Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:723

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-09-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
18/05595
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1612
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van (poging tot) zware mishandelingen in De Kwakel in 2010. Het eerste middel klaagt over de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen en over het gebruik van die getuigenverklaringen voor het bewijs. Het hof heeft de getuigenverzoeken afgewezen op de grond dat de raadsman heeft verzuimd aan de eerder gedane en afgewezen verzoeken een (nieuwe) onderbouwing ten grondslag te leggen. De AG stelt zich op het standpunt dat die motivering van het hof niet toereikend is. Daarnaast gaat de conclusie in op het oordeel van het hof dat er voldoende steunbewijs aanwezig is om de verklaringen van deze niet-ondervraagde getuigen voor het bewijs te gebruiken. Volgens de AG heeft het steunbewijs waarnaar het hof verwijst geen betrekking op de onderdelen van de belastende verklaringen die de verdachte betwist. Naar het oordeel van de AG slagen dan ook beide klachten. Deze conclusie strekt ertoe het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te wijzen. Samenhang met 18/05579 en 19/00385 (beide thans niet gepubliceerd).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05595

Zitting 1 september 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1.

De verdachte is bij arrest van 20 december 2018 door het gerechtshof Amsterdam wegens 2. “medeplegen van zware mishandeling, meermalen gepleegd, en medeplegen van poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 en 27a Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest nader is omschreven.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaken 18/05579 ( [medeverdachte 1] ) en 19/00385 ( [medeverdachte 2] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Volgens de bewijsconstructie van het hof heeft zich in deze zaak en in de samenhangende zaken het volgende afgespeeld. In de avond van 10 december 2010 omstreeks 22.30 zijn de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] gezamenlijk naar de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] gegaan. Dit gebeurde op initiatief van [medeverdachte 1] , die geld van [aangever 1] , die in deze woning samen met andere huisgenoten [aangever 2] en [aangever 3] verbleef, wilde innen. Toen zij in de woning werden binnengelaten, is [medeverdachte 1] samen met de verdachte naar [aangever 1] gegaan, die zich op dat moment in zijn slaapkamer bevond waar ook [aangever 2] lag te slapen. [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] zijn naar de woonkamer gelopen. In de slaapkamer werd [aangever 1] geslagen en van hem werd geld geëist. Ook [aangever 2] kreeg klappen. [aangever 1] gaf vervolgens aan dat hij zich wilde aankleden om geld te kunnen halen. Daarop heeft [aangever 1] in de hal van de woning [medeverdachte 1] met een voorwerp op zijn hoofd geslagen. Hierdoor raakte [medeverdachte 1] buiten zinnen en is hij op [aangever 1] gesprongen. [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] zijn op het kabaal afgekomen en troffen in de hal een bloedende [medeverdachte 1] aan.

Daarna is de grove mishandeling begonnen. Alle vier de verdachten hebben [aangever 1] zijn slaapkamer uit gesleurd en met stoelpoten mishandeld. Ook tegen [aangever 2] en [aangever 3] , die hun huisgenoot te hulp wilden schieten, werd hevig tekeer gegaan. [aangever 1] en [aangever 3] hebben hierbij zwaar letsel opgelopen.

1.4.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.1 Het eerste middel keert zich zowel tegen de afwijzing van de verzoeken om de aangevers [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] te horen, als tegen het gebruik tot het bewijs van hun verklaringen. Het tweede middel komt op tegen de strafoplegging. Het derde middel bevat een klacht over schending van de redelijke termijn in cassatiefase.

1.5.

Voordat ik de middelen bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van het hof weer.

2 De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en -overwegingen

2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 10 december 2010 omstreeks 22.30 uur tot en met 11 december 2010 omstreeks 00.30 uur in [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, aan personen te weten [aangever 1] en [aangever 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten:
- bij die [aangever 1] schade aan de prostaat een steekwond (links) naast de anus en
- bij die [aangever 3] een gebroken jukbeen en een gebroken oogkas (met blijvend oogletsel)
heeft toegebracht, door opzettelijk:
- slaan met een stoelpoot in het gezicht van die [aangever 3] en
- prikken van een stok naast de anus van die [aangever 1] en schoppen en slaan met een stok tegen het lichaam van die [aangever 1]
en

hij in de periode van 10 december 2010 omstreeks 22.30 uur tot en met 11 december 2010 omstreeks 00.30 uur in [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tegen het lichaam van die [aangever 2] heeft geslagen met een stoelpoot en tegen het lichaam heeft geschopt.”

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in een bijlage bij het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL133J 2010302690-8 van 11 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , met doorgenummerde pagina’s 33 t/m 34.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 december 2010 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [aangever 1] :
Ik wil graag aangifte doen van mishandeling, die vannacht (het hof begrijpt: in de nacht van 10 op 11 december 2010) te 00:14 uur op de [a-straat 1] , [plaats] , binnen de gemeente […] heeft plaatsgevonden. Vannacht zijn vier personen ongevraagd bij ons thuis binnengekomen. Een van hen ken ik als [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ). Twee van de mannen, waaronder [medeverdachte 1] , begonnen mij te slaan. [medeverdachte 1] begon mij op mijn hoofd te slaan met zijn vuisten. Later ben ik met een stok op mijn armen en benen geslagen. Toen ik op de grond lag ben ik ook nog geschopt en geslagen. Hier heb ik nu allemaal blauwe plekken van overgehouden. Ik ben met de stok ook tegen mijn mannelijke geslachtsdeel geslagen. Hier heb ik ook veel pijn aan.

2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL133J 2010302690-15 van 15 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , met doorgenummerde pagina’s 42 t/m 44.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 december 2010 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [aangever 1] :

Er kwamen twee personen mijn kamer binnen. Mijn collega was ook op de slaapkamer, deze heet [aangever 2] (het hof begrijpt: [aangever 2] ). Toen [aangever 2] wakker werd liep [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ) meteen naar hem toe en sloeg hem. Toen ze klaar waren met [aangever 2] kwamen ze naar mij toe. Terwijl ik op bed zat sloeg [medeverdachte 1] mij eenmaal in mijn gezicht.
Ze bedreigden mij, maar ik weet niet meer wat ze hebben gezegd. Ik moest mee naar een pinautomaat om geld te halen. [aangever 2] bleef op bed omdat hij in zijn gezicht was geslagen. Ze moesten mij hebben voor het geld. Ik deed een spijkerbroek aan, sokken, t-shirt en een blouse en jas.

In de hal was mijn andere collega [aangever 3] (het hof begrijpt: [aangever 3] ). Toen ik iets tegen [aangever 3] zei werd ik aangevallen. Ik weet niet meer wat er daarna is gebeurd, maar ik ben op de grond gevallen. Hij heeft mij geslagen en ook met een stok in mijn kont. Ik viel door de klap.

Waarschijnlijk ben ik met een houten stoelpoot geslagen. Deze was namelijk kapot gemaakt, de stoel, aan het begin van de vechtpartij. Er was een stoel en deze werd gebruikt om te slaan, daarom is [aangever 3] zijn oog gebroken. Ik lag op de grond en was helemaal gebogen. Ik werd toen op mijn benen geslagen. Bij iedere klap voelde ik pijn. Ik werd aan de binnenkant van mijn bil geslagen, vlakbij mijn anus. Ik had heel veel pijn. Toen ik in de hal lag ben ik denk ik een (1) keer geslagen, want ik heb een (1) snee tussen mijn billen bij mijn anus. Ik bloedde uit mijn achterhoofd en anus, dat voelde ik. Tijdens de vechtpartij vocht iedereen met elkaar.

3. Een proces-verbaal aanvullend met nummer 2010302690-23 van 10 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , met doorgenummerde pagina’s 61 t/m 64.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 december 2010 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [aangever 1] :

Gedurende twee weken had ik een katheter omdat mijn blaas was beschadigd. De artsen hebben gezegd dat ik schade heb aan mijn prostaat.

[medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ) sloeg mij in mijn gezicht in de slaapkamer. Daarna begon het gevecht in de hal. Er waren vier daders. Aan het eind van het gevecht sloeg [medeverdachte 1] mij met een stok op mijn linkerarm en benen. Tijdens het slaan prikte [medeverdachte 1] met de stok tussen mijn billen. Dat weet ik zeker.

4. Een letselverklaring van 14 december 2010, opgemaakt door [betrokkene 2] , zaalarts AMC Urologie, betreffende [aangever 1] .

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Omschrijving van het letsel: Insteek wond Li naast de anus
Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja
Is er vermoeden van inwendig bloedverlies? Ja
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 11-12-2010
Overige van belang zijn informatie (operaties, blijvend letsel ed): Letsel aan urethra, verder onderzoek en evt. behandeling volgt.

5. Een Schade-onderbouwingsformulier van Slachtofferhulp van 31 mei 2011, opgemaakt door [betrokkene 3] , betreffende [aangever 1] .

