Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:675

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2020
Datum publicatie
31-07-2020
Zaaknummer
20/01448
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1860, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet verplichte ggz. Is, na een machtiging voortzetting IBS krachtens overgangsrecht, het nemen van een (nieuwe) crisismaatregel, gevolgd door een machtiging tot voortzetting daarvan, mogelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01448

Zitting 30 juni 2020

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Midden-Nederland

In deze Wvggz-zaak is betoogd dat de wet geen mogelijkheid biedt voor een crisismaatregel die in de tijd aansluit op het verstrijken van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel, noch voor een machtiging tot voortzetting van die tweede crisismaatregel. Daarnaast wordt aangevoerd dat deze laatste machtiging niet had mogen worden verleend omdat betrokkene voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel niet door de burgemeester is gehoord.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Op 30 december 2019 heeft de burgemeester van Utrecht ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) een last tot inbewaringstelling gegeven op de voet van art. 20 lid 1 Wet Bopz. Op grond van die last is betrokkene onvrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis van de stichting Altrecht.

1.2

Op 1 januari 2020 is de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) in werking getreden. Op 3 januari 2020 heeft de rechtbank Midden-Nederland een machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling, voor het tijdvak tot en met 24 januari 2020.1 In deze beschikking staat onder meer het volgende:

“De rechtbank is tot de overtuiging gekomen dat het ernstige vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens, te weten een stemmingsstoornis, depressieve periode in engere zin, de betrokkene gevaar doet veroorzaken, Dit gevaar, namelijk het gevaar dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig letsel zal toebrengen, is zo onmiddellijk dreigend dat een voorlopige machtiging niet kan worden afgewacht. De rechtbank is van oordeel dat dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. (…)”

1.3

Op 23 januari 2020 heeft de burgemeester van Utrecht ten aanzien van betrokkene een crisismaatregel genomen als bedoeld in art. 7:1 Wvggz. Betrokkene verbleef toen in het Willem Arntszhuis op grond van de eerdergenoemde beschikking van 3 januari 2020. Met de uitvoering van de crisismaatregel werd de stichting Altrecht belast. De crisismaatregel verwijst naar een eerder op die dag uitgebrachte medische verklaring van de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1] . De burgemeester heeft in overeenstemming met rubriek 5.d van die medische verklaring bepaald als verplichte zorg, die noodzakelijk is om de crisissituatie af te wenden:

 toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

 beperken van de bewegingsvrijheid;

 aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

 opnemen in een accommodatie.

1.4

Op 24 januari 2020 heeft de officier van justitie een verzoek bij de rechtbank Midden-Nederland ingediend om machtiging te verlenen tot voortzetting van deze crisismaatregel.2 De officier van justitie heeft voorgesteld in de te verlenen machtiging dezelfde vormen van verplichte zorg op te nemen als vermeld in de crisismaatregel.

1.5

Op 27 januari 2020 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Zij heeft betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, gehoord alsmede psychiater [betrokkene 2] , sociaal-psychiatrisch hulpverlener [betrokkene 3] en de verpleegkundige [betrokkene 4] . Bij mondelinge beschikking van diezelfde datum, schriftelijk uitgewerkt op 6 februari 2020, heeft de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend, voor het tijdvak tot en met 17 februari 2020. De rechtbank heeft het toedienen van vocht en voeding niet overgenomen uit de crisismaatregel (zie rov. 2.8).

1.6

Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld.3 Namens de officier van justitie is in cassatie een verweerschrift ingediend.4

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen. De onderdelen 1 en 2 zijn gericht tegen de verwerping van de twee verweren. Onderdeel 3 herhaalt beide verweren in het licht van art. 5, lid 1 en lid 4, EVRM.

Onderdeel 1: crisismaatregel en machtiging tot voortzetting daarvan toelaatbaar in aansluiting op de eerdere (met een machtiging voortgezette) inbewaringstelling?

