. Daarmee staan de contante betalingen niet in verhouding tot de inkomsten.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, zijn van dien aard dat zij het vermoeden van een criminele herkomst van het aan verdachte ten laste gelegde geldbedrag zonder meer rechtvaardigen. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van dit geldbedrag. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Verklaring van verdachte over de herkomst van de geldbedragen

In mei 2017 is door de raadsman namens verdachte een verklaring gegeven, namelijk dat de contante gelden afkomstig zijn uit de verkoop van twee percelen grond in Suriname. Naar aanleiding van deze brief van de raadsman en de meegezonden stukken uit Suriname heeft de officier van Justitie verzocht om een verhoor van verdachte. Tijdens dat verhoor door de FIOD in augustus 2017 heeft verdachte verklaard dat de percelen grond door een vriend van de vader van verdachte, [betrokkene 3] genaamd, zijn aangekocht met het geld uit de erfenis van de vader van verdachte. Vervolgens zou [betrokkene 3] deze percelen na enkele jaren voor een substantieel hoger bedrag weer hebben verkocht. Verdachte verklaarde [betrokkene 3] een vrijbrief te hebben gegeven om naar eigen inzicht te beleggen met het geld uit de erfenis. Hij wist dan ook niet welke percelen waren aangekocht en verkocht, en voor welke bedragen, omdat hij daarmee naar eigen zeggen geen bemoeienis heeft gehad. Verdachte heeft [betrokkene 3] nooit gezien en maar drie of vier keer telefonisch contact met hem gehad. Ook bij de overhandiging van het geld, dat in twee keer gebeurde omdat de eerste keer ‘slechts een deel voorhanden was’, zoals verdachte ter zitting verklaarde, heeft hij [betrokkene 3] beide keren niet gezien. Het geld werd in een plastic zak door een kennis van [betrokkene 3], [betrokkene 4] genaamd, overhandigd op een afgesproken plaats ergens in Paramaribo. Verdachte heeft dit geld vervolgens mee naar Nederland genomen en thuis bewaard. Later heeft verdachte hiermee meerdere werkzaamheden aan zijn nieuw aangekochte huis contant voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte niet geloofwaardig is. Verdachte heeft tot enkele maanden geleden geen verklaring gegeven voor de herkomst van de contante gelden waarmee de verbouwing is bekostigd. Aanvankelijk, te weten in mei en juni 2016, verklaarde verdachte juist dat de verbouwing enkel per bank is betaald. Pas een jaar later wordt door de raadsman van verdachte aangegeven dat er contante gelden zijn verkregen uit de verkoop van percelen in Suriname. Daarbij zijn vier koopovereenkomsten gevoegd. Allereerst is niet in te zien waarom verdachte niet eerder met deze verklaring is gekomen.

Op hernieuwde uitnodiging van het Openbaar Ministerie om te komen verklaren, heeft verdachte in augustus 2017 meer in detail verklaard over het overlijden van zijn vader, het contact met [betrokkene 3] en het verkrijgen van de contante gelden. Deze verklaring van verdachte is echter op geen enkel punt concreet: verdachte heeft geen telefoonnummer van deze [betrokkene 3] en weet geen achternaam van [betrokkene 4], die het geld in twee delen aan hem zou hebben overhandigd, laat staan dat hij verdere contactgegevens van hem heeft.

Ook is de verklaring van verdachte op punten tegenstrijdig. Verdachte verklaarde ter zitting dat hij de geldbedragen in twee keer is gaan ophalen, omdat de eerste keer ‘slechts een deel beschikbaar was’. Hij verklaarde verder geen risico in dit contante vervoer te hebben gezien. In zijn verklaring van augustus 2017 gaf verdachte echter aan dat hij de geldbedragen in delen ophaalde, omdat hij het wel genoeg vond en niet teveel wilde meenemen in één keer.

Verder zitten in zijn verklaring een aantal onwaarschijnlijkheden13:

- Verdachte heeft verklaard dat hij [betrokkene 3] het geld uit de erfenis heeft laten beleggen, zonder enige verdere afspraak, dit terwijl hij [betrokkene 3] nooit had ontmoet en hij nu ook geen contactgegevens meer kan aanleveren;

- Verdachte heeft verder ter zitting verklaard dat zijn vader in Nederland woonde en het niet breed had. In dat licht is het onwaarschijnlijk dat zijn vader in Suriname over een groot geldbedrag beschikte;

- Bij de verkoop van de twee percelen zou respectievelijk een waardestijging van 858 procent in vijf jaar en 632 procent in twee jaar zijn behaald. Dit acht de rechtbank een onwaarschijnlijk hoge winst voor een dergelijk korte periode;

- [betrokkene 3] zou bij de aankoop van het tweede perceel € 12.000,- aan eigen geld geïnvesteerd hebben van het totaalbedrag van € 25.000,-. Ondanks dit grote aandeel in deze transactie staat de naam van [betrokkene 3] in het geheel niet in het koopcontract genoemd;

- De percelen zijn in 2011 verkocht. In 2012 heeft [betrokkene 3] verdachte daarover gebeld, zo verklaart verdachte in augustus 2017. Verdachte heeft het geld pas in 2013 opgehaald.

