Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:680

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
19/04321
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1228
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rolconclusie AG n.a.v. het verzoek van het openbaar ministerie om bepaalde stukken niet aan de klaagsters in cassatie te verstrekken in een beklagprocecdure als bedoeld in art. 552a juncto 5.4.10 Sv n.a.v. de uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (EOB). De rolconclusie gaat nader in op de Nederlandse implementatie van de EU Richtlijn inzake het EOB en hoe om te gaan met de daarin voorgeschreven geheimhouding van het onderzoek en het EOB. Geconcludeerd wordt dat het verzoek van het openbaar ministerie deels moet worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04321 Br

Zitting 9 juni 2020

ROLCONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

en

[klager 2],

hierna: de klagers

1 Inleiding

1.1.

Het gaat in deze rolconclusie over een verzoek tot geheimhouding van stukken van de zijde van het openbaar ministerie in het kader van een beklagprocedure ex art. 552a Sv met betrekking tot de beslaglegging op administratieve bescheiden en digitale gegevens bij meerdere bedrijven en personen tijdens een doorzoeking op 11 april 2019 op adressen in Den Haag en Amsterdam ter uitvoering van een door de Franse autoriteiten uitgevaardigd Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB). De klagers zijn niet de beslagenen maar verschoningsgerechtigden die een beroep doen op hun verschoningsrecht met betrekking tot stukken en gegevens waarop beslag is gelegd.

1.2.

De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 23 juli 2019 het beklag van de klagers op de voet van art. 552a in verbinding met 5.4.10 Sv deels niet-ontvankelijk en deels gegrond verklaard.

1.3.

Namens het openbaar ministerie heeft mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag en het Functioneel Parket, op 31 juli 2019 cassatieberoep ingesteld.

1.4.

Er bestaat samenhang met de zaak 19/03850.1 In deze zaak zal ik vandaag ook een rolconclusie nemen.

1.5.

Het openbaar ministerie, mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket, heeft op 2 december 2019 aan de rolraadsheer van de Hoge Raad een verzoek tot geheimhouding gedaan met betrekking tot:

  • -

    een EOB van 11 april 2019 met eventuele onderliggende stukken en eventuele aanvullende onderzoeksbevelen van latere datum voor zover die zich bevinden in het dossier waarover de Hoge Raad beschikt;

  • -

    alsmede de in de cassatieprocedure opgemaakte en nog op te maken processtukken voor zover dit in strijd zou zijn met de door de Franse autoriteiten verzochte geheimhouding.

1.6.

De rolraadsheer van de Hoge Raad heeft de raadsman van de klagers, mr. V.J.C. de Bruijn, in de gelegenheid gesteld op het verzoek schriftelijk te reageren. De reactie van de raadsman strekt ertoe dat het verzoek van het openbaar ministerie zal worden afgewezen en dat aan de raadsman (alsnog) een afschrift van de processtukken vermeld in het verzoek van het openbaar ministerie d.d. 2 december 2019 wordt verstrekt.

2 Procesverloop

2.1.

Voor zover voor de beoordeling van de verzoeken van het openbaar ministerie en de klagers van belang en redelijkerwijs niet als vertrouwelijk te beschouwen, komt uit de aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken het volgende procesverloop naar voren:

(i) De Franse autoriteiten hebben door middel van een EOB van 9 oktober 2018 verzocht om assistentie bij een strafrechtelijk onderzoek.

(ii) Ter uitvoering van dat verzoek zijn op 11 april 2019 onder de klaagsters in de samenhangende zaak administratie en digitale gegevens in beslag genomen dan wel vastgelegd.

(iii) De klagers in de onderhavige zaak hebben op 23 mei 2019 een klaagschrift bij de rechtbank ingediend.

(iv) Het klaagschrift is door de rechtbank achter gesloten deuren behandeld op 11 juni en 9 juli 2019.2

(v) Op 23 juli 2019 heeft de rechtbank op het klaagschrift beslist en de beschikking in het openbaar uitgesproken. Uit de beschikking blijkt dat de rechtbank in verband met een verzoek van de bevoegde Franse justitiële autoriteiten tot geheimhouding van het onderliggende onderzoek het EOB en de onderliggende stukken niet heeft verstrekt aan de klagers.

(vi) Tegen deze beschikking heeft het openbaar ministerie, zoals gezegd, op 31 juli 2019 cassatieberoep ingesteld. De aanzegging is op 14 februari 2020 verzonden en namens het openbaar ministerie is op 25 februari 2020 een cassatieschriftuur ingediend.

(vii) Bij verweerschrift van 29 mei 2020 hebben klagers het cassatieberoep tegengesproken.

(viii) Op 2 december 2019 is ter griffie van de Hoge Raad een brief van het openbaar ministerie ontvangen met daarin het in de randnummer 1.5. genoemde verzoek, alsmede een toelichting daarop.

(ix) Namens de griffier van de Hoge Raad is de raadsman van de klagers op 15 mei 2020 over het verzoek tot geheimhouding geïnformeerd en is hem een termijn van twee weken geboden om hierover opmerkingen te maken. Daarbij is aangekondigd dat de rolraadsheer een schriftelijke rolbeslissing zal nemen over het verzoek tot geheimhouding, maar dat eerst namens de procureur-generaal een (rol)conclusie over dat verzoek zal worden genomen en het openbaar ministerie en de raadsman in de gelegenheid zullen worden gesteld om op deze (rol)conclusie te reageren.

(x) Bij brief van 28 mei 2020 heeft de raadsman op het verzoek tot geheimhouding van het openbaar ministerie gereageerd op de wijze als in randnummer 1.6. vermeld.

3. De verzoeken betreffende de geheimhouding/verstrekking van (afschriften) van processtukken

3.1.

Uit het voorgaande blijkt dat het verzoek van het openbaar ministerie tot geheimhouding betrekking heeft op de volgende stukken die aan de Hoge Raad op de voet van artikel 434, eerste lid, Sv zijn toegezonden:

(i) het ‘’Europees onderzoeksbevel’’ met datum ‘’11-04-2019’’ met daarbij als opmerking: ‘’betreft het onderzoeksbevel (opgesteld in zowel de Franse als de Engelse taal), alsmede eventuele onderliggende (aanvullende) stukken en/of (aanvullende) onderzoeksbevelen van latere datum voor zover die zich bevinden in het dossier waarover de Hoge Raad beschikt.’’