2.2

In eerste aanleg is namens betrokkene aangevoerd dat de (op 3 januari 2020 verleende) machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling op grond van het overgangsrecht moet worden gelijkgesteld met een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel als bedoeld in art. 7:7 en 7:8 Wvggz. Nu de Wvggz niet voorziet in de mogelijkheid om een crisismaatregel verder te verlengen nadat al een machtiging tot voortzetting daarvan was verleend en verstreken, had de officier van justitie − als hij de verplichte zorg wilde doen voortduren – wettelijk geen andere mogelijkheid dan het (tijdig) indienen van een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging. Om die reden is, volgens het verweer, de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn verzoek van 24 januari 2020, althans zou dit verzoek moeten worden afgewezen.

2.3

De rechtbank heeft dit verweer verworpen, na in rov. 2.4 te hebben overwogen:

“Dat een crisismaatregel van de burgemeester en de machtiging tot voortzetting van die crisismaatregel van de rechtbank die aansluitend wordt gevolgd door een (nieuwe) crisismaatregel en een machtiging tot voortzetting daarvan strijdig is met de wet volgt niet uit de bepalingen van de Wvggz. Dat betekent dat als - kort voor of na het verstrijken van de geldigheidsduur van (een machtiging tot voortzetting van) een crisismachtiging - wederom sprake is van een crisissituatie en voldaan wordt aan de criteria van artikel 7:1 Wvggz de burgemeester opnieuw (aansluitend) een crisismaatregel kan nemen en de rechtbank een machtiging tot voortzetting daarvan kan verlenen. In deze zaak was sprake van een crisissituatie die de afgifte van een aansluitende crisismaatregel rechtvaardigde. (…)”

2.4

Middelonderdeel 1 houdt in dat de rechtbank in deze overweging heeft miskend dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid dat een voortgezette crisismaatregel (of in dit geval: de krachtens overgangsrecht daarmee gelijk te stellen voortgezette inbewaringstelling) wordt gevolgd door een (nagenoeg) daarop aansluitende nieuwe crisismaatregel en een machtiging tot voortzetting daarvan. De regeling in de artikelen 7:1 - 7:11 Wvggz laat volgens het middelonderdeel daarvoor geen ruimte: na een crisismaatregel die is gevolgd door een machtiging tot voortzetting daarvan kan slechts een zorgmachtiging volgen. Dit vloeit volgens het middelonderdeel voort uit het doel en de strekking van een crisismaatregel als tijdelijke noodmaatregel in afwachting van de beslissing over het verlenen van een zorgmachtiging. De omstandigheid dat rond de datum waarop de geldigheidsduur van de lopende machtiging verstrijkt wederom sprake is van een crisissituatie die op zich het afgeven van een crisismaatregel zou kunnen rechtvaardigen, doet volgens de klacht hieraan niet af.

2.5

Bij wijze van opmerking vooraf: het cassatiemiddel gaat ervan uit dat de op 3 januari 2020 verleende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (Wet Bopz) voor de toepassing van hoofdstuk 7, paragraaf 6, wordt gelijkgesteld met een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel als bedoeld in art. 7:8 Wvggz. Dat uitgangspunt strookt met de redenering van de rechtbank. In rov. 2.3 overweegt de rechtbank immers, onder verwijzing naar art. 15:1 lid 4 Wvggz, dat een krachtens de Wet Bopz verleende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling waarvan de geldigheidsduur op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet – zijnde 1 januari 2020 − nog niet is verstreken, voor de toepassing van hoofdstuk 7, paragraaf 6 Wvggz (‘Verzoek zorgmachtiging aansluitend op verlenging crisismaatregel’) wordt aangemerkt als een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel naar nieuw recht. Dit gedeelte van de redengeving wordt in cassatie niet bestreden.

2.6

Ik bespreek eerst de regeling onder de Wet Bopz. Op grond van art. 20 van de (met ingang van 1 januari 2020 vervallen) Wet Bopz kon de burgemeester last tot inbewaringstelling geven indien het gevaar “zo onmiddellijk dreigend is dat toepassing van paragraaf 1 van dit hoofdstuk niet kan worden afgewacht”. De burgemeester stelt onverwijld de officier van justitie op de hoogte van de last tot inbewaringstelling. De officier van justitie dient, uiterlijk de dag na de datum van ontvangst van de stukken, bij de rechtbank een verzoek in om machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling (zie art. 27 Wet Bopz). Een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling heeft een geldigheidsduur van drie weken na haar dagtekening (art. 30 Wet Bopz). Vervolgens kan de rechtbank een in de tijd daarop aansluitende ‘voorlopige machtiging’ als bedoeld in art. 2 Wet Bopz verlenen, met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Om ‘nawerking’ van de lopende machtiging te verkrijgen in afwachting van de beslissing van de rechtbank op dat verzoek,5 was nodig dat de officier van justitie vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling het verzoekschrift om een voorlopige machtiging te verlenen ter griffie van de rechtbank had ingediend (art. 31 lid 2 Wet Bopz).