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Voor zijn wonden van/in/rond de anus werd benadeelde naar het ziekenhuis vervoerd waar hij een week verbleef. Er is (inwendig) blaasletsel geconstateerd waardoor twee weken een katheter is geplaatst. Ook had benadeelde vier weken veel pijn en last bij het poepen. Bij elkaar heeft de benadeelde zes maanden niet kunnen werken. Benadeelde kon die maanden moeilijk staan en lopen.

6. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer PL133M 2010302690-5 van 11 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , met doorgenummerde pagina’s 66 t/m 69.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 december 2010 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [aangever 2] :

Ik lag rond 00:15 uur te slapen in ons huis op de [a-straat 1] te in [plaats] . Vervolgens werd ik wakker door gestommel in mijn slaapkamer. Ik zag dat er 4 mannen in mijn slaapkamer stonden.

Vervolgens zag ik dat die 4 mannen mijn collega aan het slaan waren. Deze collega heet [aangever 1] (het hof begrijpt: [aangever 1] ). Ik zag dat ze [aangever 1] over het hele lichaam sloegen met hun vuisten. [aangever 1] lag op dat moment nog in bed. Ik zag dat ze met z’n drieën op [aangever 1] insloegen. De vierde stond toe te kijken.

Vervolgens begon een van die drie mannen op mij in te slaan. Ik lag op dat moment ook nog in bed. Ook de vierde man die even daarvoor stond toe te kijken begon op mij in te slaan.

Ik zag en voelde dat deze twee mannen mij vuistslagen gaven in het gezicht. Ik voelde op het moment dat ik met een vuist werd geraakt een hevige pijn op de plek waar ik werd geraakt.

In de gang stond op dat moment nog een andere collega van mij welke wakker was geworden. Deze collega heet [aangever 3] (het hof begrijpt: [aangever 3] ). Ik zag dat een van de vier mannen een houten stoel, welke in de gang stond, kapot had gemaakt.

Ik zag dat alle vier de mannen een stuk van deze stoel in hun handen hadden. Ik kon niet zien welk onderdeel dit van de stoel was. Vervolgens werd ik geslagen met een stuk hout welke afkomstig was van de stoel. Ik werd hard in mijn nek geslagen. Ik kwam hierdoor ten val. Ik heb hierdoor een grote wond in mijn nek.

Toen ik op de grond lag bleef de man die mij eerst met het stuk hout in mijn nek had geslagen op mij inslaan en schoppen. Dit slaan en schoppen deed mij erg veel pijn op de plaatsen waar ik werd geraakt. Toen ik op de grond lag zag ik ook dat [aangever 3] werd geslagen met een stuk hout. Ik zag dat ook [aangever 3] op de grond viel. Ik zag dat [aangever 3] gewond was aan zijn voorhoofd en zijn oog.

Ook [aangever 1] lag op een gegeven moment ook op de grond. De andere twee mannen waren op dat moment op [aangever 1] aan het inslaan met hun vuisten en het stuk hout.

7. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer PL133J 2010302690-85 van 12 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , met doorgenummerde pagina’s 503 t/m 505.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 december 2010 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangever [aangever 3] :

Ik wens aangifte te doen van zware mishandeling. Alles speelde zich af in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Afgelopen zaterdag (het hof begrijpt: 11 december 2010) rond 00.15 uur zat ik in de woonkamer. Ik ben in de gang gaan kijken en ik zag dat [aangever 2] , voluit [aangever 2] (het hof begrijpt: [aangever 2] ) uit zijn kamer kwam en dat er bloed uit zijn mond stroomde.

Meteen zag ik achter [aangever 2] vier mannen uit diezelfde kamer komen. Ik zag dat zij [aangever 1] uit die kamer de gang op sleurden. Alle vier de mannen hielden hem vast, dan aan zijn armen, dan aan zijn benen. Tijdens het sleuren schopten ze alle vier hem constant tegen het lichaam. Ik zag dat ze [aangever 1] echt heel hard schopten. Eigenlijk waren er op een gegeven moment maar drie mannen die [aangever 1] vasthielden. De vierde man stond toe te kijken. Ik ben op de drie mannen afgelopen en probeerde ze van [aangever 1] af te trekken. Op dat moment, heel onverwachts, sloeg de vierde man die had staan kijken, mij heel hard, met kracht en opzettelijk in mijn gezicht. Ik zag dat hij mij sloeg met een houten voorwerp. Ik voelde veel pijn en zag sterretjes. De man sloeg mij midden op mijn gezicht en de eerste klap was zo hard dat ik niet bewusteloos raakte maar wel machteloos was. Ik weet zeker dat hij mij meer klappen heeft gegeven aan de hand van mijn letsel. Aan deze klappen heb ik een kapotte schedel overgehouden ter hoogte van mijn voorhoofd. Ik heb een scheur in mijn oogkas en mijn oog is helemaal gezwollen.

8. Een geneeskundige verklaring van 29 december 2010, opgemaakt door [betrokkene 4] , geneeskundige, betreffende [aangever 3] , met doorgenummerde pagina 95.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Uitwendig waargenomen letsel:

- Gebroken oogkas (re)

- Gebroken jukbeen (re)

- Mogelijk letsel oogzenuw (re)

- Letsel aangezicht

Mogelijk indicatie voor opnieuw een operatie over enkele maanden.

9. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer PL 133J 2010302690-25 van 10 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , met doorgenummerde pagina 97.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 januari 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [aangever 3] :

V: Krijgt u uw zicht terug van uw rechteroog?

A: Ik zie nu nog vaag met dat oog. Het is mij nu nog niet bekend of ik mijn zicht volledig terugkrijg.

V: Heeft u de afgelopen tijd gewerkt?

A: Ik heb helemaal niet gewerkt, hoogstwaarschijnlijk kan ik nog twee maanden niet werken. Dit komt door de fysieke klachten aan mijn oog ten gevolge van het incident. Ik kan niet goed zien aan 1 oog.

10. Een e-mailbericht van 15 juni 2011, opgemaakt door [betrokkene 5] , werkzaam in het Academisch Medisch Centrum.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Patiënt heeft fracturen van de botten die de oogkas vormen ten gevolge van een stomp trauma op de rechteroogbol. Door dit trauma is de iris deels losgekomen van de basis en dit kan oogdrukproblemen opleveren. Het kan dus zijn dat de patiënt voor de rest van zijn leven druk verlagende medicatie moet gebruiken. Tevens is de lens aangedaan, deze begint eerder dan normaal te vertroebelen en zal eerder vervangen moeten worden.

Patiënt heeft momenteel een gezichtsscherpte van 0,1 (dat is 10% van wat de gemiddelde Nederlander normaal zou moeten kunnen zien). Het is niet bekend hoe goed patiënt zal gaan zien na het vervangen van de troebele lens. Er bestaat een kans dat hij nooit meer zo goed zal kijken als voorheen.

11. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2010302690-37 van 19 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 10] , met doorgenummerde pagina 221 t/m 226.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 januari 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 6] :

Ik woon in [plaats] met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Op vrijdagavond 10 december 2010 kwam ik ‘s avonds thuis. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden een feestje en dronken wodka, ik ging op bed liggen. De jongens hebben mij midden in de nacht wakker gemaakt. [medeverdachte 2] heeft mij wakker gemaakt, omdat ik in de woonkamer lag te slapen. Ik ben naar beneden gelopen en zag [medeverdachte 1] met een verband om zijn hoofd. Er zaten nog twee jongens. Dit waren [betrokkene 1] en [verdachte] .

De mensen waren bang dat de politie zou komen, ze waren paniekerig. [medeverdachte 1] zou geld afpersen van iemand met [verdachte] . Ik weet dat de jongen zich heeft verdedigd en dat hij [medeverdachte 1] heeft geslagen. Vervolgens hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] hem zwaar mishandeld. Ik heb gehoord dat iemand een bot voorwerp in iemand zijn kont heeft gestoken. [medeverdachte 1] heeft die jongen eerst met [verdachte] mishandeld en [medeverdachte 2] heeft het werk afgemaakt.

12. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL133C 2010302690-78 van 26 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 11] , met doorgenummerde pagina 371 t/m 381.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 oktober 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik was in de nacht van 10 op 11 december 2010 met [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ) op de [a-straat 1] in [plaats] . [medeverdachte 1] had gezegd dat het ging om een bezoekje van 5 minuten. Iemand was hem namelijk geld schuldig. [medeverdachte 1] had ons opgebeld en ik heb samen met [betrokkene 1] hem opgehaald.

[medeverdachte 1] was met [medeverdachte 2] .

We begonnen het gesprek in de gang en we gingen naar zijn kamer. In de kamer was die man die geroepen was en er was nog een jongen in die kamer. [medeverdachte 1] wilde geld en de jongen zei dat hij het geld ging halen. [medeverdachte 1] en ik gingen weer naar de gang. En toen heeft de jongen [medeverdachte 1] en mij geslagen en [betrokkene 1] sprong op die jongen. [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] waren de hele tijd in de woonkamer.