(ii) de in cassatie opgemaakte en nog op te maken stukken, waaronder (delen van) conclusies, genomen door het parket bij de Hoge Raad, en (tussen/rol)-beschik-kingen/uitspraken van de Hoge Raad indien en voor zover dit in strijd zo zou zijn met de door de Franse autoriteiten verzochte geheimhouding.

3.2.

In de toelichting op het verzoek wordt door het openbaar ministerie aangevoerd dat de Franse justitiële autoriteiten in de aanhef van het door hen uitgevaardigde EOB hebben verzocht om geheimhouding. Om die reden zijn door de rechtbank het EOB en de onderliggende stukken niet verstrekt aan de klagers. Uitgangspunt in de procedure rond het EOB is dat daarbij geheimhouding in acht wordt genomen. Dit volgt uit art. 19 Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken. Gelet hierop verzoekt het openbaar ministerie om ook in de cassatieprocedure de door de Franse autoriteiten verzochte geheimhouding voldoende in acht te nemen. Die moet er uit bestaan dat noch aan de klagers, noch aan hun raadslieden, de hierboven genoemde stukken ter kennis worden gebracht, aangezien door kennisneming daarvan het onderzoek ernstig wordt geschaad (art. 23 lid 6 Sv). Indien de Hoge Raad het verzoek, of onderdelen daarvan, niet toewijsbaar acht verzoekt het openbaar ministerie om daarvan op de hoogte te worden gebracht, opdat de uitvaardigende autoriteit hiervan conform art. 19 lid 2 Richtlijn onverwijld in kennis kan worden gesteld, waarna de uitvaardigende autoriteit kan bepalen of het EOB verder dient te worden tenuitvoergelegd.

3.3.

Namens de klagers is gesteld dat zij reeds in het bezit zijn van het EOB van 9 oktober 2018. Hoe zij hiervan in bezit zijn gekomen wordt niet kenbaar gemaakt.3 In dit EOB worden de doorzoekingen verzocht die uiteindelijk hebben geresulteerd in de inbeslagneming waarover in deze en de samenhangende zaak wordt geklaagd. De klagers vermogen daarom niet in te zien welk concreet belang gemoeid is met de geheimhouding van een aanvullend EOB van dezelfde datum als de inbeslagneming (11 april 2019) dat kennelijk niet ten grondslag is gelegd aan de inbeslagneming waarom het hier gaat. Daarnaast voert de raadsman aan dat het geheimhouden van de in cassatie opgemaakte en nog op te maken stukken in strijd is met de wet:

- Zo bepaalt art. 24 lid 4 Sv dat de beschikking in beginsel onverwijld wordt toegezonden aan de procesdeelnemers. Dat betekent dat ook de respectievelijke beschikkingen van de Hoge Raad aan de klagers toegezonden behoren te worden. Deze stukken betreffen geen stukken als bedoeld in art. 23 lid 5, aangezien het openbaar ministerie die niet tot haar beschikking heeft (en dus niet kan overleggen). De toezending kan dus niet op grond van art. 23 lid 6 Sv worden onthouden.

- Op grond van art. 439 lid 3 in verbinding met art. 447 lid 6 Sv wordt een afschrift van de conclusie aan de raadsman verstrekt. De raadsman kan vervolgens op grond van art. 439 lid 5 in verbinding met art. 447 lid 6 Sv binnen twee weken schriftelijk zijn commentaar daarop geven. Dat betekent dat de klagers in deze en de samenhangende zaak recht hebben op een afschrift van de conclusie. Art. 23 lid 6 Sv is niet van toepassing. Ook art. 23 lid 5 is niet van toepassing op conclusies van de procureur-generaal.

- Art. 23 lid 5 is eveneens niet van toepassing op alle overige in cassatie op te maken stukken zodat deze stukken niet op grond van art. 23 lid 6 Sv kunnen worden onthouden.

3.4.

Naar mijn weten heeft de Hoge Raad zich tot op heden nog niet uitgelaten over de in acht te nemen vertrouwelijkheid ten aanzien van een EOB in het kader van een beklagprocedure ex art. 552a Sv. Daarom zal ik in onderhavige rolconclusie iets dieper ingaan op het juridische kader van het EOB en daarna de verzoeken bespreken waarop deze rolconclusie betrekking heeft.

4 Juridisch kader

4.1.

De invoering van het EOB is het resultaat van Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (verder: Richtlijn).4 De Richtlijn is in de plaats gekomen van het Europees Rechtshulpverdrag, de Schengen Uitvoeringsovereenkomst en de EU-rechtshulpovereenkomst en heeft betrekking op grensoverschrijdende bewijsverkrijging binnen de EU. Een EOB kan onder andere worden uitgevaardigd ter inbeslagneming van stukken of voorwerpen en gegevensvergaring5 met het oog op verkrijging c.q. veiligstelling van bewijs ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek in de uitvaardigende staat (kortheidshalve zal ik in onderhavige conclusie van ‘inbeslagneming’ spreken).6 Daarmee is de traditionele regeling van de kleine rechtshulp door verdragen op de rechtshulprelatie tussen Nederland en de overige EU-lidstaten niet meer van toepassing.

4.2.

De Richtlijn is in het Wetboek van Strafvordering geïmplementeerd in Boek V titel 4, met name in de art. 5.4.1-5.4.12 Sv, bij Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (implementatie richtlijn Europees onderzoeksbevel).7

4.3.

Nagenoeg tegelijkertijd is de regeling voor rechtshulp met landen waarop de Richtlijn niet van toepassing is, herzien bij Wet van 7 juni 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten met het oog op het moderniseren van de regeling van internationale samenwerking in strafzaken (herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken).8 De relevante bepalingen met betrekking tot de kleine rechtshulp zijn te vinden in de art. 5.1.4 – 5.1.14 Sv.

4.4.