2.7

Onder de Wet Bopz was het niet mogelijk een tweede machtiging tot voortzetting van dezelfde inbewaringstelling te verlenen. Dit liet onverlet dat de burgemeester opnieuw een last tot inbewaringstelling kon geven indien de officier van justitie geen aansluitende voorlopige machtiging had verzocht (of dat verzoek was geweigerd) en betrokkene wederom in een crisissituatie verzeild was geraakt. Dan gaat het om een andere inbewaringstelling en moet de gehele procedure van art. 20 e.v. Wet Bopz opnieuw worden doorlopen. Na een nieuwe last tot inbewaringstelling kon de rechtbank op verzoek van de officier van justitie opnieuw machtiging verlenen tot voortzetting van die (tweede) inbewaringstelling.

2.8

De Wvggz volgt in dit opzicht de systematiek van de Wet Bopz. De burgemeester kan een crisismaatregel nemen indien “de crisissituatie dermate ernstig is dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht” (art. 7:1, aanhef en onder d, Wvggz). De burgemeester zendt onverwijld een afschrift van zijn beslissing en de afgegeven medische verklaring toe aan de officier van justitie (art. 7:2 lid 2 Wvggz). Indien de officier van justitie, na ontvangst van deze bescheiden, van oordeel is dat de grondslag voor het nemen van een crisismaatregel ten aanzien van de betrokkene aanwezig is, dient hij uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van deze stukken die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is, bij de rechter het verzoek in om een machtiging te verlenen tot voortzetting van de crisismaatregel (art. 7:7 lid 1 Wvggz). Een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel heeft een geldigheidsduur van drie weken na de dagtekening ervan (art. 7:9 Wvggz). Na een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel kan een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:1 e.v. Wvggz worden verleend, met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Om ‘nawerking’ te verkrijgen zodat de verstreken titel voor vrijheidsbeneming haar werking behoudt totdat de rechtbank heeft beslist op het verzoek om een daarop aansluitende zorgmachtiging (maar niet langer dan de wettelijke beslistermijn voor de rechtbank op zo’n verzoek), is nodig dat de officier van justitie het verzoek tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging heeft ingediend vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel (zie art. 7:10, aanhef en onder a, Wvggz).

2.9

Evenals onder de vervallen Wet Bopz, is onder de huidige Wvggz het verlenen van een tweede machtiging tot voortzetting van dezelfde crisismaatregel niet mogelijk. Dit laat onverlet dat de burgemeester opnieuw een crisismaatregel kan nemen indien (een aansluitende zorgmachtiging niet was verzocht of is geweigerd en) betrokkene wederom in een crisissituatie geraakt. Dan gaat het om een andere crisismaatregel en moet de gehele procedure van art. 7:1 e.v. Wvggz opnieuw worden doorlopen.

2.10

In de vakliteratuur is aandacht besteed aan de vraag of een tweede inbewaringstelling in korte tijd zich verdraagt met de (tekst en strekking van de) Wet Bopz. Dijkers heeft in dit verband het volgende betoogd:

“De maatschappelijke en psychische lasten van een inbreuk op de persoonlijke vrijheid die een dwangopneming met zich meebrengt, legt aan het bestuursorgaan burgemeester de plicht op, zo mogelijk slechts eenmaal van het hem door de wet toegekende machtsmiddel gebruik te maken. Een parallel kan worden getrokken met het strafvorderlijke beginsel nemo debet bis vexari, niemand behoort onnodig ten tweede male de kwelling van een proces te worden aangedaan.”

