Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:670

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
19/00938
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1213
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Smaadschrift, 261 Sr door op een Facebookpagina een bericht te plaatsen waarin het slachtoffer wordt beticht en/of beschuldigd van meineed. 2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, 285 Sr. Kan uit b.m. volgen dat verdachte opzettelijk de eer en goede naam van het slachtoffer heeft aangerand door de ttl. van een bepaald feit, met het kennelijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven? Onttrekking aan het verkeer o.g.v. art. 36d Sr. Kunnen de voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/00938

Zitting 9 juni 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 12 februari 2019 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens (in de zaak met parketnummer 01-845024-17 onder 2) ‘smaadschrift’ en (in de zaak met parketnummer 01-860371-17) ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr, alsmede de onttrekking aan het verkeer van een aantal voorwerpen. Het hof heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 400,00 subsidiair acht dagen hechtenis. Het hof heeft de straf voor de in de zaak met parketnummer 01-845024-17 onder 1 en 4 door de rechtbank bewezen verklaarde feiten bepaald op een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en ‘met de bijzondere voorwaarden, en het contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van 2 (twee) jaren zoals deze door de rechtbank zijn opgelegd.’

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.1 Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van het onder 2 bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 01-845024-17. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat de verdachte opzettelijk de eer en goede naam van het slachtoffer heeft aangerand door de tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven.

4. Ten laste van de verdachte is aldaar bewezenverklaard dat:

‘hij op 1 januari 2017 in Nederland opzettelijk de eer en de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften verspreid, door op internet, middels een openbare Facebookpagina een bericht te plaatsen waarin hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] beticht en/of beschuldigt van meineed, te weten door de volgende tekst op te nemen - sprekende over voornoemde [slachtoffer] — “ [naam] heeft zelf bewust geen facebook account. Hij is bang dat ik bewust op social media naar hem heb gezocht. Als je al weet dat ik naar je heb gezocht, waarom lieg je dan. ik post dit nu ook bewust omdat jij iedereen in jou zak hebt. Dossier vol meineed. Vanaf nu ga ik elke week uploaden en iedereen laten zien wat er speelt. Ik post geen shit ik zal duidelijk bewijzen laten zien. Ik denk dat je het met 20 tot 30 keer meineed niet red. Op papier staat dat benaalde geen facebook account heeft dus ik verwacht hier geen problemen door’

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 12 januari 2017 (…), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :

Ik doe een klacht tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , van onder andere smaad en smaadschrift.

Ik ben [slachtoffer] . Ik ben werkzaam als Generalist gebiedsgebonden politiezorg te [plaats] .

Op 1 januari 2017 werd ik door [betrokkene 1] , een vriend van mij, erop attent gemaakt dat er op de site “Facebook” een bericht was geplaatst door [verdachte] . In het bericht, wat openbaar was en dus voor iedereen te lezen was, betichtte [verdachte] mij van meineed. In het bericht noemt [verdachte] mijn naam [slachtoffer] , en voegt daarbij afbeeldingen van mijn facebookpagina. Bekenden weten dus dat de persoon [slachtoffer] betrekking heeft op mij. In het bericht noemt hij ook de naam “ [naam] ”. Dat is ook de naam die ik voor mijn profiel gebruik.

Ik voelde mij door het openbare bericht op Facebook erg beledigd en in mijn goede eer en naam aangetast. Ik werd door [verdachte] publiekelijk als leugenaar uitgemaakt en hij betichtte mij van het feit dat ik opzettelijk meineed had gepleegd. Ik was direct erg onder de indruk van de beledigingen gericht aan mij persoonlijk.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het hieronder afgebeelde screenshot, gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer] d.d. 5 januari 2017 (…), in welk proces-verbaal [slachtoffer] nagenoeg gelijkluidend heeft verklaard als in de onder bewijsmiddel 1 opgenomen aangifte en waarbij hij bovendien een screenshot van het bericht op Facebook als bijlage heeft gevoegd:

[Afbeelding]

Overweging met betrekking tot bewezenverklaring,

In de tenlastelegging en ook in de bewezenverklaring is abusievelijk in de zin " [naam] heeft zelf bewust geen facebook account" het woordje ‘bewust’ opgenomen. Uit bovenstaand bewijsmiddel blijkt dat dit woordje "bewust" niet in de bedoelde passage staat. Dit doet echter niet af aan het bewezen verklaarde of enig ander onderdeel van de beslissing van het hof.