Het gaat om een wetgevingsoperatie in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering waarbij alle bepalingen met betrekking tot strafrechtelijke samenwerking zijn opgenomen in een nieuw Boek V. De bepalingen omtrent het EOB zijn opgenomen in Titel 4 van Boek V en vormen een aparte, van de overige bepalingen van Boek V afgescheiden regeling, die een volledig op zichzelf staande basis voor kleine rechtshulp tussen EU-lidstaten bevat. Op p. 11 en 12 van de MvT van de Wet van 7 juni 20179 wordt in dit verband vermeld:

“Invoering van de richtlijn Europees onderzoeksbevel (uiterlijk per mei 2017) heeft als gevolg dat de verlening van rechtshulp aan EU-lidstaten niet meer langs de regels van Titel X zal plaatsvinden, maar op grond van aparte regelgeving ter implementatie van een EU-instrument. Er zal dus de facto een scheiding plaatsvinden, waarna de basisregeling van de kleine rechtshulp uitsluitend de rechtshulpverlening aan niet-EU lidstaten bepaalt.

(….)

“De EU-instrumenten inzake wederzijdse erkenning staan op zichzelf en functioneren onafhankelijk van de traditionele verdragen en wetgeving; de gehele strafrechtelijke samenwerking binnen de Europese Unie scheidt zich dus als het ware af.”

4.5.

Met de invoering van deze twee wetten is de verlofprocedure zoals we die kenden ingevolge art. 552p (oud) Sv afgeschaft.10 Daarin was geregeld dat inbeslaggenomen stukken van overtuiging en gegevensdragers niet aan de uitvaardigende autoriteiten konden worden verstrekt dan nadat de raadkamer van de rechtbank hiertoe op vordering van de officier van justitie verlof had verleend. Deze verlofprocedure kon, gelet op de mogelijkheid die daartoe geboden wordt in art. 23 lid 6 Sv, geheel buiten het zicht van de belanghebbende, dus in het geheim, worden afgewikkeld indien het belang van het onderzoek volgens de uitvaardigende autoriteit ernstig zou worden geschaad als de betrokkene op de hoogte zou raken van het rechtshulpverzoek. Belanghebbenden werden dan niet voor de raadkamerbehandeling opgeroepen, deze behandeling vond ook niet in het openbaar plaats en de beschikking werd niet in het openbaar uitgesproken. De belanghebbenden werden pas van de verlofbeschikking in kennis gesteld als het onderzoek daardoor niet meer kon worden geschaad, dus als de inbeslaggenomen stukken en gegevens aan de uitvaardigende autoriteit waren verstrekt. In dat laatste geval kon ook dan pas een klaagschrift tegen de verlofbeschikking worden ingediend.11 Dat was voor de betrokkene in de meeste gevallen mosterd na de maaltijd.12 De procedurele waarborg van de verlofprocedure was met name daarin gelegen dat in ieder geval een rechter ambtshalve diende te beoordelen of aan de vereisten voor het verlenen van rechtshulp was voldaan. Zo eiste de Hoge Raad bij de toepassing van art. 23 lid 6 Sv dat de rechter niet alleen moet vaststellen dat het belang van het onderzoek ernstig ‘kan’ worden geschaad, maar ook moet vaststellen dat dit daadwerkelijk het geval is.13

4.6.

Helemaal afgeschaft is de verlofprocedure echter niet.14 In de herziene regeling voor internationale rechtshulp (die geldt voor niet-EU-lidstaten) is de verlofprocedure in art. 5.1.10 lid 3 Sv gehandhaafd, echter slechts voor de situatie dat de betrokkene vanwege het belang van geheimhouding van het onderzoek niet op de hoogte mag raken van het rechtshulpverzoek en dus ook niet ex art. 5.1.11 Sv ervan in kennis wordt gesteld dat tegen de ‘inbeslagneming’15 een klaagschrift ex art. 552a Sv kan worden ingediend. De ratio voor het (gedeeltelijk) handhaven van de verlofprocedure in de rechtshulprelatie met landen buiten de EU is volgens de wetgever dat, indien in het belang van het onderzoek een geheime raadkamerprocedure wordt gevolgd, een rechterlijke toetsing van het rechtshulpverzoek een rechtsbeschermende functie heeft.16 Daarbij is echter wel een mouw gepast aan de eisen die de Hoge Raad in zijn jurisprudentie over art. 552p (oud) juncto art. 23 lid 6 Sv aan de inhoud van de rechterlijke toetsing van de noodzaak tot geheimhouding stelt, door in art. 5.1.10 lid 4 Sv te bepalen dat op de verlofprocedure art. 23 lid 6 Sv van overeenkomstige toepassing is:

“met dien verstande dat indien door de autoriteiten van de verzoekende staat om geheimhouding is verzocht, dan wel uit de aard van het verzoek blijkt dat geheimhouding van het verzoek om rechtshulp is geboden, wordt verondersteld dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad door toepassing van artikel 23, tweede tot en met vijfde lid.”

Uit de artikelsgewijze toelichting in de MvT blijkt dat de hiervoor geciteerde zinsnede van art. 5.1.10 lid 4 Sv is opgenomen naar aanleiding van de toets die de Hoge Raad in zijn eerdere jurisprudentie naar aanleiding van art. 552p (oud) Sv aanlegde (zie hiervoor onder 4.5.), Daarmee is bewerkstelligd dat deze strenge toets in de nieuwe procedure niet meer geldt:

‘’Artikel 5.1.10 (overdracht resultaten uitvoering rechtshulpverzoek aan het buitenland)

(…) In het vierde lid wordt voor de toepassing van de raadkamerprocedure expliciet gewezen op artikel 23, zesde lid, Sv. Dat artikellid biedt de raadkamer de mogelijkheid een procedure te volgen zonder oproeping van betrokkenen en achter gesloten deuren, in geval waarin door openbaarheid het belang van het onderzoek ernstig zou worden geschaad (zie Hoge Raad 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783). In aansluiting op deze jurisprudentie wordt bepaald dat indien door de autoriteiten van de verzoekende staat om geheimhouding is verzocht, dan wel uit de aard van het verzoek blijkt dat geheimhouding van het verzoek om rechtshulp is geboden, wordt verondersteld dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad.’’17

4.7.