[betrokkene 3] zou het bedrag ad € 261.000,- twee jaar lang ergens onder zich hebben gehouden, terwijl verdachte niet wist wie [betrokkene 3] was;

- Verdachte heeft naar eigen zeggen niet aan zijn vriendin, waarmee hij het huis had gekocht en liet verbouwen, meegedeeld dat bij de aan- en verkoop van de percelen in Suriname dergelijk grote winsten zouden zijn behaald. Dit terwijl de hypotheek in het geheel niet toereikend was om de verbouwingskosten te betalen. Verdachte heeft dit niet verteld, zo verklaarde hij ter zitting, omdat hij ‘haar daar niet mee wilde lastigvallen’. Ook dit komt de rechtbank geheel onwaarschijnlijk voor.

- De juistheid van de door verdachte in het geding gebrachte koopovereenkomsten kan niet worden geverifieerd, nu dit onderhandse akten zijn, waarvan weliswaar de handtekeningen zijn gelegaliseerd, maar door de notaris niet is aangetekend op welk moment dat is gebeurd, zodat noch de inhoudelijke juistheid noch de datum van ondertekening vaststaat. Daar komt bij dat de onderhandse koopakten verplichtingen tot levering respectievelijk betaling doen ontstaan, maar dat bewijsstukken waaruit blijkt dat het ook tot een daadwerkelijke levering en betaling van onroerend goed of grondrente is gekomen ontbreken.

De rechtbank acht, gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, de verklaring van verdachte hoogst onwaarschijnlijk. Deze behoeft daarom ook geen nader onderzoek. Zijn verklaring kan geen tegenwicht bieden tegen voormeld vermoeden van witwassen. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

Gewoonte

Blijkens de wetsgeschiedenis is sprake van een gewoonte bij een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan, zowel voor wat betreft de objectieve aard van de feiten als voor wat betreft de subjectieve gerichtheid van de dader, zijnde de neiging van de dader om het feit steeds weer te begaan. Gelet op de wijze waarop verdachte de contante geldbedragen steeds opnieuw heeft besteed en de langere periode waarbinnen dit herhaaldelijk plaatsvond, is sprake van een gewoonte.
[…]”

7. Ik stel voorop dat de Hoge Raad in de zaak die heeft geleid tot het arrest van HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298, m.nt. Rozemond de uitgangspunten voor het bewijs van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420 bis e.v. Sr) als volgt heeft samengevat:

“2.3.2. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”

8. In het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank is vastgesteld dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het tenlastegelegde geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. In het door het hof bevestigde vonnis is daarom vervolgens – terecht – het stappenplan gevolgd zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.

9. Het cassatiemiddel keert zich niet tegen het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zij het vermoeden van een criminele herkomst van het aan verdachte tenlastegelegde geldbedrag zonder meer rechtvaardigen en dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag van € 263.830,-. Van dit in cassatie niet bestreden oordeel kan hier derhalve worden uitgegaan.

10. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, komt (met een hoog ‘napleit-gehalte’) enkel op tegen het (daaropvolgende) oordeel dat de verklaring van de verdachte geen tegenwicht kan vormen tegen het vastgestelde vermoeden van witwassen zodat zij geen nader onderzoek van de zijde van het openbaar ministerie behoeft. Daarbij wordt, met verwijzing naar het hierboven aangehaalde arrest van HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298, m.nt. Rozemond, tevens geklaagd dat het hof (door het onderliggende vonnis te bevestigen) een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Ter onderbouwing wijst de steller van het middel erop dat door de verdediging ook in hoger beroep stukken in het geding zijn gebracht, waaronder aan- en verkoopakten van een tweetal gronden, een taxatierapport, een nadere uitleg van een makelaar, en een bij de notaris opgemaakte verklaring van [betrokkene 3] naar aanleiding van door de verdediging gestelde vragen. De verklaring van de verdachte is, althans volgens de steller van het middel, concreet en verifieerbaar aan de hand van de gegevens op de akten van de aan- en verkoop van de gronden, zoals de kadastrale aanduiding van de gronden en de in de akten vermelde namen van de aan- en verkopende partijen. Het lag op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte, nu de verdachte “een concrete verwijzing [heeft] gegeven voor de legale herkomst van de gelden zijnde een nalatenschap waarmee belegd is” en de verdachte “meerdere malen [heeft] verzocht tot het horen van getuigen/deskundigen die deze verklaring (nog) concreter kunnen maken”.14

