Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:724

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
20/00946
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1456
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering van opgeëiste persoon aan Zwitserland t.z.v. verdenking van betrokkenheid bij de invoer van cocaïne in Zwitserland vanuit Nederland en het in Zwitserland rijden zonder geldig rijbewijs. De klacht heeft betrekking op de beslissing van de rechtbank dat de stukken t.a.v. het rijden zonder rijbewijs genoegzaam zijn in de zin van art. 12 EUV en art. 18 UW . De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00946 U

Zitting 25 augustus 2020

(bij vervroeging)

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de opgeëiste persoon.

  1. De rechtbank Amsterdam, internationale rechtshulpkamer, heeft bij uitspraak van 19 juli 2019 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de republiek Zwitserland toelaatbaar verklaard ter fine van strafvervolging voor de feiten zoals omschreven in de “Public Prosecutions Warrant of Arrest” van 9 juli 2019 met kenmerk INC.2019.933/PED/vm, hier verder ook wel de Warrant of Arrest te noemen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon en mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Blijkens de stukken van het geding wordt de opgeëiste persoon (met de Dominicaanse nationaliteit) in Zwitserland er – kort gezegd – van verdacht dat hij in de periode van 1 januari 2016 tot 25 februari 2019 (i) betrokken is geweest bij (onder meer) de invoer van cocaïne van Nederland naar Zwitserland en (ii) het in Zwitserland rijden zonder geldig rijbewijs.

  4. Het middel klaagt met verwijzing naar een door de verdediging ter zitting gevoerd verweer dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van genoegzaamheid der stukken als bedoeld in art. 12 Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV) en art. 18 Uitleveringswet (UW) op het punt van het rijden zonder rijbewijs niet begrijpelijk is en dat tegen die achtergrond haar overweging dat de opgeëiste persoon niet onverwijld heeft kunnen aantonen dat hij onschuldig is evenmin begrijpelijk is.1

5. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman van de opgeëiste persoon op de zitting van de rechtbank van 6 december 2019 – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende aangevoerd:

“De feitsomschrijving van het rijden zonder rijbewijs is niet genoegzaam. Tijdstippen en pleegplaatsen worden niet genoemd. Het gaat om een periode van ruim 3 jaar. Uitlevering ten behoeve van het rijden zonder rijbewijs is hoe dan ook niet toelaatbaar.”

6. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot dit verweer het volgende in:

2.3 Genoegzaamheid van de feitsomschrijving

Het standpunt van de verdediging

[…]

Verder heeft de raadsman betoogd dat de feitsomschrijving van het rijden zonder rijbewijs ongenoegzaam is, nu in het aanhoudingsbevel een periode van ruim driejaar wordt beschreven, zonder te benoemen op welke specifieke momenten daarvan sprake zou zijn geweest en in welke plaats dat zou zijn gebeurd.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitlevering toelaatbaar is. […] Voorts heeft hij gesteld dat het rijden zonder rijbewijs onlosmakelijk is verbonden met het transport van de verdovende middelen.

Het oordeel van de rechtbank

[…]

Uit het aanhoudingsbevel van 9 juli 2019 volgt verder dat de opgeëiste persoon enerzijds verdacht wordt van de invoer in Zwitserland van verdovende middelen en daarnaast van het rijden zonder rijbewijs. Ten aanzien van beide feiten is als pleegperiode genoemd 1-1-2016 tot 25-02-2019. Hieruit valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat het rijden zonder rijbewijs gerelateerd is aan de invoer van de verdovende middelen. Een en ander in samenhang bezien met de omstandigheid dat het uitleveringsverzoek strekt tot strafvervolging en het strafrechtelijk onderzoek in Zwitserland nog niet is afgerond, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de omschrijving van de feiten voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het rijden zonder rijbewijs is dan ook genoegzaam omschreven.”

