Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:768

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-09-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
20/01481
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1553
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie P-G inzake bezwaarschrift tegen dagvaarding. Cassatieberoep komt op tegen oordeel hof dat het bezwaarschrift ongegrond is. De zaak betreft de vervolging van een gewezen plaatsvervangend hoofdofficier van het functioneel parket na verwijzing door de Hoge Raad op de voet van art. 510 Sv naar de rechtbank Den Haag als bevoegde rechtbank. De zaak wordt door OM Amsterdam overgedragen aan OM Den Haag. De Haagse hoofdofficier beslist tot vervolging en wijst de Amsterdamse zaaksofficieren aan om de zaak te doen als plaatsvervangend ovj's in Den Haag. M1: maatstaf en toetsingskader bezwaarschrift tegen dagvaarding. M2: klacht tegen ongegrondverklaring bezwaarschrift (drie elementen: ontijdigheid verzoekschrift 510 Sv, handelen in strijd met beschikking HR en handelen in strijd met 510 Sv). M3: afwijzing voorwaardelijk verzoek getuigen te horen. De P-G concludeert dat het oordeel van het Hof in stand kan blijven. De P-G concludeert dat het oordeel van het Hof - inhoudende dat niet hoogst aannemelijk is dat de zittingsrechter, later oordelend, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal achten- in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01481 B

Zitting 1 september 2020

CONCLUSIE

J. Silvis

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

  1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 5 maart 2020 het door verdachte ingediende bezwaarschrift tegen de dagvaarding ongegrond verklaard.

  2. Tegen deze beschikking is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

  3. Namens verdachte heeft mr. Th.O.M. Dieben, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Voor een goed begrip geef ik eerst kort de feitelijke achtergrond van de zaak en de procesgang weer. Verdachte is voormalig plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket. Op 19 april 2017 is hij door de rijksrecherche aangehouden als verdacht van het plegen van een of meer van de misdrijven strafbaar gesteld bij de artikelen 245, 247, 248a en 248b Sr. Bij het politieonderzoek, genaamd “130scoda”, zijn tevens tien andere verdachten aangehouden. Het onderzoek werd vanuit het arrondissementsparket Amsterdam geleid door de zaaksofficieren [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Mede naar aanleiding van een advies dat werd ingewonnen bij het Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie, heeft de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam op 11 december 2018 een verzoekschrift ex art. 510 Sv bij de Hoge Raad ingediend. Op 22 januari 2019 heeft de Hoge Raad de Rechtbank Den Haag aangewezen als gerecht voor hetwelk, zo het openbaar ministerie bij die rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatsvinden. Door de hoofdofficier van justitie te Den Haag is op 28 januari 2019 besloten dat de strafvervolging tegen de verdachte diende te worden voortgezet. Rond 30 januari 2019 besloot hij dat de zaaksofficieren uit het arrondissementsparket Amsterdam als zodanig konden blijven functioneren, maar nu als plaatsvervangend officieren onder zijn gezag. De verdediging achtte deze beslissing in strijd met de op grond van art. 510 Sv gegeven beschikking van de Hoge Raad en diende een bezwaarschrift in tegen de op 29 augustus 2019 aan de verdachte betekende dagvaarding. In het bezwaarschrift wordt gesteld dat het hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in zijn vervolging. Bij beschikking van 1 november 2019 heeft de rechtbank Den Haag het bezwaarschrift gegrond verklaard en de verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging buiten vervolging gesteld. Tegen deze beschikking heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Het Hof komt vervolgens tot het oordeel dat het bezwaarschrift tegen de dagvaarding ongegrond is. Tegen dat oordeel richt zich het cassatieberoep.

  5. Alvorens op de cassatiemiddelen in te gaan, stel ik voorop de reikwijdte en strekking van art. 510 Sv zoals die volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt en bij de verwijzing in de onderhavige zaak is toegepast:1

4.1.

Ingevolge art. 510, eerste lid, Sv wordt ingeval "een rechterlijk ambtenaar voor zijne rechtbank, zijn gerechtshof of voor een gerecht binnen het ressort van zijne rechtbank of zijn gerechtshof zou moeten worden vervolgd en berecht", op verzoekschrift van het openbaar ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, door de Hoge Raad een ander gerecht van gelijke rang als het anders bevoegde aangewezen voor hetwelk de vervolging en berechting der zaak zullen plaatshebben.

4.2.

De strekking van art. 510 Sv is te waarborgen dat een rechterlijk ambtenaar die wordt verdacht van een strafbaar feit, in eerste of tweede aanleg zal worden vervolgd en berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden. De vermijding van die schijn is ook van belang bij de beslissing van het openbaar ministerie om - in het geval dat jegens een rechterlijk ambtenaar een verdenking van een strafbaar feit is gerezen - al dan niet gebruik te maken van onder meer zijn bevoegdheid die ambtenaar niet te vervolgen. Gelet daarop moet art. 510 Sv aldus worden uitgelegd dat in de in het eerste lid genoemde gevallen het openbaar ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, gehouden is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen indien naar zijn aanvankelijk oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt, opdat het openbaar ministerie bij het aan te wijzen gerecht beslist omtrent de verdere behandeling van de zaak (vgl. HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3669).

4.3.

Uit het doel en de strekking van art. 510 Sv volgt dat de daar bedoelde regeling ook toepasselijk is in een geval als het onderhavige waarin het gaat om een bij het functioneel parket werkzaam rechterlijk ambtenaar tegen wie de verdenking is gerezen een strafbaar feit te hebben begaan en die ter zake daarvan zou moeten worden vervolgd en berecht voor een gerecht waarbij hij op grond van art. 139b, eerste lid, RO de vervolging pleegt of placht in te stellen. Hetzelfde geldt ook voor een bij het landelijk parket werkzaam rechterlijk ambtenaar.

Vervolgens is het aan de Hoge Raad om naar aanleiding van het in te dienen verzoekschrift naar bevind van zaken een gerecht aan te wijzen ter waarborging dat de betrokkene zal worden vervolgd en berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden.

Het eerste middel klaagt over de door het Hof toegepaste maatstaf en bijbehorend toetsingskader in het geval van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding.