11. Het hof heeft, door het vonnis van de rechtbank in dit opzicht te bevestigen, uitvoerig gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de verklaring van de verdachte, die hij pas later heeft gegeven, na aanvankelijk een andersluidende verklaring te hebben afgelegd, niet geloofwaardig en op punten tegenstrijdig is en verder een aantal onwaarschijnlijkheden bevat. Daarbij is het hof niet uitgegaan van een onjuiste maatstaf. Ten aanzien van de onwaarschijnlijkheden is onder meer overwogen dat de verdachte heeft verklaard dat hij een zekere [betrokkene 3], die hij nooit heeft ontmoet en van wie hij geen contactgegevens meer heeft, geld uit de erfenis van zijn vader heeft laten beleggen, zonder enige verdere afspraak en dat hij heeft verklaard dat zijn vader in Nederland woonde en het niet breed had, hetgeen het onwaarschijnlijk maakt dat zijn vader in Suriname over een groot geldbedrag beschikte. Ook heeft het hof onwaarschijnlijk geacht dat bij een verkoop van de twee percelen, die door [betrokkene 3] met het geld uit de erfenis van de vader van de verdachte zouden zijn aangekocht, een waardestijging van 858 procent in vijf jaar en 632 procent in twee jaar zou zijn behaald. Ten aanzien van de in het geding gebrachte koopovereenkomsten is (in navolging van de rechtbank) door het hof overwogen dat de juistheid daarvan niet kan worden geverifieerd, nu dit onderhandse akten zijn en noch de inhoudelijke juistheid noch de datum van ondertekening vaststaat, terwijl die onderhandse koopakten verplichtingen tot levering respectievelijk betaling doen ontstaan maar dat bewijsstukken ontbreken waaruit blijkt dat het ook tot een daadwerkelijke levering en betaling van onroerend goed of grondrente is gekomen.

12. Bezien tegen de achtergrond van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden die het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van witwassen, is het oordeel dat de verklaring van de verdachte hoogst onwaarschijnlijk moet worden geacht en deze daarom geen nader onderzoek behoeft omdat de verklaring geen tegenwicht kan bieden tegen dat vastgestelde vermoeden van witwassen, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.15 Daarbij wijs ik erop dat het hof mede in aanmerking heeft genomen dat de verdachte een grote hoeveelheid contant geld vanuit Suriname heeft vervoerd naar Nederland en in Nederland heeft uitgegeven en dat het fysiek vervoeren van grote geldbedragen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt, terwijl het voorts een feit van algemene bekendheid is dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Daarnaast is, zo heeft het hof in navolging van de rechtbank vastgesteld, het bedrag niet bij de douane en de Belastingdienst opgegeven en is uit informatie van de Belastingdienst voorts gebleken dat de verdachte en de medeverdachte een besteedbaar inkomen van € 41.773,- (peiljaar 2013) hadden (waarop de kosten van levensonderhoud voor een gezin met drie kinderen nog in mindering moeten worden gebracht), waarmee de contante betalingen niet in verhouding staan tot de inkomsten.

13. In weerwil van het door de steller van het middel aangevoerde, doet zich te dezen niet de situatie voor dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is, bij de verdachte is gelegd en het op de weg van het openbaar ministerie had gelegen om nader onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte; daarbij wijs ik er overigens op dat blijkens het door het hof bevestigde vonnis onder meer is nagegaan of de verdachte het contante geld bij de douane en de Belastingdienst heeft opgegeven.

14. Het middel faalt.

15. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat door het niet oproepen van de door de verdachte opgevoerde “getuige” [betrokkene 3] en “getuigen/deskundigen” [betrokkene 5] en notaris [betrokkene 6] het verdedigingsbelang niet is geschonden.

16. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2019 houdt onder meer het volgende in:

“De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte] ,
[…]

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. H.S. Bugter, advocaat te Nijmegen.

[…]

Met instemming van de advocaat-generaal, de verdachte en zijn raadsman hervat het hof - ondanks zijn gewijzigde samenstelling - het onderzoek in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing op 22 augustus 2018 bevond.

[…]

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities.

De advocaat-generaal en de raadsman krijgen de gelegenheid tot respectievelijk repliek en dupliek.

De voorzitter vraagt de advocaat-generaal naar zijn standpunt omtrent de voorwaardelijke verzoeken om [betrokkene 3], [betrokkene 5] en notaris [betrokkene 6] als getuigen te horen.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat deze verzoeken dienen te worden afgewezen. Deze verzoeken zijn, gelet op de onderbouwing, daarvan op de vorige terechtzitting, thans niet nader onderbouwd. Er is geen begin van aannemelijkheid gemaakt dat de verklaring van de verdachte juist is.

De voorzitter deelt mede dat het hof bij arrest op deze voorwaardelijke verzoeken zal beslissen.