Dijkers merkte op dat, indien de burgemeester vrijelijk last zou kunnen geven tot een inbewaringstelling die direct of nagenoeg direct aansluit bij de einddatum van de voorafgaande voortgezette inbewaringstelling, het stelsel van de (maximum-)termijnen in de Wet Bopz goeddeels zijn betekenis dreigt te verliezen. In de zienswijze van Dijkers is een herhaalde last tot inbewaringstelling slechts toelaatbaar indien zich een ‘novum’ voordoet. Hij bedoelt in dit verband met het woord ‘novum’: “een essentieel gegeven waarvan men eerder geen weet had” of “een substantiële wijziging van de omstandigheden”. Dijkers voegde hieraan toe:

“Hier moge op worden gewezen dat juist in de psychiatrie zich niet zelden de situatie voordoet dat op alleszins verdedigbare gronden wordt ingeschat dat voortzetting van dwang onnodig is, maar dat kort nadien de omstandigheden zich dramatisch wijzigen; alsdan is vanzelfsprekend een novum licht aanwezig te achten.6

2.11

Voor zover die opvatting van Dijkers zou worden gevolgd, ben ik van mening dat enige ruimte zou moeten worden gelaten om in gevallen waarin de verplichte zorg abrupt is afgebroken, toch een tweede crisismaatregel kort na de vorige te nemen, gevolgd door een machtiging tot voortzetting daarvan, ook al is er geen sprake van een novum. Het onmiddellijk dreigende (levens-)gevaar voor de betrokkene zelf of voor anderen kan daartoe nopen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de volgende situaties:

- er is verzuimd de officier van justitie tijdig op de hoogte te stellen van het geven van de crisismaatregel;7

- de rechtbank heeft niet binnen de door de wet gestelde termijn beslist op het verzoek om een machtiging tot voortzetting daarvan, waarmee de verblijfstitel vervalt;

- beëindiging van de crisismaatregel nadat de rechtbank heeft geoordeeld niet te kunnen machtigen tot voortzetting daarvan vanwege een ontoereikende geneeskundige verklaring.

2.12

Ter toelichting op de klacht is aangevoerd dat een crisismaatregel is bedoeld voor spoedeisende gevallen waarin de wettelijke procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.8 Dat is juist, maar het leidt niet vanzelfsprekend tot de gevolgtrekking dat elke machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel moet worden gevolgd door een (in de tijd direct daarop aansluitende) zorgmachtiging. Integendeel, wanneer de verplichte zorg ter uitvoering van de crisismaatregel tot resultaat heeft gehad dat het onmiddellijk dreigende gevaar is geweken, althans tot een beheersbaar niveau is teruggebracht, kan de verplichte zorg worden beëindigd. Eenmaal tot rust gekomen, kan de patiënt vrijwillig psychiatrische zorg aanvaarden en verder zijn leven in vrijheid voortzetten. Helaas is dit ideaalbeeld niet voor iedere patiënt de realiteit. In de praktijk gebeurt het dikwijls dat de psychiatrische problematiek de patiënt telkens opnieuw in een crisistoestand brengt. Wanneer de aard van de psychische stoornis meebrengt dat de artsen zien aankomen dat in de nabije toekomst zich waarschijnlijk opnieuw een crisissituatie zal voordoen bij de betrokken patiënt, kan − vanuit een oogpunt van goede medische zorg − niet keer op keer worden volstaan met het nemen van een crisismaatregel. Wanneer de patiënt daartoe bereid en tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, kan hij zich door middel van een zelfbindingsverklaring verbinden tot zorg (zie art. 4:1 Wvggz). Zo niet, dan zal worden gestart met het voorbereiden van een zorgmachtiging zoals dit is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wvggz. Daarna kan de officier van justitie aan de rechtbank een (niet in de tijd aansluitende) zorgmachtiging verzoeken indien aan de wettelijke vereisten voor een zorgmachtiging is voldaan.

2.13

Zijn er voldoende waarborgen tegen willekeur van de burgemeester bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid om opnieuw een crisismaatregel te nemen? In de Wvggz zijn deze waarborgen te vinden in de besluitvormingsprocedure (met name in het vereiste van een voorafgaand onderzoek door een psychiater en in het vereiste dat de betrokken persoon, zo mogelijk, wordt gehoord: zie art. 7:1 lid 3 Wvggz). Bovendien staat voor de betrokkene een rechtsmiddel open in de vorm van een beroep bij de rechtbank tegen de crisismaatregel (zie art. 7:6 lid 1 Wvggz).