7. Ten aanzien van de toe te passen maatstaf bij de beoordeling van het bezwaarschrift en het bijbehorend toetsingskader overwoog het Hof:

I. Algemeen

2. Vooropgesteld dient te worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding een summier karakter draagt. Wanneer een op artikel 262 Sv gegrond juridisch verweer wordt gevoerd, is de rechter verplicht zich over de al dan niet doeltreffendheid van het verweer uit te laten, zulks evenwel met inachtneming van evenbedoeld summier karakter van het onderzoek (vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4112).

3. De inzet van de bewaarschriftprocedure is of er voldoende rechtvaardiging bestaat om de verdachte in het openbaar terecht te laten staan. Het summiere karakter van de bezwaarschriftprocedure heeft tot gevolg dat alleen evidente beletselen (als bijvoorbeeld een kennelijke verjaring of een te laste gelegd feit dat niet als strafbaar gekwalificeerd zal kunnen worden) tot een direct resultaat leiden.

4. Het hof overweegt ten overvloede dat het summiere karakter erin is gelegen dat de bezwaarschriftprocedure anders het karakter zou krijgen van een eerste toetsing, die in de plaats treedt van de toetsing die in de openbare procedure ter terechtzitting dient plaats te vinden.

5. Het hof ziet zich bij de beoordeling van het bezwaarschrift voor de vraag gesteld of hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, de officier van justitie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging (HR 29 september 1951, NJ 1952/58).

6. Het hof stelt voorop dat voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad slechts plaats is in uitzonderlijke gevallen.”

8. In het middel wordt gesteld dat het Hof een aangescherpte maatstaf en bijbehorend toetsingskader had moeten hanteren omdat het bezwaarschrift zich onderscheidde van bezwaarschriften in andere zaken waar de Hoge Raad zich tot op heden over heeft gebogen nu in onderhavig bezwaarschrift de naleving van art. 510 Sv en de 510-beschikking van de Hoge Raad centraal staat.

9. De bezwaarschriftenprocedure ex art. 262 Sv beoogt een waarborg te bieden tegen een lichtvaardige vervolging en een nodeloze openbare terechtzitting voor de verdachte. Zoals het Hof terecht heeft overwogen, draagt het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een bezwaarschrift als bedoeld in 262 Sv een summier karakter2. Aan de wettelijke regeling ligt de opvatting ten grondslag dat de raadkamer tot buitenvervolgingstelling beslist in evidente gevallen van ongerechtvaardigde c.q. lichtvaardige vervolging, die al op het eerste gezicht duidelijk moet zijn. De bezwaarschriftprocedure heeft dus de functie van een grove zeef waarop alleen die zaken achterblijven waarin een veroordeling evident onhaalbaar is3. Wanneer in zaken als deze een op art. 262, vijfde lid, Sv gegrond verweer wordt gevoerd, is de raadkamer verplicht zich over de al dan niet doeltreffendheid van het verweer uit te laten, dit echter met inachtneming van het summiere karakter van het onderzoek. Dat klemt temeer wanneer naar aanleiding van het verweer een oordeel van de raadkamer wordt gevraagd dat verweven is met waarderingen van feitelijke aard. Dan geldt als maatstaf of het hoogst waarschijnlijk is dat de zittingsrechter de aan het verweer mede ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zal oordelen. Het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer noopt tot een terughoudende toepassing van die maatstaf door de raadkamer aangezien rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de zittingsrechter die te zijner tijd heeft te oordelen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting - al dan niet aan de hand van meer en/of andere aldaar gebleken feiten en omstandigheden - tot een andere feitelijke waardering komt.4 Het Hof heeft zich naar aanleiding van het gevoerde verweer dus de vraag gesteld of hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, de officier van justitie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.5

10. In het middel wordt primair gesteld dat het Hof in deze kwestie een andere, aangescherpte, maatstaf en bijbehorend toetsingskader had moeten hanteren waarbij

i) geen sprake is van een summier maar volledig onderzoek in raadkamer;

ii) de vraag of (een beschikking ex) art. 510 Sv is nageleefd niet slechts terughoudend maar "vol" wordt getoetst; en

iii) indien naar aanleiding van dit onderzoek tot de conclusie wordt gekomen dat (een beschikking ex) art. 510 Sv niet is nageleefd zonder meer wordt aangenomen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging zodat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard.

Subsidiair stelt verzoeker zich op het standpunt dat het Hof er blijk van had moeten geven dat het aanleiding heeft gezien de concrete toepassing van de gebruikelijke maatstaf en bijbehorend toetsingskader niet wezenlijk te laten verschillen van wat met de toepassing van de hiervoor (door de steller van het middel) beschreven maatstaf en bijbehorend toetsingskader zou zijn bereikt.

11. Ter onderbouwing van de stelling dat in dit geval een andere maatstaf en bijbehorend toetsingskader had moeten worden gehanteerd, wordt in de toelichting op het middel ten eerste aangevoerd dat de Hoge Raad heeft bepaald dat een verzuim tot het indienen van een verzoekschrift ex art. 510 Sv zozeer in strijd is met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken meebrengt6. Nu in casu sprake is van een dergelijk - of daarmee gelijk te stellen - verzuim kan de kwestie volgens de steller van het middel niet aan de zittingsrechter worden voorgelegd aangezien het onderzoek ter terechtzitting en de daaropvolgende uitspraak nietig zouden zijn. Derhalve is in dit geval een behandeling ter terechtzitting niet mogelijk en zou in de bezwaarschriftprocedure plaats moeten zijn voor een uitvoeriger en diepgaander onderzoek dan in de regel het geval is, aldus de steller van het middel.

12. Dat in deze zaak door het openbaar ministerie is gehandeld in strijd met art. 510 Sv of de beschikking van de Hoge Raad is in mijn ogen bepaald niet vanzelfsprekend en het is op zijn minst prematuur om op grond van een dergelijke aanname bij voorbaat te concluderen tot bepaalde rechtsgevolgen. Indien de zaak aan de zittingsrechter wordt voorgelegd, staat het de verdachte vrij om (opnieuw) het verweer te voeren dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is. Anders dan in het middel wordt gesteld, kan dit verweer dan gewoon behandeld worden.