[medeverdachte 1] heeft die jongen geslagen met de vlakke hand om het geld te vragen.

Ik heb die jongen geslagen. [medeverdachte 1] zou een jongen slaan en ik die andere en zo moesten we hen bang maken.

Tijdens het gesprek dat ik met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] had, heeft een van hun verteld dat hij een stok of een buis in de kont had geprikt.

13. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2010302690-62 van 23 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 12] en [verbalisant 4] , met doorgenummerde pagina’s 346 t/m 351.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 maart 2011 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Op vrijdag 10 december 2010 was ik met [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte), [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ). Ineens zei iemand, ik denk dat het [medeverdachte 1] was, dat we naar kennissen konden gaan.

We zijn alle vier naar de woonkamer gegaan. Na 5 minuten gingen [verdachte] en [medeverdachte 1] weg en zij zeiden dat ze met iemand gingen praten.

Opeens hoorde iedereen een dof geluid. Dat hoorden wij drie keer. En toen zagen we [medeverdachte 1] uit de kamer komen met zijn hoofd onder het bloed. Toen de jongens hem met die hoofdwond zagen, is iedereen naar de gang gegaan. Uit de kamer waar [verdachte] en [medeverdachte 2] naar toe gingen, kwam een Poolse jongen, die een ijzeren staaf in zijn hand had. Hij sloeg [medeverdachte 1] twee keer met die staaf op zijn hoofd. Uit de groep die in de gang stond, is [medeverdachte 2] naar voren gekomen en is op de jongen gesprongen. Uit de kamer waar die jongen met de staaf uit kwam, kwam nog een jongen. [medeverdachte 1] was woedend en hij is op die jongen gesprongen. En toen begon de slachtpartij.

De 2 mannen van de kamer hebben gevochten met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , [verdachte] vocht met een ander.

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen 4, 5, 8 en 10, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, zijn telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.”

2.3.

Het bestreden arrest bevat de volgende samenvatting en bespreking van de bewijsverweren die ten overstaan van het hof zijn gevoerd:

“Bespreking bewijsverweren
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman – kort gezegd en onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 juli 2012 (Vidgen tegen Nederland, app 29363/06) – aangevoerd dat de getuigenverklaringen van de aangevers niet voor het bewijs gebezigd mogen worden nu de verdediging geen adequate en behoorlijke gelegenheid heeft gehad om hen te kunnen ondervragen, terwijl die verklaringen doorslaggevend zijn voor het bewijs van het tenlastegelegde. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat deze verklaringen, indien het hof de raadsman niet volgt in het voorgaande, als inconsistent en onbetrouwbaar ter zijde moeten worden geschoven. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat aangever [aangever 1] als eerste geweld heeft toegepast en de verdachte, slechts in reactie hierop, [aangever 2] een klap heeft gegeven. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat van medeplegen geen sprake was.
Het hof overweegt als volgt.
De gevallen waarin het EHRM heeft uitgemaakt dat de vruchten van een in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest haar ondervragingsrecht uit te oefenen betreffen zaken waarin een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate (“solely or to a decisive degree”) berust op die verklaring. Van een dergelijk geval is in de onderhavige zaak geen sprake nu de voor het bewijs gebruikte verklaringen van ieder van de aangevers in belangrijke mate steun vinden in de bewijsmiddelen.
Anders dan de raadsman acht het hof de verklaringen van de aangevers voldoende consistent en betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Het hof komt tot dit oordeel nu de aangevers vanaf het begin af aan op essentiële punten consequent hebben verklaard over de gebeurtenissen in de nacht van 10 op 11 december 2010 en het toegepaste geweld, ook toen zij daarover later bij de rechter-commissaris werden ondervraagd door de raadslieden van de medeverdachten. Deze verklaringen bevinden zich ook in het dossier van deze verdachte. Daarnaast komen deze verklaringen in grote lijnen overeen. Voor zover sprake is van onderlinge verschillen of tegenstrijdigheden in de verklaringen, zijn deze niet van wezenlijk belang en kan dit worden verklaard door de hectische situatie tijdens de overval en door het tijdsverloop. Het hof heeft voorts noch in het dossier noch in het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep aanknopingspunten gevonden op grond waarvan aan de verklaringen van aangevers zou moeten worden getwijfeld. Dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om zelf deze personen te ondervragen doet hieraan niet af. Nu er naast de verklaringen van de aangevers nog andere bewijsmiddelen beschikbaar zijn, die bestaan uit de eigen verklaringen van de verdachte en de medeverdachten over hun aanwezigheid in de woning, de letselverklaringen met betrekking tot de slachtoffers, en de processen verbaal waarin de vondst wordt gerelateerd van de slagwapens die zijn gebruikt, kan de verdediging niet worden gevolgd waar zij stelt dat de bewezenverklaring ‘solely or to a decisive degree’ berust op de verklaringen van de aangevers.
Het verweer van de raadsman dat aangever [aangever 1] als eerste geweld heeft toegepast wordt weersproken door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft, zoals hiervoor overwogen, geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het verweer van de raadsman dat geen sprake is van medeplegen vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. In dat kader wijst het hof in het bijzonder op de verklaring van de verdachte waarin hij erover spreekt dat [medeverdachte 1] één jongen zou slaan en hijzelf de andere, om hem op die manier bang te maken, en op de verklaringen van de aangevers waaruit blijkt dat door alle vier de verdachten gezamenlijk geweld is toegepast. Het hof kwalificeert de wijze waarop de verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk geweld hebben gebruikt dan ook als medeplegen.
De tot vrijspraak strekkende verweren worden verworpen.”

2.4.

De aanvulling op het verkorte arrest bevat nog de volgende bewijsoverweging:


“Bewijsoverweging
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting neemt het hof het volgende als vaststaand aan. Uit de verklaring van de verdachte en die van [betrokkene 6] , die in eerste instantie ook als verdachte was aangemerkt, leidt het hof af dat medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en de verdachte naar de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] zijn gegaan. Dit was op initiatief van [medeverdachte 1] nu hij geld van [aangever 1] wilde. Het geheel zou niet langer dan vijf minuten duren. Op het moment dat de verdachten de woning werden binnengelaten hadden zij al de afspraak gemaakt dat [medeverdachte 1] samen met de verdachte naar [aangever 1] zou gaan, die zich op dat moment in zijn slaapkamer bevond. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] zijn naar de woonkamer gegaan. [medeverdachte 1] is naar [aangever 1] gegaan en de verdachte ging naar aangever [aangever 2] , die zich in dezelfde kamer bevond als [aangever 1] . [medeverdachte 1] heeft [aangever 1] geslagen en eiste geld. De verdachte [verdachte] hield [aangever 2] in bedwang door hem te slaan. [aangever 1] gaf vervolgens aan dat hij zich wilde aankleden om geld te kunnen halen. [aangever 1] heeft zichzelf echter willen verdedigen tegen [medeverdachte 1] en heeft [medeverdachte 1] in de hal met een voorwerp op zijn hoofd geslagen. Blijkens de verklaring van medeverdachte [betrokkene 1] raakte [medeverdachte 1] hierdoor buiten zinnen, waarna hij op [aangever 1] is gesprongen. De andere twee medeverdachten, [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] , zijn op het kabaal afgekomen en troffen in de hal een bloedende verdachte aan. Daarna is de grove mishandeling begonnen. Alle vier de verdachten hebben [aangever 1] zijn slaapkamer uitgesleurd en met stoelpoten zwaar mishandeld. Ook tegen aangevers [aangever 2] en [aangever 3] , die hun huisgenoot te hulp wilden schieten, werd hevig tekeer gegaan.”

3 Het eerste middel

3.1.

Het middel valt uiteen in twee onderdelen. In de eerste plaats keert het middel zich tegen de afwijzing van de verzoeken om de aangevers [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] te horen. Daarnaast komt het middel op tegen het gebruik tot het bewijs van hun verklaringen.

Eerste klacht

3.2.

Volgens het middel is de afwijzing door het hof van het ter terechtzitting van 6 december 2018 gedane verzoek tot het horen van de aangevers, gelet op de op schrift gestelde onderbouwing van dat verzoek door de verdediging, onbegrijpelijk, althans heeft het hof deze afwijzing niet toereikend gemotiveerd.

3.3.

De verzoeken om de aangevers [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] als getuigen te horen zijn tijdens een aantal zittingen bij het hof aan de orde geweest. De gang van zaken was daarbij als volgt:

3.3.1.