2.14

In de verdere uitwerking van dit middelonderdeel, op blz. 2 - 4 van het cassatierekest, is een beroep gedaan op de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wvggz. Kort samengevat is het volgende betoogd:

- de regeling in de Wvggz verhindert volgens de wetgever niet het tegelijkertijd aanvragen van zowel een crisismaatregel (bij de burgemeester) als het voorbereiden van een zorgmachtiging (zie hoofdstuk 5 Wvggz).9

- de termijnen voor de crisismaatregel en de voortzetting daarvan zijn naar doel en strekking hetzelfde als die onder de Wet Bopz voor de inbewaringstelling en de voortzetting daarvan, zij het dat het bij een crisismaatregel niet altijd om vrijheidsbeneming behoeft te gaan.

- bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de regering benadrukt dat de crisismaatregel

“een tijdelijke noodmaatregel is om een ernstige crisissituatie af te wenden. (…) Hierin is een afweging gemaakt tussen de tijd die nodig is om de procedure zorgvuldig te kunnen afronden en de belangen van de betrokkene. De crisismaatregel kan overigens ook na die drie dagen voortgezet worden, namelijk indien de OvJ een verzoekschrift voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel indient bij de rechter op grond van art. 7:7 van de Wvggz. Er hoeft dus niet – zoals in het oorspronkelijke wetsvoorstel was bepaald – meteen een zorgmachtiging te worden aangevraagd. Hiermee is de regering dus reeds tegemoet gekomen aan signalen uit het veld dat de termijnen kort zijn.”10

2.15

De steller van het middel leidt hieruit af – en dat is ook de kern van de klacht – dat naar de bedoeling van de wetgever uit de artikelen 7:1 e.v. Wvggz volgt dat na een crisismaatregel die is verlengd door een rechterlijke machtiging tot voortzetting ervan, (steeds) een zorgmachtiging moet worden verzocht. Dat is in deze zaak niet gebeurd.

2.16

De rechtsopvatting waarvan deze klacht uitgaat vloeit niet voort uit de aangehaalde passage in de Kamerstukken. Zij lijkt mij ook niet juist. Met het woord ‘meteen’ in de vierde volzin van het citaat (weergegeven in alinea 2.14 hiervoor) is bedoeld: direct in de tijd aansluitend op de crisismaatregel van de burgemeester die hoogstens drie dagen kan duren. De toen voorgestelde machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd door de regering volgtijdig geplaatst tussen enerzijds de crisismaatregel van de burgemeester en anderzijds de zorgmachtiging. Het bleef volgens de regering (in theorie) mogelijk dat de officier van justitie deze tussenfase overslaat en een zorgmachtiging verzoekt die direct aansluit op de crisismaatregel van de burgemeester. Uit de aangehaalde passage volgt slechts dat indien het gehele traject wordt doorlopen, eerst een crisismaatregel wordt genomen, dan door de rechtbank een machtiging wordt verleend tot voortzetting van die crisismaatregel, waarna de rechtbank op verzoek van de officier van justitie een zorgmachtiging kan verlenen. Een verplichting van de officier van justitie om een aansluitende zorgmachtiging te verzoeken kan ik daarin niet lezen. De officier van justitie kan een verzoekschrift bij de rechtbank indienen voor een zorgmachtiging die in de tijd aansluit op de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel (zie art. 7:11 Wvggz). Uit het gebruik van het woordje “kan” volgt reeds dat dit voor de officier van justitie geen verplichting is.