[…]”

17. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2019 gehechte pleitnotities houden voor zover hier van belang in:

Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen

In het geval dat uw Hof mocht oordelen dat de verklaring van [verdachte] onaannemelijk is en/of niet verifieerbaar, dan herhaalt en handhaaft [verdachte] zijn verzoek om [betrokkene 3], [betrokkene 5] en notaris [betrokkene 6] te horen als getuigen. [verdachte] doet hierbij nadrukkelijk een voorwaardelijk verzoek tot het horen van voormelde getuigen in geval u voornemens bent het feit wettig en overtuigend te beoordelen. Het is het belang van zijn verdediging dat deze getuigen worden gehoord nu zij in ieder geval het bestaan van de erfenis ([betrokkene 3]) en de aannemelijkheid ([betrokkene 6] en [betrokkene 5]) te kunnen aantonen. [verdachte] doet hierbij nadrukkelijk een beroep op artikel 6 EVRM om de voor hem ontlastende getuigen te mogen horen.

Conclusie

[verdachte] heeft een aannemelijk en verifieerbare verklaring gegeven voor het contante vermogen van € 262.192,— zoals bedoeld in het arrest van Hof Amsterdam van 11 januari 2013 (LJN BY 8481). Hij dient te worden vrijgesproken.

In het geval dat uw Hof van mening is dat de verklaring van [verdachte] niet verifieerbaar en/of aannemelijk is verzoek ik de zitting aan te houden teneinde de door [verdachte] opgegeven getuigen te horen.”

18. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van dit verzoek in:

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig de aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities – een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van getuigen.

Het hof overweegt hieromtrent dat de verdediging, blijkens het proces-verbaal van de regiezitting van 22 augustus 2018 van dit hof, op die zitting heeft verzocht tot het horen van dezelfde personen als getuige, welk verzoek in het kader van het verdedigingsbelang is beoordeeld en gemotiveerd afgewezen.

De verdediging heeft thans, geen andere onderbouwing aan het verzoek ten grondslag gelegd, zodat het hof het verzoek reeds om die reden afwijst.”

19. Het proces-verbaal van de regiezitting van 22 augustus 2018 houdt in, voor zover hier van belang:

“[…]

De voorzitter deelt mede dat de terechtzitting van heden een regiezitting betreft en dat er vandaag geen inhoudelijke behandeling van de zaak van de verdachte zal plaatsvinden.

De voorzitter merkt op dat mr. J.W. Dijke, de voormalige advocaat van de verdachte, bij appelschriftuur d.d. 18 oktober 2017 onderzoekswensen heeft weergegeven. De advocaat-generaal heeft bij brief d.d. 6 augustus 2018 zijn standpunt ten aanzien van de bij appelschriftuur opgegeven onderzoekswensen weergegeven.

Desgevraagd deelt de raadsman mede dat hij de door mr. Dijke geformuleerde onderzoekswensen onverkort wil handhaven en deze verzoeken bij deze doet. […]

De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid de onderzoekswensen nader toe te lichten. De raadsman voert het woord overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities.

[…]

Het hof heeft de verzoeken van de verdediging getoetst aan het verdedigingsbelang. Het hof zal alle verzoeken afwijzen.

Het verzoek tot het horen van [betrokkene 3] als getuige wordt afgewezen omdat er nog geen begin van aannemelijkheid is van de stelling van [verdachte] dat hij een bedrag van € 25.000,- heeft verkregen uit hoofde van een erfenis van de vader van [verdachte] en dat [betrokkene 3] dit bedrag in handen had en gemachtigd was met dit bedrag ten behoeve van [verdachte] te speculeren. Er is geen enkel stuk en geen enkele verklaring in het geding gebracht waaruit blijkt dat er sprake is geweest van een erfenis van de vader van [verdachte] .

Het verzoek tot het horen van notaris [betrokkene 6] als getuige wordt afgewezen omdat zij slechts betrokken is geweest bij het legaliseren van de handtekeningen op de aktes betreffende een tweetal grondtransacties, maar geen enkele feitelijke betrokkenheid heeft gehad bij die grondtransacties of bij de totstandkoming van de aktes.

Het verzoek om [betrokkene 5] als getuige te horen wordt eveneens afgewezen omdat hij geen enkele feitelijke betrokkenheid heeft gehad bij de grondtransacties.

Het verzoek om notaris [betrokkene 6] en [betrokkene 5] als deskundigen te horen zal eveneens worden afgewezen. Nu zij blijkens de verklaringen van [verdachte] geen betrokkenheid hebben gehad bij de grondtransacties of de totstandkoming van de daarbij behorende aktes, kunnen zij slechts in algemene zin verklaren over de gang van zaken bij grondtransacties en daarbij mogelijk te behalen winsten. Het hof is van oordeel dat geen enkel verdedigingsbelang wordt geschaad bij afwijzing van het verzoek om hen als deskundige te horen. Het hof heeft ook ambtshalve geen behoefte aan verdere voorlichting door deskundigen of getuigen over grondtransacties in Suriname."

20. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus 2018 gehechte pleitnotities houden, voor zover hier relevant, in:

“ [verdachte] en [medeverdachte] hebben kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal in de reactie op de appelschriftuur van de voormalige raadslieden van [verdachte] en [medeverdachte] in welk appelschriftuur zij verzoeken om het horen van de drie getuigen, zijnde [betrokkene 3], [betrokkene 6] en [betrokkene 5].

