Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:754

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
18/05437
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARL:2018:11212
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1647
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG (gewelddadige woningoverval in Wijhe in 2014). Middelen onder meer over de vaststellingen van het hof dat de inbeslaggenomen schoenen, waaronder die van verdachte, een directe link vormen met de overval en passen op het aangetroffen schoenspoor in de woning en dat de verdachte past in het signalement/daderprofiel van een van de daders. De AG adviseert de Hoge Raad de veroordeling in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05437

Zitting 8 september 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

Sherwin [verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 21 december 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens feit 1 primair “diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, feit 2 primair “medeplegen van zware mishandeling” en feit 3 primair “medeplegen van poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en negen maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Daarnaast heeft het hof ter zake van de onder 4 en 5 bewezenverklaarde, en in het eerdere arrest van 12 februari 2016 (nr. 21-003250-15) gekwalificeerde, feiten de straf bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Voorts zijn de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toegewezen tot bedragen van respectievelijk € 10.679,59 en € 10.679,59, daarbij oordelend dat de verdachte, met zijn mededader, hoofdelijk voor die gehele bedragen aansprakelijk is. Tot dezelfde bedragen is aan de verdachte telkens tevens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. Tot slot heeft het hof de onmiddellijke gevangenneming van de verdachte bevolen.

  2. Namens de verdachte heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Over de onderhavige zaak heeft de Hoge Raad zich eerder gebogen in zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1251. De Hoge Raad casseerde de toen bestreden uitspraak van het hof van 12 februari 2016, maar uitsluitend wat betreft ’s hofs beslissingen ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging. Daartoe werd door de Hoge Raad overwogen: “2.4. Mede gelet op de omstandigheid dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat er sprake is van enig verband tussen de sporen die op de twee handschoenen zijn gevonden is, tegen de achtergrond van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, het oordeel van het Hof dat het de verdachte is geweest die tezamen en in vereniging met een ander de onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd, niet zonder meer begrijpelijk”.

  4. Het hof heeft in het thans bestreden arrest de feitenconstellatie als volgt samengevat:

    “De woningoverval

    Op 11 maart 2014 zijn de [slachtoffer 1 en 2] in hun woning te Wijhe slachtoffer geworden van een gewapende overval. Bij deze overval is extreem veel geweld toegepast. De broers zijn onder meer geslagen (met een pistool), gestompt, geschopt en zijn vastgebonden geweest met stukken snoer en tie-wraps. De beide hoogbejaarde broers zijn hierdoor zwaar gewond geraakt en hebben bloedende verwondingen opgelopen. Tegen de broers is bovendien gezegd dat ze zouden worden doodgeschoten als ze niet meewerkten. Gedurende de overval vroegen de daders om goud, sieraden, een bankpas en geld. De buit van deze overval bestond in ieder geval uit een bloedsuikermeter en een portemonnee met daarin een hoeveelheid geld.

    Uit de verklaringen van de [slachtoffer 1 en 2] komt naar voren dat de overval is gepleegd door een zwarte man met een pistool (aldus [slachtoffer 1] ) en een blanke man met een bivakmuts op (aldus [slachtoffer 2] ). Het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep bieden geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat de woningoverval is gepleegd door één of door drie of meer daders.

    In de woning van de [slachtoffer 1 en 2] zijn schoensporen aangetroffen. Deze schoensporen zijn zeer vermoedelijk gemaakt met schoenen van de merken Fallen en Prada.”

  5. In cassatie gaat het nu met name om de bewijsoverwegingen van het hof met betrekking tot een van de aangetroffen schoensporen en het signalement van een van de daders (zie voor deze bewijsoverwegingen hierna randnummer 9). Alvorens de middelen te bespreken, geef ik de bewezenverklaringen, de bewijsmiddelen, een door de verdediging gevoerd bewijsverweer en de bewijsoverweging van het hof weer.

Bewezenverklaringen, bewijsmiddelen, bewijsverweer en bewijsoverweging

6. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1, 2 en 3 bewezenverklaard dat:

“1 primair:

hij op 11 maart 2014 te Wijhe in de gemeente Olst-Wijhe, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een vrijstaande woning aan de [a-straat 1] heeft weggenomen geld en een bloedsuikermeter toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader

- terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader een bivakmuts droeg

- meermalen hebben aangebeld bij de woning aan de [a-straat 1] en

- nadat die [slachtoffer 1] de deur had geopend,

- hard met kracht met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] hebben geslagen en vervolgens de woning zijn binnen gegaan en

- tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd "je loopt niet weg want dan schiet ik je dood" en "als je nou niet rustig bent dan schiet ik je dood" en

- tegen die [slachtoffer 2] die op de bovenwoonkamer zat hebben geroepen "meekomen!" en "naar beneden" en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, voor/op het hoofd en/of gezicht van die [slachtoffer 2] hebben gericht en

- meermalen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] terwijl die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] op de grond lagen hard/met kracht in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt en

- met kracht de voet en/of knie op de borstkast van die [slachtoffer 1] hebben gezet en/of gedrukt en

- het hoofd van die [slachtoffer 1] naar beneden hebben gedrukt en die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] in een klem hebben genomen/vastgepakt en

- meermalen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] op de grond lagen en gekneveld/vastgebonden waren, met kracht met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd hebben geslagen en

- telkens als die [slachtoffer 2] overeind wilde komen tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben geroepen "Blijf liggen" en

- telkens als die [slachtoffer 1] zijn broer [slachtoffer 2] wilde helpen tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd "en nou is het afgelopen anders schiet ik je dood" en "dan schiet ik je dood" en - die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] met (elektriciteits)draden/snoeren/kabels en/of tiewraps en/of ducttape/plakband hebben gekneveld/vastgebonden (om de polsen/handen en/of benen/enkels/voeten) en/of een doek/lap in de mond van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft/hebben gestopt en

- telkens hebben geroepen "Waar heb je de bankpas" en "Waar zijn de sieraden, heeft u nog goud" en "geld, geld, goud, goud" en "schiet op" en

- die [slachtoffer 2] de pincode van zijn bankpas of een banknummer op een briefje/kaartje hebben laten opschrijven en/of tegen die [slachtoffer 2] hebben gezegd "Ik wil die kaartjes van je hebben van de bank zodat ik al je geld kan ophalen" en

- die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] met een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben bedreigd.

2 primair:

hij op 11 maart 2014 te Wijhe in de gemeente Olst-Wijhe, tezamen en in vereniging met een ander aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, meerdere botbreuken, schedelbreuken, waarvoor die [slachtoffer 2] al meermalen is geopereerd, heeft toegebracht, door opzettelijk,

- meermalen, die [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag en gekneveld/vastgebonden was, hard/met kracht met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd te slaan - meermalen die [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag en gekneveld/vastgebonden was, hard/met kracht met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en het hoofd en het lichaam te stompen en slaan en schoppen en trappen.

3 primair:

hij op 11 maart 2014 te Wijhe in de gemeente Olst-Wijhe, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

- meermalen terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en/of gekneveld/vastgebonden was hard/met kracht met gebalde vuisten in/op/tegen het gezicht en het hoofd en het lichaam hebben gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt en

- meermalen terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en/of gekneveld/vastgebonden was hard/met kracht met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

7. Deze bewezenverklaringen steunen op 41 bewijsmiddelen. Voor de beoordeling van het eerste en het tweede middel zijn met name de volgende bewijsmiddelen van belang:

“10. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal zaaksdossier d.d. 12 juli 2014, opgenomen op pagina 620 van een dossier met als onderzoeksnaam ‘Grot’ en procesverbaalnummer 2014021325, inhoudende — zakelijk weergegeven — :

Deelonderzoek Forensisch Onderzoek

Schoensporen op plaats delict

In de woning aan de [a-straat 1] te Wijhe zijn door de forensische onderzoekers verschillende schoensporen aangetroffen.

In de woning werden twee verschillende schoensporen aangetroffen.

Uit hun onderzoek bleek dat de schoensporen met een golfend patroon zeer vermoedelijk afkomstig waren van schoenen van het merk "Fallen".

En uit hun onderzoek bleek dat de schoensporen met een klein blokjes patroon zeer vermoedelijk afkomstig waren van schoenen van het merk "Prada".

[…]

19. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 10 april 2014, opgenomen op pagina 884 en verder van het onder 1 genoemde dossier, inhoudende — zakelijk weergegeven — :

Woning: [b-straat 1] te [plaats] (opmerking hof: woning [betrokkene 1] )

In beslag genomen goederen: - B.01.001 Paar zwarte Prada schoenen, maat 8,5.

aangetroffen in de hal voor de AV meterkastdeur

- B.04.01.00 Zwart etui met daarin een bloedsuikermeter

en doosjes met teststripjes. AV/F1. Merk Freestyle, freedom

lite. CDMM276-B1717. Papiertje met opschrift: “Batterij vervangen 29-07-11”. Aangetroffen in de kast, rechts op de bovenste plank.

20. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 april2014, opgenomen op pagina 414 en verder van het onder 1 genoemde dossier,

inhoudende – zakelijk weergegeven – :

als verklaring van [betrokkene 1] :

V: Na jouw aanhouding is er een huiszoeking geweest in jouw woning. Hierbij zijn een aantal

zaken aangetroffen. We willen van deze voorwerpen het een en ander weten en vragen bij elk

voorwerp wat het voor voorwerp is, van wie dit voorwerp is, hoelang je dit al bezit en hoe je

hieraan komt. Begrijp je dit?

A: Ja.

V: Een paar zwarte PRADA schoenen, maat 8.5. Aangetroffen in de hal voor de deur van de

meterkast.

A: Toen kwam ik die twee tassen weer tegen. Ik wist niet wat erin zat. Ik keek erin en zag

allemaal beschimmelde en verspochte kleding tegen. Later heb ik aan [betrokkene 2] (het hof begrijpt:

[betrokkene 2] ) aangegeven dat de kleding beschimmeld was. Hij gaf aan dat het allemaal weg

kon.

Ik had alles uit de tassen gehaald en gekeken wat het was. Ik heb de zwarte Pradaschoenen die

je hebt laat zien uit de tas gehaald en bewaard.

V: Zwarte etui met bloedsuikermeter en doosje met teststripjes, van het merk Freestyle,

Freedom Lite (B.04.01.001). Aangetroffen in de kast nabij de wc, rechts op de bovenste plank.

A: Ja, die zat ook in de tas ja. Die hebben we bewaard, want mijn vrouw zei dat het een duur

ding was.

V: Hoe kom je aan deze bloedsuikermeter?

A: Die zat in een van die twee tassen.