2.17

Meer in het algemeen breng ik naar aanleiding van dit middelonderdeel onder de aandacht dat – anders dan ten tijde van het oorspronkelijke wetsvoorstel (met zijn multidisciplinaire Commissie Verplichte GGZ) en de eerste Nota van wijziging (waarin de geneesheer-directeur degene zou zijn die het verzoek om een zorgmachtiging bij de rechtbank indient) − het sinds de tweede Nota van wijziging de bedoeling van de wetgever is, de rol van de officier van justitie te versterken. Dit past bij de traditionele rol van de officier van justitie als ‘poortwachter’ voor de rechtbank in bepaalde civiele zaken.11 Het volgt ook uit de wettekst. Ingevolge art. 5:16 Wvggz beslist de officier van justitie schriftelijk en gemotiveerd of zijns inziens voldaan is aan de criteria voor verplichte zorg. Zo ja, dan dient de officier van justitie onverwijld een verzoek voor een zorgmachtiging in bij de rechtbank (zie art. 5:17 lid 1 Wvggz). Zo niet, dan kan de ‘aanvrager’12 binnen veertien dagen de officier van justitie schriftelijk en gemotiveerd verzoeken om alsnog een verzoek voor een zorgmachtiging bij de rechtbank in te dienen. Indien uit de medische verklaring blijkt dat de psychische stoornis van betrokkene noodzaakt tot verplichte zorg en de aanvraag voldoende gemotiveerd is, dient de officier van justitie alsnog een verzoekschrift voor een zorgmachtiging bij de rechtbank in (art. 5:18 Wvggz).

In art. 7:11 lid 5 Wvggz, waar het gaat om een verzoek zorgmachtiging dat in de tijd aansluit op een voortgezette crisismaatregel, is bepaald dat de officier van justitie schriftelijk en gemotiveerd beslist of zijns inziens voldaan is aan de criteria voor verplichte zorg. De zo-even besproken regels in art. 5:17 en 5:18 Wvggz zijn in dat geval echter niet van toepassing; dit blijkt uit het zesde lid van art. 7:11 Wvggz.

2.18

Aan het slot van dit middelonderdeel wordt geklaagd dat, voor zover de rechtbank zich heeft laten leiden door een passage van gelijke strekking in de tweede Nota van wijziging13, de wetgever toen niet het uitgangspunt heeft verlaten dat de officier van justitie vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel bij de rechter een aansluitende zorgmachtiging moet verzoeken om de crisismaatregel te laten voortduren.

2.19

De klacht mist feitelijke grondslag, omdat uit niets blijkt dat de rechtbank zich door die passage uit de tweede Nota van wijziging heeft laten leiden. Overigens heeft die passage slechts betrekking op de ‘nawerking’ van de lopende machtiging tot voortzetting van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel indien de officier van justitie vóór het verstrijken daarvan een verzoek om een zorgmachtiging bij de rechtbank heeft ingediend; zie alinea 2.8 hiervoor.

2.20

Zelfs als een ‘novum’ zou zijn vereist, kon in deze zaak aan die eis worden voldaan. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 januari 2020 volgt dat de behandelend psychiater het volgende heeft geantwoord op de vraag van de rechter of een aansluitende zorgmachtiging was aangevraagd:

“we hebben in januari 2020 geprobeerd om de betrokkene op vrijwillige basis in zorg te houden. Daarom hebben we ook geen zorgmachtiging aangevraagd. Op 24 januari 2020 werden we overvallen door de situatie van betrokkene en was het risico op een geslaagde suïcidepoging te groot. We moesten toen de procedure voor een crisismaatregel inzetten.”

De psychiater heeft hieraan toegevoegd:

“ten aanzien van het verweer van de advocaat waarom geen zorgmachtiging is aangevraagd, wil ik aangeven dat het doel van de Wvggz is dat wij vrijwillige zorg bieden. De behandelaren hadden de stellige overtuiging dat de behandeling van de betrokkene op vrijwillige basis afgerond kon worden. Het streven was ook toe te werken naar het vergroten van de vrijwilligheid. Juist gelet op het ziektebeeld en de behoefte aan autonomie bij de betrokkene was het dan ook ongepast, en zelfs schadelijk voor het behandelproces om begin januari 2020 een zorgmachtiging aan te vragen. We hebben ook geen glazen bol om in de toekomst te kunnen kijken. Aan het einde van de termijn van de inbewaringstelling lukte het, zeer tegen de verwachting in, uiteindelijk niet betrokkene op vrijwillige basis in zorg te houden, zodat een nieuwe crisismaatregel bij de burgemeester is aangevraagd. (…)”

2.21

Uit deze verklaringen heeft de rechtbank kunnen opmaken dat bij de behandelaars aanvankelijk de verwachting heeft bestaan dat (uiterlijk) na het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling met vrijwillige zorgverlening zou kunnen worden volstaan, maar dat sinds 24 januari 2020 sprake was van een niet voorziene situatie.

2.22

De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.