Het zal u waarschijnlijk niet verbazen dat [verdachte] en [medeverdachte] persisteren in hun verzoek. Zij merken daaromtrent het volgende op.

[verdachte] en [medeverdachte] worden ervan verdacht een som geld te hebben witgewassen zonder dat daaraan enig gronddelict is gekoppeld. Dat betekent dat zij voor de herkomst van het contante geld een concrete min of meer verifieerbare en op voorhand niet onaannemelijke verklaring moeten geven.

De vraag die in rechte moet worden gesteld, is of de verklaring die [verdachte] en [medeverdachte] hebben gegeven concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet onaannemelijk is. Omdat de handelingen en het verkrijgen van gelden zich hebben afgespeeld in Suriname dient de wijze van verkrijgen van grondhuur, de gang van zaken rond de levering en betalingen in Suriname nader te worden onderzocht. Is de gegeven verklaring naar de gebruiken in Suriname ongebruikelijk? Zijn de prijsstijgingen naar Surinaamse begrippen onaannemelijk? Mochten de verklaring van cliënten naar Surinaamse gebruiken niet onaannemelijk zijn dan kan dat voor cliënten leiden tot een vrijspraak. Bovendien is er geen eigendom van de grond overgedragen, maar grondhuur. Het is een soort erfpacht dat wordt overgedragen en dus minder formeel zoals met aktes.

Met betrekking tot deze gang van zaken kunnen zowel [betrokkene 5] als [betrokkene 6] uitvoerig verklaren.

[betrokkene 5] is eigenaar van een groot makelaarskantoor [I] N.V. in Suriname […]. Hij heeft een ruime ervaring op het gebied van onroerend goed en grondhuur transacties. Daarnaast is hij ook goed op de hoogte van de gebruiken in Suriname.
[betrokkene 5] is derhalve deskundig op het gebied van alle aspecten rond onroerende zaken in Suriname.

Het behoeft geen betoog dat [betrokkene 6] als notaris in Suriname ook deskundig is op alle gebieden van de onroerend goed transacties in Suriname. Nog daargelaten dat zij betrokken is geweest bij de transacties met betrekking tot [verdachte] , kan zij natuurlijk ook vanuit haar ambt daar als deskundige over verklaren. Ook kan zij eventueel verklaren of de door [verdachte] behaalde winsten irreëel zijn. […]

Het is in belang van cliënten dat deze getuigen het verhaal van [verdachte] en [medeverdachte] kunnen bevestigen. In het kader van de verdediging van cliënten is het van het grootste belang dat de gevraagde getuigen/deskundigen worden gehoord.

Het behoeft geen betoog dat daarbij de centrale figuur in deze [betrokkene 3] is. Deze heeft gelden van de vader van [verdachte] “belegd”, waaruit de nodige winsten zijn verkregen.

Hierbij dient nadrukkelijk te worden vermeld dat deze zaak, althans de herkomst van het geld, moet worden bezien naar de omstandigheden in Suriname en niet in Nederland. [betrokkene 3] kan het verhaal van [verdachte] bevestigen en het is ook in het belang van de verdediging dat hij gehoord wordt.

[…]

Indien deze getuigen/deskundigen niet worden gehoord, wordt cliënten de kans ontnomen de verklaring nader te onderbouwen omdat het een en ander nu eenmaal in Suriname heeft plaatsgevonden. Een land dat nu eenmaal beduidend anders is georganiseerd en een duidelijk andere cultuur kent.

[…]”

21. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat door de weigering “de getuigen” te horen het hof de verdachte de mogelijkheid ontneemt zijn verklaring concreter en aannemelijker te maken, voor zover de verklaring dat al niet was. Door de verdachte niet in de gelegenheid te stellen de “getuigen/deskundigen” te horen, terwijl wel van hem verlangd wordt een concrete, min of meer verifieerbaar en niet voorhand onaannemelijke verklaring af te leggen, wordt zijn verdedigingsbelang geschaad en wordt hem een eerlijk proces onthouden zoals bedoeld in art. 6 EVRM. Met betrekking tot de beslissing tot afwijzing van het verzoek de getuige [betrokkene 3] te horen wordt nog aangevoerd dat het hof er ten onrechte vanuit gaat dat voor het bestaan van een erfenis dan wel nalatenschap een schriftelijk stuk aanwezig moet zijn. Bovendien, aldus de steller van het middel, is de redenering van het hof een cirkelredenering omdat het hof feitelijk oordeelt dat er geen bewijs is voor de aanwezigheid van de erfenis van de vader van verdachte en vervolgens het verzoek om de getuige [betrokkene 3] te horen, die bij uitstek onder ede kan verklaren dat deze erfenis er wel was, wordt afgewezen omdat er geen bewijs van de erfenis is.