21. De verklaring van [betrokkene 1] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 16 december 2014,

inhoudende — zakelijk weergegeven — :

Bij mij in huis zijn inderdaad spullen aangetroffen die niet van mij en mijn vrouw waren.

Halverwege maart 2014 hadden wij [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] , de vriendin van

[betrokkene 2] ) bij ons thuis. Er was iets met haar vriend [betrokkene 2] aan de hand. Ik geloof dat hij

was aangehouden door de politie.

[betrokkene 3] had meerdere tassen bij zich. De tassen werden bij ons neergezet. Ik heb die tassen pas

geopend nadat ik [betrokkene 2] had gesproken en hij zei dat de inhoud niet bewaard en weggegooid kon worden. Toen ik erin keek zag ik kleren en een mapje met een apparaatje. Achteraf begreep ik uit het dossier dat dat een bloedsuikermeter was. Verder zat er iets van een klokwerk in de tas en een aantal kleine polshorloges. Ik denk een stuk of 6. En in een tas zaten twee paar schoenen. De kleren waren helemaal vies, niet meer iets dat je aantrekt. Er zat schimmel op.

Een paar schoenen is uit de tas gehaald en in de keuken neergezet.

22. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 april

2014, opgenomen op pagina 446 en verder van het onder 1 genoemde dossier, inhoudende – zakelijk weergegeven – :

als verklaring van [betrokkene 1] :

A: Die avond van de verkenning was 25 maart.

V: Met wie was [betrokkene 2] bij jou, de dag van de voor verkenning?

A: Met [verdachte] , ze waren met de scooter. Geen twijfel over mogelijk.

A: [betrokkene 2] heeft toen gezegd dat we naar Vaassen gingen, toen we in de auto stapten.

A: [betrokkene 2] zei, we komen zo Vaassen binnenrijden en hij legt me uit hoe ik moet rijden en waar

ik moet parkeren en dat ik daar moet wachten totdat zij weer terug zijn. Ik vraag hoelang moet

ik daar blijven staan. Hij zegt maximaal twee uur. Als we dan nog niet terug zijn, ga dan maar

weg.

V: Jullie zijn na de verkenning weggereden. Wat is er toen gezegd?

A: [betrokkene 2] vroeg, heb je er een goed gevoel bij? [verdachte] antwoordde met ja. Maar door het

raam werd niks zei [betrokkene 2] , daar zat een knip op. [betrokkene 2] zei morgen gaat het gebeuren jongens.

Ikzelf had er niet echt een goed gevoel bij. Dat heb ik ook tegen ze gezegd. Ze zeiden dat het

kwam door de spanning, ze zeiden dat het voor hun hun leven was. We weten niet anders.

[betrokkene 2] zei dat sinds hij in Nederland is, nooit heeft gewerkt. Hij zei dat het voor hun ook

spannend en eng was de eerste keer, maar het is nu routine voor hun.

V: Wat heeft hij nog meer verklaard over eerdere dingen die ze hebben gedaan?

A: [betrokkene 2] , zegt weet je nog die ene keer, met die tie-raps, hadden we te smalle tie raps

gehaald. Hij trok de tieraps los en begon te vechten.

V: Wat zei [verdachte] ?

A: Die beaamde het alleen maar met ja, ja, ja.

V: Wat zou er gebeuren als de bewoners niet mee zouden werken?

A: Volgens mij heeft [betrokkene 2] tegen [verdachte] gezegd dat het dezelfde rolverdeling zou zijn als

toen. Dat was wat met [betrokkene 2] vertelde over de situatie toen met de tie-raps.

V: We hebben je gisteren ook gehoord over een aantal spullen die bij jou in de woning zijn

aangetroffen.

A: [betrokkene 3] vertelde dat ze bij haar moeder ging slapen. We hebben haar kind naar haar moeder

gebracht. Daarna haar spullen bij [betrokkene 3] thuis opgehaald. We zijn naar Wijhe gereden om

haar spullen op te halen, ze heeft contact met [betrokkene 2] aan de telefoon. Ik begreep uit dit gesprek

dat [betrokkene 3] tassen mee moest nemen.

V: Waar was [betrokkene 2] op het moment dat hij [betrokkene 3] belde?

A: [betrokkene 3] belde hem. Wat ik heb begrepen was hij in Nijmegen bij een oom.

V: Welke tassen heeft ze meegenomen?

A: De tas voor de kleine en de twee tassen die ik eerder heb benoemd

V: Waarom moest ze die tassen pakken?

A: Omdat het weggegooid moest worden.

A: Vieze kleren weggegooid. Het horloge en het klokding in de tas laten zitten. En dat mapje.

Mijn vrouw zei dat het een mapje met een bloedsuikermeter erin hartstikke duur was en niet

weg moest gooien. Die heb ik binnen neergelegd.

A: Die tassen en alles hoe ze bij mij komen klopt. De tassen bij mij in de tuin. [betrokkene 2] vraagt

mij op een gegeven moment of die tassen nog bij mij in de tuin zijn. Dit was de dag van de

verkenning. Ik zeg ja. Een van hun, [verdachte] of [betrokkene 2] heeft de tassen gepakt. Ze zaten bij

mekaar in. Meegenomen naar binnen. [verdachte] is in de tassen gaan kijken en er zaten

meerdere horlogers in.

V: Ook zijn er nog een paar schoenen aangetroffen van het merk Fallen.

V: Als ik het goed heb zaten deze samen met de Pradaschoenen in dezelfde tas. De tas die bij

[betrokkene 2] heeft gestaan en bij ons thuis heeft gestaan.

V: Waarom liggen al deze spulletjes bij jou in huis?

A: Het moest weggegooid worden.

V: Wat heeft [betrokkene 2] nou verteld over de spullen waar ze vandaan kwamen?

A: Letterlijk zei [betrokkene 2] : Die zijn eerder gebruikt.

V: Wanneer zei hij dat?

A: Toen [verdachte] die horloges aan het uitzoeken was.

A: Die kleren uit de tas zijn weggegooid. Alles van metaal en de schoenen heb ik erin gelaten.

23. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 april

2014, opgenomen op pagina 969 en verder van het onder 1 genoemde dossier,

inhoudende – zakelijk weergegeven – :

als verklaring van [betrokkene 4] :

Ik weet alleen dat [betrokkene 3] , de vriendin van [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ), die tassen

heeft meegenomen onder het mom van: “ [betrokkene 2] komt ze hier wel ophalen”. Dat was een zwarte

luiertas met aqua blauw erin. De andere tas was een tas van een supermarkt. Ik geloof van de

Albert Heijn.

V: Wij willen graag weten wat jij kunt verklaren over de volgende goederen die bij jou

inbeslaggenomen zijn:

- AH tas (waarin de schoenen merk “Fallen” zaten)

A: Dat is de tas die [betrokkene 3] bij ons in de tuin had gezet. Volgens mij waren de handvaten aan

elkaar geknoopt. En was er een kant afgescheurd.

- Paar zwarte Prada schoenen, maat 8,5. Aangetroffen in de hal voor de meterkastdeur.

A: Ik weet dat ze niet van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) zijn. Meer kan ik er niet over

zeggen.

[…]

27. Een in de wettelijke vorm opgemaakt aanvullend proces-verbaal behorende bij forensisch dossier d.d. 16 oktober 2014, niet doorgenummerd opgenomen in het 3e aanvullend dossier bij het onder 1 genoemde dossier, inhoudende – zakelijk weergegeven – :

als bevindingen van de verbalisanten:

Onderzoek schoenen merk Fallen

De schoenen, merk Fallen, werden met behulp van de operatiemicroscoop onderzocht op de

aanwezigheid van bloed. Hierbij zagen de onderzoekers meerdere op bloed gelijkende sporen.

Er werden monsters van deze sporen veiliggesteld en voor nader onderzoek ingezonden naar

het NFI.

Linkerschoen (Fallen)

Buitenzijde schoen, rechterkant, ter hoogte van de hiel

AAHF9251NL

Linkerschoen (Fallen)

Meerdere sporen opschoenzool, linkerbuitenzijde en onderzijde

AAHF9252NL

Rechterschoen (Fallen)

Buitenzijde schoen, rechterkant, 3mm boven zool

AAHF9023N

Uitslag NFI Rapportages

(p 8)

- In de bemonstering AAHF9023NL#01 (bloed op rechterschoen, merk Fallen) werd het DNA-profiel van een man, slachtoffer [slachtoffer 1] aangetroffen, matchkans DNA profiel kleiner dan 1 op de 1 miljard.

- In de bemonstering AAHF9251NL#01 (bloed op linkerschoen, merk Fallen) werd het DNA-profiel van een man, slachtoffer [slachtoffer 2] aangetroffen, matchkans DNA profiel kleiner dan 1 op de 1 miljard.

- In de bemonstering AAHF9252NL#01 (bloed op linkerschoen, merk Fallen) werd het onvolledig DNA-profiel van man, slachtoffer [slachtoffer 2] aangetroffen, matchkans DNA profiel kleiner dan 1 op 1 miljard.

(p. 9)

- In de bemonstering uiteindes veter + lip rechterschoen Fallen, AAHF9026NL#01 is een DNA mengprofiel van tenminste drie personen aangetroffen, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en minimaal één andere persoon.

(p. 10)

- In de bemonstering uiteindes veter + lip linkerschoen Fallen: AAHF9254NL#01 is een DNA mengprofiel van minimaal 4 personen aangetroffen, celmateriaal kan afkomstig zijn van [betrokkene 2] en minimaal drie onbekende personen.

Onderzoek schoenen merk Prada

De schoenen, merk Prada, werden met behulp van de operatiemicroscoop onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zagen de onderzoekers meerdere op bloed gelijkende sporen. De schoenen werden op diverse plekken bemonsterd.

Bemonstering binnenrand linkerschoen (Prada)

AAHF9019NL

Bemonstering lip en uiteindes veter linkerschoen (Prada)

AAHF9020NL

Bemonstering binnenrand rechterschoen (Prada)

AAHF9021NL

Bemonstering lip en uiteindes veter rechterschoen

AAHF9022NL

28. Een schriftelijk stuk, te weten een rapport van het NFI d.d. 12 september 2014, ongenummerd opgenomen in het 3e aanvullend dossier bij het onder 1 genoemde dossier, inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Schoenen Prada

SIN

Beschrijving DNA-profiel

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

AAHF9019NL#01

DNA-mengprofiel van drie of meer personen

[betrokkene 2] , [verdachte] , [betrokkene 3] en minimaal één onbekende persoon.

AAHF9020NL#01

DNA-mengprofiel van minimaal drie personen

[betrokkene 1] (DNA-hoofdprofiel), [betrokkene 2] en minimaal één onbekende persoon.