Voor het EOB is de verlofprocedure echter helemaal afgeschaft. In de MvT bij de implementatie van het EOB staat hierover het volgende:

‘’De verlofprocedure komt te vervallen onder gelijktijdige verduidelijking van de mogelijkheid tot indiening van een klaagschrift tegen uitvoering (artikel 5.4.10, eerste lid), (…). Verschil met de regeling zoals voorgesteld in het wetsvoorstel herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken is dat de verlofprocedure in onderhavig voorstel geen plaats toekomt, ook niet in geval van heimelijke bevoegdheidstoepassing.

(…)

Handhaving van de verlofprocedure laat zich in de ogen van het kabinet niet verenigen met het uitgangspunt van snelle uitvoering van een EOB, terwijl op grond van het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten – de grondslag voor de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen als vormgegeven in deze richtlijn – een extra rechterlijke toets ook niet nodig wordt geacht.

(…)

Tot slot staan voor betrokkenen dezelfde rechtsmiddelen – te denken valt onder andere aan beklag tegen inbeslagneming – open als in een Nederlandse zaak.’’18

In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt daarover nog het volgende vermeld:

‘’De aan het woord zijnde leden van de SP-fractie gaven aan rechterlijke controle voorts van belang te vinden in zaken waarin de opsporingsbevoegdheid geheim moet worden gehouden wegens het onderzoeksbelang. Ik wil deze leden graag erop wijzen, dat dit ook in onze nationale opsporingspraktijk met grote regelmaat voorkomt. De rechtmatigheid van heimelijk toegepaste onderzoeksbevoegdheden kan dan later aan de orde worden gesteld, in het bijzonder wanneer het tot een strafzaak komt. Deze mogelijkheid zal ook bestaan in andere lidstaten van de Europese Unie. Daarnaast hebben alle lidstaten het individueel klachtrecht bij het Europees Hof voor de rechten van de mens erkend, teneinde lacunes in de rechtsbescherming te kunnen redresseren. Daarmee valt de strafrechtelijke samenwerking binnen de Europese Unie niet te vergelijken met de samenwerking met landen buiten de Europese Unie. Het heeft ook ertoe geleid dat in het wetsvoorstel herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken (Kamerstukken 34 493) in geval van geheime of geheim gehouden bevoegdheidstoepassing wel is voorzien in een verlofprocedure.’’19

4.8.

Op de keuze van de wetgever om in EOB-zaken geheel af te zien van een verlofprocedure is kritiek geleverd, met name omdat – zoals hierna nog zal worden beschreven – bij een EOB in beginsel altijd geheimhouding dient te worden betracht en de verlofprocedure in die situatie de enige waarborg is dat geen bewijs wordt overgedragen zonder dat er een rechtmatigheidstoets plaatsvindt.20 Ook de Raad van State is in zijn advies van mening dat dit leidt tot een aanmerkelijke achteruitgang in de rechtsbescherming en dat de Richtlijn hiertoe niet verplicht. Bij het standpunt van de regering, dat gelet op het uitgangspunt van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten van de EU en de grondslag van wederzijdse erkenning, een extra rechterlijke toets niet nodig is, heeft de Raad van State zo zijn twijfels. Verwezen wordt naar de evaluatie van het Europees Arrestatiebevel, waaruit blijkt dat de uitvoering van de op wederzijdse erkenning gebaseerde EU-rechtshulp vaak teveel wordt overgelaten aan de administratieve ondersteuning. Ook het argument dat aan de betrokkene dezelfde rechtsmiddelen open staan als in een Nederlandse zaak, acht de Raad van State niet valide omdat het voor een betrokkene in praktische en juridische zin moelijker zal zijn om zijn rechten na de overdracht van de resultaten uit te oefenen in de uitvaardigende staat.21

4.9.

Dan is het nu tijd om meer in detail in te gaan op de procedure van het EOB. Daarbij zal ik eerst de relevante bepalingen van de Richtlijn weergeven en daarna ingaan op de implementatie hiervan.

4.10.

Overweging 22 van de preambule van de Richtlijn luidt als volgt:

“ (22) De rechtsmiddelen die tegen een EOB kunnen worden ingezet, moeten ten minste gelijk zijn aan die welke in een binnenlandse zaak tegen de onderzoeksmaatregel kunnen worden ingezet. De lidstaten moeten er overeenkomstig hun nationale recht voor zorgen dat deze rechtsmiddelen toepasbaar zijn, onder meer door een belanghebbende partij tijdig mee te delen over welke rechtsmiddelen zij beschikken en hoe die kunnen worden ingesteld. In gevallen waarin het EOB in de uitvoerende staat door een belanghebbende partij op materiële gronden wordt aangevochten, is het raadzaam de uitvaardigende autoriteit daaromtrent te informeren, onder kennisgeving aan de belanghebbende partij.

Verder zijn met het oog op de geheimhouding de navolgende bepalingen van de Richtlijn relevant:

- Art. 14

“1. De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.

2. De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten, onverminderd de in de uitvoerende staat gewaarborgde grondrechten.

3. Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.

4. De lidstaten verzekeren dat de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel dezelfde zijn als die in vergelijkbare binnenlandse zaken, en dat deze termijnen worden gehanteerd op een wijze die garandeert dat het recht tot aanwending van dat rechtsmiddel effectief kan worden gebruikt door de betrokken personen.

5. De uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit stellen elkaar in kennis van de rechtsmiddelen die tegen de uitvaardiging, de erkenning of de tenuitvoerlegging van een EOB zijn ingesteld.

6. De instelling van een rechtsmiddel schort de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregel niet op, tenzij dat in vergelijkbare binnenlandse zaken wel het geval is.

7. (…)”

- art. 19

“ 1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitvaardigende autoriteiten en de uitvoerende autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een EOB de geheimhouding van het onderzoek voldoende in acht nemen.

2. De uitvoerende autoriteit garandeert, overeenkomstig haar nationale recht, de geheimhouding van de feiten en de inhoud van het EOB, behalve voor zover deze gegevens met het oog op de tenuitvoerlegging van de onderzoeksmaatregelen moeten worden vrijgegeven. Indien de uitvoerende autoriteit niet in staat is aan de geheimhoudingsplicht te voldoen, stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan onverwijld in kennis.

3. Overeenkomstig het nationale recht en tenzij anders bepaald door de uitvoerende autoriteit, zorgt de uitvaardigende autoriteit ervoor dat het bewijsmateriaal of de gegevens die door de uitvoerende autoriteit zijn verstrekt, niet worden vrijgegeven, behalve voor zover vrijgave nodig is met het oog op de in het EOB omschreven onderzoeken of procedures.

4. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat banken niet aan de betrokken klanten van de bank of aan andere derden meedelen dat overeenkomstig de artikelen 26 en 27 gegevens aan de uitvaardigende staat zijn doorgegeven of dat er een onderzoek loopt.”

4.11.

Wat betreft de rechtsmiddelen die kunnen worden ingesteld tegen de inbeslagneming van stukken en vastlegging van gegevens naar aanleiding van een EOB zijn art. 552a in verbinding met art. 5.4.10 Sv van toepassing. Art. 5.4.10 Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘’1.
‘’1. De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen danwel gegevens zijn gevorderd, of bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, of die een vordering heeft ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede de betrokkene bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o, heeft plaatsgevonden wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.
2. (…)

‘’1. 3. De artikelen 552a, eerste tot en met zesde lid, 552d, eerste en tweede lid, en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift.
4. (…)
5. (…)’’

4.12.

Het voorgaande betekent dat de algemene bepalingen van de raadkamerbehandeling (art. 21-25 Sv) van toepassing zijn. Art. 23 Sv luidt als volgt:


‘’1. De raadkamer is bevoegd de noodige bevelen te geven, opdat het onderzoek hetwelk aan hare beslissing moet voorafgaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden.
2. Door de raadkamer worden het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Artikel 22, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De verdachte en andere procesdeelnemers kunnen zich bij de behandeling door de raadkamer door een raadsman of advocaat doen bijstaan.
4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt de bijstand van een tolk ingeroepen. Het openbaar ministerie roept de tolk op. Artikel 276, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Het openbaar ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.
6. Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.’’

4.13.

Nieuw ten opzichte van de gebruikelijke klassieke rechtshulpprocedure is, dat geheimhouding van het onderzoek en het EOB in art. 19 lid 1 en 2 van de Richtlijn tot uitgangspunt is genomen. Met andere woorden, vertrouwelijkheid is in beginsel dwingend voorgeschreven, ongeacht of daarom door de uitvaardigende autoriteit is verzocht.22 Daar staat echter tegenover dat ingevolge art. 14 lid 3 van de Richtlijn, indien “de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt” de betrokkene op de hoogte moet worden gesteld van de mogelijkheid rechtsmiddelen in te stellen, welke rechtsmiddelen ingevolge art. 14 lid 1 van de Richtlijn en nr. 22 van de preambule gelijkwaardig dienen te zijn aan de rechtsmiddelen welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.

4.14.

Deze twee bepalingen van de Richtlijn waarin is beoogd zowel geheimhouding als rechtsbescherming, voor zover het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, te garanderen, zijn geïmplementeerd in art. 5.4.10 lid 1 Sv. Daarin is bepaald dat “indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt”, de betrokkene waarbij kort gezegd de inbeslagneming plaats vindt, in kennis wordt gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge art. 552a Sv in te dienen bij de rechtbank. Art. 5.4.10 lid 3 Sv verklaart de leden 1 tot en met 6 van art. 552a Sv van overeenkomstige toepassing en niet het zevende lid dat openbare behandeling voorschrijft, hetgeen ingevolge art. 22 lid 1 Sv een besloten behandeling in raadkamer impliceert.23

4.15.

Wat opvalt is dat art. 5.4.10 lid 1 Sv slechts bepaalt dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van de bevoegdheid een klaagschrift ex art. 552a Sv in te dienen, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt. Aangenomen wordt dat aan deze voorwaarde wordt voldaan als het gaat om de uitoefening van inbeslagnemingsbevoegdheden24 waarvan belanghebbenden bij wie deze plaatsvinden per definitie op de hoogte zullen raken.25

De vraag is echter vervolgens indien deze kennisgeving heeft plaatsgevonden – of zoals in onderhavige zaak de betrokkene op de hoogte is geraakt van het beslag en door de rechtbank ontvankelijk is verklaard in zijn beklag ex art. 552a Sv – of, en zo ja hoe, het onderzoeksbelang (en daarmee de geheimhoudingsplicht) nog doorwerkt in de beklagprocedure zelf, nu dit de kennisgeving van rechtsmiddelen (aan de overige betrokkenen in de samenhangende zaak) kennelijk niet in de weg heeft gestaan.

Kan als de betrokkene zelf beklag heeft ingediend naar aanleiding van een kennisgeving26, nog toepassing worden gegeven aan art. 23 lid 6 Sv door het bepaalde in de leden 1 tot en met 5 van art. 23 Sv buiten toepassing te laten, met name het bepaalde in lid 5 dat de verdachte en andere procesdeelnemers, evenals hun raadsman en advocaat, bevoegd zijn van de stukken kennis te nemen?

In de wetsgeschiedenis is niet terug te vinden dat over deze vraag is nagedacht. Ook wat betreft de regeling voor de niet-EU-lidstaten is in de wetsgeschiedenis niet stilgestaan bij de vraag of de presumptie van art. 5.1.10 lid 4 Sv, namelijk dat moet worden aangenomen dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als de verzoekende staat om geheimhouding heeft verzocht, ook geldt als er wel een kennisgeving van rechtsmiddelen is gegeven als bedoeld in art. 5.1.11 lid 1 Sv. Die presumptie ziet namelijk, zo leid ik uit de wet en wetsgeschiedenis af, alleen op de (volledig in het geheim te houden) verlofprocedure zoals bedoeld in art. 5.1.10 lid 3 Sv.27

4.16.

De procedure met betrekking tot het EOB kent als gezegd geen vergelijkbare verlofprocedure zoals bedoeld in art. 5.1.10 lid 3 Sv maar alleen de ‘reguliere’ beklagprocedure ex art. 552a Sv naar aanleiding van een kennisgeving als bedoeld in art. 5.4.10 lid 1 Sv. Het gevolg hiervan is, zoals onder randnummer 4.7.- 4.8. is beschreven, dat indien de notificatie/kennisgeving niet wordt gegeven omdat daarmee het geheim van het onderzoek in het gedrang komt, er helemaal geen sprake is van een rechterlijke toetsing in Nederland.

4.17.