Onderdeel 2: klacht over het niet horen van betrokkene door de burgemeester vóór het nemen van de crisismaatregel

2.23

Onderdeel 2 keert zich tegen het tweede deel van rov. 2.4. De rechtbank besprak daar het verweer dat betrokkene voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel niet is gehoord door de burgemeester, zoals art 7:1 lid 2 Wvggz voorschrijft. De rechtbank overwoog:

“In artikel 7:3, onder b Wvggz is bepaald dat de burgemeester niet eerder een crisismaatregel neemt dan nadat hij de betrokkene, zo mogelijk, in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord.

In de beschikking van de burgemeester wordt over het horen vermeld dat ‘betrokkene expliciet heeft geweigerd om te worden gehoord’. Als de betrokkene het niet eens is met de (totstandkoming van de) crisismaatregel zoals door de burgemeester is genomen, kan hij daartegen in beroep gaan. Hiertoe moet de betrokkene een schriftelijk en gemotiveerd verzoek indienen bij de rechtbank. Deze beroepsclausule wordt ook vermeld in de beschikking. Dat houdt in dat de bezwaren die de betrokkene heeft over de crisismaatregel dat het horen niet of niet deugdelijk heeft plaatsgevonden in die beroepsprocedure door de rechtbank beoordeeld worden en niet in deze procedure waar uitsluitend de voortzetting van de crisismaatregel voorligt.”

2.24

De klacht houdt in dat de beslissing dat dit uitsluitend door de rechtbank beoordeeld kan worden in een beroepsgang op de voet van art. 7:6 Wvggz, rechtens onjuist is. Volgens de klacht brengt “een redelijke wetstoepassing” mee dat bezwaren tegen de wijze van tot stand komen van de crisismaatregel, waaronder het niet deugdelijk horen van betrokkene, óók aan de orde moeten (kunnen) komen in de procedure waarin de officier van justitie een machtiging heeft verzocht tot voortzetting van de crisismaatregel.14

2.25

Het cassatiemiddel bestrijdt niet dát betrokkene tegen de crisismaatregel bij de rechtbank beroep had kunnen instellen op de voet van art. 7:6 lid 1 Wvggz. Zo’n beroep op de rechtbank kan gelden als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang waarin het oordeel van de rechter kan worden gevraagd over de rechtmatigheid van de beslissing van de burgemeester en de wijze waarop deze tot stand is gekomen. De geldigheid van de hier verleende machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel is naar mijn mening niet afhankelijk van een eventuele vernietiging van de daaraan voorafgaande titel voor verplichte zorg.15 Daarvan uitgaande, levert de gestelde tekortkoming ten aanzien van het horen van betrokkene door de burgemeester geen grond op tot vernietiging van de (op die crisismaatregel volgende) rechterlijke machtiging tot voortzetting van de vrijheidsbeneming. De regering heeft in de toelichting op het voorgestelde art. 7:10 Wvggz (later genummerd: art. 7:6 Wvggz) het volgende opgemerkt (cursivering toegevoegd):

“Gelet op de aard en duur van de vrijheidsbeperkingen die op grond van een crisismaatregel kunnen worden opgelegd, achten wij het van belang dat betrokkene de rechter een oordeel kan vragen over de rechtmatigheid van de beslissing van de burgemeester. De rechterlijke toetsing die na afloop van de crisismaatregel plaatsvindt nadat een verzoek is gedaan voor aansluitende zorgmachtiging, biedt niet de beoogde rechtsbescherming van betrokkene. De rechterlijke toetsing bij de voortzetting biedt alleen de mogelijkheid om de rechtmatigheid van de voortzetting van de verplichte zorg te toetsen, maar niet de rechtmatigheid van de crisismaatregel.

Mede gelet op de eisen die het EVRM stelt aan toegang tot de rechter bij vrijheidsbeneming van personen met een psychische stoornis, is het wenselijk dat betrokkene met een rechtsmiddel tegen de crisismaatregel op kan komen, anders dan via een verzoek om schadevergoeding (…).