7. Aan de bestreden uitspraak is gehecht de Public Prosecutions Warrant of Arrest van 9 juli 2019, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Facts, crimes

severe infraction of the Federal Act on Narcotics and Psychotropic Substances (art. 19 par. 2 NarcA)

[…]

without any authorization,

in the period of time between 01.01.2016 and 25.02.2019,

in Holland and Switzerland, in Figino, Grancia, Canobbio, Lugano, Chiasso e in other unspecified places in Canton Ticino,

acting, partially in complicity with [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] and other unidentified people, he imported from Holland to Switzerland, transported, detained and sold to dealers and local consumers, a large quantity of cocaine, in any case more than 12.2 kg;

repeated driving without a license (art. 95 par. 1 lett. a, b RoadTrafficAct)

because,

in the period of time between 01.01.2016 and 25.02.2019, in Lugano, Figino, Grancia and in other unspecified places in Canton Ticino, he repeatedly drove motor vehicles without having the necessary driving license and later although his request of a driving licence was rejected.”

8. Voorts staat in de aangehechte bijlage bij de Warrant of Arrest vermeld, voor zover hier van belang:

a) Facts and Evidences’

[betrokkene 3] was stopped by the police on 27.01.2019 while he was driving a car Citroën owned by [betrokkene 1], and on the car that he was driving the police found and seized about 1.6 kg cocaine and more than 1 kg cutting agents. During the investigation [betrokkene 3] stated that he had made several transports of cocaine from Holland to Switzerland with and on behalf of [opgeëiste persoon]. [betrokkene 1], wife of [opgeëiste persoon], was arrested on 29.01.2019 and admitted that his husband is active in the drug dealing and that he has been going for years to Amsterdam to get the cocaine, adding that she also took part in a couple of journeys. Also [betrokkene 4] and [betrokkene 2], who are also in detention for similar crimes, admitted of collaborating with [opgeëiste persoon] in the transport of cocaine from Holland to Switzerland. Thanks to the investigation, it was possible to better outline and define the role of the defendant, and also the amount of the cocaine traffic that he has carried out together with third people. Thanks to the investigation, it was possible to find out that in the past years [opgeëiste persoon] went to Holland several times, transporting personally or through third people and importing to Switzerland at least 12.2 kg cocaine. The current investigations - for example the requests of international legal assistance that are still open - will allow to find out if, beside the already established journeys, others were carried out or if the drug quantity that he has imported is bigger than the minimum quantity of 12.2 kg contained in this warrant of arrest.

b) Legal Status

The above mentioned facts correspond to the crime of severe infraction of the Federal Act on Narcotics and Psychotropic Substances (art. 19 par. 2 NarcA), since the quantity of narcotic substances was so large that could directly or indirectly endanger the health of a large number of people, since he achieved profit through commercial trading and as a member of a group that has been formed in order to trade unlawfully in narcotic substances, and to the crime of driving without a licence (art. 95 par. 1 lett. a, b Road Traffic Act).”

9. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de omschrijving van het feit niet volgt dat de opgeëiste persoon zelf auto reed en dat “deze omstandigheid veronderstellend door de rechtbank wordt ingelezen”, terwijl uit die omschrijving evenmin “de zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van tijd en plaats volgt”.

10. De eis dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zo nauwkeurig mogelijk moeten worden omschreven, wordt gesteld in art. 12, tweede lid onder b, EUV, luidend in de Nederlandse vertaling:

“Tot staving van het verzoek dienen te worden overgelegd:

[…]

(b) een overzicht van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht. De tijd en plaats, waarop de feiten begaan zijn, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen dienen zo nauwkeurig mogelijk te worden vermeld; en

[…].”

En voorts in art. 18, derde lid onder b, UW, inhoudend:

“3. Het verzoek moet vergezeld gaan van:

[…]

b. een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, met een zo nauwkeurig mogelijke vermelding van de tijd en de plaats waarop deze zijn begaan;

[…].”