Wordt er wel een kennisgeving conform art 5.4.10 lid 1 Sv gegeven dan wordt in de MvT verondersteld dat aan de betrokkene dezelfde rechtsmiddelen ter beschikking moeten staan als in een nationale procedure:

“De richtlijn stelt als uitgangspunt dat lidstaten in verband met de uitvoering of uitvaardiging van een EOB moeten voorzien in dezelfde rechtsmiddelen als die welke in geval van bevoegdheidsuitoefening in een nationaal strafrechtelijk onderzoek gelden.

(…)

Gekozen is ook hier voor de systematiek als voorgesteld in het wetsvoorstel herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken. Deze houdt in dat de beklagprocedure van artikel 552a Sv als belangrijkste rechtsmiddel geldt – overeenkomstig ook de oplossing gekozen bij implementatie van het kaderbesluit Europees bewijsverkrijgingsbevel (in artikel 552bbb Sv). De betrokkene wordt geattendeerd op de mogelijkheid om als belanghebbende een klaagschrift in te dienen: (…)

Hiermee wordt een effectief rechtsmiddel voor de belanghebbende gecreëerd, mede ingegeven door de gedachte dat het waarschijnlijk – in praktische zin en mogelijk ook juridische zin – voor de belanghebbende moeilijker zal zijn om zijn rechten na overdracht van het bewijsmateriaal uit te oefenen in de uitvaardigende staat.’’28

4.18.

Over de vraag of in het geval een kennisgeving ex art. 5.4.10 lid 1 Sv is gegeven, toch het EOB (of een bepaald deel daarvan) geheim dient te worden gehouden, wordt in de wetsgeschiedenis niet gerept.29 Met name in de implementatie van het EOB vormt dat een lacune. Daardoor is het onduidelijk in hoeverre in dat geval de verplichting van art. 19 lid 2 van de Richtlijn tot geheimhouding moet worden nageleefd en ingevuld. Art. 14 lid 3 van de Richtlijn luidt immers dat een notificatie van rechtsmiddelen moet worden gegeven indien ‘’de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1 (onderstreping AG TS)’’. Dat laat (tevens) de vraag open wat de verhouding is tussen het eerste en tweede lid van art. 19 van de Richtlijn. Ook is het de vraag hoe de verplichting tot geheimhouding strookt met overweging 22 van de preambule en art. 14 van de Richtlijn, dat gelijkwaardige en effectieve rechtsmiddelen voorschrijft. Hoe kan ondanks de verplichting tot een vertrouwelijke behandeling van een EOB effectieve rechtsbescherming worden geboden in de beklagprocedure?30

4.19.

De vraag is, hoe in onderhavige zaak de hiervoor geconstateerde lacune in de implementatie van de Richtlijn zou kunnen worden ingevuld. Ik kan mij voorstellen dat de beklagrechter, en dus ook de rolraadsheer bij de Hoge Raad, de geheimhoudingsverplichting van art. 19 lid 2 van de Richtlijn in combinatie met art. 14 van de Richtlijn, zo interpreteert dat in de beklagprocedure de rechter ambtshalve31 op grond van art. 23 lid 6 Sv steeds in concreto moet nagaan welke door het openbaar ministerie ingevolge art. 23 lid 5 Sv verstrekte informatie wel en welke niet aan de belanghebbende ter beschikking kan of moet worden gesteld. Immers niet alle informatie die betrekking heeft op het strafrechtelijk onderzoek in de uitvaardigende staat hoeft relevant te zijn voor de door de beklagrechter te nemen beslissing. Als in de beklagzaak bijvoorbeeld gaat om de vraag of bij de inbeslagneming het verschoningsrecht is geschonden, is informatie over de stand van zaken van het onderzoek in de uitvaardigende staat voor de beoordeling van het klaagschrift in beginsel niet van belang. Met andere woorden, het geheim houden van informatie over de achtergrond van het EOB hoeft nog niet te betekenen dat de belanghebbende daardoor niet adequaat verweer kan voeren in de beklagprocedure.32 Maar als verstrekking van informatie uit het EOB wel schadelijk is voor het opsporingsonderzoek terwijl deze informatie ook van belang is voor de beoordeling van het beklag, ligt het ingewikkelder. Art. 19 lid 2 van de Richtlijn biedt in een dergelijk geval een uitweg door te bepalen dat indien de uitvoerende autoriteit niet in staat is aan de geheimhoudingsplicht te voldoen, zij de uitvaardigende autoriteit hiervan onverwijld in kennis stelt. De uitvaardigende autoriteit zal dan moeten afwegen of zij het EOB handhaaft. Mij lijkt dat deze weg meer in lijn is met de strekking van de Richtlijn, waarin beoogd wordt effectieve rechtsbescherming te bieden, dan de optie dat alleen de beklagrechter en de rolraadsheer van de Hoge Raad van de informatie kennisnemen, waarbij de beslagene erop zal moeten vertrouwen dat de beklagrechter, c.q. de rolraadsheer zijn belangen ambtshalve zal meewegen, zoals door Van Eekelen en Schild in hun bijdrage in het NJB wordt voorgesteld.33

4.20.

Het blijft echter glad ijs waarop we ons begeven, nu de wetgever hierover niets heeft geregeld en de Richtlijn evenmin duidelijkheid verschaft over de relatie tussen de geheimhoudingsverplichting ten aanzien van het EOB en het bieden van effectieve rechtsmiddelen tegen de uitvoering ervan conform de nationale procedure. Dus ik kan mij goed voorstellen dat beantwoording van de onder randnummer 4.18. genoemde vragen in een voorkomend geval het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ van de EU vereist. Ik meen echter dat dat in onderhavige zaak niet nodig is omdat, zoals ik hierna zal betogen, het verzoek tot geheimhouding betrekking heeft op processtukken waarvan het evident is dat deze in onderhavige zaak niet relevant zijn, namelijk een EOB van latere datum (en eventueel daarop volgende aanvullingen) dat niet ziet op de beslaglegging waar het in onderhavige cassatieprocedure over gaat.

4.21.