13. Het feit dat de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2011:BU3447, NJ 2012/366 ambtshalve overwoog dat het verzuim een verzoek ex art. 510 Sv in te dienen zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde dat sprake is van nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken, staat er niet aan in de weg dat de feitenrechter in die zaak het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had kunnen achten wegens het niet naleven van art. 510 Sv. Is de strafzaak eenmaal in de cassatiefase beland, wordt door de Hoge Raad getoetst of sprake is van een van de in art. 79 lid 1 Wet RO genoemde cassatiegronden, te weten schending van het recht of verzuim van vormen voorzover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm. Ingevolge art. 431 Sv geeft verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, grond tot vernietiging, zowel wanneer het verzuim heeft plaatsgehad in het vonnis of arrest zelf, als wanneer het heeft plaatsgehad in de loop van het rechtsgeding. Verzuimen die in een vroeger stadium zijn gepleegd kunnen niet (rechtstreeks) tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. In de zaak die leidde tot ECLI:NL:HR:2011:BU3447, NJ 2012/366 was niet geklaagd over het verzuim een verzoek ex art. 510 Sv in te dienen. De Hoge Raad besliste daarom ambtshalve tot vernietiging van het bestreden arrest en hij heeft zich daarbij niet uitgelaten over de vraag of het verzuim in een eerder stadium tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot een beslissing tot onbevoegdheid van de rechtbank kon leiden.

14. Ten tweede wordt ter onderbouwing van de stelling dat in dit geval een andere maatstaf en bijbehorend toetsingskader had moeten worden gehanteerd, in de toelichting op het middel aangevoerd dat een bezwaarschrift altijd in de sleutel van de in art. 262 lid 5 Sv genoemde gronden moet worden geplaatst terwijl strikt genomen geen van deze gronden van toepassing is bij niet-naleving van (een beschikking ex) art. 510 Sv. Derhalve dient het bezwaarschrift volgens de steller van het middel een omweg te bewandelen omdat moet worden betoogd dat een vervolging onder niet-naleving van (een beschikking ex) art. 510 Sv zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde dat de daaropvolgende inhoudelijke behandeling van de zaak nietig zal zijn en het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.

15. De redenering komt mij onnodig gekunsteld voor. De steller ziet zich voor het probleem geplaatst dat art. 262 Sv niet zonder meer lijkt toegesneden op de situatie dat een op grond van art. 510 Sv gegeven beschikking niet wordt nageleefd, terwijl hij meent dat de toepassing ervan op een aangepaste wijze wel in de rede ligt. De bijzondere omstandigheid dat het bezwaarschrift tegen de dagvaarding was gebaseerd op de stelling dat een beschikking op de voet van art. 510 Sv niet was nageleefd, hoefde het Hof niet te nopen tot toepassing van een ander toetsingskader dan volgens vaste jurisprudentie passend is. Als er evident sprake is van niet naleving van een op de voet van art. 510 Sv gegeven beschikking kan een bezwaarschrift tegen de dagvaarding voor de verdachte onder omstandigheden op zich wel een geschikt middel zijn om daartegen op te komen. Het Hof heeft dat niet miskend.

16. Tenslotte wordt in de toelichting op het middel betoogd dat de ratio van het summiere karakter van de procedure zich niet verhoudt met het belang dat art. 510 Sv beoogt te beschermen, te weten het voorkomen van (de schijn van) bevoordeling of benadeling van de verdachte. Indien de verdachte nu alleen een voorlopig oordeel kan krijgen over de naleving van (een beschikking ex) art. 510 Sv en pas na afloop van de inhoudelijk behandeling van zijn zaak een definitief oordeel, is het kwaad al geschied en heeft de verdachte al publiekelijk terecht moeten staan en is hij reeds blootgesteld aan een openbare vervolging waarbij (het risico bestaat dat) sprake is van bevoordeling of benadeling, aldus de toelichting op het middel.

17. Ook dit hoeft mijns inziens niet te leiden tot de toepassing van een andere maatstaf of een ander beoordelingskader. In alle zaken waarin een op art. 262, vijfde lid, Sv gegrond verweer wordt gevoerd geldt immers dat de verdachte, in geval van verwerping van het verweer door de raadkamer, pas nadat hij publiekelijk terecht heeft gestaan een definitief oordeel zal krijgen.

18. De ratio achter de summiere toetsing in de bezwaarschriftprocedure ex art. 262 Sv is evidente gevallen van ongerechtvaardigde c.q. lichtvaardige vervolging in een vroeg stadium te kunnen stoppen, terwijl het rechtsoordeel dat overigens in de bezwaarschriftprocedure wordt geveld een voorlopig karakter heeft.7 De verdachte mag zijn verweren ter terechtzitting herhalen en dan zullen die verweren wel ten gronde (moeten) worden beoordeeld8. Dit geldt evenzeer voor het verweer in onderhavig bezwaarschrift waarin de naleving van (de beschikking ex) art. 510 Sv centraal staat. Derhalve valt niet in te zien dat het Hof in deze kwestie een andere, aangescherpte, maatstaf of toetsingskader had moeten hanteren of er blijk van had moeten geven dat het aanleiding heeft gezien de concrete toepassing van de gebruikelijke maatstaf en bijbehorend toetsingskader niet wezenlijk te laten verschillen van wat met de toepassing van de door de steller van het middel voorgestane maatstaf en bijbehorend toetsingskader zou zijn bereikt.

19. De door het Hof gehanteerde maatstaf en het in de bestreden beschikking onder het kopje “Algemeen” weergegeven toetsingskader getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

20. Het middel faalt.

21. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard.

22. De bestreden beschikking houdt – voor zover hier relevant – het volgende in:

II. Tijdige indiening verzoekschrift?

7. Het Openbaar Ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, is gehouden een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen in het geval dat naar zijn aanvankelijke oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt. Het Openbaar Ministerie heeft het verzoek in de zin van artikel 510 Sv ingediend geruime tijd nadat de verdachte is aangehouden en verhoord. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat alle (vervolgings)beslissingen in de strafzaak door het verkeerde arrondissementsparket zijn genomen, hetgeen in strijd is met de behoorlijke procesorde. Het hof verwerpt deze stelling. Wat er zij van de termijn die is verstreken voor de indiening van het verzoek ex artikel 510 Sv bij de Hoge Raad, is niet hoogst aannemelijk dat de gestelde overschrijding zal leiden tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

III. Handelen in strijd met de beschikking van de Hoge Raad?

8. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 22 januari 2019 het volgende beslist:

De Hoge Raad wijst de Rechtbank Den Haag aan als gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij die rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatsvinden.