De raadsman van de verdachte heeft bij appelschriftuur van 18 februari 2015 verzocht om onder meer [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] , die de aangevers van de ten laste gelegde mishandelingen zijn, als getuigen te horen. Deze appelschriftuur houdt hierover het volgende in:

“Namens mijn cliënt de heer [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] heb ik op 16 februari 2015 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak d.d. 12 februari 2015 van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank te Amsterdam.
Cliënt kan zich niet vinden in de veroordeling en de opgelegde straf nu deze naar zijn overtuiging niet in verhouding staat tot zijn rol in het feitencomplex. Het bewijs is voornamelijk gestoeld op verklaringen van [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] en [betrokkene 6] . Ondanks herhaalde verzoeken daartoe is de verdediging niet in staat geweest deze personen als getuigen te ondervragen. Deze getuigen zijn wel gehoord in de zaken van de medeverdachten doch niet in de zaak van cliënt althans de verklaringen zijn wel in het dossier gevoegd, doch de verdediging heeft geen gebruik kunnen maken van het ondervragingsrecht. In hoger beroep wenst de verdediging alsnog opgemelde getuigen te ondervragen.
Het dossier bevat een groot aantal verklaringen en naar de overtuiging van de verdediging zijn er geen twee verklaringen eensluidend. Teneinde duidelijkheid te verkrijgen wenst de verdediging de personen te horen welke aanwezig waren tijdens het feit waarvoor cliënt is veroordeeld.
De verdediging wenst aldus als getuigen te horen:
- [medeverdachte 1] geboren op [geboortedatum] 1984;

- [medeverdachte 2] geboren op [geboortedatum] 1985;

- [betrokkene 6] geboren op [geboortedatum] 1978;

- [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1986;

- [aangever 1] , geboren op [geboortedatum] 1989;

- [aangever 3] , geboren op [geboortedatum] 1962;

- [betrokkene 7] , geboren op [geboortedatum] 1983;

- [betrokkene 8] , geboren op [geboortedatum] 1985;

- [aangever 2] geboren op [geboortedatum] 1985;

- [betrokkene 9] geboren op [geboortedatum] 1969;”

3.3.2.

Het verzoek tot het horen van de getuigen is door de raadsman van de verdachte tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2016 toegelicht. Het proces-verbaal van deze zitting houdt daarover het volgende in:

“De raadsman geeft een korte toelichting op de appelschriftuur. Hij voert hiertoe het volgende aan:
Ten eerst richt het appel zich niet tegen de vrijspraken. Ik heb de reactie van de advocaat-generaal gelezen. Mijn cliënt heeft een bijzondere rol in het geheel. Hij heeft vrij snel een verklaring afgelegd en de rechtbank is van deze verklaring uitgegaan. Deze verklaring verschilt van de verklaringen van de aangevers. Mijn cliënt heeft lang in Polen in overleveringsdetentie gezeten. Ik ben niet in de gelegenheid gesteld om de aangevers te horen. De rol van mijn cliënt is bij die verhoren ook niet echt aan bod gekomen. Mijn cliënt heeft gezegd “ik heb een klap gegeven”, maar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn de grote boosdoeners in deze zaak. Het is van belang dat dat op een gegeven moment de waarheid boven tafel komt. Ik begrijp de advocaat-generaal niet als zij stelt dat de verzoeken onvoldoende onderbouwd zijn. In tegenstelling tot wat de advocaat-generaal zegt, was ik wel aanwezig bij het verhoor van [betrokkene 6] . Het is van belang dat de verdediging [medeverdachte 2] en [betrokkene 9] kan horen, zij zijn nog niet gehoord. Aangever [aangever 3] heeft in 2011 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij [betrokkene 9] kent en dat zij hem heeft verteld wat zij gezien had. Dat zou niet hetzelfde zijn als wat mijn cliënt heeft gezien, hij zegt “ik blijf bij mijn verklaring”. De rechtbank zat in een spagaat, zij geloofde mijn cliënt en zij geloofde aangever [aangever 3] . Mijn voorstel is om de getuigen te laten horen door een rechter-commissaris die ook in de combinatie van de inhoudelijke behandeling plaatsneemt. De overige getuigen zijn reeds gehoord, maar het is van belang om hen te horen over de verklaringen die door de anderen zullen worden afgelegd. De belangen zijn groot in het kader van de waarheidsvinding. Van [betrokkene 6] heb ik geen gegevens en ik heb ook niet de middelen om achter die gegevens te komen. Een enkele afwijzing wegens het ontbreken van de gegevens vind ik te kort door de bocht.”

3.3.3.

Het hof heeft bij monde van de voorzitter te kennen gegeven ter terechtzitting van 28 juni 2016 op de verzoeken te beslissen. Het proces-verbaal van die zitting bevat de volgende beslissing omtrent de verzoeken om [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] als getuigen te horen:

“De voorzitter deelt als beslissingen van het hof het volgende mede:
- ten aanzien van de verzochte getuigen [betrokkene 6] , [aangever 1] , [aangever 3] en [aangever 2] geldt het criterium van verdedigingsbelang, nu zij niet eerder in aanwezigheid van de verdediging als getuige zijn gehoord.

Het hof wijst de verzoeken tot het horen van deze getuigen af, omdat het gestelde verdedigingsbelang bij het horen van voornoemde getuigen onvoldoende is onderbouwd en het hof het horen van de getuigen ambtshalve niet noodzakelijk vindt.”

3.3.4.

Vervolgens wordt de zaak ter terechtzitting van 6 december 2018 door het hof behandeld. Daar heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitaantekeningen de verzoeken om voornoemde getuigen te horen nogmaals gedaan. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Ik wens, mede ter sauvering van de rechten van cliënt te herhalen mijn, eerder door Uw Hof afgewezen, verzoeken om getuigen te horen.

Al sinds 2012 probeer ik het ertoe te leiden dat ik in het kader van de verdediging van cliënt [aangever 1] , [aangever 3] en [aangever 2] kan ondervragen. Deze getuigen waren ten tijde van de aanhouding van cliënt al gehoord in de zaken tegen de medeverdachten doch ik ben daartoe dus niet in staat gesteld. Cliënt is veroordeeld voor feiten welke betrekking hebben op deze drie getuigen/aangevers. Met name deze drie getuigen zijn voor de verdediging van het grootste belang.

Client is steeds tegengeworpen dat de verzoeken niet voldoende gemotiveerd zouden zijn geweest nu ik voornamelijk naar de waarheidsvinding heb verwezen en heb verwezen naar het gegeven dat de rol van mijn cliënt in de verhoren niet danwel amper aan de orde is gekomen.

In het proces-verbaal van 21 juni 2016 is mijn standpunt naar mijn overtuiging summier weergegeven weshalve ik voor de zitting van heden maar e.a.a. op papier heb gezet.

De verklaring van cliënt, welke door de rechtbank als oprecht wordt beoordeeld, heb ik niet kunnen voorhouden aan de aangevers in deze zaak noch zijn de aangevers geconfronteerd kunnen worden met elkaars verklaringen.

Er is nogal wat onduidelijk in deze zaak. Hoeveel mannen zijn er nu de kamer van [aangever 2] en [aangever 1] binnengegaan. Wie heeft er als eerste geslagen? Is [aangever 2] toen op cliënt gesprongen?

Heeft [aangever 1] toen wel of niet gezegd dat hij geld zou gaan halen en is hij vervolgens wel of niet terug gekomen met een ijzeren staaf. Heeft hij nu wel of niet als eerste daarmee [medeverdachte 1] mee op het hoofd geslagen waardoor deze heel erg bloedde? Was deze aanval nu wel of niet ter verdediging zoals de rechtbank stelt? Waartegen moest [aangever 1] zich verdedigen? Is het nu deze aanval op [medeverdachte 1] /deze verwonding geweest waardoor [medeverdachte 2] door het lint ging waarna de boel escaleerde? Wat heeft cliënt vervolgens gedaan? Is hij wel betrokken geweest bij het volgend geweld en zo ja wat is daar zijn specifieke rol in geweest.

Cliënt heeft voornamelijk ontkend dat hij geweld heeft gebruikt en voor zover hij dat wel heeft toegegeven is dat geweld gebruikt om zichzelf danwel een ander te verdedigen. Niemand spreekt specifiek over door client gebruikt geweld doch hij is daarvoor wel veroordeeld.

[aangever 3] verklaarde wel over de ijzeren staaf bij [aangever 1] terwijl [aangever 1] dat ontkent. Waar kwam die staaf vandaan?

[aangever 1] heeft het er weer wel over dat hij mocht gaan pinnen in zijn verhoor in de zaak tegen de medeverdachten, maar voordat hij daartoe kon overgaan 'begon' de vechtpartij. Als hij zich mocht aankleden om te gaan pinnen waarom hebben ze hem dan niet laten gaan pinnen? Het ging toch om het betalen van een schuld?