Het lijkt mij echter van belang, ook al zou dat in onderhavige zaak strikt bezien niet nodig zijn, dat de Hoge Raad, bij monde van de rolraadsheer, de rechtspraktijk handvatten biedt hoe in de beklagprocedure ex art. 552a Sv moet worden omgegaan met de geheimhouding waartoe art. 19 lid 1 en 2 van de Richtlijn verplicht. Ingevolge art. 4.3.6.3 in verbinding met art. 4.1.2.1 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden is het immers aan de rolraadsheer om te oordelen over het verzoek van het openbaar ministerie om aan de raadsman geen afschriften van processtukken te verstrekken casu quo de wens van de raadsman om afschriften van de processtukken te ontvangen. Voor de maatstaven die hierbij zouden kunnen worden aangelegd heb ik gepoogd een voorzet te doen onder randnummer 4.19.

4.22.

Tot slot wil ik opmerken dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de maatstaf van art. 23 lid 6 Sv ook van toepassing is bij de beantwoording van de vraag of een afschrift kan worden vertrekt van de in cassatie opgemaakte of nog op te maken stukken.34

5 Beoordeling verzoeken

5.1.

Over de beoordeling van de verzoeken kan ik na deze lange aanloop kort zijn. Ten aanzien van de in het verzoek van 2 december 2019 genoemde stukken die op de voet van artikel 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden valt niet in te zien welk belang klagers hebben bij kennisneming van deze stukken, nu deze niet ten grondslag hebben gelegen aan de inbeslagneming waarop onderhavige beklagzaak betrekking heeft. Mijn advies is dan ook, in lijn met de door mij voorgestelde benadering in kantlijnnummer 4.19., dat de rolraadsheer het verzoek van het openbaar ministerie tot geheimhouding in zoverre zal toewijzen, hetgeen met zich brengt dat het verzoek van de klagers in zoverre zal dienen te worden afgewezen.

5.2.

Voor zover het verzoek van het openbaar ministerie zich uitstrekt tot de tot nu toe in de cassatieprocedure opgemaakte stukken, waaronder deze rolconclusie, stel ik mij op het standpunt dat niet aannemelijk is dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad indien de stukken aan de (raadsman van) de klagers worden verstrekt. Datzelfde zal meen ik hebben te gelden voor de (eventuele) reacties van het openbaar ministerie en de raadsman op deze rolconclusie en de nog op te maken rolbeslissing. Mijn advies is dat de rolraadsheer in zoverre het verzoek van de raadsman van de klagers tot verstrekking van de processtukken zal toewijzen, voor zover deze stukken niet reeds aan de raadsman van de belanghebbenden zijn verstrekt.

5.3.

Aangaande de geheimhouding van de overige in de cassatieprocedure nog op te maken stukken, zoals bedoeld in de brief van 2 december 2019 van het openbaar ministerie, meen ik dat de rolraadsheer thans nog geen beslissing kan nemen maar per geval beoordeelt of zich het uitzonderlijke geval voordoet dat, gelet op artikel 23, zesde lid, Sv, moet worden afgezien van de verstrekking van deze stukken aan de raadsman van de klagers. Daarbij is overigens mijn verwachting dat art. 23 lid 6 Sv zich er niet tegen verzet dat in elk geval de door mij nog te nemen (inhoudelijke) conclusie aan de (raadsman van de) klagers wordt verstrekt.

6 Behandeling in cassatie is (ook) besloten

6.1.

Ten overvloede wil ik nog opmerken dat de hoofdregel van art. 22 lid 1 Sv (beslotenheid van de raadkamerbehandeling) van toepassing is op onderhavige raadkamerprocedure omdat, zoals gezegd, art. 5.4.10 Sv het bepaalde in art. 552a lid 7 Sv (openbare behandeling) niet van toepassing verklaart.35 Dit breng mijns inziens met zich dat de in art. 21 en 22 Sv bedoelde raadkamer van de Hoge Raad, net als de raadkamer van de rechtbank, ambtshalve zal dienen te besluiten tot een besloten behandeling ondanks het ontbreken van een nadrukkelijk verzoek door het openbaar ministerie daartoe.36

6.2.

Ik meen overigens dat in lijn met HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1410 de rol- beschikking in onderhavige zaak in het openbaar kan worden uitgesproken, met name omdat de rechtseenheid en rechtsontwikkeling bij openbaarheid gebaat zijn en naar mijn mening, zoals ik heb uiteengezet onder 5.2, het belang van het onderzoek hierdoor niet ernstig zal worden geschaad. Ik zal echter – anders dan normaal gesproken het beleid is – deze conclusie niet voorafgaand aan de beslissing van de rolraadsheer publiceren omdat het verzoek tot geheimhouding zich ook tot onderhavige conclusie uitstrekt.

7 Conclusie

7.1.

Deze conclusie strekt tot:

- toewijzing van het verzoek van het openbaar ministerie voor zover het ertoe strekt dat aan de klagers en hun raadsman niet het Europees onderzoeksbevel van 11 april 2019 en onderliggende stukken en eventuele aanvullingen daarop zullen worden verstrekt, voor zover deze de Hoge Raad op de voet van artikel 434, eerste lid, Sv zijn toegezonden;

- afwijzing van het verzoek van het openbaar ministerie voor zover het ertoe strekt dat aan de klagers en hun raadsman niet de tot nu toe in de cassatieprocedure opgemaakte stukken zullen worden vertrekt;

- afwijzing van het in randnummer 1.6. bedoelde verzoek van de raadsman om afschriften het Europees onderzoeksbevel van 11 april 2019 en onderliggende stukken;

- toewijzing van het verzoek van de raadsman van de klagers, wat betreft de tot nu toe in de cassatieprocedure opgemaakte stukken, voor zover deze stukken niet reeds aan de raadsman van de klagers zijn verstrekt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De cassatieberoepen van twee andere samenhangende zaken, 19/03005 en 19/03008, zijn ingetrokken.

2 Ondanks dat art. 552a lid 7 Sv niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in art. 5.4.10 Sv hebben de klagers ook per klaagschrift ‘’volledigheidshalve’’ om besloten behandeling verzocht, ‘’om te voorkomen dat schade zal ontstaan voor klager door eventuele (media)aandacht die een openbare zitting zou kunnen generen.’’ Zie pagina 4 van het klaagschrift.

3 Daarbij merk ik op dat dit verklaart waarom het verzoek tot geheimhouding met betrekking tot dit EOB en daarop betrekking hebbende processen-verbaal door het OM in de samenhangende zaak op 2 december 2019 is ingetrokken.