11. Glerum en Rozemond onderscheiden aan het vereiste van nauwkeurigheid ten aanzien van de uiteenzetting van de feiten drie doelen.2 Het eerste doel strekt ertoe zowel de minister van Justitie en Veiligheid als de rechter in staat te stellen om te beoordelen of aan de voorwaarden voor uitlevering, in het bijzonder die van de dubbele strafbaarheid, is voldaan. Het tweede doel regardeert de opgeëiste persoon, in die zin dat hij op de hoogte geraakt van het voorliggende feitencomplex zodat hij zich daartegen zo goed mogelijk kan verweren.3 Hierbij merk ik op dat volgens de Hoge Raad de uiteenzetting van de feiten niet mede ten doel heeft het de opgeëiste persoon “mogelijk te maken aan te tonen dat hij niet schuldig is aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd”.4 Het derde doel is om het voor de opgeëiste persoon en de minister van Justitie en Veiligheid mogelijk te maken om na uitlevering het zogenoemde specialiteitsbeginsel te controleren.5

12. Voor de volledigheid wijs ik er nog maar eens op dat aan de omschrijving van de feiten in een uitleveringszaak niet dezelfde eisen van precisie worden gesteld als die welke naar Nederlands recht gelden voor de (gedetailleerde) omschrijving in de tenlastelegging in een strafzaak. De opgeëiste persoon staat, in het kader van een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging, immers niet (op basis van de uiteengezette feiten) terecht.6 In zijn arrest van 22 juli 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9468, NJ 1987/300 overwoog de Hoge Raad al dat wanneer het onderzoek naar het feitencomplex en de daarbij betrokken personen nog gaande is, de feiten veelal nog niet met finale precisie kunnen worden omschreven en dat naarmate dat onderzoek vordert meer en nauwkeuriger details bekend worden.7 Het is om die reden voldoende dat bij een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging niet meer verlangd wordt dan dat het feitencomplex, de tijd en de plaats zo nauwkeurig mogelijk worden omschreven aan de hand van de op dat moment meest actuele stand van het onderzoek in de verzoekende staat.8 In dat geval zijn de genoemde feiten, tijd en plaats te beschouwen als een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van feiten, tijd en plaats als bedoeld in art. 12, tweede lid onder b, EUV.

13. Het, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigend, oordeel van de rechtbank dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken ten aanzien van het ‘rijden zonder rijbewijs’ door de opgeëiste persoon voldoen aan de ingevolge art. 12 EUV en art. 18 UW gestelde eisen, is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging gaat en het onderzoek in Zwitserland nog niet is afgerond. Ik licht dit hieronder toe.