[aangever 2] heeft het over vier mannen die de kamer binnen kwamen, [aangever 1] spreekt over twee mannen. Als de ander twee inderdaad met een fles wiskey in de huiskamer zijn gaan zitten dan wijst dat niet op enig vooringenomen plan om geweld te gaan gebruiken.

[aangever 1] en [aangever 3] zijn nooit specifiek gewezen op het feit dat de tweede man die met [medeverdachte 1] hun kamer binnenkwam cliënt was, waarna dan vervolgens is gevraagd wat die man nog meer heeft gedaan. Cliënt heeft verklaard dat hij heel snel gewond op de grond lag en niet meer heeft kunnen doen.

Zoals aangegeven is er aan de belangrijkste drie aangevers/getuigen niet specifiek naar de rol van cliënt gevraagd. Hun verklaringen komen niet overeen (voor zover die verklaringen al met elkaar overeen komen) met de inhoud van de verklaringen die door cliënt zijn afgelegd zoals deze getuigen niet geconfronteerd kunnen zijn geworden met de verklaringen van cliënt.

De verdediging acht het van groot belang, zelfs noodzakelijk, in het kader van de steeds aangehaalde waarheidsvinding dat ook de verdediging van cliënt vragen kan stellen aan deze drie aangevers/getuigen. Nu in dit dossier tot op heden geen twee getuigen hetzelfde verklaren geldt dit mijns inziens des te meer.

De procedure bij Uw Hof heeft het extra voordeel dat in eerste aanleg een aantal getuigen al zijn gehoord en dat getuigen in hoger beroep geconfronteerd kunnen worden met elkaars verklaringen. Mede in dat licht hecht de verdediging er zeer aan om ook de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige te ondervragen. Ik heb deze getuige weliswaar in eerste aanleg enkele vragen mogen stellen doch destijds beriep deze zich op zijn zwijgrecht.

Deze getuige/medeverdachte heeft in zijn derde verklaring geprobeerd alles in de schoenen van mijn cliënt te schuiven. Naar ik aanneem heeft hem inmiddels ook het bericht bereikt dat zijn standpunt, gezien alle overige verklaringen in het dossier en de veroordeling door de rechtbank, niet haalbaar is gebleken. Voor zover ik het mij juist herinner heeft ook zijn raadsman in eerste aanleg het standpunt verlaten dat alles wat aan [medeverdachte 1] wordt toegerekend aan cliënt moet worden toegeschreven. Het zou zo maar eens kunnen zijn dat [medeverdachte 1] nu wel bereid is een verklaring af te leggen om zijn handelen voor uw Hof in een juist perspectief te plaatsen. Als verdachte blijkt [medeverdachte 1] niet terecht te willen staan doch als getuige is hij verplicht te verschijnen. Het is van groot belang dat [medeverdachte 1] ondervraagd kan worden voor de zaak van cliënt nu [medeverdachte 1] de sleutelfiguur in deze zaak is.

Ik handhaaf/herhaal derhalve mijn verzoek tot het horen van de getuigen:

- [aangever 2] geboren op [geboortedatum] 1985;

- [aangever 3] geboren [geboortedatum] 1962;

- [aangever 1] geboren [geboortedatum] 1989;

- [medeverdachte 1] geboren [geboortedatum] 1984.”

3.3.5.

Afgaande op het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2018, heeft het hof op de herhaalde verzoeken als volgt beslist:


“Gelet op het bepaalde in artikel 322, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) blijven eerdere beslissingen ten aanzien van onderzoekswensen in stand, ook indien het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen. Aangezien deze verzoeken eerder zijn afgewezen en er vandaag geen nieuwe onderbouwing aan de verzoeken ten grondslag is gelegd zullen deze worden afgewezen.”

3.3.6.

Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. Daartoe heeft hij volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 december 2018 onder meer het volgende medegedeeld:


“Ik persisteer bij mijn eerdere getuigenverzoeken en ik berust niet in de afwijzing van die verzoeken. De rechtbank heeft de verklaringen van die getuigen gebruikt voor het bewijs terwijl ik de betrouwbaarheid van deze getuigen niet heb kunnen toetsen. Deze verklaringen zijn onbetrouwbaar en niemand heeft hetzelfde verklaard. U mag deze verklaringen dan ook helemaal niet gebruiken voor het bewijs.”

3.3.7.

Tot zover de voorgeschiedenis met betrekking tot de getuigenverzoeken.

3.4.

In het bestreden arrest heeft het hof de (wederom) herhaalde verzoeken als volgt samengevat en afgewezen:


“Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de aangevers [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ), [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) en [aangever 3] (hierna: [aangever 3] ), de getuige [betrokkene 7] en de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) als getuigen te horen om hen de verklaring van de verdachte voor te kunnen houden en hen te kunnen confronteren met elkaars verklaringen. Nu de raadsman geen nieuwe onderbouwing aan deze reeds eerder afgewezen verzoeken ten grondslag heeft gelegd, heeft het hof deze verzoeken ter terechtzitting in hoger beroep afgewezen.
Bij pleidooi heeft de raadsman naar voren gebracht te persisteren in zijn getuigenverzoeken, zodat deze verzoeken wederom ter beoordeling aan het hof voorliggen. Nu de raadsman wederom heeft verzuimd een nieuwe onderbouwing aan deze verzoeken ten grondslag te leggen, zullen deze verzoeken worden afgewezen op dezelfde gronden als bij de eerder afgewezen verzoeken.”

3.5.

Het middel klaagt in de eerste plaats over de begrijpelijkheid en motivering van de afwijzing van de op 6 december 2018 gedane verzoeken en beperkt zich tot de verzoeken die betrekking hebben op de aangevers [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] . Centraal bij deze deelklacht staat de vraag of het hof, dat bij zijn beslissing de maatstaf van het verdedigingsbelang tot uitgangspunt heeft genomen, de verzoeken kon afwijzen op de grond dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat de verzoeken in ieder geval ter terechtzitting van 6 december 2018 uitvoeriger zijn toegelicht dan bij de voorgaande verzoeken het geval was, zodat – zo begrijp ik de klacht – de motivering van het hof dat de raadsman geen nieuwe onderbouwing aan de reeds eerder afgewezen verzoeken ten grondslag heeft gelegd onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

3.6.

Voor de beoordeling van deze klacht zijn de overzichtsarresten die de Hoge Raad op 4 juli 2017 heeft gewezen van belang.2 Daarin stond steeds centraal hoe verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen in het licht van de recente EHRM-rechtspraak dienen te worden gemotiveerd en onderbouwd in relatie tot de criteria die hiervoor in het Nederlandse strafproces worden gehanteerd, zijnde het noodzakelijkheidscriterium en de maatstaf van het verdedigingsbelang. In deze arresten heeft de Hoge Raad vastgehouden aan de uitgangspunten die hij al in zijn overzichtsarrest van 1 juli 20143 had geformuleerd, met name dat een getuigenverzoek door de verdediging, ook als dit getoetst wordt aan de maatstaf van het verdedigingsbelang, naar behoren dient te worden onderbouwd.4 In een nadere beschouwing overweegt de Hoge Raad dat die onderbouwing ertoe dient de rechter in staat te stellen de relevantie van het verzoek te beoordelen en er aan bijdraagt zo vroegtijdig mogelijk het recht op een eerlijk proces bij de beoordeling te betrekken. De rechter moet immers al tijdens de procedure beslissingen nemen omtrent het oproepen en het horen van getuigen, terwijl pas achteraf de balans (door het EHRM) kan worden opgemaakt of het strafproces als geheel beschouwd eerlijk is verlopen.5

3.7.

Het verschil tussen de beide nationale maatstaven, het verdedigingsbelang en het noodzakelijkheidscriterium, ligt vooral in de gezichtshoek van waaruit een verzoek tot het horen van getuigen wordt beoordeeld. Het verdedigingsbelang veronderstelt een meer terughoudende toets, waarbij als uitgangspunt geldt dat het OM of de rechter een hierop gebaseerd verzoek alleen dan kan afwijzen als – bezien vanuit de positie van de verdediging – de verdachte hierdoor redelijkerwijs niet in zijn belang wordt geschaad of als redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat de betreffende getuige iets over de punten waarover de verdediging vragen wil stellen zou kunnen verklaren. Bij de beoordeling aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium is de gezichtshoek van de rechter doorslaggevend, namelijk of het horen van een getuige noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Bij een afwijzing die gebaseerd is op het noodzakelijkheidscriterium kan de rechter volstaan met een motivering die niet meer omvat dan dat de rechter zich door het verhandelde op de terechtzitting voldoende ingelicht acht.6

3.8.