AAHF9021NL#01

DNA-mengprofiel van minimaal drie personen

[betrokkene 1] , [betrokkene 2] en minimaal één onbekende persoon.

AAHF9022NL#01

DNA-mengprofiel van minimaal vier personen

[betrokkene 2] , [verdachte] , [betrokkene 3] en minimaal één onbekende persoon.

De bevindingen van het vergelijkende DNA-onderzoek zijn beschouwd onder de volgende hypotheseparen:

Ten aanzien van [betrokkene 2]

Hypothese 1: Bemonstering AAHF9019NL#01 bevat celmateriaal van [betrokkene 2] en twee onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan [betrokkene 2] ). Hypothese 2: Bemonstering AAHF9019NL#01 bevat celmateriaal van drie onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan [betrokkene 2] ).

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.

Ten aanzien van [verdachte]

Hypothese 3: Bemonstering AAHF9019NL#01 bevat celmateriaal van [verdachte] en twee onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan

[verdachte] ).

Hypothese 4: Bemonstering AAHF9019NL#01 bevat celmateriaal van drie onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan [verdachte] ).

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 juist is dan wanneer hypothese 4 juist is.

29. Een in de wettelijke vorm opgemaakt aanvullend proces-verbaal forensisch dossier d.d. 15 juli 2014, vanaf pagina 4 opgenomen in de ordner met het forensisch dossier bij het onder 1 genoemde dossier, inhoudende – zakelijk weergegeven – :

al s bevindingen van de verbalisanten:

Alle in de woning van de slachtoffers aangetroffen schoenen van de slachtoffers evenals de schoenen uit het ziekenhuis zijn gefotografeerd en de zolen zijn vergeleken met de in de woning aangetroffen profielsporen.

Met betrekking tot de aangetroffen en veiliggestelde schoenprofielsporen

AAGY5818NL

Schoenspoor

Schoenprofielen van twee verschillende schoenen in gang t.h.v. voordeur

AAGY5814NL

Schoenspoor

Spoor met golfmotief op envelop in proviandkamer

AAGY5815NL

Schoenspoor

Golvend profiel op enveloppe opslagkamer

werd door deskundigen een nader onderzoek ingesteld aan de profielen en kenmerken van de aangetroffen schoensporen. Uit hun onderzoek bleek dat de schoenen waarvan het profiel een golvend patroon vertoonde zeer vermoedelijk van het merk Fallen was. Uit hun onderzoek bleek dat de schoenen, waarvan het profiel een klein blokjespatroon vertoonde, zeer vermoedelijk van het merk Prada was.

30. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 juni 2014, opgesteld door deskundige A Schoen- en bandsporen [betrokkene 5] , opgenomen op pagina 203 en verder in de ordner met het forensisch dossier bij het onder 1 genoemde dossier, inhoudende – zakelijk weergegeven – :

als bevindingen van de verbalisant/deskundige:

Ontvangen materiaal:

1 Een paar schoenen, merk Fallen

2 Een paar schoenen, merk Prada

3 Een folie van een schoenafdrukspoor, voorzien van het waarmerk AAGY5814NL

4 Een folie van een schoenafdrukspoor, voorzien van het waarmerk AAGY5815NL

5 Een folie van een schoenafdrukspoor, voorzien van het waarmerk AAGY5818NL

6 Een folie van een schoenafdrukspoor, voorzien van het waarmerk AAGY5818ANL.

Resultaten

Tijdens een vergelijkend onderzoek tussen enerzijds het afgenomen schoenspoor [3] en de zool van de rechterschoen [1] en het hiermee vervaardigde proefspoor, is gebleken dat:

- het profiel overeenkomt

- de afmetingen praktisch overeenkomen

- 3 onregelmatigheden in het schoenspoor qua plaats en globaal in vorm overeenkomen met beschadigingen in de zool van de rechter schoen [1], Onverklaarbare verschillen zijn niet waargenomen.

[…]

32. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal zaaksdossier d.d. 12 juli 2014,

opgenomen op pagina 594 en verder van een dossier met als onderzoeksnaam ‘Grot’ en

procesverbaalnummer 2014021325, inhoudende — zakelijk weergegeven — :

als bevindingen van de verbalisant:

[betrokkene 4] , de vrouw van verdachte [betrokkene 1] , heeft op 8 april 2014 de politie een paar schoenen van het merk Fallen overhandigd. Ze verklaarde dat deze schoenen in een plastic Albert Heijn tas zaten die bij hen in de tuin had gelegen. Ze verklaarde dat ze zeker wist dat die zak met schoenen van [betrokkene 2] is. De schoenen zijn in beslag genomen en aan de afdeling Forensische Opsporing overgedragen.

De woning [c-straat 1] te [plaats] is de woning van [betrokkene 3] , de vriendin van [betrokkene 2] .

Uit onderzoek is gebleken dat [betrokkene 2] hier regelmatig verbleef. In deze woning zijn diverse goederen in beslag genomen, onder meer:

- Een zwart gasdrukpistool in een bivakmuts

- Doos van schoenen merk Prada

In een kamer in de woning aan de [c-straat 1] te [plaats] is een grijze schoenendoos aangetroffen. Op deze schoenendoos stond het merk Prada. Op de doos zit een sticker met daarop onder meer de tekst Prada Sport Men en de maat 8,5/42,5 en de kleur zwart.

Een van [slachtoffer 1 en 2] heeft verklaard dat uit hun woning aan de [a-straat 1] te Wijhe een oud model portemonnee met daarin 60 euro aan bankbiljetten weggenomen was. Op 16 april 2014 ontving de politie een bericht van een medewerker van de gemeente Olst-Wijhe. Gemeld werd dat een vrouw genaamd [betrokkene 6] , wonende te [plaats] , op 1 april 2014 in een vijver aan het Wijtendaal te Wijhe een zwarte portemonnee had gevonden met daarin 85 euro. Het Wijtendaal is een bejaardentehuis aan het Slotpark te Wijhe. Deze portemonnee werd aan de aangever [slachtoffer 2] getoond en hij herkende de portemonnee als zijnde het eigendom van hem en zijn broer.

Identificatie donkere man

(afbeelding, AG)

[verdachte] op 23 november 2013

Camerabeelden van de Albert Heijn aan de [d-straat 1] te Wijhe

Dinsdag 11 maart 2014

(afbeelding, AG)

(afbeelding, AG)

Deze foto is afkomstig van een camera in de Albert Heijn. Hier lopen de beide mannen in de Albert Heijn.

Tijdlijn met betrekking tot overval woning [a-straat 1] te Wijhe (pagina 676 en verder) 11 maart 2014

09.53 uur

De telefoon van [verdachte] maakt gebruik van een GSM mast in Wijhe. Bron: historische verkeersgegevens.

11.13 uur

[betrokkene 2] en [verdachte] lopen samen in de Albert Heijn aan de [d-straat] te Wijhe. Bron: Camerabeelden Albert Heijn Wijhe.

11.53 uur

De telefoon van [verdachte] maakt gebruik van een GSM mast in Eefde. Bron: historische verkeersgegevens.

14.11 uur

De telefoon van [verdachte] maakt gebruik van een GSM mast in Nijmegen. Bron: historische verkeersgegevens.

15.56 uur

De telefoon van [betrokkene 2] maakt gebruik van een GSM mast in Wijhe. Bron: historische verkeersgegevens.

18.10 uur

[verdachte] loopt op het station Nijmegen richting een stilstaande trein. De trein vertrekt te 18.18 uur richting Arnhem/Zutphen. Bron: camerabeelden NS Station.

19.30 uur

De trein uit Nijmegen, Arnhem, Zutphen arriveert op het station van Wijhe. Bron: dienstregeling Nederlandse Spoorwegen.

19.43 uur

[verdachte] loopt de Albert Heijn aan de [d-straat] te Wijhe uit en loopt weg richting de [e-straat] / [f-straat] te Wijhe. Bron: Camerabeelden Albert Heijn Wijhe.

19.43 uur

De telefoons van [verdachte] en [betrokkene 2] maken gebruik van een GSM mast in Wijhe. Bron: historische verkeersgegevens.

21.22 uur

De telefoon van [verdachte] maakt gebruik van een GSM mast aan de Industriestraat in Wijhe. Bron: historische verkeersgegevens.

22.03 uur

De politiemeldkamer ontvangt een melding in verband met de overval op de woning aan de [a-straat 1] te Wijhe. Bron: PV Bevindingen 112 melding Driebergen.

22.20 uur

Verkoop van 2 enkele reizen traject Wijhe/Nijmegen bij kaartautomaat NS station Wijhe. Bron: Nederlandse Spoorwegen.

22.28 uur

De telefoon van [verdachte] maakt gebruik van een GSM mast aan de industriestraat te Wijhe. Bron: historische verkeersgegevens.

22.29 uur

Gepland vertrek trein vanuit Wijhe naar Roosendaal, tussenstations o.a. Olst, Deventer, Zutphen, Dieren, Arnhem, Nijmegen. Bron: dienstregeling Nederlandse Spoorwegen.

22.38 uur

De telefoon van [verdachte] maakt gebruik van een GSM mast in Diepenveen (tussen Olst en Deventer). Bron: historische verkeersgegevens.

23.31 uur

De telefoon van [verdachte] maakt gebruik van een GSM mast in Arnhem. Bron: historische verkeersgegevens.

23.36 uur

[betrokkene 2] en [verdachte] stappen op perron 7 van het NS station Arnhem uit de trein.

[…]

34. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 april 2014, opgenomen op pagina 304 en verder van het onder 1 genoemde dossier, inhoudende – zakelijk weergegeven – :

als verklaring van [verdachte] :

V: Wat voor schoenen heb je?

A: Ik heb laatst Armani schoenen gekocht.

V: Welke maat heb jij?

A: 42,5

35. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 april 2014, opgenomen op pagina 333 en verder van het onder 1 genoemde dossier, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als verklaring van [verdachte] :

V: Volgens de mastgegevens van je mobiel zien wij dat deze op 11 maart 2014, omstreeks 18.31 uur in Arnhem was, omstreeks 18.53 in Dieren. Omstreeks 19.19 uur in Deventer en omstreeks 19.43 uur in Wijhe.

A: Waarschijnlijk zat ik tussen die tijdstippen in de trein tussen Nijmegen en Wijhe. Ik kan niet zomaar uit die trein zijn gesprongen.

36. De verklaring van [betrokkene 2] , afgelegd bij de raadsheer-commissaris d.d. 25 juli 2018, inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Ik kan mij hier en daar wel wat herinneren van die avond. Wij waren die avond steeds met zijn tweeën. Er is niet op enig moment die avond nog iemand anders langs geweest.

Vanaf het moment dat hij bij mij kwam totdat we met de taxi in Nijmegen aankwamen zijn wij steeds met zijn tweeën geweest.

37. De verklaring van [betrokkene 3] , afgelegd bij de raadsheer-commissaris d.d. 25 juli 2018, inhoudende - zakelijk weergegeven-:

Die avond, voordat die beide mannen zijn overvallen, was [verdachte] bij mij in huis.

Ik noem [betrokkene 2] . En ja, die avond zijn [verdachte] en [betrokkene 2] samen bij mij in huis geweest. Toen [betrokkene 2] en [verdachte] een drankje deden bij mij in huis waren er geen andere mensen op bezoek. Nee, er is niet op enig moment die avond nog iemand anders langs geweest.

[…]

39. Proces-verbaal ter terechtzitting van dit hof d.d. 30 november 2018 ter behandeling van

de strafzaak tegen verdachte, als waarneming van het hof:

De voorzitter deelt mee dat het hof tijdens de terechtzitting van heden heeft waargenomen dat

verdachte een negroïde uiterlijk heeft en dat zijn lengte in de door [slachtoffer 2] geschatte lichaamslengte van de dader past. Daarnaast heeft het hof waargenomen dat het door aangever beschreven postuur van verdachte past in het postuur dat verdachte op of omstreeks 11 maart 2014 had, zoals dat te zien is op de foto's in het dossier. Het hof heeft voorts waargenomen dat de haarkleur van verdachte zwart is en dat hij zijn haar in lange dreadlocks draagt. Het hof heeft ten slotte waargenomen dat de ogen van verdachte zonder meer opvallen. De ogen van verdachte zijn namelijk anders dan de ogen van de meeste mensen, in die zin dat ze ronder en groter zijn.”

8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2018 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het eerste en het tweede middel van belang, het volgende in:

“2e cassatiemiddel betreft de Prada schoenen

“in de overwegingen op p. 11 van het verkort arrest, heeft het Gerechtshof in een onnavolgbare redenering gesteld dat verzoeker die Prada-schoenen tijdens de overval heeft gedragen”

3 redenen waarom onnavolgbaar;

1. Door ontbreken van karakteristieke overeenkomsten kan niet worden vastgesteld dat het schoenspoor is veroorzaakt door de Prada schoenen waarop DNA is aangetroffen

2. Ongemotiveerd afgeweken van uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat Prada schoenen juist niet gebruikt kunnen zijn bij overval omdat karakteristieke beschadigingen op die schoenen niet terugkomen in het schoenspoor

3. Op aangetroffen Prada-schoenen is mengprofiel aangetroffen waaraan meer personen, waaronder onbekend gebleven persoon, hebben bijgedragen.

Ook weer heel duidelijk. Onnavolgbaar, ongemotiveerd en ook nog eens mengprofiel.

Standpunt AG in zijn conclusie;

“het lijkt er op dat het Hof hier tussen neus en lippen door vaststelt dat ook de door het NFI onderzochte Pradaschoenen ten tijde van de overval door een van de overvallers is gedragen” (p.11)

“de vraag is of dit oordeel van het Hof begrijpelijk is. Ik meen dat die vraag niet bevestigend beantwoord kan worden” 3.14

De AG onderbouwd dit dan op basis van de punten 1 en 2 die ook al in cassatieschriftuur zijn genoemd (kan niet worden vastgesteld en karakteristieke beschadigingen komen niet terug in schoenspoor). Ten aanzien van punt 2 merkt hij op:

“dat lijkt er veeleer op te wijzen dat het om andere schoenen gaat” !!!

Tenslotte merkt hij op dat het geenszins uit te sluiten is dat het DNA van de verdachte bij een andere gelegenheid dan tijdens de woningoverval op de Pradaschoenen terecht is gekomen.

Hierbij is van belang op te merken dat de Pradaschoenen in beslag zijn genomen na het plegen van feit 4 en 5!!

Zijn conclusie is dan ook dat het standpunt van het Hof onbegrijpelijk is en het 2e cassatiemiddel terecht is voorgesteld.

De HR is aan bespreking van dit middel niet toegekomen.

Hieronder valt nogmaals hetgeen de verdediging al eerder naar voren heeft gebracht over de schoensporen. Opnieuw is uitdrukkelijk gevraagd aan het Hof om nauwkeurig te kijken wat de conclusies zijn van het schoenspooronderzoek. Het Hof heeft dat niet gedaan en een onbegrijpelijke en onnavolgbare redenering gebezigd tav dit punt.

Prada schoenen

Allereerst is ten aanzien van de Prada schoenen van belang of er zekerheid bestaat dat één van de overvallers Prada schoenen heeft gedragen. Dit is van belang omdat er bij de medeverdachte [betrokkene 2] een doos is aangetroffen waarop ‘Prada’ staat en dat er bij de medeverdachte [betrokkene 1] ook Prada schoenen zijn aangetroffen waarop verschillende sporen zijn aangetroffen van verschillende personen.

Van belang is om vast te stellen dat uit de sporen die zijn aangetroffen op de Prada schoenen geen DNA-materiaal is aangetroffen van één van de slachtoffers. Derhalve kan op basis hiervan niet worden vastgesteld dat de Prada schoenen gedragen zijn tijdens de overval.

Het vermoeden dat deze Prada Schoenen gebruikt zijn bij de overval is gebaseerd op een schoenspoor dat is aangetroffen in de woning. De verdediging acht het van groot belang dat uw Hof nauwkeurig kijkt wat de conclusies zijn van dit schoenspooronderzoek.

Uit forensisch onderzoek is gebleken dat in de woning waar de overval heeft plaatsgevonden, een viertal schoenafdrukken zijn aangetroffen die zijn onderzocht. Deze schoenafdrukken zijn vergeleken met de schoenen van het merk Prada die in beslag zijn genomen in de woning van [betrokkene 1] .

Van belang is dat uit het schoenspooronderzoek blijkt, zie pagina 205 van het forensisch dossier, dat er op de zolen van de Prada schoenen beschadigingen zijn aangetroffen die karakteristiek worden beschouwd voor deze schoenen. Dit betekent dat er derhalve wel sprake is van unieke beschadigingen die het mogelijk zouden maken om schoensporen te koppelen aan deze schoen.

Uit het vergelijkend onderzoek blijkt dat de schoenafdrukspoor nummer 6, bestaande uit lijnen en ruitvormige blokjes, met het profiel overeenkomt en qua afmetingen praktisch overeenkomen, maar dat overeenkomende onregelmatigheden die betrekking hebben op karakteristieke beschadigingen in de schoenen niet zijn waargenomen, zie pagina 206.

De conclusie is dan dat schoenafdrukspoor nummer 6 is veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de Prada schoenen. Door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten kon niet worden vastgesteld dat het spoor daadwerkelijk is veroorzaakt met de linker Prada schoen.

Dit betekent dat helemaal niet vaststaat dat de Prada schoenen die zijn aangetroffen bij [betrokkene 1] zijn gebruikt bij de overval. In ieder geval kan dat niet vastgesteld op basis van het schoenspooronderzoek

Dat betekent dan ook dat sporen van personen die op deze Prada schoenen zijn aangetroffen, eigenlijk niets zeggen over de vraag in hoeverre cliënt wel of niet betrokken is geweest bij de overval. Daarbij speelt ook nog een rol dat de schoenen pas in een veel later stadium in beslag zijn genomen, namelijk weken nadat de overval heeft plaatsgevonden en dat er in de tussentijd van alles met die schoenen gebeurd is, zoals ook blijkt uit de verklaring van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] .

Zelfs indien uw Hof zou menen dat de Prada schoenen zijn gebruikt bij de overval, betekent dit nog niet dat indien er sporen van bepaalde personen op deze Prada schoenen aanwezig zijn, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat die personen die Prada schoenen hebben gedragen tijdens de overval.

Dat laatste is ook onmogelijk aangezien er DNA sporen zijn aangetroffen van verschillende personen namelijk [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en 1 onbekende persoon en ook mijn cliënt.

Tot zover standpunt verdediging zoals verwoord in vorige pleitnota.

Het is duidelijk dat de Pradaschoenen en DNA onderzoek daarop, geen enkel bewijs kunnen opleveren voor de feiten 1-3

4e cassatiemiddel foto client en signalement dader

Cassatieschriftuur Franken, overweging 2.26 en 2.27.

“Die overweging (dat de foto van verzoeker overeenkomt met de beschrijving van het gezicht van de dader met donkere huidskleur, die door 1 van de slachtoffers is gegeven, zwarte huidskleur, zwarte krullenkop en ronde kikkerogen) is onbegrijpelijk omdat de foto geen zwarte krullenkop en geen ronde kikkerogen laat zien.” “” Het rastahaar van verzoeker op de foto is iets anders dan een krullenkop. en kikkerogen heeft verzoeker op de foto niet.”

(dit alles nog los van procedurele fout om deze waarneming niet ter zitting te doen)

Standpunt AG; overweging 3.24.

“aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat deze waarnemingen niet evident juist zijn. Op de foto is mijns inziens duidelijk te zien dat verdachte rastahaar heeft. Of die vaststelling overeenkomt met een zwarte krullenkop, valt te betwisten. Hetzelfde geldt voor de door het slachtoffer genoemde ronde kikkerogen.”

Standpunt verdediging;

Er is absoluut geen sprake van een zwarte krullenkop en/of kikkerogen bij mijn client. Iedere suggestie dat client’s uiterlijk overeenkomt met de “opvallende beschrijving van slachtoffer [slachtoffer 2] ” is speculatief en onjuist.

5e cassatiemiddel bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd, zie overweging 2.29 en 2.30 Franken.

“Verzoeker was in Wijhe, toen de overval gepleegd werd. Hij kent de medeverdachte [betrokkene 2] , die door de onderzoeksresultaten nadrukkelijk in verband kan worden gebracht met de onder 1-3 ten laste gelegde feiten. En verzoeker heeft een donkere huidskleur.”

“Die vaststellingen kunnen uit de door het gerechtshof gebruikte bewijsmiddelen worden afgeleid. Maar redengevend bewijs, waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker daadwerkelijk 1 van beide daders is geweest, ontbreekt.”

De AG gaat in zijn conclusie hier specifiek op in, maar sluit zijn conclusie wel als volgt af: (overweging 3.26.

“Het behoeft naar mijn mening geen betoog dat de in het voorgaande geconstateerde motiveringsgebreken geen ondergeschikte punten betreffen en die daarom aan de toereikendheid en de begrijpelijkheid van de bewijsmotivering niet wezenlijk afbreuk doen. Ik zou haast zeggen, integendeel. Het gaat om gebreken in overwegingen die kennelijk dragend zijn geweest voor het bewijsoordeel van het Hof. Dat betekent dat deze motiveringsgebreken tot cassatie aanleiding dienen te geven.”

Conclusie is dan ook dat het hier niet gaat om slechts een motiveringsgebrek maar om wezenlijke punten die van doorslaggevend belang zijn voor de bewezenverklaring. Conclusie kan niet anders zijn dat er gewoon geen bewijs is en alleen maar vermoedens. De rechtbank had al geconstateerd dat er geen wettig bewijs was en daarvoor al dat er geen ernstige bezwaren waren. Aan die situatie is geen verandering gekomen.

CONCLUSIE; VRIJSPRAAK!”

9. Het door de verdediging gevoerde vrijspraakverweer heeft het hof in zijn arrest als volgt verworpen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van de beschikbare bewijsmiddelen niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 11 maart 2014 bij de woningoverval op de [slachtoffer 1 en 2] te Wijhe betrokken is geweest. Volgens de raadsman is er geen wettig bewijs dat verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en zijn er evenmin ernstige bezwaren tegen verdachte ten aanzien van die feiten.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Het hof overweegt als volgt:

De woningoverval

[zie randnummer 4, AG]

De identiteit van de blanke dader

In rechte is onherroepelijk komen vast te staan dat een vriend van verdachte, [betrokkene 2] , één van de daders is geweest van de voornoemde overval.

Ten aanzien van de daarvoor in het dossier aanwezige bewijsmiddelen merkt het hof het volgende op:

[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op 11 maart 2014 in Wijhe was en dat hij in de avond met de trein richting Nijmegen is gereisd. Uit het dossier blijkt verder dat hij daarvoor, om 22.20 uur, een kaartje voor een enkele reis naar Nijmegen heeft gekocht op het station te Wijhe.

In de buddyseat van een bij [betrokkene 2] in gebruik zijnde scooter die op 4 april 2014 in beslag genomen is, zijn handschoenen aangetroffen. Het NFI heeft vastgesteld dat op de linkerhandschoen van dit handschoenenpaar bloedsporen zaten. Onderzoek door het NFI leverde resultaten op die de conclusie rechtvaardigen dat het bloedspoor aan de buitenzijde van de manchet van deze linkerhandschoen van één van de beide slachtoffers afkomstig was (de kans is kleiner dan 1 op 1 miljard dat het spoor van iemand anders dan [slachtoffer 2] afkomstig is). In de binnenzijde van dezelfde linkerhandschoen is voorts DNA aangetroffen waarvan op basis van onderzoek door het NFI geconcludeerd kan worden dat dit van [betrokkene 2] afkomstig was (de kans is 1 op 1 miljard dat het spoor van iemand anders dan [betrokkene 2] afkomstig is). Gelet op de vindplaats van de linkerhandschoen en het van [betrokkene 2] afkomstig zijnde DNA dat in deze handschoen werd aangetroffen kan derhalve worden aangenomen dat de betreffende handschoen van [betrokkene 2] was c.q. door hem is gebruikt ten tijde van de overval in Wijhe.

[betrokkene 2] heeft ter terechtzitting bij de rechtbank verklaard dat het bloed dat op de linkerhandschoen is aangetroffen daar alleen via [betrokkene 1] – een vriend van hem – op gekomen kan zijn. Dit zou gebeurd kunnen zijn op het moment dat [betrokkene 1] aan het sleutelen was aan de scooter die [betrokkene 2] in gebruik had. Volgens dit scenario zou door toedoen van [betrokkene 1] een oppervlak van een object/kledingstuk/lichaamsdeel met daarop het bloed van het betreffende slachtoffer op een later moment in aanraking zijn gekomen met de manchet van de aangetroffen linkerhandschoen met daarop het bloed van [slachtoffer 2] . Het hof acht dit door [betrokkene 2] aangedragen alternatieve scenario onvoldoende aannemelijk geworden. Immers heeft het NFI geconcludeerd dat het op de handschoen aangetroffen bloedspoor een contactspoor betrof. Derhalve kan worden aangenomen dat het bloed van het slachtoffer op de handschoen moet zijn gekomen door direct of indirect contact van een bebloed oppervlak met de handschoen en dus niet bijvoorbeeld door spetteren.

Daarnaast bevat het procesdossier geen of onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat [betrokkene 1] ook op de plaats delict aanwezig was of anderszins betrokken is geweest bij de overval in Wijhe. Daarbij verdient het opmerking dat op de avond van de overval de telefoon van [betrokkene 1] op een zendmast in Deventer aanstraalde.

Het enkele gegeven dat [betrokkene 1] op enig moment na de overval heeft gesleuteld aan de scooter die [betrokkene 2] in gebruik had, is onvoldoende om het door [betrokkene 2] geschetste scenario aannemelijk te doen zijn.

Het hof overweegt voorts dat er, naast de handschoen in de buddyseat van de scooter van [betrokkene 2] , twee paar schoenen in een tas zijn aangetroffen. Het betrof een paar schoenen van het merk Fallen en een paar schoenen van het merk Prada. Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard over hoe hij in het bezit is gekomen van deze twee tassen. Deze tassen behoorden aan [betrokkene 2] toe. Eén van die tassen bevatte de voornoemde schoenenparen. De andere tas bevatte kleding. Daarnaast bevatten die tassen een stuk van een klokwerk, een aantal horloges en een bloedsuikermeter.

Op de buitenkant van de rechterschoen van het merk Fallen (welke schoen in één van de tassen werd aangetroffen), drie millimeter boven de zool van de rechterzijkant, werd DNA materiaal aangetroffen waarvan het onderzoek van het NFI de conclusie rechtvaardigde dat dit materiaal afkomstig was van het slachtoffer [slachtoffer 1] (de kans is kleiner dan 1 op 1 miljard dan het spoor van iemand anders afkomstig is dan [slachtoffer 1] ). Daarnaast werd er bloed aangetroffen op de linkerschoen van het merk Fallen (buitenkant, rechterzijkant ter hoogte van de hiel) waarvan het onderzoek van het NFI de conclusie rechtvaardigde dat het afkomstig was van het andere slachtoffer [slachtoffer 2] (de kans is kleiner dan 1 op 1 miljard dat het spoor van iemand anders afkomstig is dan [slachtoffer 2] ).

Ook het andere aangetroffen paar schoenen, te weten de Prada schoenen, is door het NFI onderzocht. In de bemonsteringen van de binnenranden van zowel de rechter- als de linkerschoen en de uiteinden van de veters en de lip van zowel de linker- als de rechter Prada schoen werd celmateriaal gevonden waarvan het NFI heeft geconcludeerd dat dit van [betrokkene 2] afkomstig kan zijn. In de bemonsteringen van de binnenrand van de linkerschoen en van de uiteinden van de veter en de lip van de rechterschoen is daarnaast celmateriaal aangetroffen waarvan het NFI geconcludeerd heeft dat dit van verdachte [verdachte] afkomstig kan zijn. Het NFI heeft de bewijskracht van telkens één van de sporen bepaald en heeft geconcludeerd dat de hypothese, dat de bemonsteringen celmateriaal van respectievelijk [betrokkene 2] en [verdachte] bevatten, extreem veel waarschijnlijker is dan dat de bemonstering afkomstig is van drie onbekende personen, niet verwant aan elkaar of aan één van de verdachten.

Op het in de woning van de [slachtoffer 1 en 2] aangetroffen ‘schoenspoor 3’, dat zeer vermoedelijk gemaakt was met schoenen van het merk Fallen, trof het NFI drie onregelmatigheden in het schoenspoor aan die qua plaats en globaal in vorm overeenkomen met beschadigingen in de zool van de rechterschoen van het merk Fallen die in één van de tassen werd aangetroffen.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat de bloedsuikermeter, die samen met de schoenen terecht is gekomen bij [betrokkene 1] , van hem was, nu het handgeschreven briefje dat bij de meter was gevonden, door hem is geschreven.

Op enig moment na telefonisch contact tussen [betrokkene 2] en zijn vriendin, [betrokkene 3] , zijn de twee tassen met daarin de schoenen en de bloedsuikermeter uit het huis van zijn vriendin weggehaald. Het was kennelijk van belang dat deze spullen daar niet werden aangetroffen en er was bovendien haast bij. Immers, er kon niet gewacht worden tot [betrokkene 2] op enig moment zelf weer in de woning zou zijn om voor verwijdering van de spullen zorg te dragen.

Nu de bloedsuikermeter van [slachtoffer 2] een directe link vormt met de overval en deze samen met de schoenen tot de inhoud van de beide tassen behoorde, terwijl de sporen van twee paar schoenen op de plaats van de overval van eenzelfde bijzondere combinatie van merken afkomstig is (Fallen en Prada), en daarnaast op de betreffende schoenen van het merk Fallen DNA-sporen van beide slachtoffers zijn aangetroffen, concludeert het hof dat de overvallers de betreffende schoenen van de merken Fallen en Prada hebben gedragen ten tijde van de overval en dat gelet op de haast die gemoeid was met het verwijderen van onder meer de twee paren schoenen en de bloedsuikermeter alsmede de DNA-sporen die naar [betrokkene 2] en verdachte geacht kunnen worden te wijzen, [betrokkene 2] hiervan op de hoogte was. Gelet op het feit dat er bovendien op een handschoen van [betrokkene 2] bloed van één van de slachtoffers is aangetroffen alsmede DNA van [betrokkene 2] , is de reden van deze wetenschap naar het oordeel van het hof gelegen in het feit dat [betrokkene 2] één van de plegers van de overval was.

Het hof concludeert dat [betrokkene 2] één van plegers van de gewapende overval op het huis van de twee bejaarde broers in Wijhe is geweest. Uit de foto's in het dossier blijkt dat [betrokkene 2] een blanke huidskleur heeft. Hij was derhalve de blanke overvaller.

De identiteit van dader 2

Verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij de hem ten laste gelegde feiten. De vraag in deze zaak is dan ook of op basis van de zich in het dossier bevindende stukken de aan verdachte onder 1, 2 en 3 verweten feiten bewezen kunnen worden verklaard in die zin dat verdachte de door aangevers omschreven zwarte overvaller is geweest.

Bij de beantwoording van deze vraag dient opgemerkt te worden dat verdachte niet door enig bewijsmiddel uit het dossier rechtstreeks te koppelen is aan de plaats delict.

Gelegenheid

[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op de avond van de overval met zijn vriend [verdachte] – verdachte – is opgetrokken. [betrokkene 2] heeft voorts verklaard dat hij die avond niet met iemand anders is opgetrokken. Hij heeft verder verklaard dat hij de bewuste avond met verdachte heeft doorgebracht in de woning van zijn vriendin te Wijhe. Bovenstaande overweging aangaande de betrokkenheid van [betrokkene 2] bij de overval maakt duidelijk dat het hof deze laatste stelling van [betrokkene 2] niet betrouwbaar acht. Voor de verklaring van [betrokkene 2] dat hij de gehele avond samen met verdachte heeft doorgebracht bevindt zich echter steunbewijs in het dossier, nog daargelaten dat ook verdachte heeft aangegeven dat hij op de avond van de overval in Wijhe was.

De vriendin van [betrokkene 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat [betrokkene 2] samen met [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) de avond van de overval bij haar in huis was.

In het dossier bevindt zich een onderzoek naar bewakingsbeelden. Hieruit volgt dat verdachte op 10 maart 2014 samen met [betrokkene 2] op de [d-straat] 10 te Wijhe was. [betrokkene 2] en verdachte pinden daar geld om 11.42 uur. Uit het onderzoek blijkt verder dat verdachte en [betrokkene 2] de volgende dag, de dag van de overval (11 maart 2014), samen naar een filiaal van de Albert Heijn aan de [d-straat 1] te Wijhe zijn geweest om 11.15 uur. Verdachte is vervolgens in de loop van de middag met de trein van Wijhe naar Nijmegen gereisd en is om 18.11 uur op bewakingsbeelden op perron 3A van het station in Nijmegen te zien. Verdachte is die avond weer terug naar Wijhe gereisd. Hij is om 19.43 uur op de beelden van de camera aan de voorzijde van de Albert Heijn te Wijhe, zijde [d-straat] , te zien waarbij hij de winkel uitloopt. De omstandigheid dat verdachte met de trein weer terug is gereisd van Nijmegen naar Wijhe strookt met de dienstregeling van de NS. Volgens deze dienstregeling vertrekt er om 18.18 uur een trein uit Nijmegen die om 19.30 uur in Wijhe aankomt.

Om 22.20 uur worden er op het station te Wijhe twee kaartjes voor een enkele reis richting Nijmegen gekocht, waarvan aangenomen kan worden dat [betrokkene 2] en verdachte deze kaartjes hebben gekocht. Op camerabeelden is te zien dat zowel [betrokkene 2] als verdachte om 23.36 uur in Arnhem de trein uitstappen. De eerste melding bij de politie dat de overval op de woning van de broers aan de [a-straat 1] te Wijhe had plaatsgevonden kwam op 11 maart 2014 binnen bij de politie om 22.03 uur. [slachtoffer 1] verklaarde dat er tegen 21.00 uur bij zijn woning werd aangebeld. Hij heeft hierop de deur opengedaan, waarna de overval een aanvang nam.

Uit de voornoemde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat verdachte op de avond van de overval - 11 maart 2014 - in Wijhe was, dat hij bevriend is met [betrokkene 2] en dat hij op de bewuste avond ook samen met [betrokkene 2] heeft opgetrokken. Het hof concludeert op basis hiervan dat verdachte tenminste in de gelegenheid is geweest om de woningoverval op [slachtoffer 1 en 2] mede te plegen.

Daderprofiel

Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft over het uiterlijk van ‘dader 2’ verklaard dat deze dader een fors gespierd postuur had, een zwarte huidskleur, een zwarte krullenkop en ronde kikkerogen. De dader zou 1.70 à 1.75 meter lang zijn.

Het hof heeft verdachte kunnen waarnemen tijdens de zitting van 30 november 2018. Het hof heeft tijdens deze zitting waargenomen dat verdachte een negroïde uiterlijk heeft en dat zijn lengte in de door [slachtoffer 2] geschatte lichaamslengte van de dader past. Daarnaast heeft het hof waargenomen dat het door aangever beschreven postuur van verdachte past in het postuur dat hij op of omstreeks 11 maart 2014 had, zoals dat te zien is op de foto's in het dossier. Het hof heeft voorts waargenomen dat de haarkleur van verdachte zwart is en dat hij zijn haar, op de terechtzitting van 30 november 2018, in lange dreadlocks droeg. Het hof heeft ten slotte waargenomen dat de ogen van verdachte zonder meer opvallen. Dit heeft het hof zelf kunnen vaststellen en dit is, na een korte onderbreking van de zitting, ook benoemd door de voorzitter. De ogen van verdachte zijn namelijk anders dan de ogen van de meeste mensen, in die zin dat ze ronder en groter zijn.

Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ‘dader 2’ ronde kikkerogen had. Wat hij daarmee precies bedoelde is het hof niet duidelijk geworden. Aangezien [slachtoffer 2] inmiddels is overleden kan hem dit ook niet meer gevraagd worden. Wel is het hof duidelijk geworden dat de ogen van ‘dader 2’ voor het slachtoffer kennelijk opvallende gelaatskenmerken waren. Gelet op hetgeen door het hof aangaande de ogen van verdachte is waargenomen zou de constatering van [slachtoffer 2] wanneer deze ten aanzien van het uiterlijk van verdachte gedaan was, in dat opzicht begrijpelijk geacht kunnen worden te zijn.

Op de foto's van verdachte in het dossier, die zijn genomen in de dagen rondom de overval, lijkt het zo te zijn dat verdachte zijn zwarte haren destijds in kortere dreadlocks droeg, in ieder geval van achteren tot onder de kaaklijn en van daaruit rond en schuin naar boven richting de slaap, waarbij de dreadlocks op het voorhoofd net boven de ogen vallen. Gezien het overlijden van [slachtoffer 2] kan aan hem niet meer worden gevraagd of hij deze haardracht als krullen heeft benoemd.

Schoenen van de merken Prada en Fallen

Zoals hierboven genoemd zijn er twee paar schoenen in een tas bij getuige [betrokkene 1] terechtgekomen via de vriendin van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] .

De verdediging heeft aangevoerd dat getuige [betrokkene 1] belastend over verdachte en [betrokkene 2] heeft verklaard, maar dat dit een onbetrouwbare verklaring is omdat hij zodoende zijn eigen betrokkenheid bij de overval verdoezelt.

Het hof constateert dat getuige [betrokkene 1] wisselende verklaringen heeft afgelegd. Derhalve is behoedzaamheid op zijn plaats bij de waardering van die verklaringen. De door [betrokkene 1] afgelegde verklaring ten aanzien van de herkomst van de bij hem aangetroffen schoenen en bloedsuikermeter wordt niettemin ondersteund door overig bewijsmateriaal, in het bijzonder door de verklaring van de echtgenote van [betrokkene 1] , getuige [betrokkene 4] , die gedetailleerd heeft verklaard over de wijze waarop de tas met de schoenen en de bloedsuikermeter in de woning waar zij met [betrokkene 1] woont terecht is gekomen. [betrokkene 4] heeft onder meer verklaard dat één van de tassen waarin de spullen bij hun terecht zijn gekomen een luiertas was met de kleuren zwart en aqua-blauw. De vriendin van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , heeft, geconfronteerd met een afbeelding van de betreffende tas, aangegeven dat deze van haar was.

De voornoemde gang van zaken wordt verder ondersteund door de verklaring van getuige [betrokkene 7] , die over een en ander geïnformeerd werd door getuige [betrokkene 4] .

Gelet op het vorenstaande acht het hof de verklaring van [betrokkene 1] ten aanzien van de herkomst van de bij hem aangetroffen schoenen en bloedsuikermeter in zoverre betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Hierboven heeft het hof reeds, onder het kopje ‘De identiteit van de blanke dader’, uiteengezet waarom het van oordeel is dat de schoenen van de merken Prada en Fallen gedragen zijn tijdens de overval. Uit deze uiteenzetting is voor de beantwoording van de vraag of verdachte betrokken is geweest bij de overval met name relevant dat in de bemonsteringen van de binnenrand van de linkerschoen van het paar Prada schoenen en van de uiteinden van de veter en lip van de rechterschoen van het paar Prada schoenen, celmateriaal is aangetroffen waarvan het NFI geconcludeerd heeft dat dit van verdachte [verdachte] afkomstig kan zijn. Het NFI heeft de bewijskracht van telkens één van de sporen bepaald en geconcludeerd dat de hypothese dat de bemonsteringen celmateriaal van respectievelijk [betrokkene 2] en [verdachte] bevatten extreem veel waarschijnlijker is dan dat de bemonstering afkomstig is van drie onbekende personen, niet verwant aan elkaar of aan een van de verdachten. Opvallend aan de aangetroffen Prada schoenen is daarnaast ook dat deze maat 8,5 hebben. Dit is de schoenmaat die verdachte heeft.

Mogelijk andere zwarte man

Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor de aanwezigheid van een andere man met een zwarte huidskleur in de nabijheid van [betrokkene 2] op de avond van de overval. In de dagen rondom de overval zijn het [betrokkene 2] en verdachte die samen optrokken in Wijhe. Verdachte en [betrokkene 2] hebben bovendien niets verklaard over een andere man met een donkere huidskleur die op de dag van de overval in hun nabijheid verkeerde. Bovendien heeft [betrokkene 3] , de vriendin van [betrokkene 2] , het volgende verklaard over het samen zijn van verdachte en [betrokkene 2] : ‘Die avond, voordat beide mannen zijn overvallen (het hof begrijpt: 11 maart 2014), was [verdachte] bij mij in huis. Die avond zijn [verdachte] en [betrokkene 2] samen bij mij in huis geweest. [verdachte] kwam [betrokkene 2] opzoeken bij mij thuis. Toen [betrokkene 2] en [verdachte] een drankje deden bij mij in huis waren er geen andere mensen op bezoek. Er is niet op enig moment die avond nog iemand anders langs geweest.’

Op 2 april 2014 (hernieuwde) samenwerking

Tenslotte blijkt uit de bewijsmiddelen inzake de inmiddels onherroepelijke veroordeling van verdachte voor het onder meer samen met [betrokkene 2] deelnemen aan de poging tot diefstal in Vaassen op 2 april 2014, met name uit de verklaring van [betrokkene 1] in dat verband, dat tijdens de voorbereiding van de overval te Vaassen [betrokkene 2] heeft verklaard over eerdere “dingen” waar hij met verdachte bij betrokken was geweest. Getuige [betrokkene 1] heeft hieromtrent het volgende verklaard: ‘Hij zei dat het voor hun ook spannend en eng was de eerste keer, maar het is nu routine voor hun’. [betrokkene 1] verklaarde voorts dat ‘ [betrokkene 2] ’ (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) tegen verdachte had gezegd ‘weet je nog, die ene keer, met die tie-wraps, hadden we te smalle tie-wraps gehaald. Hij trok die wraps los en begon te vechten’. Volgens [betrokkene 1] zou verdachte dit beaamd hebben door ‘ja, ja, ja’ te zeggen. Tijdens het voornoemde gesprek heeft [betrokkene 2] volgens [betrokkene 1] verder aangegeven dat wanneer de slachtoffers niet mee zouden werken hij en verdachte dezelfde rolverdeling als eerder aan zouden nemen.

Uit de aangiftes komt naar voren dat er bij de overval in Wijhe (in ieder geval ook) sprake is geweest van een methode van vastbinden die (aanvankelijk) niet afdoende bleek en waardoor één van de broers zich kon blijven verzetten.

In aansluiting op de overweging van het hof over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaring van [betrokkene 1] overweegt het hof ten aanzien van zijn verklaring over de gang van zaken rondom de poging tot een overval in Vaassen op 2 april 2014, dat hij in deze verklaring ook belastend over zichzelf heeft verklaard, zodat een verhullend motief ten aanzien van zijn eigen aandeel in deze niet aannemelijk is. Gelet hierop acht het hof de voornoemde verklaringen van [betrokkene 1] in zoverre betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Conclusie

Op basis van de vorenstaande feiten en omstandigheden concludeert het hof dat verdachte op de avond van de woningoverval, 11 maart 2014, samen met [betrokkene 2] in Wijhe was. Verdachte was daar vanaf 19.30 uur en heeft, gelet op de camerabeelden bij de Albert Heijn te Wijhe, in ieder geval na 19.43 uur [betrokkene 2] ontmoet. Hij is later op de avond samen met [betrokkene 2] vertrokken met de trein richting Arnhem, waarbij [betrokkene 2] en verdachte om 22.20 uur kaartjes voor de betreffende treinreis hebben gekocht bij de kaartjesautomaat op het NS-station te Wijhe. Verdachte was dus gedurende de tijd die de overval in beslag heeft genomen in Wijhe en was samen met [betrokkene 2] . Het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 2] de blanke dader was waarover door [slachtoffer 1 en 2] is gesproken. Ten aanzien van de zwarte dader stelt het hof vast dat het voorkomen van verdachte past in het profiel van deze dader, dat door de slachtoffers is gegeven. Verdachte heeft voorts dezelfde schoenmaat als de maat van de aangetroffen Prada schoenen die de voetsporen in de woning van [slachtoffer 1 en 2] kunnen hebben veroorzaakt, en die samen met de bloedsuikermeter – die bij de overval buit is gemaakt – in tassen zijn aangeleverd bij [betrokkene 1] . Uit niets blijkt van een andere zwarte man die op bezoek was bij [betrokkene 2] of anderszins samen met hem was die avond. Ten tijde van de voorbereiding op een ander feit heeft [betrokkene 2] ten overstaan van getuige [betrokkene 1] verwezen naar een eerdere keer dat hij samen met verdachte bij een vergelijkbaar feit betrokken was geweest.

Naar het oordeel van het hof kan een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte de tweede overvaller is geweest. Dit maakt dat het tenlastegelegde ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair kan worden bewezen.

Contra-indicaties

Het hof ziet geen contra-indicaties voor betrokkenheid van verdachte bij de overval.

De verdediging heeft aangegeven dat dreadlocks niet omschreven kunnen worden als krullen. Mede gelet op de leeftijd en achtergrond van de slachtoffers, die maakt dat het minder waarschijnlijk is dat zij op de hoogte zijn van de exacte benaming van verschillende haardrachten, is het hof van oordeel dat de beschrijving "krullenkop" niet zodanig afwijkt van de feitelijke haardracht van dreadlocks zoals door verdachte gedragen ten tijde van de overval, dat deze omschrijving een contra-indicatie vormt voor de aanname dat verdachte de betreffende persoon zou zijn geweest.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat de Prada schoenen niet gebruikt kunnen zijn bij de overval, juist omdat karakteristieke beschadigingen op de schoenen niet terugkomen in de aangetroffen schoensporen.

Het hof merk hierover op dat het NFI heeft gerapporteerd dat vanwege het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten niet kan worden vastgesteld dat de in de woning van [slachtoffer 1 en 2] aangetroffen schoensporen zijn veroorzaakt door de onderzochte Prada schoenen.

De conclusie van het onderzoek luidt dat schoenspoor 3 mogelijk is veroorzaakt door de rechterschoen van het merk Fallen en dat de schoensporen 4 en 5 zijn veroorzaakt met een schoen soortgelijk aan de schoenen van het merk Fallen. Door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten kon echter niet worden vastgesteld dat de sporen daadwerkelijk zijn veroorzaakt met deze schoenen. Het schoenspoor nummer 6 is veroorzaakt met een schoen soortgelijk aan de schoenen van het merk Prada. Door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten kon eveneens niet worden vastgesteld dat het spoor daadwerkelijk is veroorzaakt met de linkerschoen. Het NFI kan dit evenwel ook niet uitsluiten. In tegendeel, het profiel en de afmeting komen praktisch overeen.”

Het eerste middel

10. Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop bezien, klaagt in de kern dat het hof zijn oordeel aangaande de “onderbouwde standpunten die ten aanzien van de inbeslaggenomen Pradaschoenen en het schoenspoor zijn ingenomen” onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Hierdoor zouden de bewezenverklaringen van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten in zoverre niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed.

11. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De invoering van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv in 2005 heeft geen wijziging gebracht in het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de rechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.[1]

12. De steller van het middel onderscheidt in het pleidooi van de raadsman drie responsieplichtige standpunten in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, te weten:

“• Door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten kan niet worden vastgesteld dat het schoenspoor in de woning is veroorzaakt door een Pradaschoen waarop DNA-materiaal is aangetroffen dat in verband kan worden gebracht met verzoeker.

• Omdat karakteristieke beschadigingen (op de zolen van de) in de inbeslaggenomen Pradaschoenen niet terugkomen in het schoenspoor, is het veeleer aannemelijk dat het schoenspoor is veroorzaakt door een andere schoen dan een van de inbeslaggenomen Pradaschoenen.

• Dat verzoeker ten tijde van de overval de inbeslaggenomen Pradaschoenen heeft gedragen, kan niet worden vastgesteld omdat (a) op die schoenen een mengprofiel is aangetroffen waaraan meer personen hebben bijgedragen en (b) geenszins is uit te sluiten dat DNA van verdachte bij een andere gelegenheid dan tijdens de overval op de Pradaschoenen terecht is gekomen.”

13. Het hof heeft het betoog van de raadsman ter zake kennelijk opgevat als één uitdrukkelijk onderbouwd standpunt door onder het kopje “Contra-indicaties” te overwegen dat de verdediging heeft aangevoerd dat de Prada schoenen niet gebruikt kunnen zijn bij de overval, juist omdat karakteristieke beschadigingen op de schoenen niet terugkomen in de aangetroffen schoensporen. In aanmerking genomen dat de uitleg van een in hoger beroep gevoerd verweer of ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in beginsel is voorbehouden aan het hof en in cassatie slechts op de begrijpelijkheid ervan kan worden getoetst, acht ik die weergave – gelet op de hiervoor in randnummer 8 weergegeven pleitnota van de raadsman – niet onbegrijpelijk.

14. Door te oordelen dat de bij de getuige [betrokkene 1] aangetroffen schoenen van de merken Fallen en Prada gedragen zijn door de overvallers tijdens de overval, is het hof weliswaar afgeweken van dit door de verdediging naar voren gebrachte standpunt, maar het hof heeft daarvoor in het bijzonder de redenen opgegeven, en wel uitvoerig onder de kopjes “De identiteit van de blanke dader”, “Schoenen van de merken Prada en Fallen” en “Contra-indicaties”.

15. Zo roep ik allereerst in herinnering dat het hof voor de beantwoording van de vraag of de verdachte betrokken is geweest bij de overval onder meer – naast alle andere voor het bewijs redengevende omstandigheden in ’s hofs bewijsvoering genoemd – onder het kopje “De identiteit van de blanke dader” heeft overwogen dat er twee tassen zijn aangetroffen en dat het hof vervolgens concludeert dat, nu de bloedsuikermeter van [slachtoffer 2] een directe link vormt met de overval en deze samen met de schoenen tot de inhoud van de beide tassen behoorde, terwijl de sporen van twee paar schoenen op de plaats van de overval van eenzelfde bijzondere combinatie van merken afkomstig is (Fallen en Prada), en daarnaast op de betreffende schoenen van het merk Fallen DNA-sporen van beide slachtoffers zijn aangetroffen, de overvallers de betreffende schoenen van de merken Fallen en Prada hebben gedragen ten tijde van de overval. Verder heeft het hof onder het kopje “Schoenen van de merken Prada en Fallen” overwogen dat in de bemonsteringen van de binnenrand van de linkerschoen van het paar Prada schoenen en van de uiteinden van de veter en lip van de rechterschoen van het paar Prada schoenen, celmateriaal is aangetroffen waarvan het NFI geconcludeerd heeft dat dit van verdachte [verdachte] afkomstig kan zijn, dat het NFI de bewijskracht van telkens één van de sporen heeft bepaald en heeft geconcludeerd dat de hypothese dat de bemonsteringen celmateriaal van respectievelijk [betrokkene 2] en [verdachte] bevatten extreem veel waarschijnlijker is dan dat de bemonstering afkomstig is van drie onbekende personen, niet verwant aan elkaar of aan een van de verdachten, en dat het voorts opvallend is dat de aangetroffen Prada schoenen ook maat 8,5 hebben, nu dit de schoenmaat is die verdachte heeft.

16. Onder het kopje “Contra-indicaties” heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat het NFI heeft gerapporteerd dat vanwege het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten niet kan worden vastgesteld dat de in de woning van [slachtoffer 1 en 2] aangetroffen schoensporen zijn veroorzaakt door de onderzochte Prada schoenen, en vervolgens dat de conclusie van het onderzoek luidt dat schoenspoor 3 mogelijk is veroorzaakt door de rechterschoen van het merk Fallen, dat de schoensporen 4 en 5 zijn veroorzaakt met een schoen soortgelijk aan de schoenen van het merk Fallen, dat door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten echter niet kon worden vastgesteld dat de sporen daadwerkelijk zijn veroorzaakt met deze schoenen, dat het schoenspoor nummer 6 is veroorzaakt met een schoen soortgelijk aan de schoenen van het merk Prada, dat door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten niet kon worden vastgesteld dat het spoor daadwerkelijk is veroorzaakt met de linkerschoen. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het NFI dit evenwel ook niet kan uitsluiten en dat, integendeel, het profiel en de afmeting (van de Prada schoenen, begrijp ik, AG) praktisch overeenkomen.

17. Het oordeel van het hof dat de bij de getuige [betrokkene 1] aangetroffen schoenen van de merken Fallen en Prada gedragen zijn tijdens de overval, acht ik op grond van het vorengaande en in het licht van hetgeen door de verdediging ter zake als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren is gebracht niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Tot een nadere motivering van dat oordeel was het hof niet gehouden. De bewezenverklaringen van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zijn in zoverre voldoende met redenen omkleed.

18. Voor zover het middel klaagt dat de hiervoor aangehaalde overweging van het hof dat het profiel en de afmeting van het schoenspoor nummer 6 praktisch overeenkomen met het profiel en de afmeting van de inbeslaggenomen Prada schoenen, geen steun vindt in de gebruikte bewijsmiddelen, merk ik nog het volgende op. Het hof is onder het kopje “Contra-indicaties” ingegaan op enkele door de verdediging gevoerde verweren, waaronder het verweer dat is gevoerd ten aanzien van de inbeslaggenomen Prada schoenen. In reactie daarop heeft het hof verwezen naar het onderzoek betreffende de in de woning aangetroffen schoensporen, zoals gerapporteerd door het NFI. Een gedeelte van dat onderzoek is weergegeven in het als bewijsmiddel 30 opgenomen proces-verbaal van bevindingen. Hierin staat als resultaat van het onderzoek vermeld dat het profiel en de afmetingen van het schoenspoor [3] praktisch overeenkomen met het profiel en de afmetingen van de inbeslaggenomen Fallen schoenen. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat dit bewijsmiddel geen vergelijkbare conclusie met betrekking tot de aangetroffen Prada schoenen bevat. In de aanhef van het bewijsmiddel wordt echter verwezen naar “pagina 203 en verder in de ordner met het forensisch dossier”. Een blik achter de papieren muur leert dat op pagina 206 van dat dossier als resultaat van onderzoek – kort gezegd – staat opgenomen dat het profiel en de afmeting van het schoenspoor 6 praktisch overeenkomen met het profiel en de afmeting van de inbeslaggenomen Prada schoenen.[2] Hierop heeft het hof klaarblijkelijk het oog gehad. Alles overziend ben ik van oordeel dat het hof, door te verwijzen naar de conclusies uit het schoensporenonderzoek zoals gerapporteerd door het NFI, met voldoende mate van nauwkeurigheid de redengevende feiten en omstandigheden heeft aangeduid en het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend.[3]

19. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

20. Het tweede middel klaagt dat de aan het bewijs ten grondslag gelegde overwegingen van het hof omtrent de vraag of de verdachte past in het signalement van een van de daders onbegrijpelijk zijn en niet kunnen bijdragen aan het bewijs van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, en dat het hof zijn oordeel over de “onderbouwde standpunten die ten aanzien van het signalement/daderprofiel zijn ingenomen” onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Hierdoor zouden de bewezenverklaringen van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten in zoverre niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed.

21. Onder het kopje “Daderprofiel” heeft het hof onder meer het volgende vastgesteld:

(i) Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft over het uiterlijk van ‘dader 2’ verklaard dat deze dader een fors gespierd postuur had, een zwarte huidskleur, een zwarte krullenkop en ronde kikkerogen. De dader zou 1.70 à 1.75 meter lang zijn.

(ii) Het hof heeft tijdens de zitting van 30 november 2018 waargenomen dat de verdachte een negroïde uiterlijk heeft en dat zijn lengte past in de door [slachtoffer 2] geschatte lichaamslengte van de dader.

(iii) Daarnaast heeft het hof waargenomen dat het door aangever beschreven postuur van de verdachte past in het postuur dat hij op of omstreeks 11 maart 2014 had, zoals dat te zien is op de foto’s in het dossier.

(iv) Voorts heeft het hof waargenomen dat de haarkleur van verdachte zwart is en dat hij zijn haar, op de terechtzitting van 30 november 2018, in lange dreadlocks droeg.

(v) Tot slot heeft het hof waargenomen dat de ogen van verdachte zonder meer opvallen. Dit heeft het hof zelf kunnen vaststellen en dit is, na een korte onderbreking van de zitting, ook benoemd door de voorzitter. De ogen van verdachte zijn namelijk anders dan de ogen van de meeste mensen, in die zin dat ze ronder en groter zijn.

(vi) Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ‘dader 2’ ronde kikkerogen had. Wat hij daarmee precies bedoelde is het hof niet duidelijk geworden. Wel is het hof duidelijk geworden dat de ogen van ‘dader 2’ voor het slachtoffer kennelijk opvallende gelaatskenmerken waren. Gelet op hetgeen door het hof aangaande de ogen van verdachte is waargenomen zou de constatering van [slachtoffer 2] wanneer deze ten aanzien van het uiterlijk van verdachte gedaan was, in dat opzicht begrijpelijk geacht kunnen worden te zijn.

(vii) Op de foto’s van verdachte in het dossier, die zijn genomen in de dagen rondom de overval, lijkt het volgens het hof zo te zijn dat verdachte zijn zwarte haren destijds in kortere dreadlocks droeg, in ieder geval van achteren tot onder de kaaklijn en van daaruit rond en schuin naar boven richting de slaap, waarbij de dreadlocks op het voorhoofd net boven de ogen vallen. Gezien het overlijden van [slachtoffer 2] kan aan hem niet meer worden gevraagd of hij deze haardracht als krullen heeft benoemd.

22. Voorts heeft het hof heeft onder het kopje “Conclusie” geoordeeld dat het voorkomen van de verdachte past in het door de slachtoffers gegeven profiel van de “zwarte dader”. Het middel keert zich in de kern tegen deze overweging van het hof. De steller van het middel betoogt dat deze overweging onbegrijpelijk is, omdat het hof onder meer heeft vastgesteld dat niet duidelijk is wat [slachtoffer 2] precies bedoelde met zijn verklaring dat ‘dader 2’ ronde kikkerogen had en dat gezien het overlijden van [slachtoffer 2] aan hem niet meer kan worden gevraagd of hij de haardracht van verdachte in de dagen rondom de overval (volgens het hof bestaande uit “kortere dreadlocks”) als krullen heeft benoemd.

23. Over de kernklacht van het middel kan ik kort zijn. Mede tegen de achtergrond van de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 2] dat ‘dader 2’ 1.70 à 1.75 meter lang was en een fors gespierd postuur, een zwarte huidskleur, een zwarte krullenkop en ronde kikkerogen had, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte past in dit daderprofiel, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers tijdens de zitting van 30 november 2018 waargenomen dat verdachte een negroïde uiterlijk heeft, dat zijn lengte past in de door [slachtoffer 2] geschatte lichaamslengte en dat ook zijn postuur past in het door de aangever beschreven postuur. Voorts heeft het hof waargenomen dat de haarkleur van verdachte zwart is en dat hij zijn haar op de terechtzitting van 30 november 2018 in lange dreadlocks droeg, maar dat het volgens het hof – op basis van de foto’s van verdachte in het dossier, die zijn genomen in de dagen rondom de overval – zo lijkt te zijn dat de verdachte zijn zwarte haren destijds in kortere dreadlocks droeg, in ieder geval van achteren tot onder de kaaklijn en van daaruit rond en schuin naar boven richting de slaap, waarbij de dreadlocks op het voorhoofd net boven de ogen vallen. Tot slot heeft het hof waargenomen dat de ogen van verdachte zonder meer opvallen, omdat ze anders zijn dan de ogen van de meeste mensen, in die zin dat ze ronder en groter zijn. Verweven als het is met vaststellingen van feitelijke aard, is voor een verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats.

24. Voor zover het middel beoogt te klagen dat het hof zijn oordeel over “onderbouwde standpunten die ten aanzien van het signalement/daderprofiel zijn ingenomen” onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, geldt tot slot het volgende. Blijkens de overweging van het hof dat “de verdediging heeft aangegeven dat dreadlocks niet omschreven kunnen worden als krullen” heeft het hof het betoog van de raadsman kennelijk aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Het hof is daarvan evenwel afgeweken en heeft daarvoor in het bijzonder de redenen opgegeven. Onder het kopje “Contra-indicaties” heeft het hof immers uitdrukkelijk overwogen dat, mede gelet op de leeftijd en achtergrond van de slachtoffers, die maakt dat het minder waarschijnlijk is dat zij op de hoogte zijn van de exacte benaming van verschillende haardrachten, het hof van oordeel is dat de beschrijving “krullenkop” niet zodanig afwijkt van de feitelijke haardracht van dreadlocks zoals door verdachte gedragen ten tijde van de overval, dat deze omschrijving een contra-indicatie vormt voor de aanname dat verdachte de betreffende persoon zou zijn geweest. Dat oordeel acht ik, gelet op de hiervoor weergegeven vaststellingen van het hof en in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Ook in zoverre zijn de bewezenverklaringen van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde voldoende met redenen omkleed.

25. Het middel faalt.

Het derde middel

26. Het derde middel klaagt dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden, nu de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.

27. Het middel is gegrond. Namens de verdachte is op 21 december 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 25 oktober 2019 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met afgerond drie maanden overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dit betekent dat deze termijnoverschrijding dient te leiden tot strafvermindering zoals de Hoge Raad gepast zal voorkomen.[4]

28. Het middel is gegrond.

Conclusie

29. Ik kom tot de slotsom dat het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden verworpen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende verkorte motivering. Het derde middel is gegrond.

30. Ambtshalve wijs ik op het volgende. De op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017/82) heeft onder meer tot gevolg dat met ingang van die datum de rechter niet langer de mogelijkheid heeft om vervangende hechtenis te verbinden aan de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, voor het geval geen volledige betaling of volledig verhaal volgt. In plaats daarvan kan de rechter het dwangmiddel van de gijzeling opleggen, die net als de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar kan duren.

31. In HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daarmee sprake is van een verandering in de regels van sanctierecht die ten gunste van de verdachte werkt en die met onmiddellijke ingang moet worden toegepast. Gelet hierop zal de Hoge Raad in zaken waarin de cassatieschriftuur is binnengekomen voor of op 26 juni 2020 de uitspraak van het hof waarbij aan de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is verbonden in zoverre ambtshalve vernietigen. In de onderhavige zaak doet zich dit voor.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot zodanige vermindering van de opgelegde straf naar de gebruikelijke maatstaf en tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

[1] HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma; HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3189, NJ 2018/251, m.nt. Reijntjes (Zes van Breda). Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 194-196. Vgl. voorts, met betrekking tot betrouwbaarheidsverweren, mijn eerdere conclusie van 12 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:228, onder 11 tot en met 15 (voorafgaand aan HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780).

[2] Naar deze pagina uit het forensisch dossier verwijst ook de raadsman in zijn pleitnotities; zie de pleitnota zoals weergegeven in randnummer 8.

[3] Vgl. o.a. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165, m.nt. Reijntjes en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:708. Zie ook Van Dorst, a.w., p. 239-240.

[4] HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.