9. Het dictum van de beschikking van de Hoge Raad bevat twee beslissingen: 1) de vervolging en berechting van de verdachte vindt plaats voor de rechtbank Den Haag; en 2) het Openbaar Ministerie bij die rechtbank beslist over de al dan niet (verdere) vervolging van de verdachte.

10. Het hof stelt vast dat de verdachte is gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank Den Haag middels een door de waarnemend hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Den Haag ondertekende dagvaarding.

11. Daarmee is voldaan aan de eis dat de vervolging en de berechting van de verdachte plaatsvinden voor de rechtbank Den Haag.

12. Voorts blijkt uit het in hoger beroep overgelegde proces-verbaal van bevindingen van [rechercheofficier] dat de vervolgingsbeslissing na de beschikking van de Hoge Raad is genomen door de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag en ook overigens later is bevestigd door de opvolger van die hoofdofficier van justitie en niet – zoals de rechtbank in rechtsoverweging 12 van haar beschikking heeft overwogen – door de twee zaaksofficieren.

13. Daarmee is eveneens voldaan aan de eis dat het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag beslist over de al dan niet (verdere) vervolging van de verdachte.

14. Het hof stelt gelet op het voorgaande vast dat formeel en materieel is voldaan aan het dictum van de beschikking van de Hoge Raad.

IV. Handelen in strijd met artikel 510 Sv?

15. Artikel 510 Sv strekt ertoe een onpartijdige vervolging en berechting van een rechterlijk ambtenaar te waarborgen, door deze vervolging en berechting niet over te laten aan autoriteiten die zijn verbonden aan dezelfde rechterlijke instantie als die waaraan de verdachte als rechterlijk ambtenaar is verbonden (vgl. HR 13 november 2001, NJ 2003/569).

16. Gelet op de vastgestelde omstandigheden dat:

i) de plaatsvervangend officieren van justitie werkzaam waren bij een ander parket dan de verdachte;

ii) zij de verdachte niet kennen en nooit met hem hebben samengewerkt;

iii) het parket in Den Haag het gezag heeft over de (verdere) strafvervolging;

iv) dit gezag blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de rechercheofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag in de loop van 2019 ook de facto is uitgevoerd,

is het hof van oordeel dat niet reeds nu tot het oordeel kan worden gekomen dat sprake is van zodanige strijd met het doel en de strekking van artikel 510 Sv dat de zittingsrechter tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging zal concluderen.

V. Conclusie

17. Gelet op het voorgaande acht het hof in het kader van de summiere toetsing die bij de raadkamerprocedure past onvoldoende grond aanwezig voor de door de raadkamer in eerste aanleg getrokken conclusie dat de kernwaarden van het wettelijk systeem zijn genegeerd, waardoor de waarborgen van een onpartijdige vervolging en berechting zijn geschonden. Het is naar het oordeel van het hof niet evident in de zin van hoogst aannemelijk dat de zittingsrechter, later oordelend, strijd met het doel en de strekking van artikel 510 Sv of de beschikking van de Hoge Raad aanwezig zal achten en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.

18. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard.

19. Dit oordeel neemt niet weg dat het handelen van het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak als onhandig en bijzonder ongelukkig kan worden gekwalificeerd. Door de twee zaaksofficieren te handhaven heeft het onnodig discussie laten ontstaan over de (schijn van) partijdige vervolging van de verdachte, terwijl een voorziening als die van artikel 510 Sv (mede) beoogt te voorkomen dat hierover bij de verdachte of derden vragen opkomen. Verdere discussie hierover dient naar het oordeel van het hof zo veel mogelijk voorkomen te worden.”

23. In de toelichting op het middel wordt ten eerste ingegaan op het oordeel van het Hof dat - wat er zij van de termijn die is verstreken voor de indiening van het verzoek ex artikel 510 Sv bij de Hoge Raad - het niet hoogst aannemelijk is dat de gestelde overschrijding zal leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Gesteld wordt dat het Hof het door de verdediging gevoerde verweer te beperkt heeft opgevat nu niet alleen was gesteld dat het openbaar ministerie ten onrechte heeft getalmd met het indienen van het verzoekschrift ex art. 510 Sv, maar ook dat tot die tijd het opsporingsonderzoek door het Amsterdamse parket gewoon was voortgezet. Mede gelet op de omstandigheden dat dit geschiedde in de wetenschap dat dit mogelijk problematisch zou zijn en dat het onderzoek niet is overgedaan na de 510 Sv-beschikking van de Hoge Raad, acht de steller van het middel het oordeel van het Hof - zonder nadere motivering die ontbreekt - onbegrijpelijk.

24. Uit de samenvatting die het Hof heeft gegeven van het verweer blijkt dat het Hof het verweer zo heeft opgevat dat niet alleen werd geklaagd over het tijdsverloop voor het indienen van het verzoek ex art. 510 Sv, maar dat tevens werd geklaagd over het feit dat - in strijd met de behoorlijk procesorde - ook alle (vervolgings)beslissingen in de strafzaak door het verkeerde arrondissementsparket zijn genomen. Het Hof heeft deze stelling verworpen. Mede in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de vervolgingsbeslissing na de beschikking van de Hoge Raad is genomen door de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag en later is bevestigd door zijn plaatsvervanger, acht ik dit niet onbegrijpelijk.