De mogelijkheid van beroep bij de rechter beoogt tevens de rechtseenheid te bevorderen en de rechtspositie van betrokkene te versterken. (…).”16

2.26

De rechtbank behoorde zelfstandig te toetsen of aan de wettelijke vereisten voor het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel is voldaan en wel: naar de actuele toestand.17 Dit heeft de rechtbank gedaan. Het gestelde gebrek in de crisismaatregel is in zoverre hersteld, dat betrokkene en haar advocaat door de rechtbank wel zijn gehoord voordat de rechtbank de verzochte machtiging verleende. In andere situaties, bijvoorbeeld wanneer de voor een crisismaatregel vereiste medische verklaring ontbreekt, kan dat zowel een reden opleveren om de crisismaatregel van de burgemeester in een daartegen gericht beroep aan te tasten als om de nadien door de rechtbank verleende machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te vernietigen indien in het rechtbankstadium nog steeds niet de vereiste medische verklaring is overgelegd. Onderdeel 2 faalt.

2.27

Onderdeel 3 bouwt voort op de onderdelen 1 en 2 met de klacht dat de rechtbank (om redenen als aangegeven in die middelonderdelen) niet heeft geoordeeld en beslist ‘in accordance with a procedure prescribed by law’ ten behoeve van een ‘lawful detention of a person of unsound mind’ in de zin van art. 5, lid 1 onder e en lid 4, EVRM. Na het voorgaande behoeft deze klacht geen afzonderlijke bespreking.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Zie art. 27 lid 1 Wet Bopz, hier in verbinding met de overgangsbepaling in art. 15:1, lid 1 onder a en d, Wvggz. Het verzoek was door de OvJ ingediend op 31 december 2019.

2 Zie art. 7:7 lid 1 Wvggz.

3 Vanwege Koningsdag was 27 april 2020 een algemeen erkende feestdag als bedoeld in art. 3 lid 1 Algemene termijnenwet. Dit betekent dat de cassatietermijn is verlengd tot en met dinsdag 28 april 2020 (art. 1 lid 1 Algemene termijnenwet).

4 Het op 26 mei 2020 nagezonden proces-verbaal van de mondelinge behandeling door de rechtbank is aan beide partijen toegezonden.

5 Zie art. 48 lid 1 Wet Bopz.

6 SDU Commentaar Wet Bopz, art. 20, aant. C.7 (W.J.A.M. Dijkers); in deze citaten heb ik de voetnoten weggelaten.

7 Zie Rb. Midden-Nederland 10 februari 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:771). In deze zaak was vanwege administratieve problemen geen zorgmachtiging aangevraagd. Daarom werd een nieuwe crisismaatregel genomen, waarna een machtiging tot voortzetting daarvan werd verzocht. De rechtbank wees het verzoek toe, zij het dat de duur van de machtiging werd beperkt omdat betrokkene in mindere mate rechtsbescherming had gehad. Een ander voorbeeld is Rb Noord-Nederland 20 april 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:1745).

8 MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 5 en 77.

9 De toelichting verwijst hier naar de Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 2013/14, 32 399, nr. 9, blz. 27.

10 MvA I, Kamerstukken I, 2017/18, 32 399, D, blz. 90 - 91.

11 Zie hierover: M.E. de Meijer, Het openbaar ministerie in civiele zaken, diss. EUR, Deventer: Kluwer, 2003. Ook de huidige artikelen 42 - 44 Rv houden verband met de civiele taken van het openbaar ministerie.

12 Zie art. 5:3 Wvggz.

13 Het middelonderdeel verwijst naar Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25, blz. 175 (onder het kopje “Artikelen 7:4 en 7:5”)

14 De toelichting op deze klacht verwijst onder meer naar R.B.M. Keurentjes, De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Handleiding voor de praktijk, Den Haag: SDU, 2019, blz. 76: “De rechter kan gevraagd worden een oordeel te vellen over de gronden die zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van het niet horen van betrokkene, voorafgaand aan de afgegeven crisismaatregel.”

15 Zie over dit vraagstuk de conclusie van 15 juni 2020 in de bij de Hoge Raad aanhangige zaak 20/01416.

16 MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 80 - 81.

17 Zie recent: HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1017, rov. 3.3.2: “Bij de beoordeling van de vraag of een maatregel krachtens de Wvggz moet worden getroffen en welke vormen van verplichte zorg mogen worden verleend, dient steeds te worden uitgegaan van de actuele situatie ten tijde van de te nemen beslissing (beoordeling ‘ex nunc’).”