Het verschil tussen de twee criteria is in de rechtspraak in toenemende mate gerelativeerd, omdat ook bij de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium in voorkomende gevallen de belangen van de verdediging moeten worden betrokken en de rechter zijn beslissing getuigenverzoeken af te wijzen nader dient te motiveren.7 Maar niet alleen het onderscheid tussen de twee maatstaven is gerelativeerd, in feite zijn ook de eisen die worden gesteld aan de motivering van een getuigenverzoek naar elkaar toegegroeid. Wat dat betreft maakt voor de eisen die aan de onderbouwing van een verzoek worden gesteld niet meer zoveel uit of nu het noodzakelijkheidscriterium of de maatstaf van het verdedigingsbelang van toepassing is.8 Het onderscheid kan nog wel een rol spelen bij de eisen die aan de motivering door de rechter bij de afwijzing van een verzoek worden gesteld: bij de toetsing aan het verdedigingsbelang zal de rechter moeten uitleggen waarom door de afwijzing van de oproeping van de verzochte getuige de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad9 en als het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is zal de rechter, bij een goed onderbouwd verzoek, moeten motiveren waarom hij het horen van een getuige met het oog op de volledigheid van het onderzoek niet nodig acht.

3.9.

De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarresten van 4 juli 2017 niet alleen de (de ratio) van de onderbouwingsplicht door de verdediging – de rechter in staat stellen een goed afgewogen beslissing te nemen – meer expliciet gemaakt, maar ook benadrukt dat de afwijzing van een duidelijk onderbouwd getuigenverzoek “de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust” moet vermelden, welke motiveringsplicht mede op art. 6 EVRM berust.10 Dus tegenover de onderbouwingsplicht van de verdediging staat een motiveringsplicht van de rechter. In cassatie gaat het dan, zoals de Hoge Raad het in zijn arrest van 4 juli 2017 nog eens herhaalt, “in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van — als waren het communicerende vaten — enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.”11

3.10.

Wat betekent dit nu voor de beoordeling van de eerste klacht die het middel bevat?

3.11.

Aan het verzoek van de verdediging is ten overstaan van het hof, in de kern samengevat, het volgende ten grondslag gelegd:

(i) De verdachte betwist de gang van zaken zoals die onder andere door de aangevers is geschetst, met name wat betreft zijn rol bij het zware geweld dat tegen de aangevers is aangewend;12

(ii) De verdachte is niet eerder in staat gesteld de aangevers hieromtrent te horen;

(iii) Op basis van de verklaringen die onder andere door de aangevers zijn afgelegd is onduidelijkheid blijven bestaan over de feitelijke gang van zaken, met name wat de verdachte volgens de aangevers heeft gedaan nadat [medeverdachte 1] door [aangever 1] op zijn hoofd was geslagen met een voorwerp, waarop het geweld is geëscaleerd;13

(iv) Er is bij eerdere getuigenverhoren van de aangevers in de zaken van de medeverdachten, die kennelijk hebben plaatsgevonden toen de verdachte zich nog in overleveringsdetentie in Polen bevond, aan de drie aangevers niet gevraagd naar de rol van de verdachte en de verklaringen van de aangevers komen op dat punt ook niet met elkaar overeen.

3.12.

Met de steller van het middel ben ik van mening dat de motivering van het hof, die niet meer bevat dan dat de raadsman heeft verzuimd aan de eerder gedane en afgewezen verzoeken een (nieuwe) onderbouwing ten grondslag te leggen, niet toereikend is. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat de afwijzing van de verzoeken op de zitting van 21 juni 2016 niet méér inhoudt dan dat het hof de verzoeken tot het horen van deze getuigen afwijst, omdat het gestelde verdedigingsbelang bij het horen van voornoemde getuigen onvoldoende is onderbouwd en het hof het horen van de getuigen ambtshalve niet noodzakelijk vindt. Weliswaar is de onderbouwing in de appelschriftuur en op de zitting 21 juni 2016 globaler geformuleerd (“niet een verklaring is gelijk”), maar uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat in essentie ook toen naar voren is gebracht dat de verdediging de verhoren in het belang van de waarheidsvinding acht en doordat zij nog niet in de gelegenheid was gesteld de betrokken getuigen over de rol van de verdachte te horen, hierover onduidelijkheid is blijven bestaan. Met name hetgeen door de raadsman ter terechtzitting van 6 december 2018 aan de verzoeken ten grondslag is gelegd bevat in mijn ogen voldoende concrete aanknopingspunten waarom het horen van de getuigen door de verdediging van belang werd geacht. Hieruit blijkt dat het de verdediging erom te doen was duidelijkheid te verkrijgen of en zo ja in welke mate de verdachte betrokken is geweest bij het geëscaleerde geweld dat is toegepast nadat een van de aangevers ( [medeverdachte 1] ) door [aangever 1] met een voorwerp op zijn hoofd was geslagen.14 In de processen-verbaal van de terechtzitting en de pleitnota wordt weliswaar niet met zoveel woorden vermeld voor welke uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing de getuigenverhoren van belang zijn, maar het moet het hof voldoende duidelijk zijn geweest, zoals in de toelichting van het middel wordt naar voren gebracht, dat de vragen van de verdediging naar de betrokkenheid en de rol van de verdachte betrekking hadden op het tenlastegelegde medeplegen van de zware mishandeling die heeft plaatsgevonden toen de zaak is geëscaleerd.

3.13.

Gelet op het voorgaande acht ik de afwijzing van het verzoek tot het horen van de aangevers als getuige, omdat het gestelde verdedigingsbelang bij het horen van voornoemde getuigen onvoldoende is onderbouwd, gelet op hetgeen aan dat verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer begrijpelijk zodat deze klacht terecht is voorgesteld.

3.14.

Daarmee slaagt het middel en reeds op deze grond en kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven.

3.15.

Voor het geval de Hoge Raad mij hierin niet volgt bespreek ik ook de tweede deelklacht die het middel bevat.

Tweede klacht

3.16.

De tweede klacht is dat de verklaringen van de aangevers [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] voor het bewijs zijn gebezigd, terwijl de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de aangevers te ondervragen en de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde niet in voldoende mate steun vindt in de andere bewijsmiddelen.

3.17.

Bij de beoordeling van deze klacht stel ik het volgende voorop. In zijn hiervoor reeds meermalen aangehaalde arrest van 4 juli 2017 heeft de Hoge Raad ten aanzien van gevallen dat voor het bewijs een verklaring wordt gebezigd van een getuige die niet kon worden ondervraagd, onder meer het volgende overwogen:


“3.2.1. Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2. Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van – kort gezegd – een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

3.2.3. Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.”15

3.18.

In de toelichting op het middel wordt bij voorgaande uitgangspunten aangesloten en samengevat het volgende naar voren gebracht:

(i) De verklaringen van de aangevers vormen de kern van de bewijsvoering, Nu zonder deze verklaringen de bewezenverklaring niet overeind zou blijven, moeten deze als beslissend worden aangemerkt voor het bewijsoordeel.

(ii) Het steunbewijs waarnaar door het hof wordt verwezen bestaat uit “de eigen verklaringen van de verdachte en de medeverdachten over hun aanwezigheid in de woning, de letselverklaringen met betrekking tot de slachtoffers [aangever 1] en [aangever 3] , en de processen-verbaal waarin de vondst wordt gerelateerd van de slagwapens die zijn gebruikt.”

(iii) Dit steunbewijs heeft geen betrekking op de onderdelen die de verdachte van de belastende verklaringen betwist, namelijk dat hij niet deelgenomen heeft aan de mishandelingen die hebben geleid tot zwaar lichamelijk letsel bij [aangever 1] en [aangever 3] en dat zijn opzet daarop ook ten aanzien van [aangever 2] niet was gericht.

(iv) Er zijn door het hof geen maatregelen getroffen om de verdediging te compenseren voor het feit dat zij de aangevers niet als getuigen hebben kunnen horen.

3.19.

Naar mijn mening snijden de aangevoerde argumenten hout. Ik ben het met de steller van het middel eens dat – uitgaande van het gevoerde verweer in de context van het verdedigingsbelang – het steunbewijs waarnaar het hof verwijst, zoals de Hoge Raad in zijn hiervoor onder 3.18 geciteerde arrest in overweging 3.2.2. weergeeft, geen betrekking heeft op de onderdelen van de belastende verklaringen die de verdachte betwist. Immers als de rechter zich wil verlaten op steunbewijs, moet hij het steunbewijs buiten beschouwing laten, dat geen betrekking heeft op de door de verdachte betwiste onderdelen van de belastende getuigenverklaring.16

3.20.