3. Het proces-verbaal van verhoor met bijlagen d.d. 12 januari 2017 (…), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte:

V: Vraag verbalisant A: Antwoord verdachte

V: Wij laten je een screenshot van Facebook zien. Dit voegen wij bij dit verhoor als bijlage 2. Deze staat op jouw Facebook-pagina. Hier heb je het over “ [naam] ”, wie bedoel je hiermee?

A: Dat is [slachtoffer] , dit is de naam van zijn Facebook-account. Ik wilde hiermee aantonen dat [slachtoffer] wel in het bezit is van een Facebook- account en dat hij daarover heeft gelogen.

4. De eigen waarneming van dit hof dat de screenshot die bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 januari 2017 (…) is gevoegd, dezelfde afbeelding bevat als bijlage 2 bij het proces-verbaal van verhoor d.d. 12 januari 2017 (…).’

6. Het hof heeft aan deze bewezenverklaring voorts de volgende bewijsoverweging gewijd:

‘De verdediging heeft - op gronden als verwoord in de pleitnota - bepleit dat het hof verdachte dient vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw - kort gezegd - aangevoerd dat uit het in de tenlastelegging genoemde Facebookbericht niet blijkt dat verdachte met dit bericht op [slachtoffer] heeft gedoeld en verdachte met dat bericht dus niet publiekelijk de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand.

Met de rechtbank overweegt het hof als volgt.

Verdachte heeft erkend dat hij op het openbare gedeelte van zijn Facebookpagina het in de tenlastelegging genoemde bericht heeft geplaatst. Dit bericht, dat dus voor iedereen leesbaar was, hield - zakelijk weergegeven - in dat verdachte “ [naam] ” van meineed beschuldigt. Onder dat bericht staan screenshots van de Facebookpagina van “ [naam] ” en aanduidingen die naar de naam van [slachtoffer] te herleiden zijn. Aan de hand van deze gegevens was het voor een ieder - en zeker voor vrienden en kennissen van [slachtoffer] - mogelijk de Facebookpagina van “ [naam] ” te vinden en te constateren dat “ [naam] ” een alias voor [slachtoffer] was. Dat dit mogelijk was, blijkt overigens reeds uit het feit dat [slachtoffer] door zijn vriend [betrokkene 1] erop is geattendeerd dat verdachte het betreffend bericht had geplaatst.

Door het plaatsen van het in de tenlastelegging genoemde bericht op zijn Facebookpagina acht het hof met de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk de eer en goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand.

Het verweer wordt derhalve verworpen.’

7. Blijkens de pleitnota die de raadsvrouw van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 29 januari 2019 heeft overgelegd, is onder meer het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten):

‘5. Bovendien heeft de verdediging bepleit dat juist door het niet noemen van de naam [slachtoffer] , maar enkel dit soort raadsels te vermelden en gebruik te maken van de aanduiding ‘ [naam] ’ in het bericht zónder een link of foto erbij te plaatsen van een Facebookaccount met die naam, te gelden heeft dat het vereiste (voorwaardelijk) opzet ontbrak op én de aanranding van zijn naam én op ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in art. 261 Sr. Daaronder dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’ en met een zodanig ‘publiek’ is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. Dat het vereiste opzet ontbrak volgt ook uit het feit dat hij juist begint met de zin: ‘ [naam] heeft zelf geen facebook account’. En afsluit met de zin: ‘Op papier staat dat benaalde geen facebook account heeft dus ik verwacht hier geen problemen door’.