25. Het oordeel van het Hof dat het - wat er zij van de termijn die is verstreken voor de indiening van het verzoek ex artikel 510 Sv bij de Hoge Raad - niet hoogst aannemelijk is dat de gestelde overschrijding zal leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Mede gelet op het summiere karakter van een onderzoek naar aanleiding van een bezwaarschrift als bedoeld in art. 262 Sv en het feit dat het gevoerde verweer niet van zuiver rechtskundige aard was, was het Hof niet gehouden de verwerping van het verweer uitvoeriger te motiveren.9

26. Ten tweede wordt in de toelichting op het middel ingegaan op het oordeel van het Hof dat formeel en materieel is voldaan aan het dictum van de beschikking van de Hoge Raad. Het Hof heeft het dictum van de beschikking van de Hoge Raad zo uitgelegd dat deze twee beslissingen bevat: 1) de vervolging en berechting van de verdachte vindt plaats voor de rechtbank Den Haag; en 2) het openbaar ministerie bij die rechtbank beslist over de al dan niet (verdere) vervolging van de verdachte. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof slechts aandacht heeft besteed aan de vraag welke officier van justitie de vervolgingsbeslissing heeft genomen en hetgeen daarna is gebeurd ten onrechte verder buiten beschouwing heeft gelaten. Verder wordt betoogd dat het oordeel van het Hof dat de vervolgingsbeslissing na de beschikking van de Hoge Raad is genomen door de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag en ook later is bevestigd door zijn opvolger onbegrijpelijk is.

27. Voor zover in de toelichting op het middel wordt betoogd dat het Hof slechts aandacht heeft besteed aan de vraag welke officier van justitie de vervolgingsbeslissing heeft genomen en hetgeen daarna is gebeurd ten onrechte verder buiten beschouwing heeft gelaten, kan worden opgemerkt dat uit de vaststelling van de feiten en omstandigheden die aan de beoordeling van het bezwaarschrift ten grondslag liggen en de overwegingen van het Hof onder 16 blijkt dat het Hof bij de beoordeling van het bezwaarschrift weldegelijk aandacht heeft besteed aan hetgeen na de vervolgingsbeslissing is gebeurd. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, heeft het Hof dus kennelijk niet geoordeeld dat het bij de beoordeling van het verweer dat in strijd is gehandeld met (doel en strekking van) de 510-beschikking van uw Raad, kon volstaan met louter een beoordeling van de vraag wie de vervolgingsbeslissing heeft genomen. In de overwegingen 8 tot en met 14 wordt door het Hof eerst slechts aandacht besteed aan de vraag of kan worden vastgesteld dat het openbaar ministerie formeel in strijd met het dictum van de beschikking van de Hoge Raad heeft gehandeld. De Rechtbank stelde in rechtsoverweging 11 van haar beschikking vast dat “alleen al op grond van een zuiver grammaticale interpretatie van het dictum van de beslissing van de Hoge Raad, de beslissing van de Hoge Raad onmiskenbaar inhoudt dat vanaf de datum van de beschikking alle (verdere) handelingen van het openbaar ministerie gericht op strafververvolging van verdachte in de onderhavige zaak dienden te worden verricht door (leden van) het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag, oftewel door leden van het Haagse arrondissementsparket”. Het Hof legt het dictum van de beschikking van de Hoge Raad kennelijk beperkter uit en stelt vast dat formeel en materieel is voldaan aan hetgeen in dit dictum staat, nu de verdachte is gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank Den Haag middels een door de waarnemend hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Den Haag ondertekende dagvaarding en uit het in hoger beroep overgelegde proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de vervolgingsbeslissing na de beschikking van de Hoge Raad is genomen door de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag (en later tevens is bevestigd door zijn opvolger). Gelet op de tekst van het dictum - er wordt een gerecht aangewezen voor hetwelk de vervolging en berechting zullen plaatsvinden, zo het openbaar ministerie bij dat gerecht dit nodig oordeelt - acht ik dit niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat het Hof niet heeft vastgesteld of geoordeeld dat er geen sprake is geweest van enig handelen in strijd met de beschikking van de Hoge Raad of het doel en de strekking van artikel 510 Sv. In rechtsoverweging 19 geeft het Hof kritisch aan dat het openbaar ministerie door de twee zaaksofficieren te handhaven onnodig discussie heeft laten ontstaan over de (schijn van) partijdige vervolging van de verdachte, terwijl een voorziening als die van artikel 510 Sv (mede) beoogt te voorkomen dat hierover bij de verdachte of derden vragen opkomen.

28. Voor zover in de toelichting op het middel wordt opgekomen tegen het oordeel van het Hof dat de vervolgingsbeslissing na de beschikking van de Hoge Raad is genomen door de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag en ook later is bevestigd door zijn opvolger, merk ik op dat het Hof dit heeft kunnen opmaken uit het in hoger beroep overgelegde proces-verbaal van bevindingen van rechercheofficier [betrokkene 2] (waarover de rechtbank dus nog niet beschikte toen zij vaststelde dat de verdere vervolgingsbeslissing is genomen door de twee zaaksofficieren). Het Hof was niet gehouden verdere verantwoording af te leggen over zijn duiding van hetgeen blijkt uit het in hoger beroep overgelegde proces-verbaal van bevindingen.

29. In de toelichting op het middel wordt vervolgens ingegaan op het oordeel van het Hof dat niet reeds nu tot het oordeel kan worden gekomen dat sprake is van zodanige strijd met het doel en de strekking van artikel 510 Sv dat de zittingsrechter tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging zal concluderen. Gesteld wordt dat het Hof heeft miskend dat de strekking van art. 510 Sv is iedere schijn van bevoordeling of benadeling te vermijden en dat zijn oordeel dat door het handelen van het openbaar ministerie iedere schijn van bevoordeling of benadeling in de zaak van verdachte is voorkomen onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

30. Dit punt mist feitelijke grondslag. Zoals ik hiervoor al opmerkte, heeft het Hof niet geoordeeld dat er geen sprake is geweest van handelen in strijd met het doel en de strekking van artikel 510 Sv. Het Hof oordeelde slechts dat niet reeds nu tot het oordeel kan worden gekomen dat sprake is van zodanige strijd met het doel en de strekking van artikel 510 Sv dat de zittingsrechter tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging zal concluderen. Daarbij heeft het Hof gelet op de vastgestelde omstandigheden dat:

i) de plaatsvervangend officieren van justitie werkzaam waren bij een ander parket dan de verdachte;

ii) zij de verdachte niet kennen, en nooit met hem hebben samengewerkt;

iii) het parket in Den Haag het gezag heeft over de (verdere) strafvervolging en

iv) dit gezag blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de rechercheofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag in de loop van 2019 ook de facto is uitgevoerd.