Daaraan kan nog worden toegevoegd dat het hof naar mijn smaak bij de motivering van zijn afwijzing te zwaar heeft geleund op de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangevers, waarmee volgens de Hoge Raad in zijn hiervoor onder 3.18. geciteerde arrest in overweging 3.2.3. niet kan worden volstaan. Het hof overweegt immers in dit verband, dat de verklaringen van de aangevers voldoende consistent en betrouwbaar zijn omdat zij daarover van begin af aan op essentiële punten consequent hebben verklaard over de gebeurtenissen in de nacht van 10 op 11 december 2010 en dat deze verklaringen in grote lijnen overeenkomen. Verder heeft het hof overwogen dat het noch in het dossier noch in het verhandelde op de zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep aanknopingspunten heeft gevonden op grond waarvan aan de verklaringen van de aangevers zou moeten worden getwijfeld. De andere bewijsmiddelen waar het hof naar verwijst, hebben, zoals hiervoor al gezegd, geen betrekking hebben op de onderdelen van de verklaringen die de verdachte betwist. Voor de verwerping van het verweer dat er geen sprake is van medeplegen noemt het hof weliswaar de verklaring van de verdachte zelf waaruit blijkt dat hij “de andere jongen zou slaan” maar deze verklaring heeft in de visie van de verdediging alleen betrekking op het gebruikte geweld dat de verdachte heeft toegegeven en heeft plaatsgevonden in de eerste fase van het incident. Voor het medeplegen van de in de tweede fase toegepaste zware geweld wijst het hof (wederom) naar de verklaringen van de aangevers, waaruit blijkt dat door alle vier de verdachten gezamenlijk geweld is toegepast. Het is juist dit aspect van de verklaringen dat door de verdachte betwist wordt en waar de verdachte de aangevers vragen over had willen stellen. Tot slot heeft het hof in zijn nadere bewijsoverweging in de aanvulling op het arrest feitelijk niets vastgesteld over het aandeel van de verdachte in het geweld, nadat de situatie was geëscaleerd.

3.21.

Ik kom daarom tot de conclusie dat ook de tweede deelklacht slaagt en dat de motivering van het hof dat er voldoende steunbewijs aanwezig is, tekort schiet.17

3.22.

Ik heb mij, met het oog op het belang van de verdachte bij deze klacht, nog afgevraagd of hierbij kan worden betrokken dat het voor de bewezenverklaring van het medeplegen van het zware geweld in beginsel niet noodzakelijk is dat de verdachte zich hier zelf aan schuldig heeft gemaakt. Voor het aannemen van medeplegen is immers niet vereist dat alle delictsbestanden door alle daders zijn vervuld, maar is een nauwe en bewuste samenwerking voldoende. Zoals door de rechtbank in eerste aanleg is overwogen, is de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] welbewust meegegaan met de groep die gelet op het motief van geld halen, uit was op een confrontatie met in ieder geval de aangever [aangever 1] . Volgens de rechtbank had de verdachte er ernstig rekening mee moeten houden dat dit een recept voor escalatie zou kunnen zijn en heeft hij op geen enkele wijze getracht om een einde aan het forse geweld te maken. In de bewezenverklaring van de rechtbank doet het er dus niet toe of de verdachte zelf het zware geweld heeft toegepast.

Het hof heeft echter voor een andere benadering gekozen en op basis van de verklaringen van de aangevers aangenomen dat de verdachte zelf heeft deelgenomen aan het zware geweld dat is toegepast nadat de situatie was geëscaleerd. Ik ben dan ook van mening dat het de procesorde in cassatie te buiten zou gaan om bij de beoordeling van het belang van de verdachte bij onderhavige klacht te betrekken dat een bewezenverklaring van medeplegen ook mogelijk zou zijn geweest op grond van hetgeen de verdachte zelf heeft toegegeven.

3.23.

Ik kom dan ook tot de slotsom dat het eerste middel slaagt, ook wat betreft de tweede klacht.

3.24.

Ik bespreek hierna nog het tweede en derde middel voor het geval de Hoge Raad over het eerste middel anders oordeelt.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt in de kern dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de LOVS-oriëntatiepunten, doordat het hof bij het bepalen van de op te leggen straf de oriëntatiepunten voor zeer zwaar lichamelijk letsel als uitgangspunt heeft genomen (24 maanden gevangenisstraf bij het toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel). Hierdoor is de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden onbegrijpelijk dan wel ongenoegzaam gemotiveerd.

4.2.

Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging het volgende overwogen:

“Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft bij haar vordering rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich tezamen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van twee mannen en de poging daartoe van een ander. Daartoe zijn zij in de nachtelijke uren de woning van de slachtoffers binnen gegaan, die op dat moment lagen te slapen of aanstonds van plan waren om te gaan slapen. Naast de slachtoffers waren er verschillende andere personen in de woning aanwezig, die van de zware mishandeling getuige zijn geweest. Eenmaal binnen hebben de verdachte en zijn medeverdachten de slachtoffers op vreselijke wijze toegetakeld, onder meer door samen op hen in te schoppen en met afgebroken stoelpoten te slaan. Bovendien hebben zij geprobeerd een bezemsteel in de anus van een van de slachtoffers te duwen. De slachtoffers hebben hier (zeer fors en pijnlijk) letsel aan overgehouden. Dat de slachtoffers er niet nog erger aan toe zijn en het voorval hebben kunnen navertellen is geenszins aan het handelen van de verdachte noch dat van zijn medeverdachten toe te schrijven.

De toedracht van het toegepaste geweld moet in de financiële sfeer gezocht worden. Daarmee hebben de verdachten hun gestelde financiële belangen ver boven het fysieke welzijn van de slachtoffers geplaatst. Het voorgaande acht het hof des te kwalijker nu de mishandeling gedurende de nachtelijke uren in de woning van de slachtoffers heeft plaatsgevonden, een plek waar de slachtoffers zich, evenals de overige bewoners, veilig en onbezorgd moeten kunnen voelen. Het voorgaande rekent het hof de verdachte aan.
Het hof heeft gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen voor zware mishandeling plegen te worden opgelegd, welke hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden als passend geacht. Die straf neemt het hof als uitgangspunt; een andere strafmodaliteit dan onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is voor dergelijk geweld niet aan de orde. In dit geval hebben de verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van twee slachtoffers en de poging daartoe van een derde slachtoffer Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, zoals door de advocaat-generaal is geëist.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de tijd die verdachte reeds, al dan niet in Polen, in detentie heeft doorgebracht. De omstandigheid dat de feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders, te meer nu met die omstandigheid, in het kader van de overschrijding van de redelijke termijn, rekening zal worden gehouden.
(…).”

4.3.

Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter niet is gebonden aan de LOVS-oriëntatiepunten en dat de uitleg hiervan aan hem is voorbehouden. In gevallen waarin hij die oriëntatiepunten uitlegt en/of toepast, kan in cassatie wel worden getoetst of die uitleg en toepassing begrijpelijk is. Gelet op de rechterlijke straftoemetingsvrijheid en de aard van die oriëntatiepunten, heeft die toetsing echter een beperkt karakter.18

4.4.

De LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van (zware) mishandeling houden, voor zover hier relevant, het volgende in:

“Art. 300/302/304 Sr mishandeling
(…)

Art. 302 Sr zware mishandeling

(…)

Omschrijving

Oriëntatiepunt

a. Opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik te maken van een wapen

3 maanden gs ov

b. Opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld één of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd

6 maanden gs ov

c. Opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen)

7 maanden gs ov

d. Opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, zonder gebruik te maken van een wapen

8 maanden gs ov

e. Opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen)

1 jaar gs ov


Toelichting oriëntatiepunten 300/302 Sr (zware) mishandeling

(…)

Begripsomschrijvingen

(…)


Het in art. 302 Sr bedoelde zwaar lichamelijk letsel kan worden onderscheiden in zwaar lichamelijk letsel en zeer zwaar lichamelijk letsel. Onder zwaar lichamelijk letsel moet worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in art. 302 Sr, waarvan volledig herstel valt te verwachten binnen zes maanden na de gebeurtenis. Medisch ingrijpen zal in het algemeen geïndiceerd zijn. Het gaat bijvoorbeeld om ingrijpende breuken. Onder zeer zwaar lichamelijk letsel moet worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in art. 302 Sr, dat levensbedreigend is of waarvan een zeer langdurige herstelperiode (meer dan zes maanden) of geen volledige genezing wordt verwacht.”

4.5.

Zoals gezegd, is de steller van het middel van opvatting dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de LOVS-oriëntatiepunten door bij het bepalen van de op te leggen straf de oriëntatiepunten voor zeer zwaar lichamelijk letsel als uitgangspunt te nemen.

4.6.

Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Het hof heeft overwogen dat de verdachte zich tezamen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan de zware mishandeling van twee mannen en de poging daartoe van een ander, onder meer door samen op hen in te schoppen en met afgebroken stoelpoten te slaan. Bovendien hebben zij geprobeerd een bezemsteel in de anus van een van de slachtoffers te duwen. De slachtoffers hebben hier (zeer fors en pijnlijk) letsel aan overgehouden. Volgens de – hiervoor onder 2.2. weergegeven – bewijsmiddelen (in het bijzonder bewijsmiddel 4 en 5) heeft aangever [aangever 1] hierdoor onder meer (inwendig) blaasletsel opgelopen waardoor twee weken een katheter is geplaatst, heeft hij bij elkaar zes maanden niet kunnen werken en kon hij die maanden moeilijk staan en lopen. Afgaande op bewijsmiddel 8, 9 en 10, heeft aangever [aangever 3] onder meer een gebroken oogkas, een gebroken jukbeen, mogelijk letsel aan de oogzenuw en letsel in het aangezicht opgelopen. Hierdoor is de iris deels losgekomen van de basis, wat oogdrukproblemen kan opleveren en kan betekenen dat hij voor de rest voor zijn leven druk verlagende medicatie moet gebruiken. Ook is de lens aangedaan, deze begint eerder dan normaal te vertroebelen en zal eerder vervangen moeten worden. Mede daardoor heeft hij een gezichtsscherpte van 0,1 (dat is 10% van wat de gemiddelde Nederlander normaal zou moeten kunnen zijn) en er bestaat een kans dat hij, ondanks het vervangen van de troebele lens, nooit meer zo goed zal kunnen zien als voorheen.

4.7.

Volgens de – hiervoor onder 4.4. weergegeven – “toelichting oriëntatiepunten 300/302 Sr (zware) mishandeling” moet onder zeer zwaar lichamelijk letsel worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in art. 302 Sr, dat levensbedreigend is of waarvan een zeer langdurige herstelperiode (meer dan zes maanden) of geen volledige genezing wordt verwacht. Dat het hof bij het bepalen van de op te leggen straf heeft aangeknoopt bij het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen), acht ik dan ook, gelet op het hiervoor samengevatte letsel van de slachtoffers, geenszins onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

4.8.

Het middel faalt en kan, indien de Hoge Raad daaraan toekomt, met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende verkorte motivering worden afgedaan.

5 Het derde middel

5.1.

Het middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in cassatiefase is overschreden.

5.2.

Op zichzelf is het middel terecht voorgesteld. Namens de verdachte is op 31 december 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 26 november 2019 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De klacht houdt in dat de stukken niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden. De inzendtermijn is met afgerond drie maanden overschreden. Daarbij merk ik op dat ook de termijn van zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep is overschreden, zodat dit verzuim niet meer valt te repareren met een voortvarende afdoening door de Hoge Raad.19

5.3.

Nu ik heb geconcludeerd dat het eerste middel slaagt hoeft, als de Hoge Raad mij daarin volgt, aan de overschrijding geen consequenties te worden verbonden. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld.

6 Ambtshalve overweging

6.1.

Ambtshalve wijs ik op het volgende. De op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017/82) heeft onder meer tot gevolg dat met ingang van die datum de rechter niet langer de mogelijkheid heeft om vervangende hechtenis te verbinden aan de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, voor het geval geen volledige betaling of volledig verhaal volgt. In plaats daarvan kan de rechter het dwangmiddel van de gijzeling opleggen, die net als de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar kan duren.

6.2.

In HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daarmee sprake is van een verandering in de regels van sanctierecht die ten gunste van de verdachte werkt en die met onmiddellijke ingang moet worden toegepast. Gelet hierop zal de Hoge Raad in zaken waarin de cassatieschriftuur is binnengekomen voor of op 26 juni 2020 de uitspraak van het hof waarbij aan de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is verbonden in zoverre ambtshalve vernietigen.

6.3.

Indien de Hoge Raad het cassatieberoep verwerpt, doet zich dit in de onderhavige zaak voor.

7 Conclusie

7.1.

Het eerste middel en het derde middel slagen. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende verkorte motivering.

7.2.

Ambtshalve heb ik, afgezien van hetgeen ik onder 6 heb vermeld, geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

7.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij akte van 23 maart 2020 is namens de verdachte het cassatieberoep partieel ingetrokken, voor zover dit de beslissing om de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep te verklaren ter zake van het onder 1, 3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde betrof.

2 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441, m.nt. Kooijmans.

3 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers.

4 Zie voor mijn andersluidende conclusie voorafgaand aan HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, met betrekking tot de eis verzoeken om getuigen à charge te onderbouwen als het verdedigingsbelang van toepassing is, ECLI:NL:PHR:2017:172 onder 3.8.23. – 3.8.38. en in gelijke zin de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1208, NJ 2017/444, m.nt. Kooijmans, ECLI:NL:PHR:2017:569, onder 3.7. en 3.8.

5 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans, rov. 3.6.

6 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans, rov. 2.8.

7 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, rov. 2.59. waarin wordt verwezen naar HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626, m.nt. Mevis en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1207, NJ 2017/443.

8 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.59. Zie voor een voorbeeld waarin de Hoge Raad de afwijzing van een verzoek onvoldoende gemotiveerd acht “daargelaten of het hof bij de beoordelen van het verzoek het toepasselijke criterium heeft aangelegd” HR 28 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2146.

9 Zie bijvoorbeeld HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1217, NJ 2017/446, m.nt. Kooijmans rov. 3.3. en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1232, NJ 2017/445, m.nt. Kooijmans, rov. 3.4. en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1208, NJ 2017/444, m.nt. Kooijmans rov. 3.3.

10 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans, rov. 3.8.1.

11 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans, rov. 3.8.2.

12 Zie het proces-verbaal van de zitting van 21 juni 2016 zoals hiervoor geciteerd onder 3.3.2.

13 Zie de – hiervoor onder 3.3.4. weergegeven – pleitnota overgelegd op de zitting van 6 december 2018: “Wat heeft cliënt vervolgens gedaan? Is hij wel betrokken geweest bij het volgend geweld en zo ja wat is daar zijn specifieke rol in geweest.” Volgens de pleitnota stelt de verdachte dat hij in die fase snel werd uitgeschakeld en door zijn verwondingen niets meer kon doen.

14 In dat verband kan worden opgemerkt dat in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, met name bewijsmiddel 6 en 7, wordt gerept over een vierde man die stond toe te kijken. Volgens bewijsmiddel 6 verklaart [aangever 2] dat er vier mannen in zijn slaapkamer stonden die zijn collega aan het slaan waren en vervolgens dat ze met z’n drieën op [aangever 1] insloegen, terwijl een vierde stond toe te kijken en in bewijsmiddel 7 is als verklaring van [aangever 3] opgenomen “eigenlijk waren er op een gegeven moment maar drie mannen die [aangever 1] vasthielden.”

15 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447, m.nt. Kooijmans. Zie ook HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:227, NJ 2020/186, m.nt. W.H. Vellinga. In zijn aan dit laatstgenoemde arrest voorafgaande conclusie van 3 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1252, is mijn ambtgenoot Aben uitvoerig ingegaan op de verhouding tussen de ‘sole or decisive rule’ in de rechtspraak van het EHRM en het criterium van voldoende steunbewijs in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Hij kwam in par. 41. onder meer tot de conclusie dat niet valt uit te sluiten dat het verschil in perspectief tussen de Straatsburgse en de Nederlandse benaderingen aanleiding kan geven tot antwoorden die niet met elkaar corresponderen. Anders gezegd, kan dezelfde bewijsconstructie er vanuit verschillende invalshoeken anders uitzien. Mede gelet daarop adviseerde hij de Hoge Raad om de uitspraak van het hof te vernietigen, omdat de voor het bewijs gebruikte verklaring van de niet-ondervraagde getuige naar zijn inzicht en naar Straatsburgse maatstaven beslissend was voor de bewezenverklaring. De indicaties die uit het overige bewijsmateriaal vielen af te leiden moesten volgens hem, in elk geval vanuit het perspectief van het EHRM, als te licht worden bevonden. De Hoge Raad ging hier niet in mee door het cassatieberoep te verwerpen. Bovendien hield de Hoge Raad daarbij uitdrukkelijk vast aan het eigen – hierboven onder 3.18. weergegeven – beoordelingskader uit zijn arrest uit 2017.

16 Zie HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1207, NJ 2017/443, m.nt. Kooijmans, rov. 2.4.

17 Zie voor gevallen waarin de Hoge Raad op deze grond casseerde: HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1131, rov. 2.4. en HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1953, rov. 2.5. In de navolgende zaken achtte de Hoge Raad voldoende steunbewijs aanwezig dat betrekking had op die onderdelen van de verklaringen die door de verdachte waren betwist: HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1212, rov. 3.5.; HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447, m.nt. Kooijmans, rov. 4.4.; HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:123, NJ 2019/217, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 3.4.; HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:908, NJ 2019/256, rov. 2.4.; HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1058, NJ 2019/302, rov. 2.4.; HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:59, NJ 2020/126, m.nt. Kooijmans, rov. 5.5.1. – 5.5.2.; HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:227, NJ 2020/186, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4.1. – 2.4.3.

18 HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:320 en HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:114, NJ 2017/199, m.nt. F. Vellinga-Schootstra.

19 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.