22. Het middel richt zich tegen ’s hofs afwijzende beslissing die blijkens het zittingsverbaal is genomen op de terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus 2018. Ik herinner eraan dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 mei 2019 inhoudt dat met instemming van de advocaat-generaal, de verdachte en zijn raadsman het hof – ondanks zijn gewijzigde samenstelling – het onderzoek heeft hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing op 22 augustus 2018 bevond. Dat betekent dat hier sprake is van de situatie zoals bedoeld in art. 322, derde lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv. Door de hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond, is (nog steeds) sprake van één onderzoek.16 Het op de terechtzitting van 15 mei 2019 herhaalde (voorwaardelijk) verzoek tot het oproepen van [betrokkene 3], [betrokkene 6] en [betrokkene 5] is door het hof in de bestreden uitspraak afgewezen met de overweging dat de verdediging daaraan ten opzichte van het verzoek zoals dat is gedaan op de terechtzitting van 22 augustus 2018 geen andere onderbouwing ten grondslag heeft gelegd.

23. Namens de verdachte is na het instellen van het hoger beroep (4 oktober 2017) op 18 oktober 2017 tijdig een appelschriftuur ingediend.17 Daarin is verzocht tot het horen van drie personen, namelijk [betrokkene 3], [betrokkene 6] en [betrokkene 5]. Een – tijdig ingediende – appelschriftuur wordt op grond van art. 410, derde lid, Sv aangemerkt als een opgave in de zin van art. 263 Sv, tweede lid, Sv, waarop art. 264 Sv van overeenkomstige toepassing is. De advocaat-generaal heeft zich in een reactie op deze verzoeken bij brief van 6 augustus 2018 verzet tegen het horen van die personen als getuige c.q. getuige/deskundige. Daarbij heeft hij zich (telkens) op het standpunt gesteld dat daardoor redelijkerwijs de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad. Door de verdediging is vervolgens op de regiezitting van 22 augustus 2018 aangegeven dat de verdachte en de medeverdachte persisteren in hun verzoek tot het horen van [betrokkene 3], [betrokkene 6] en [betrokkene 5].

24. Het hof heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 augustus 2018 de verzoeken van de verdediging getoetst aan het verdedigingsbelang en daarmee de juiste maatstaf toegepast.18 Daarover wordt in cassatie terecht niet geklaagd. Wel wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van die beslissing.19

25. De Hoge Raad heeft in zijn arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers (rov. 2.5) ten aanzien van de maatstaf van het verdedigingsbelang overwogen dat in de rechtspraak en de doctrine wordt aangenomen dat die maatstaf het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van “getuigen” te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing20 dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.21

26. Dit uitgangspunt brengt mee dat ik over dit middel kort kan zijn. In de overwegingen van het hof ligt in de kern als zijn oordeel besloten dat redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat:
i) de opgegeven getuige [betrokkene 3] iets zou kunnen verklaren over de door de verdachte gestelde erfenis na het overlijden van zijn vader, omdat er geen enkel stuk en geen enkele verklaring in het geding is gebracht waaruit blijkt dat sprake is geweest van zo een erfenis;
ii) notaris [betrokkene 6] noch als getuige noch als deskundige iets zou kunnen verklaren over de concrete grondtransacties, aangezien zij geen enkele feitelijke betrokkenheid heeft gehad bij die grondtransacties of de totstandkoming van de daarbij behorende aktes;
iii) makelaar [betrokkene 5] noch als getuige noch als deskundige iets zou kunnen verklaren over de concrete grondtransacties, aangezien hij geen enkele feitelijke betrokkenheid heeft gehad bij die grondtransacties of de totstandkoming van de daarbij behorende aktes.

27. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat het horen van [betrokkene 3] als getuige en [betrokkene 6] en [betrokkene 5] als getuige/deskundige niet van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat geen enkel verdedigingsbelang wordt geschaad bij afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek om hen als getuige c.q. als getuige/deskundige te horen acht ik – in het licht van de genoemde rechtspraak van de Hoge Raad en gelet op hetgeen de verdediging ter onderbouwing van dat verzoek heeft aangevoerd – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Van de in de toelichting op het middel gestelde cirkelredenering in de motivering van het hof is geen sprake.22

28. Ook de deelklacht dat het hof door de weigering de getuigen te horen de verdachte de mogelijkheid ontneemt zijn verklaring concreter en aannemelijker te maken, maakt dat niet anders. Aangezien het hof niet onbegrijpelijk heeft kunnen oordelen dat redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat [betrokkene 3], [betrokkene 6] en [betrokkene 5] over de door de verdediging genoemde punten zouden kunnen verklaren, had het op de weg van de verdediging gelegen om (alsnog) relevante stukken over te leggen die de verklaring van de verdachte nader hadden kunnen onderbouwen. Het overleggen van stukken ligt in het algemeen ook meer in de rede als het om grondtransacties gaat. Het horen van [betrokkene 3], [betrokkene 6] en [betrokkene 5] als getuige c.q. getuige-deskundige was derhalve niet de enige mogelijkheid voor de verdachte om zijn verklaring concreter en aannemelijker te maken. Aldus kan ook in dit verband niet worden gezegd dat de verdachte in zijn verdedigingsbelang is geschaad, noch (en anders dan de steller van het middel meent) dat hem een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6 EVRM is onthouden.