Gelet op “het voorgaande” - waarmee het Hof kennelijk doelt op hetgeen het overwoog onder I t/m IV - acht het hof in het kader van de summiere toetsing die bij de raadkamerprocedure past, onvoldoende grond aanwezig voor de door de raadkamer in eerste aanleg getrokken conclusie dat de kernwaarden van het wettelijk systeem zijn genegeerd, waardoor de waarborgen van een onpartijdige vervolging en berechting zijn geschonden. Naar het oordeel van het hof is niet evident in de zin van hoogst aannemelijk dat de zittingsrechter, later oordelend, strijd met het doel en de strekking van artikel 510 Sv of de beschikking van de Hoge Raad aanwezig zal achten en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging. Ook tegen deze conclusie van het Hof wordt opgekomen in het middel.

31. Het Hof heeft in rechtsoverweging 6 terecht voorop gesteld dat voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad slechts plaats is in uitzonderlijke gevallen10.

32. In art. 359a Sv wordt bepaald dat de rechter in geval van onherstelbare vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, kan bepalen dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Er moet dus sprake zijn van een vormverzuim dat onherstelbaar is. De Advocaat-Generaal heeft in zijn appelmemorie en zijn requisitoir aangegeven dat het gestelde verzuim herstelbaar is, omdat het mogelijk is om alsnog andere officieren van justitie aan de zaak te verbinden en hen opnieuw een beslissing over de vervolging en berechting te laten nemen. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in raadkamer heeft hij ook gewezen op het hiervoor reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3447, NJ 2012/366 in welke zaak de verdachte - nadat de Hoge Raad het bestreden arrest in cassatie had vernietigd omdat het openbaar ministerie had nagelaten een verzoek ex art. 510 Sv in te dienen - alsnog is vervolgd voor een ander gerecht en is veroordeeld (zie ECLI:NL:RBAMS:2014:4146)11. Het Hof heeft het handelen van het openbaar ministerie in deze zaak in rechtsoverweging 19 van de bestreden beschikking als onhandig en bijzonder ongelukkig gekwalificeerd. Voorts heeft het Hof - zoals hiervoor reeds opgemerkt - aangegeven dat het openbaar ministerie door de twee zaaksofficieren te handhaven onnodig discussie heeft laten ontstaan over de (schijn van) partijdige vervolging van de verdachte, terwijl een voorziening als die van artikel 510 Sv (mede) beoogt te voorkomen dat hierover bij de verdachte of derden vragen opkomen. Tenslotte heeft het Hof uitdrukkelijk aangegeven dat verdere discussie hierover zo veel mogelijk voorkomen dient te worden. Het is bepaald niet evident dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

33. Indien toch wordt aangenomen dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.12

De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient". De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt". Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Voorts is van belang dat art. 359a Sv een bevoegdheid formuleert en niet een plicht. Het biedt de rechter die een vormverzuim heeft vastgesteld ook de mogelijkheid af te zien van het toepassen van een van de daar bedoelde rechtsgevolgen en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. De strekking van de regeling van art. 359a Sv is immers niet dat een vormverzuim hoe dan ook moet leiden tot enig voordeel voor de verdachte.

Indien de feitenrechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

Bij een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie zal volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moeten zijn voldaan aan het Zwolsman-criterium; het vormverzuim dient erin te bestaan dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.13

34. Niet is gesteld of gebleken dat de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Ook lijkt mij niet evident dat de zittingsrechter - gelet op alle omstandigheden van het geval, waarbij ook de ernst van het strafbare feit kan worden betrokken -14, tot het oordeel zal komen dat niet zal kunnen worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, laat staan dat daaraan het zwaarst mogelijke rechtsgevolg zal moeten worden verbonden. Daarbij zal de rechter ook rekening moeten houden met de omstandigheid dat het verbinden van een rechtsgevolg aan dit verzuim, de consequentie zou hebben dat het openbaar ministerie door dergelijk handelen een ambtsgenoot die verdacht wordt van een strafbaar feit zou kunnen bevoordelen. Daarmee zou in deze zaak nu juist de schijn kunnen worden gewekt dat - zoals verwoord door columnist Folkert Jensma15 - de zaak met opzet stuk is gemaakt.

35. Bij de stand van zaken zoals die door het Hof is vastgesteld, getuigt het in het kader van de summiere toetsing die bij de raadkamerprocedure past, bepaald niet van een onjuiste of onbegrijpelijke rechtsopvatting dat het Hof geen aanleiding vindt om in de bezwaarschriftprocedure te oordelen dat de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie volgens de zittingsrechter zal komen te ontbreken.16

36. Ik veroorloof mij in dat verband nog op te merken dat een schijn van een partijdige vervolging zeker niet zonder meer aannemelijk is na de hiervoor al aangehaalde constateringen van het Hof over de beslissing tot vervolging door de hoofdofficier van het parket Den Haag in samenhang met de vaststellingen onder punt 16 dat i) de plaatsvervangend officieren van justitie werkzaam waren bij een ander parket dan de verdachte; ii) zij de verdachte niet kennen en nooit met hem hebben samengewerkt; iii) het parket in Den Haag het gezag heeft over de (verdere) strafvervolging; iv) dit gezag blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de rechercheofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag in de loop van 2019 ook de facto is uitgevoerd.

37. Het middel faalt.

38. Het derde middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het horen van enkele getuigen.

39. De bestreden beschikking houdt ten aanzien van dit verzoek het volgende in:

“De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht, indien het hof niet van oordeel is dat het reeds kan oordelen dat een volledige buitenvervolgingstelling zou moeten volgen, op grond van artikel 23, eerste lid, Sv

- de (toenmalige) betreffende leden van de parketleiding van het arrondissementsparket Amsterdam,

- de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam, [betrokkene 1] , en

- de betreffende leden van de parketleiding van het arrondissementsparket Den Haag,

als getuigen te horen.

Het hof wijst dit verzoek af. De raadkamerprocedure leent zich, gelet op het summiere karakter daarvan, niet voor een uitputtend onderzoek. Bovendien is het verzoek, in het licht van het aanvullende proces-verbaal van [betrokkene 2] , onvoldoende onderbouwd.”

40. In de toelichting op het middel wordt ten eerste gesteld dat het kennelijk oordeel van het Hof dat in de bezwaarschriftprocedure geen getuigen kunnen worden gehoord omdat het summiere karakter hiervan zich daartegen verzet, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt (althans onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd).

41. De steller van het middel gaat hier mijns inziens uit van een onjuiste lezing van de overweging van het Hof. Het Hof heeft niet geoordeeld dat in de bezwaarschriftprocedure geen getuigen kunnen worden gehoord, maar heeft slechts overwogen dat de raadkamerprocedure zich, gelet op het summiere karakter daarvan, niet leent voor uitputtend onderzoek.

42. De bezwaarschriftprocedure is een raadkamerprocedure waarop in beginsel de gewone raadkamervoorschriften van art. 21 Sv ev. van toepassing zijn.17 Uit art. 25 lid 2 Sv blijkt dat de raadkamer ook getuigen kan horen.18 Indien de raadkamer nader onderzoek wenselijk acht, heeft zij ingevolge art. 262 lid 3 Sv ook de bevoegdheid om aan de rechter-commissaris een onderzoeksopdracht te geven. Van deze bevoegdheid wordt echter - mede gelet op het summiere karakter van de procedure - spaarzaam gebruik gemaakt. Op een in de raadkamer gedaan verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden (en nader onderzoek te doen verrichten) hoeft in de beschikking niet te worden beslist.19 Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, dient de doeltreffendheid van verweren in de bezwaarschriftprocedure met de inachtneming van het summiere karakter te worden beoordeeld. Dit geldt ook voor verzoeken om getuigen te horen. Het onderzoek in de bezwaarschriftprocedure dient immers niet vooruit te lopen op de behandeling ter terechtzitting. Het Hof heeft terecht overwogen dat de procedure zich, gelet op het summiere karakter daarvan, niet leent voor een uitvoerig, diepgaand of omvangrijk onderzoek; dat behoort op de terechtzitting te gebeuren. Het oordeel van het Hof getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

43. Tenslotte komt de steller van het middel op tegen het oordeel van het Hof dat het getuigenverzoek, in het licht van het aanvullende proces-verbaal van [betrokkene 2] , onvoldoende is onderbouwd.

44. De pleitnotities voor de raadkamerzitting in hoger beroep houden ten aanzien van het getuigenverzoek het volgende in:

“Subsidiair, indien u niet van mening zou zijn dat u reeds nu kunt oordelen dat een volledige buitenvervolgingstelling zou moeten volgen, is het verzoek gedaan om op grond van artikel 23 lid 1 en 262 lid 3 Sv getuigen te horen. Ik herhaal hierbij dat verzoek.

□ Ik verwijs naar brief dd. 25 september 2019 paragraaf 3.14-3.15 en proces-verbaal zitting 4 oktober 2019 p. 3 en 8, en verzoek uw Hof om deze paragrafen en dat verzoek hier als herhaald en ingelast te beschouwen.”

45. De paragrafen 3.14-3.15 van de brief van 25 september 2019 die in eerste aanleg bij de Rechtbank werd ingediend houden in:

“3.14 De verdediging is ermee bekend dat deze Raadkamerprocedure een summier karakter draagt. Voor zover (dit summiere karakter zou betekenen) dat uw Raadkamer van mening is dat de beslissing in hoeverre het recht op vervolging is verspeeld nog niet door uw Raadkamer kan worden genomen, verzoek ik u om onderzoekshandelingen te verrichten. Op grond van artikel 23 lid 1 Sv komt uw Raadkamer een discretionaire bevoegdheid toe bij het bepalen van de wijze van behandeling. Uw Raadkamer kan ‘de noodige bevelen' geven; getuigen en deskundigen kunnen worden opgeroepen en beëdigd.

3.15

Het is om die reden dat de verdediging uw Raadkamer subsidiair verzoekt om o.a. de volgende personen als getuigen te horen:

□ De (toenmalige) betreffende leden van de parketleiding Arrondissementsparket Amsterdam over o.a. de vragen of en wanneer/bij het ontstaan van de verdenking is gesproken over het al dan niet indienen van een verzoek ex artikel 510 Sv, en waarom daar de eerste 1,5 jaar vanaf is gezien.

□ Hoofdofficier van justitie van het Arrondissementsparket Amsterdam [betrokkene 1] over o.a. de vraag waarom er in het najaar van 2018 alsnog is besloten een verzoek ex artikel 510 Sv in te dienen en waarom er na verwijzen van de vervolging en berechting door de Hoge Raad niet op is toegezien dat de vervolging en berechting ook daadwerkelijk naar Den Haag zijn gegaan.

□ De betreffende leden van de parketleiding van het Arrondissementsparket Den Haag over o.a. de vraag wie de beslissing heeft genomen dat na de beslissing van de Hoge Raad de zaaksofficieren van justitie dezelfde zouden blijven.”

46. Het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 4 oktober 2019 houdt ten aanzien van het verzoek in:

"Het gehele opsporingsonderzoek en alle vervolgingsbeslissingen zijn door onbevoegde officieren van justitie genomen. Ik vraag mij af of de Haagse parketleiding het hele onderzoek heeft bekeken en op grond daarvan een nieuwe vervolgingsbeslissing heeft genomen, of zijn alle beslissingen wellicht nagelopen? Ik ben van mening dat dit niet het geval is. Wat ik wel zojuist van de officier van justitie heb gehoord is dat de Haagse parketleiding zich heeft laten inlichten door de Amsterdamse officieren van justitie, die onbevoegd op deze zaak zitten. Er zijn inmiddels ook al diverse beslissingen genomen, zoals het uitbrengen van meerdere persberichten en het uitbrengen van een verkorte tenlastelegging. Ik vraag mij ten zeerste af of dit allemaal nog kan worden teruggedraaid. Bovendien is voor de verdediging van belang wie allemaal betrokken zijn geweest bij het opzetten van deze constructie, naar welke officier van justitie kan de zaak überhaupt nog? Juist nu het gaat om zo een gevoelige zaak als deze is het van belang wie allemaal betrokken zijn geweest bij de beslissingen in deze zaak. Om die reden persisteer ik bij het subsidiaire verzoek om diverse getuigen te horen omtrent de genomen (vervolgings-) beslissingen in deze zaak.20

(…)

"Hier is sprake van een veel fundamentelere kwestie. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de niet-ontvankelijkheid voor herstel vatbaar is door andere officieren van justitie op de zaak te zetten. Ik vraag mij dat ten zeerste af. Er zijn hier in Den Haag allerlei beslissingen genomen, maar ik weet nog steeds niet wie daar bij betrokken zijn geweest. Om die reden handhaaf ik mijn subsidiaire verzoek zoals dat is opgenomen in mijn verzoekschrift.21

47. De Rechtbank achtte zich kennelijk ook zonder het horen van de getuigen voldoende ingelicht om tot een gegrondverklaring van het bezwaarschrift en een buitenvervolgingstelling van de verdachte te komen. In het proces-verbaal van bevindingen van [betrokkene 2] d.d. 27 november 2019 - dat de advocaat-generaal in de schriftelijke ronde voorafgaand aan de behandeling van het hoger beroep in de raadkamer heeft ingediend - is meer duidelijkheid verschaft over de gang van zaken met betrekking tot de vervolgingsbeslissing en de rollen die de betrokken leden van het openbaar ministerie hebben vervuld. In haar schriftelijke reactie van 13 februari 2019 heeft de verdediging niets meer opgemerkt ten aanzien van het getuigenverzoek. De Advocaat-Generaal heeft ter zitting van 20 februari 2020 aangegeven dat voor wat betreft het getuigenverzoek het hem niet duidelijk is welke getuigen gehoord zouden moeten worden en wat de noodzaak daartoe zou zijn. De verdediging heeft daarop niet gereageerd en heeft niet aangegeven welke vragen volgens haar nog openstonden en welke getuigen daarom nog zouden moeten worden gehoord. Ik acht het oordeel van het Hof dat het getuigenverzoek ontoereikend is gemotiveerd dan ook niet onbegrijpelijk.

48. De afwijzing van het voorwaardelijk getuigenverzoek door het Hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

49. Het middel faalt.

50. De middelen falen. Het eerste en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

51. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

52. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:76, vgl. voor reeds ontslagen rechterlijke ambtenaren ook HR 13 december 2012, ECLI:NL:HR:2011:BU3447, NJ 2012/366 m.nt. Cleiren.

2 Bijl. Hand. II 1913–1914, 286, nr 3, p. 62 en Bijl. Hand. II 1986-1987, 19 798, nr. 3, p. 2., Kamerstukken II 1991/92, 22584, nr. 3, p. 12. De Hoge Raad heeft dit summiere karakter bij herhaling bevestigd, zie o.m. HR 30 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9509, NJ 1987/486, m.nt. Corstens; HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4112, NJ 2006/261, HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9263, NJ 2012/425 m.nt. Borgers, HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:212, NJ 2015/97 en HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:89, NJ 2019/176.

3 Zie de noot van Corstens bij NJ 1987/486.

4 Zie het beoordelingskader dat de Hoge Raad o.m. gaf in HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:89, NJ 2019/176.

5 Zie omtrent de aan te leggen maatstaf HR 30 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9509, NJ 1987/486, m.nt. Corstens en de conclusie van oud-AG Knigge voor HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:89, ECLI:NL:PHR:2018:1332, 5.6, 5.7 en 6.4.

6 HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3447, NJ 2012/366 m.nt. Cleiren.

7 Zie HR 30 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9509, NJ 1987/486, m.nt. Corstens en HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4112, NJ 2006/261.

8 Zie ook de noot van Borgers bij HR 6 juli 2010, NJ 2012/425.

9 Zie o.m. HR 15 februari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC4015, NJ 1983/340 m.nt. Van Veen, HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8906, NJ 1985/906 m.nt. Van Veen, HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:89, NJ 2019/176, zie over de relativering van de motiveringsplicht ook Corstens in zijn noot bij HR 30 september 1986, NJ 1987/486.

10 Zie HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:212, NJ 2015/97. In deze zaak was het Hof tot het oordeel gekomen dat het hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een bewezenverklaring van de feiten zou komen nu er sprake was van een onrechtmatige aanhouding en dit mogelijk zou kunnen leiden tot bewijsuitsluiting. De Hoge Raad achtte dit oordeel, gelet op het summiere karakter van het onderzoek en de aard van de hier geldende tot terughoudendheid nopende maatstaf, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof in zijn overwegingen niet kenbaar aandacht heeft besteed aan het in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 gegeven toetsingskader voor de beoordeling van aan een eventueel vormverzuim in de zin van art. 359a Sv te verbinden rechtsgevolgen en niet duidelijk had gemaakt waarom de door hem aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden zo evident tot bewijsuitsluiting leiden, dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter tot enige bewezenverklaring het tenlastegelegde zal komen.

11 Uit het standpunt van het OM van 6 februari 2020 p. 9 maak ik op dat het Hof Amsterdam op 14 juli 2015 in hoger beroep tot hetzelfde oordeel is gekomen als de Rechtbank (het arrest van het Hof is niet gepubliceerd) en dat het daartegen door de verdachte ingestelde cassatieberoep is ingetrokken.

12 Zie het toetsingskader dat de Hoge Raad gaf in o.m. het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. Keulen.

13 Zie over het beoordelingskader ter zake van art. 359a Sv de conclusie van AG Bleichrodt ECLI:NL:PHR:2020:655. Hij wijst in deze conclusie ook op de terughoudendheid in de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid, welke o.m. duidelijk blijkt uit HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:9, NJ 2016/153, m.nt. Vellinga-Schootstra.

14 HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9204, NJ 2002/625 m.nt. Schalken.

15 Folkert Jensma, "Het OM tovert handig een eigen officier vrij", NRC 9 november 2019.

16 Vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:212, NJ 2015/97.

17 Zie ook mr. C. Reijntjes-Wendenburg in Handboek strafzaken 75.2.3.

18 Zie ook de conclusie van oud-AG Knigge ECLI:NL:PHR:2013:CA3319 onder 4.6.

19 Zie HR 27 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9379, NJ 1987/29.

20 Zie pagina 3 van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 4 oktober 2019.

21 Zie pagina 8 van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 4 oktober 2019.