4 PbEU 2014, L 130/1.

5 Het gaat hier ingevolge art. 5.1.10 lid 3 Sv om in beslag genomen stukken of voorwerpen of gegevens die zijn vergaard met toepassing van de artikelen 126l, 126m, 126nd, zesde lid, 126ne, derde lid, 126nf, 126ng, 126s, 126t, 126ue, derde lid, 126uf en 126ug omschreven bevoegdheden.

6 Zie voor een overzicht van alle mogelijke onderzoeksmaatregelen de bij de Richtlijn behorende Bijlage A, het formulier waarmee een EOB dient te worden uitgevaardigd.

7 Stb. 2017, 231, in werking getreden op 17 juni 2017, Stb. 2017, 262.

8 Stb. 2017, 246, in werking getreden op 1 juli 2018, zie Stb. 2017, 492 en Stb. 2018, 199.

9 Kamerstukken II 2015/16, 34493, 3 (MvT algemene regeling herziening internationale samenwerking in strafzaken), zie ook P.A.M. Verrest, T&C Sv Inleidende opmerkingen bij Boek V, Titel 1, Afd. 1, aant. 8.

10 Kamerstukken II 2015/16, 34493, 3, pagina 21-22.

11 HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5096, NJ 2005/407, m.nt. Reijntjes

12 Zie de noot van Reijntjes bij het arrest van de HR van 18 januari 2005.

13 HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2326 en HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8999. Zie in dit verband ook de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 14 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:58, ECLI:NL:PHR:2020:58 onder randnummer 4.5.

14 Zie o.a. Kamerstukken II 2016/17, 34493, 6, p. 8.

15 Zoals gezegd onder 4.1. bedoel ik hier een bredere definitie van inbeslagneming.

16 Kamerstukken II 2015/16, 34493, 3, p. 21.

17 Kamerstukken II 2015/16, 34493, 3, p. 30. Overigens merkt J.M. Reijntjes in R. van Elst en E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht, Wolters Kluwer, Deventer, op p. 364 op dat de rechter in de oude verlofprocedure bij gebrek aan eigen wetenschap meestal niet anders kon dan verwijzen naar het oordeel van de verzoekende partij.

18 Kamerstukken II 2016/17, 34611, 3, p. 9.

19 Kamerstukken II 2016/17, 34611, 6, p. 13.

20 W. Geelhoed en J.W. Ouwerkerk, Wederzijdse rechtshulp in strafzaken 2.0: implementatie van de Richtlijn Europees onderzoeksbevel, NTER, 2017, afl. 1-2.

21 Kamerstukken II 2016/17, 34611, 4 (Advies Raad van State en Nader Rapport), p. 2-4.

22 Zie J. van Eekelen en A. Schild, Rechtsbescherming na beslag gelegd ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel, NJB 2018/2153 en P.A.M. Verrest, T&C Strafvordering, commentaar op art. 5.4.10 Sv, aant. 2.

23 Blijkens de wetsgeschiedenis is dit ook uitdrukkelijk de bedoeling. Zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018-19, nr. 1506 (Vragen van het lid Van Nispen (SP) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over praktijkproblemen en rechtsbescherming bij de uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (ingezonden 14 december 2018). Naar aanleiding van een vraag van Van Nispen waarom in art. 5.4.10 lid 3 Sv niet verwezen wordt naar art. 552a lid 7 Sv, waarin is bepaald dat de behandeling van een klaagschrift tegen een beslag in het openbaar geschiedt, antwoordt de minister: “Het OM dient bij de uitvoering van het EOB de door de uitvaardigende autoriteit aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht te nemen, tenzij dit strijd oplevert met de grondbeginselen van het Nederlandse recht (artikel 9, tweede lid, van de richtlijn en artikel 5.4.5, tweede lid, Sv). Een wettelijk voorgeschreven openbare behandeling strookt niet met dit uitgangspunt.”

24 Anders dan in 4.1. gaat het hier dus om de beperkte (en dus reguliere) definitie van inbeslagneming.

25 Zie P.A.M. Verrest, T&C Strafvordering, commentaar op art. 5.4.10 Sv, aant. 2. en het Advies van het OM d.d. 21 oktober 2015 conceptvoorstel implementatie richtlijn EOB, bijlage nr. 790117 bij Kamerstukken II 2016/17, 34611, 3 (MvT), waarin op. 3 wordt opgemerkt: “Uiteraard zal in een aantal gevallen de verdachte of een andere betrokkene door de uitvoering op de hoogte komen van het Europees onderzoeksbevel, bijvoorbeeld doordat bij hem goederen in beslag worden genomen. Het verlenen van de gevraagde bijstand is dan niet mogelijk zonder dat de betrokkene ervan weet.”

26 Of, zoals gezegd, op de hoogte raakt van het beslag en ontvankelijk is verklaard in zijn klaagschrift.

27 Zie Kamerstukken II 2015/16, 34493, 3, p. 21 e.v.

28 Kamerstukken II 2016/17, 34611, 3, p. 12-13.

29 In de MvT EOB, Kamerstukken II 2016/17, 34611, 3, p. 13, wordt slechts gesproken over algemene geheimhouding in het geval dat er geen kennisgeving van het rechtsmiddel plaatsvindt.

30 J. van Eekelen en A. Schild, Rechtsbescherming na beslag gelegd ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel, NJB 2018/2153.

31 Een verzoek daartoe hoeft gelet op het uitgangspunt van geheimhouding in art. 19 van de Richtlijn niet te worden gedaan.

32 Zie Conclusie Knigge 20 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:58,onder randnummer 4.16 en 4.17.

33 J. van Eekelen en A. Schild, Rechtsbescherming na beslag gelegd ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel, NJB 2018/2153.

34 Zie HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:134, rov. 6.2.3 en 6.2.4.

35 Zie ook voetnoot 24 waarin is vermeld dat op vragen van het Kamerlid Van Nispen de minister bevestigt dat er geen aanleiding is (alsnog) een openbare behandeling wettelijk voor te schrijven en dus art. 552a lid 7 Sv op te nemen in art. 5.4.10 Sv.

36 Vgl. HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2584.