Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:760

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
19/03905
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1554
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Hof heeft blijkens de bewezenverklaring geoordeeld dat het door de betrokken politieambtenaar gegeven bevel om het voertuig van de verdachte te doen stilhouden een krachtens art. 151b Gemeentewet en de art. 50, 51 en 52 WWM gedaan bevel is, dat heeft te gelden als ‘krachtens wettelijk voorschrift’ in de zin van art. 184 Sr. Kunnen die bepalingen worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de verbalisant gerechtigd was tot het doen van een bevel als door het hof is bewezenverklaard en waaraan op straffe van overtreding van art. 184 Sr moet worden voldaan? Conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2020/159 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03905

Zitting 8 september 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1. Bij arrest van 7 augustus 2019 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2019 bevestigd, met aanvulling van gronden, zodat de verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 750 subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis (met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr) wegens “opzettelijk niet voldoen aan een bevel,1 krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten”

2. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

De zaak

3. Bij Aanwijzingsbesluit van 6 september 2018 heeft de burgemeester van Rotterdam, gelet op het bepaalde in art. 2:76 APV Rotterdam en art. 151b Gemeentewet, (onder meer) de wijk Charlois aangewezen als veiligheidsrisicogebied, zulks in verband met een groot aantal (vuur)wapen gerelateerde incidenten in die wijk. Het besluit trad in werking op 10 september 2018 en was geldig tot 10 maart 2019, en stelde de officier van justitie in staat om (onder meer) in Charlois de controlebevoegdheden als bedoeld in de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie te doen gelasten. In een veiligheidsrisicogebied kan, nadat de officier van justitie daartoe een last heeft gegeven ingevolge de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid en 52, derde lid, WWM, voor de duur van niet langer dan twaalf uur tegenover een ieder de bevoegdheid worden uitgeoefend om respectievelijk verpakkingen van goederen, vervoermiddelen en kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van wapens of munitie. Dit onderzoek wordt in de wandelgangen ook wel ‘preventief fouilleren’ genoemd, een benaming die in dit verband echter niet juist is, althans niet de gehele lading dekt, want zij doet vermoeden dat het om enkel een bevoegdheid tot het doen van onderzoek aan de kleding gaat. Juist is het om hier te spreken van controlebevoegdheden, zoals het genoemde aanwijzingsbesluit van 6 september 2018 dan ook terecht doet. Wat betreft de onderhavige zaak was de bedoelde last op 25 september 2018 door de officier van justitie afgegeven voor de wijk Charlois, en wel van 5 oktober 2018 te 15:00 uur tot zaterdag 6 oktober 2018 te 03:00. Uit de door de rechtbank gebezigde en door het hof overgenomen bewijsmiddelen volgt dat de verbalisant de verdachte op 5 oktober 2018 met zijn auto zag rijden op de Nederhorst gelegen in de wijk Charlois. De verbalisant was voornemens de last van de officier van justitie toe te passen. Hij zag dat de verdachte een parkeervak inreed. Nadat de verbalisant achter de auto van de verdachte was gestopt, hij oogcontact had gehad met de verdachte en de verdachte had toegeroepen dat hij moest blijven staan met zijn auto en dat hij, de verbalisant, naar de verdachte zou toekomen, reed de verdachte weg. De verbalisant is vervolgens achter de verdachte aangereden en zette het verlichte stopteken aan. De verdachte parkeerde zijn auto in een parkeervak en werd door de verbalisant aangehouden ter zake van het niet voldoen aan een bevel of vordering als bedoeld in art. 184 Sr.

Het middel

4. Het middel komt met twee klachten op tegen – in de woorden van de stellers van het middel – het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering2 krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan als bedoeld in art. 184 Sr. De eerste klacht ziet op de bewezenverklaring van het opzet in weerwil van het verweer van de verdediging dat de verdachte de gegeven vordering niet heeft gehoord en het door de verbalisant gegeven stopteken niet door de verdachte is opgevat als een gebod dat hij met zijn voertuig moest blijven staan. De tweede klacht keert zich tegen de bewezenverklaring van het zinsdeel “krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan”.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 5 oktober 2018 te Rotterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 151b van de Gemeentewet en de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet Wapens en Munitie, gedaan door een ambtenaar, te weten, [verbalisant] , belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen (met zijn voertuig) stil te blijven staan, hieraan geen gevolg te geven.”

6. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“- Het proces-verbaal van aanhouding, nummer 2, pagina’s 3 en 4 in het proces-verbaal met dossiernummer 2018299667, van politie, regionale eenheid Rotterdam, inhoudende als relaas van de verbalisanten:

Op 5 oktober 2018 hielden wij op de locatie Nederhorst te Rotterdam als verdachte aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993, ter zake als verdachte van overtreding van artikel 184 Wetboek van Strafvordering en artikel 10/3 Opiumwet, artikel 2/C Opiumwet.

- Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 4, pagina’s 15 tot en met 22 in het proces-verbaal met dossiernummer 2018299667, van politie, regionale eenheid Rotterdam, inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 5 oktober 2018 reed ik op een dienstmotorfiets op de Nederhorst te Rotterdam.

Voor mij zag ik een grijze Peugeot rijden, voorzien van kenteken [kenteken] . Op 6 september 2018 heeft de burgemeester van Rotterdam de wijk Charlois, voor de periode van 10 september 2018 tot 10 maart 2019, aangewezen als veiligheidsrisicogebied in verband met het grote aantal (vuur)wapen gerelateerde incidenten in dit gebied. Officier van justitie H.A.L.M. de Kort had op 25 september 2018 bepaald dat voor de duur van 12 uren, ingaande op 5 oktober 2018 om 15:00 uur tot zaterdag 6 oktober 2018 om 03:00 uur een bevel tot preventief fouilleren werd afgegeven. Nederhorst is gelegen in dit veiligheidsrisicogebied.

Ik was voornemens om het bevel tot preventief fouilleren toe te passen op de inzittenden van bovengenoemd voertuig. De selectie was willekeurig. Ik zag dat de bestuurder op de Diepenhorst een parkeervak in reed. Ik stopte mijn motorfiets schuin achter het voertuig. Ik zag dat de bestuurder over zijn linkerschouder mij aankeek, wij oogcontact hadden en ik met gestrekte arm de bestuurder aanwees. Ik riep de bestuurder op luide en niet mis te verstane wijze toe: "Meneer stoppen! Blijf even staan met uw auto, ik kom naar u toe". Ik zag de achteruitrijlichten aan gaan en zag dat het voertuig achteruit het parkeervak uitreed en vervolgens wegreed. Hierop ben ik achter het voertuig aangereden en aan de voorzijde van mijn motorfiets het verlichtte stopteken aan gezet. Op de Nederhorst zag ik dat eerdergenoemd voertuig rechts in een parkeervak parkeerde. Vervolgens heb ik de bestuurder op de Nederhorst aangehouden ter zake het niet voldoen aan een bevel of vordering. De bestuurder bleek te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] .”

7. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:

Aanvulling van het vonnis waarvan beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman - kort gezegd - aangevoerd dat door de verbalisant geen bevel of vordering is gegeven zoals is ten laste gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Anders dan de raadsman stelt acht het hof op grond van het dossier, met name de feiten zoals weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen (nr. PL1700-2018299667-4, Politie eenheid Rotterdam, pg. 15), dat er sprake is van een bevel zoals is ten laste gelegd. Immers, er is in het voornoemde proces-verbaal van bevindingen door de verbalisant onder meer gerelateerd: "Ik zag dat de bestuurder op de Diepenhorst een parkeervak in reed. Ik stopte mijn motorfiets schuin achter het voertuig. Ik zag dat de bestuurder over zijn linkerschouder mij aankeek, wij oogcontact hadden en ik met gestrekte arm de bestuurder aanwees. Ik riep de bestuurder op luide en niet mis te verstane wijze toe: "Meneer stoppen! Blijf even staan met uw auto, ik kom naar u toe".

Het hof verwerpt het verweer.”

Bespreking van het middel

8. Ik bespreek eerst de tweede klacht. Opgemerkt zij daarbij dat in de schriftuur niet wordt geklaagd over de rechtmatigheid van het onderhavige aanwijzingsbesluit voor het veiligheidsrisicogebied Charlois, zodat daarvan in cassatie kan worden uitgegaan.

9. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen – zoals deze luidden ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen en ook thans nog luiden – van belang:

Art. 184, eerste lid, Sr:

“Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”

Art. 151b Gemeentewet:

“1.De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. In een veiligheidsrisicogebied kan de officier van justitie de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid, en 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie toepassen.

2. De burgemeester gaat niet over tot aanwijzing als veiligheidsrisicogebied dan na overleg met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Politiewet 2012.

3. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.

4. De beslissing tot gebiedsaanwijzing wordt op schrift gesteld en bevat een omschrijving van het gebied waarop deze van toepassing is alsmede de geldigheidsduur.

5. De burgemeester brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad en van de officier van justitie, bedoeld in het tweede lid.

6. Zodra de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bedoeld in het eerste lid, is geweken, trekt de burgemeester de gebiedsaanwijzing in. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Art. 50, derde lid, WWM:

“In een veiligheidsrisicogebied als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of 174b, eerste lid, van de Gemeentewet, kan de officier van justitie gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend om verpakkingen van goederen, met inbegrip van reisbagage, te onderzoeken op wapens of munitie. Het bevel bevat een omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur die niet langer dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de feiten en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid om de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage, te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.”

Art. 51, derde lid, WWM:

“In een veiligheidsrisicogebied als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of 174b, eerste lid, van de Gemeentewet, kan de officier van justitie gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend om vervoermiddelen te onderzoeken op wapens of munitie. Het bevel bevat een omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur die niet langer dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de feiten en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid vervoermiddelen te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.”

Art. 52, derde lid, WWM:

“In een veiligheidsrisicogebied als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of 174b, eerste lid, van de Gemeentewet, kan de officier van justitie gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend om hem aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van wapens of munitie. Het bevel bevat een omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur die niet langer dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de feiten en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid om een ieder aan zijn kleding te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.”

10. Art. 184, eerste lid, Sr, waarop de tenlastelegging in onderliggende zaak is toegesneden, bevat een algemene strafbaarstelling voor uiteenlopende gevallen van niet-naleving van een op grond van een wettelijk voorschrift gegeven bevel of vordering. Het is sinds HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4108, NJ 2008/26, m.nt. Mevis vaste rechtspraak dat een “wettelijk voorschrift” uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering. Bepalingen met enkel een algemene taakomschrijving voor de politie, zoals (in dat arrest) art. 2 Politiewet 1993 (oud; thans art. 3 Politiewet 2012), kunnen niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. Een APV-bepaling die alleen een verplichting inhoudt voor de burger om mee te werken aan een bevel van een opsporingsambtenaar, doch daarnaast geen uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid voor deze ambtenaar inhoudt, voldoet volgens de Hoge Raad evenmin aan het vereiste van uitdrukkelijkheid.3 In zijn arrest van 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:199, NJ 2015/173, m.nt. Borgers overweegt de Hoge Raad voorts: “Indien de strafvervolging niet betrekking heeft op het misdrijf van art. 184 Sr, zoals in gevallen van overtreding van in bepalingen van een APV neergelegde verplichtingen of geboden, is veelal niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3639). In die gevallen steunt de vervolging immers niet op handelen in strijd met art. 184 Sr, maar op overtreding van een APV.”

11. In de toelichting op het middel wordt ter onderbouwing van de tweede klacht onder meer gewezen op voormeld arrest van HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:199, NJ 2015/173, m.nt. Borgers. In die zaak was overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat de verdachte – kort gezegd – opzettelijk niet had voldaan aan een bevel krachtens art. 160, eerste lid, WWV 1994. Het hof had onder aanhaling van art. 184 Sr dit bewezenverklaarde feit gekwalificeerd als "opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”. Art. 160, eerste lid, WVW 1994 luidde destijds en luidt nog steeds: “Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen [onder andere opsporingsambtenaren, EH] is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden […]”. In cassatie lag de vraag voor of sprake was van een krachtens art. 160, eerste lid, WVW 1994 gedane vordering, die had te gelden als krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel of gedane vordering in de zin van art. 184, eerste lid, Sr. Het hof beantwoordde deze vraag bevestigend, maar de Hoge Raad zag dat anders: “Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat art. 160, eerste lid, WVW 1994 verplichtingen bevat voor de bestuurder – waarvan niet-naleving in de WVW 1994 (art. 177, eerste lid onder a, in verbinding met art. 178, tweede lid) specifiek als overtreding is strafbaar gesteld – en niet uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering”. Hoewel mijn ambtgenoot Aben in zijn conclusie met argumenten het standpunt innam dat het middel faalde, kwam de Hoge Raad tot vernietiging van de bestreden uitspraak en hield hij aldus vast aan de strenge jurisprudentiële lijn die dienaangaande eerder door hem was ingezet.

12. Daarbij zij benadrukt dat blijkens de hier van toepassing zijnde rechtspraak het belangrijk is wat de tenlastelegging en dienovereenkomstig de bewezenverklaring precies inhouden met betrekking tot het wettelijk voorschrift. Het kan heel wel zijn dat op basis van een bepaald voorschrift de bevelsbevoegdheid uitdrukkelijk aan een politieambtenaar is gegeven, maar als deze grondslag in de tenlastelegging en bewezenverklaring ontbreekt, zijn de kansen op een strafrechtelijke veroordeling in zoverre al snel verkeken.4

13. Blijkens de bewezenverklaring heeft het hof geoordeeld dat het door de betrokken politieambtenaar gegeven bevel het voertuig te doen stilhouden een krachtens art. 151b Gemeentewet en de artikelen 50, 51 en 52 WWM gedaan bevel is, dat heeft te gelden als krachtens wettelijk voorschrift gegeven in de zin van art. 184, eerste lid, Sr. Met het aanhalen van de artikelen 50, 51 en 52 WWM in de tenlastelegging en bewezenverklaring kan, gezien het eveneens aangehaalde art. 151b Gemeentewet en de gebezigde bewijsmiddelen, niet iets anders dan telkens het derde lid worden bedoeld; blijkens de bewijsvoering gaat het immers om het toepassen van controlebevoegdheden in een veiligheidsrisicogebied zodat de andere leden van die WWM-artikelen op de onderhavige zaak niet van toepassing zijn.5

14. De tenlastelegging en bewezenverklaring aldus afgebakend, komt de (rechts)vraag op of deze wettelijke bepalingen uitdrukkelijk inhouden dat de ambtenaar van politie gerechtigd was tot het doen van een bevel als door het hof is bewezenverklaard.

15. Met verwijzing naar de tekst van die wettelijke bepalingen (zie randnummer 9) komt het mij voor dat deze vraag in ontkennende zin moet worden beantwoord. Art. 151b Gemeentewet heeft betrekking op de bevoegdheid van de burgemeester om een gebied in zijn gemeente als veiligheidsrisicogebied aan te wijzen en op de bevoegdheid van de officier van justitie om in een veiligheidsrisicogebied de zojuist aangehaalde bepalingen uit de WWM toe te passen. In die artikelen 50, derde lid, 51, derde lid en 52, derde lid, WWM is evenwel telkens enkel de bevoegdheid aan de officier van justitie gegeven om in een veiligheidsrisicogebied te gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend de aldaar genoemde objecten op wapens of munitie te onderzoeken. Noch de leden van art. 151b Gemeentewet, noch de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid en 52, derde lid, WWM kunnen worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de ambtenaar van politie is gerechtigd tot het doen van een bevel (of vordering) als waarvan te dezen sprake en waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan.

16. Op grond van het voorgaande meen ik dat de bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat de vordering "krachtens wettelijk voorschrift" is gedaan, ook bezien in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Slotsom

17. De tweede klacht treft doel, zodat het middel reeds om die reden slaagt en de eerste klacht geen bespreking behoeft.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de aantekening mondeling vonnis staat kennelijk per abuis “een bevel of vordering”.

2 In de schriftuur wordt telkens gesproken van “vordering”. Bewezenverklaard is een “bevel”.

3 HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7085, NJ 2013/49, HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6665, NJ 2013/50, m.nt. Mevis, HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3332, NJ 2013/51 en HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3809, NJ 2013/52, alle voorzien van een noot van Mevis. Zie voorts HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5164, HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4827 en HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:353.

4 Vgl. ook A.M. Mevis en R.J. Verbeek, 'Strafbaarheid ter zake van het niet opvolgen van ambtelijk bevel vraagt meer aandacht voor de strafrechtelijke bestanddelen van artikel 184 Sr', DD 2010, 33, p. 561-581.

5 Dan moet immers tot het openen van de goederen etc. redelijkerwijs aanleiding bestaan op grond van: a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt; b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27; c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd. Dit een en ander is in casu niet aan de orde.