14. Uit de overgelegde stukken kan worden opgemaakt voor welke feiten de vervolgingsuitlevering aan Zwitserland is verzocht, namelijk betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de invoer van cocaïne (vanuit Nederland) in Zwitserland en – in samenhang daarmee – het rijden zonder rijbewijs in Zwitserland. De rechtbank heeft in het verband van de beoordeling van de genoegzaamheid der stukken vastgesteld dat in de Warrant of Arrest (met bijlage) voor beide feiten als pleegperiode 1 januari 2016 tot 25 februari 2019 wordt genoemd. Naar het niet onbegrijpelijk oordeel van de rechtbank valt daaruit af te leiden dat het ‘rijden zonder rijbewijs’ in de Warrant of Arrest mét de invoer van cocaïne in Zwitserland wordt gerelateerd aan die tijdsaanduiding. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, wordt in de Warrant of Arrest ten aanzien van het feit ‘rijden zonder rijbewijs’ niet alleen de tijdsperiode vermeld, maar op gelijke wijze tevens de pleegplaats. Uit de Warrant of Arrest kan immers worden opgemaakt dat de uitlevering ter strafvervolging mede is verzocht ter zake van (de verdenking van) het rijden zonder geldig rijbewijs in Lugano, Figino, Grancia en andere nog niet gespecifieerde plaatsen in het kanton Ticino. Dat de rechtbank (ook) daarvan is uitgegaan, ligt besloten in de overwegingen van de rechtbank onder het hoofd “2.3 Genoegzaamheid van de feitsomschrijving”, waarin zij de Warrant of Arrest aanhaalt. Datzelfde geldt voor de verdenking dat (ook) de opgeëiste persoon zelf heeft gereden. In de Warrant of Arrest wordt immers tot uitdrukking gebracht dat de opgeëiste persoon “repeatedly drove motor vehicles”, terwijl in de bijlage daarbij te lezen valt: “transporting personally or through third people”. Anders dan de steller van het middel meent is hier van een inlezen van de rechtbank geen sprake, nog daargelaten dat ter zitting over dit punt door de verdediging geen verweer is gevoerd en de rechtbank zich daarover in haar uitspraak dan ook niet expliciet hoefde uit te laten. En met betrekking tot hetgeen de raadsman wel heeft aangevoerd, was de rechtbank niet tot een nadere motivering gehouden. Mede gelet op de hierboven in randnummer 11 aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad faalt ook de deelklacht dat het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het niet onverwijld kunnen aantonen van de onschuld van de opgeëiste partij niet begrijpelijk zou zijn. Tot slot merk ik nog op dat, nu de uitleg van de omschrijving van de feiten in een zaak met betrekking tot uitlevering ter strafvervolging is voorbehouden aan de feitenrechter, de feitelijke interpretatie hiervan in cassatie moeten worden geëerbiedigd (tenzij sprake is van onbegrijpelijkheid).9

15. Het oordeel van de rechtbank dat het rijden zonder rijbewijs genoegzaam is omschreven in de vorenbedoelde zin, is niet onbegrijpelijk.

16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het middel komt niet op tegen het oordeel van de rechtbank over de genoegzaamheid van de stukken voor zover deze zien op de invoer van cocaïne in Zwitserland, zodat daarvan in cassatie kan worden uitgegaan.

2 V.H. Glerum en N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst en E. van Sliedregt (red.) Handboek Internationaal strafrecht. Schets van het Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 198 e.v. Zie ook: V.H. Glerum in Handboek Strafzaken, 91.5.6 (online bijgewerkt t/m 18 augustus 2010). Men zou deze doelen overigens ook functies kunnen noemen.

3 Vgl. art. 5, tweede lid EVRM: een ieder die is aangehouden wordt onverwijld in een voor hem begrijpelijke taal op de hoogte gesteld van de redenen voor zijn aanhouding en van alle tegen hem ingebrachte beschuldigingen.

4 HR 23 mei 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6261, NJ 1979/9 en HR 20 mei 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6885, NJ 1980/539. Gedoeld wordt op het onverwijld aantonen van de onschuld als bedoeld in art. 26, derde lid, UW.

5 Daarbij wordt verwezen naar art. 14 EUV en art. 12 UW.

6 Zie ook Glerum en Rozemond, a.w., p. 199 en A.H.J. Swart, Nederlands Uitleveringsrecht, Zwolle; Tjeenk Willink 1986, p. 393 – 397.

7 In dezelfde zin HR 29 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8437, NJ 1985/107 en HR 2 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AE1717, NJ 1989/757, m.nt. Swart.

8 Bij het geheel ontbreken van een plaats- en /of tijdsaanduiding voldoet de omschrijving van het feit niet aan de daaraan krachtens art. 12, tweede lid aanhef en onder b, EUV te stellen eisen en moet de uitlevering ter zake van dat feit ontoelaatbaar worden verklaard; zie HR 25 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9585, NJ 1987/468 en HR 26 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9868, NJ 1988/377.

9 HR 29 mei 1984, ECLI:NL:HR:1985,AC8437, NJ 1985/107 en HR 8 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0642, NJ 1988/667.