6. Met name die laatste afsluitende zin geeft aan dat uit het bericht niet kan volgen dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de eer en/of goede naam van die [slachtoffer] heeft aangerand door het plaatsen van dit bericht met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Zowel uit het bericht zelf als de verklaringen van cliënt volgt dat hij bewust de naam van [slachtoffer] niet in het bericht heeft geplaatst en dat hij er juist géén problemen mee verwachtte. Hij dacht dus dat het goed zou gaan en dat duidt hoogstens op onbewuste schuld, géén opzet. Immers, uit deze zinnen volgt dat hij de gevolgen niet had voorzien, maar dit mogelijk wel had kunnen voorzien als hij beter na had gedacht en het ook had moeten voorzien. Maar dat is geen opzet of voorwaardelijk opzet. Een bewijsmiddel waaruit het tegendeel volgt voor het vereiste (voorwaardelijke) opzet, ontbreekt.

8. De steller van het middel klaagt dat het bewezenverklaarde ‘kennelijke doel van ruchtbaarheid’ niet uit de bewijsmiddelen kan volgen nu niet blijkt dat voor een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden kenbaar was dat de door de verdachte op zijn Facebook-pagina geplaatste mededeling betrekking had op [slachtoffer] en dat verdachte zich daarvan bewust is geweest. In het bijzonder zou daarvoor niet voldoende redengevend zijn hetgeen het hof heeft overwogen over het feit dat ‘ [betrokkene 1] ’, een vriend van [slachtoffer] , hem erop heeft geattendeerd dat verzoeker het betreffende bericht had geplaatst.

9. Onder ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in art. 261 Sr dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Met zodanig ‘publiek’ is naar het oordeel van Uw Raad ‘een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld’.2 Dat de verdachte had gehandeld met het kennelijk doel om aan de tenlastelegging van een bepaald feit ruchtbaarheid te geven, werd onder meer aangenomen in een zaak waarin de verdachte op haar Hyves-pagina de tekst ‘ik moet mijn kind meegeven aan een pedo’ had geplaatst.3 Uw Raad overwoog:

‘Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de in de bewezenverklaring genoemde uitlating niet te vergelijken is met informatie die in de beslotenheid van de huiskamer aan een beperkte kring geadresseerden wordt toevertrouwd en dat het in het onderhavige geval, waarin de tekst op de Hyves-pagina van de verdachte zichtbaar was voor personen die kennelijk naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over de uitlating konden beschikken, voor de verdachte voorzienbaar en op voorhand feitelijk te verwachten was dat de geplaatste tekst verder zou worden verspreid. Het oordeel van het Hof getuigt niet van een onjuiste opvatting omtrent art. 261 Sr, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.’4

10. De bewijsvoering van het handelen met het kennelijk doel om aan de tenlastelegging van een bepaald feit ruchtbaarheid gegeven is wel ontoereikend geoordeeld in gevallen waarin de wijze van verspreiding niet een aanwijzing oplevert dat de verdachte bekendheid in bredere kring nastreeft. In HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1243, NJ 2014/337 m.nt. Keijzer had de verdachte een e-mail gezonden aan enkele werknemers van een kinderdagverblijf, inhoudend onder meer de mededeling dat zijn ex-partner veroordeeld was en in haar proeftijd zat. Uw Raad oordeelde de bewijsvoering ontoereikend.

10. Het hof heeft vastgesteld dat het onderhavige bericht op het openbare gedeelte van de Facebook-pagina van de verdachte is geplaatst en daar ‘voor iedereen leesbaar was’. Het hof heeft voorts vastgesteld dat onder het bericht screenshots van de Facebookpagina van ‘ [naam] ’ zijn geplaatst en aanduidingen die naar de naam van [slachtoffer] te herleiden zijn. En het heeft overwogen dat het aan de hand van deze gegevens voor een ieder mogelijk was de Facebookpagina van ‘ [naam] ’ te vinden en te constateren dat ‘ [naam] ’ een alias voor [slachtoffer] was. Aldus heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het uit de bewijsmiddelen heeft afgeleid dat de verdachte heeft gehandeld met het kennelijk doel om aan de tenlastelegging van een bepaald feit (het plegen van meineed door [slachtoffer] ) ruchtbaarheid te geven.5 Dat niet voor een ieder die de Facebookpagina bekeek in één oogopslag duidelijk behoefde te zijn dat op [slachtoffer] werd gedoeld, staat aan de toereikendheid van de bewijsvoering niet in de weg. