Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:750

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
19/05005
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1645
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep, art. 410 jo. 416 Sv. Had het hof de door de verdachte aan een griffiemedewerker gegeven machtiging tot het instellen van hoger beroep tevens moeten opvatten als een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv? De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05005

Zitting 8 september 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

  1. Bij verstekarrest van 31 oktober 2019 heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam, waarbij de verdachte bij verstek wegens “mishandeling” is veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte heeft mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep en klaagt dat het hof onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend.

  4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep


Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.”

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2019 vermeldt onder meer:

“De verdachte, hoewel behoorlijk gedagvaard, als […] is niet ter terechtzitting verschenen.


De advocaat-generaal legt aan het hof over een formulier waaruit blijkt dat achtereenvolgens bij het dagvaarden in hoger beroep, drie dagen voor de terechtzitting van heden en heden door middel van de geautomatiseerde strafrechtsketendatabank (SKDB) is gecontroleerd of de verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval blijkt te zijn.


Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de strafzaak zal worden voortgegaan.


De voorzitter deelt mede dat in de onderhavige strafzaak door de verdachte geen appelschriftuur is ingediend.


De advocaat-generaal voert het woord, leest zijn vordering voor en legt die aan het gerechtshof over. Hij vordert dat nu de verdachte noch bij schriftuur, noch mondeling het namens hem ingestelde hoger beroep heeft toegelicht of heeft doen toelichten en de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, het hof de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk zal verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep.


Na beraad sluit de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting en deelt mede dat terstond uitspraak zal worden gedaan.


De voorzitter spreekt het arrest uit.”

6. De akte instellen hoger beroep van 10 januari 2019 houdt in dat op die dag een ambtenaar van de griffie van de rechtbank ter griffie kwam en – “daartoe gemachtigd blijkens de aan de akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht” (het hierna aan te halen e-mailbericht, AG) – verklaarde namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het bedoelde eindvonnis van de rechtbank. Aan de akte is gehecht een e-mailbericht dat op dezelfde datum door “ [...] < [...] @hotmail.com>” is verzonden aan de hiervoor genoemde griffieambtenaar van de rechtbank Amsterdam. Dit e-mailbericht houdt, voor zover hier van belang, in:

“Met parketnummer 13-148469-16 met mijn eigen naam [verdachte] zou ik in hoger beroep willen gaan en de tegenpartij werkte toevallig voor [A] dat u dit niet verwart met ams in uw email adres. Ik heb dus geen probleem met de rechtbank. Deze zaak zit vol en en vol met tegenstrijdigheden terwijl het ook niet de grootste zaak is. Ik ben geslagen en in hoefde geen aangifte te doen. Het was wel goed zo vonden ze. De tegenpartij was geen frisse mens van aard die zit te bedreigen en te vloeken en mensen tot het uiterste jaagt en ook nog eens gelijk krijgt. Ik zou u als griffiemedewerker willen machtigen om voor mij in hoger beroep te gaan. Alvast bedankt en ik heb ook geen problemen met de politie. Misschien hebben zij problemen met mij. Terwijl ik de vorige zin schrijf gaan de sirenes van den politie af. Zal wel toeval zijn. Daar moet ik dan maar mee zien te leven. Hopelijk u voldoende te hebben geinformeerd. Tot ziens.”

7. Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op de voet van art. 416, tweede lid, Sv. Ingevolge die bepaling kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv is ingediend en evenmin mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven. De wetgever heeft aan de appelschriftuur geen nadere inhoudelijke eisen gesteld dan dat deze “grieven” dient te bevatten.1 Mede omdat ook de verdachte zelf een appelschriftuur kan indienen, respectievelijk mondeling bezwaren kan opgeven, moeten aan de inhoud van deze grieven (en die mondelinge bezwaren) geen hoge eisen worden gesteld.2 De Hoge Raad legt het begrip “grieven” als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv en het begrip “bezwaren tegen het vonnis” als bedoeld in art. 416, eerste en tweede lid, Sv dan ook zo uit dat daaronder zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg, als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep kunnen worden verstaan.3 Onder meer de enkele opgave van één of meer getuigen,4 de door de officier van justitie aangevoerde omstandigheid dat de strafzaak tegen de verdachte verweven is met de tegen een medeverdachte lopende strafzaak waarin appel is ingesteld,5 en de opgave van de verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg,6 zijn aan te merken als grief of bezwaar in voormelde zin.

8. Dat wil echter niet zeggen dat iedere tot de appelrechter gerichte opmerking een grief of bezwaar oplevert. De steller van het middel wijst op mijn eerdere conclusie voorafgaand aan HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1636, waarin ik opmerkte dat niet elke tot de appelrechter gerichte mededeling een grief of bezwaar oplevert en dat er in dat verband een ondergrens aanwijsbaar is. Zo had in HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0079 het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het namens het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep omdat de appelschriftuur twee maanden te laat was binnengekomen. In cassatie werd namens het openbaar ministerie betoogd dat het hof een aan de appelakte gehecht formulier getiteld “opgave van bezwaren” had dienen te begrijpen als appelschriftuur. Voor zover hier van belang hield dit formulier niet meer in dan dat “het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het ten laste gelegde feit”. Gezien deze inhoud was het impliciete oordeel van het hof dat het formulier niet kon worden aangemerkt als een appelschriftuur in de zin van art. 410 Sv niet onbegrijpelijk. In een daarna volgend arrest oordeelde de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat is aangevoerd dat de verdachte uitstel van het tijdstip waarop de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zal worden wenselijk vindt, evenmin een grief of bezwaar oplevert.7 Ook door de verdachte geuite bezwaren tegen de wijze van tenuitvoerlegging van in andere strafzaken opgelegde sancties en bezwaren over het vervoer naar de terechtzitting in hoger beroep, staan aan een niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet in de weg.8

9. Naast de inhoudelijke eis dat de schriftuur grieven bevat, schrijft art. 410, eerste lid tweede volzin, Sv met betrekking tot de verdachte in processuele zin nog voor dat de schriftuur binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep wordt ingediend op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, hetgeen ook mogelijk is met behulp van een elektronische voorziening langs elektronische weg. De wet stelt niet de eis dat een appelschriftuur door de indiener daarvan is ondertekend.9

10. In de onderhavige zaak heeft de verdachte een e-mailbericht gericht aan de griffieambtenaar van de rechtbank Amsterdam, dus van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv, en daarin deze griffieambtenaar gemachtigd om namens de verdachte hoger beroep in te stellen. Deze griffieambtenaar heeft dit e-mailbericht aangemerkt als een bijzondere volmacht en diezelfde dag – ruim binnen de daarvoor geldende veertien dagen – namens de verdachte het gevraagde hoger beroep ingesteld.

11. Dat het e-mailbericht van de verdachte is aangemerkt als machtiging tot het instellen van hoger beroep, vormt mijns inziens op zichzelf geen beletsel om het e-mailbericht mede als appelschriftuur aan te merken. Weliswaar schrijft de wet voor dat de schriftuur wordt ingediend binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep, maar de kennelijke strekking van dit voorschrift is dat de appelschriftuur niet te laat wordt ingediend. Dat de machtiging tot het instellen van hoger beroep onder omstandigheden tevens als een schriftuur houdende grieven kan worden aangemerkt, meen ik ook te kunnen afleiden uit een betrekkelijk recent arrest van de Hoge Raad van 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:761. Ook in die zaak ging het om een schrijven dat door het hof als machtiging tot het instellen van hoger beroep was aangemerkt en waarin het hof niet tevens een appelschriftuur had herkend. Over dit laatste werd in cassatie geklaagd. Ik citeer uit het arrest van de Hoge Raad:

“2.4.1 Ingevolge artikel 452 lid 1 Sv is op de indiening van schrifturen artikel 450 Sv van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat een schriftuur houdende grieven ook namens de verdachte kan worden ingediend door een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk door de verdachte bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.

2.4.2 Het hof heeft toepassing gegeven aan artikel 416 lid 2 Sv en heeft daaraan klaarblijkelijk ten grondslag gelegd dat geen sprake is van 'grieven' als bedoeld in artikel 416 Sv. Het hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat de hiervoor weergegeven brief van de moeder niet kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven van de verdachte als bedoeld in artikel 410 lid 1 Sv en artikel 416 lid 2 Sv. Een en ander getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat noch de brief noch enig ander tot het strafdossier behorend stuk iets inhoudt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de moeder persoonlijk door de verdachte bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd een schriftuur houdende grieven namens hem in te dienen.”

12. De Hoge Raad achtte de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep op de voet van art. 416, tweede lid, Sv (kort gezegd) niet onjuist of onbegrijpelijk. Kennelijk was de grond voor dit oordeel niet dat een machtiging tot het instellen van hoger beroep niet tegelijkertijd tevens als een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv kan hebben te gelden. Het probleem was dat uit niets bleek dat de moeder van de verdachte door de verdachte persoonlijk was gemachtigd namens hem een schriftuur houdende grieven in te dienen.