29. Het middel faalt.

30. Het derde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het hof ten onrechte althans op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat de aan de verdachte en zijn echtgenote toebehorende woning kan worden verbeurdverklaard. Het hof zou in zijn motivering zijn voorbijgegaan aan het bepaalde in art. 33a, eerste lid onder a, Sr, aangezien vaststaat dat de woning door middel van een reguliere aankoop is aangekocht en dus niet geheel of grotendeels uit baten van een strafbaar feit is verkregen.

31. De rechtbank heeft de woning van de verdachte en de medeverdachte verbeurdverklaard en daartoe het volgende overwogen:

Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

Onroerend goed: woning [a-straat 1], [postcode] [plaats] (half eigendom).

Verbeurdverklaring

Het voorwerp behoort aan verdachte voor de helft toe. Nu het feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan, wordt dit voorwerp verbeurd verklaard, en wel tot een waarde van €263.830,-. Daarbij beveelt de rechtbank dat indien bij de verkoop/veiling de woning na voldoening van hypotheek, kosten, etc. meer oplevert, de helft van de netto meerwaarde aan verdachte wordt vergoed op grond van artikel 33c van het Wetboek van Strafrecht. De andere helft van de netto meerwaarde komt toe aan de medeverdachte.

De rechtbank realiseert zich dat deze straf voor beide verdachten en hun gezin bijzonder ingrijpend is, maar nu het witwassen juist heeft geleid tot waardevermeerdering van de woning en het ook kennelijk de bedoeling is geweest van criminaliteit afkomstig geld wit te wassen door de woning van verdachten grondig en zeer luxueus te verbouwen en te verbeteren acht de rechtbank de verbeurdverklaring passend.”

32. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank ook in zoverre bevestigd, met dien verstande dat het hof "in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden aanvulling” heeft aangebracht:

“Verbeurdverklaring woning

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig de overgelegde pleitnotities - het verweer gevoerd dat de woning in [plaats] waarop beslag ligt niet kan worden verbeurd verklaard. Hiertoe heeft de raadsman betoogd - zakelijk weergegeven - dat de woning zelf geen onderwerp van het witwassen is geweest. De verdachte en zijn echtgenote, de medeverdachte [medeverdachte], hebben de koopwoning verkregen, doordat aan hen een hypotheek is verstrekt.

Het hof overweegt hieromtrent dat uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zaken zoals een kostbare domotica-installatie en een keuken zijn aangekocht door middel van contante betalingen. Voorts zijn diensten afgenomen zoals het in de woning laten plaatsen/monteren van die elektrische installatie en keuken en zijn er werkzaamheden verricht in/aan de bij de woning behorende tuin. Voor al deze diensten is eveneens contant afgerekend. Het hof is van oordeel dat de domotica- installatie en de keuken aard- en nagelvast aan de woning zijn verbonden, zodat zij door natrekking daarvan deel zijn gaan uitmaken. Nu deze toevoegingen aan woning en tuin een aanzienlijk deel zijn gaan uitmaken van de waarde van de woning acht het hof de woning vatbaar voor beslag en verbeurdverklaring. Derhalve verwerpt het hof het verweer.”

33. Art. 33a Sr luidt:

“1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:

a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;

b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;

c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;

d. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;

e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd;

f. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.

2. (…)

3. (…)

4. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”

34. Op grond van art. 33a, vierde lid, Sr worden onder voorwerpen verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. Met “voorwerpen” wordt gedoeld op het civielrechtelijke begrip “goederen” (vgl. art. 3:1 BW). Daaronder worden tevens onroerende zaken begrepen; ook een onroerende zaak als een huis is dus vatbaar voor verbeurdverklaring.23

35. Het middel in samenhang met de toelichting daarop bezien, gaat er vanuit dat het hof de verbeurdverklaring heeft gegrond op art. 33a, eerste lid onder a, Sr. Het middel berust aldus op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. In het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank is immers met zoveel woorden overwogen dat de woning onder de verdachte in beslag is genomen, dat het voorwerp voor de helft aan de verdachte toebehoort en dat “het feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan”. De verbeurdverklaring van de woning is derhalve niet gegrond op art. 33a, eerste lid onder a, Sr, maar op art. 33a, eerste lid onder b, Sr.24 Het gaat hier immers om voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan (corpora delicti). Dit volgt ook uit de aanvullende overwegingen van het hof ten aanzien van de verbeurdverklaring van de woning. In die aanvullende overwegingen ligt dus niet besloten dat het hof heeft geoordeeld dat de woning geheel of grotendeels uit baten van een strafbaar feit is verkregen. In weerwil van het betoog van de steller van het middel, heeft het hof niet de verkeerde maatstaf toegepast.

36. In de toelichting op het middel wordt met betrekking tot de keuken en het domotica-systeem nog aangevoerd dat het “enkel verwerken van bijzaken die betaald zijn met middelen die afkomstig zijn van een misdrijf in een hoofdzaak er niet toe [leidt] dat die hoofdzaak is verkregen middels baten uit een misdrijf, als die hoofdzaak niet is betaald met middelen afkomstig van een misdrijf”. Anders dan de steller van het middel lijkt te willen betogen, heeft het hof zulks in zijn aanvullende overwegingen niet overwogen. Evenmin, ik zeg het voor de volledigheid, heeft het hof geoordeeld dat zich in de voorliggende zaak de situatie voordoet dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogen dat is verkregen door middel van legale activiteiten, waardoor het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig.25 Wat het oordeel van het hof in dit verband wel inhoudt, is dat de domotica-installatie en de keuken aard- en nagelvast aan de woning zijn verbonden, zodat zij door natrekking daarvan deel van de woning zijn gaan uitmaken. Omdat deze toevoegingen aan woning en tuin een aanzienlijk deel zijn gaan uitmaken van de waarde van de woning, acht het hof de woning vatbaar voor beslag en verbeurdverklaring.26

37. Het middel faalt.

38. De middelen falen en kunnen, meen ik, worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.

39. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

40. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 AMB-001, p. 11 e.v. (meer precies p.12).

3 DOC-002, p. 105 e.v.

4 DOC-004 en DOC-005, p. 109 e.v.

5 AMB-001, p. 11 e.v. (meer precies p. 14).

6 DOC-028, p. 251 e.v.

7 DOC-030, p. 265 e.v.

8 DOC-031, p. 287.

9 DOC-032, p. 288 e.v.

10 DOC-033, p. 294.

11 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting op 7 september 2017, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van die zitting.

12 Pv bewijswijzer, p. 1 e.v. (meer precies p. 5).

13 Zie onder meer AMB-025, ongenummerd.

14 Tegen de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van een drietal getuigen c.q. deskundigen richt zich het tweede cassatiemiddel.

15 Vgl. ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471, NJ 2010/460.

16 Zie hierover ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Wolters Kluwer 2018, p. 756. In het arrest van het hof van 29 mei 2019 is opgenomen dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van het hof op 22 augustus 2018 en 15 mei 2019.

17 Art. 410, eerste lid, Sv bepaalt dat de verdachte binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, kan indienen.

18 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers (rov. 2.42 en 2.47).

19 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers (rov. 2.73-2.74).

20 Waarbij gedacht moet worden aan enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.

21 Herhaald in HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441, gezamenlijk voorzien van een NJ-noot van Kooijmans.

22 Overigens: anders dan de steller van het middel wil, is de overweging van het hof dat er “geen enkel stuk en geen enkele verklaring in het geding [is] gebracht waaruit blijkt dat er sprake is geweest van een erfenis van de vader van [verdachte] ” evenmin onbegrijpelijk. Ook in Suriname kan de erfgenaam zich als zodanig legitimeren aan de hand van bijvoorbeeld een verklaring van erfrecht. Zie A.C. Ramautar, Boedelproblematiek in Suriname. Over vereffening van tot een onverdeelde of onbeheerde boedel behorende rechten op (plantage)gronden in Suriname (diss.), Zutphen: Uitgeverij Paris, 2015, p. 46, en C.R. Jadnanansing en C.A. Kraan, Hoofdlijnen van het Surinaamse erfrecht, Kluwer 1998, p. 205 e.v.

23 Zie Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 20 en HR 18 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2019, NJ 1994/337. Zie voorts Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 33a, aant. 9 (bewerkt door prof. mr. J.W. Fokkens; bijgewerkt tot augustus 2008), F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, Wolters Kluwer 2016, p. 349 en G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, p. 561.

24 Art. 33a, eerste lid onder b, Sr is ruim geformuleerd; een ‘betrekking’ is al voldoende. Zie Bleichrodt en Vegter, a.w., p. 352.

25 Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44, m.nt. Keijzer.

26 De vraag hoe de verbeurdverklaring van de woning in de onderhavige zaak zich verhoudt tot het draagkrachtbeginsel als bedoeld in art. 33, tweede lid, Sr in verbinding met art. 24 Sr en de delictsevenredigheid, laat ik hier onbesproken. Te dien aanzien is geen onderbouwd verweer gevoerd (enkel: “Bovendien is de verbeurd verklaring een onevenredige zware straf voor het gezin van [verdachte] . [medeverdachte] dient te worden vrijgesproken en de helft van het woonhuis is van haar. Zij wordt daarmee alsnog gestraft voor iets waar zij part noch deel aan had”) en, hier belangrijker, ook het middel behelst daarover geen klacht.