13. Nu uit niets bleek dat de verdachte zijn moeder persoonlijk had gemachtigd tot het sturen van deze brief, was wel stellig de vraag óf de brief van de moeder wel als een schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep had kunnen worden aangemerkt en daarmee of het hoger beroep rechtsgeldig was ingesteld.10 Uit het arrest lijkt te kunnen worden afgeleid dat de Hoge Raad niet ambtshalve zal ingrijpen als het oordeel van het hof dat het hoger beroep op de juiste wijze is ingesteld niet zonder meer begrijpelijk is. De vraag of het hiervoor in randnummer 6 weergegeven e-mailbericht van de verdachte voldoet aan de aan een volmacht tot het instellen van hoger beroep te stellen eisen, laat ik derhalve rusten.11

14. In het bestreden verstekarrest van 31 oktober 2019 heeft het hof geoordeeld dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en tegen het vonnis van de rechtbank evenmin mondeling bezwaren zijn opgegeven.

15. In de beslissing van het hof ligt besloten dat het hof het e-mailbericht kennelijk heeft opgevat als een van de verdachte afkomstig schrijven. Dat schrijven is tijdig binnengekomen bij de juiste instantie, te weten de griffie van de rechtbank die het vonnis in eerste aanleg heeft gewezen. Voor zover het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat de inhoud van het e-mailbericht niet voldoet aan de aan “grieven” of “bezwaren” in de zin van art. 416, tweede lid, Sv te stellen eisen, acht ik dat oordeel, in het licht van de hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad, niet zonder meer begrijpelijk.

16. De steller van het middel is van mening dat het e-mailbericht van de verdachte “wel degelijk aanknopingspunten [biedt] voor het aannemen van één of meer inhoudelijke grieven”. Dat de zaak blijkens het e-mailbericht “vol en […] vol met tegenstrijdigheden” zit, verwijst volgens de steller van het middel kennelijk naar de waarde van de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen en hun onderlinge samenhang. Verder voert de steller van het middel aan dat de verdachte in zijn e-mailadres mogelijk klaagt over de strafmaat en/of de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie, alsmede over de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever. Dat de verdachte zich in het e-mailbericht “mogelijk snediger en meer to the point” had kunnen uitdrukken, doet hieraan niet af.

17. Hoewel de door de verdachte in zijn e-mailbericht aangevoerde klachten bepaald niet uitblinken in duidelijkheid, ben ik het in zoverre wel met de steller van het middel eens dat in de e-mail van de verdachte bezwaren kunnen worden gelezen die betrekking hebben op de behandeling van de onderhavige strafzaak in eerste aanleg en de uitspraak van de rechtbank. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte het e-mailbericht zélf heeft geschreven. Met de te meer daarom in dit verband in acht te nemen welwillendheid zou in het e-mailbericht van de verdachte kunnen worden gelezen dat de verdachte de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever in twijfel trekt en/of dat hij meent dat de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen onderling tegenstrijdig zijn.

18. Het oordeel van het hof dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend, behoeft een nadere motivering die in de overweging van het hof betreffende de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep evenwel ontbreekt.

19. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aldus uitdrukkelijk HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626, m.nt. Mevis, HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7088, NJ 2008/20 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 (rov 2.40), m.nt. Borgers.

2 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 (rov. 2.40), m.nt. Borgers, HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17, NJ 2016/175, m.nt. Mevis en HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1636.

3 HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2002, NJ 2019/121, m.nt. Kooijmans en HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:251, NJ 2019/122, m.nt. Kooijmans.

4 Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626, m.nt. Mevis, HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7088, NJ 2008/20 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 (rov. 2.40), m.nt. Borgers.

5 HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:2018:2002, NJ 2019/121, m.nt. Kooijmans.

6 HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17, NJ 2016/175, m.nt. Mevis. Vgl. voorts nog HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1454.

7 HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:251, NJ 2019/122, m.nt. Kooijmans.

8 Zie mijn conclusie voorafgaand aan HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1555, NJ 2019/420.

9 Vgl. HR 7 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9834, NJ 2011/278.

10 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt vóór HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:761, onderdeel 17.

11 Zie daarover art. 450, derde lid, Sv en o.a. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102, m.nt. Borgers. De vraag in hoeverre (de bijlage bij) een e-mailbericht kan voldoen aan de eisen aan de schriftelijke bijzondere volmacht aan de griffier stonden centraal in HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654, NJ 2017/119, m.nt. Keulen, al betrof het daar specifiek het instellen van cassatieberoep door middel van een schriftelijke bijzondere volmacht van de raadsman.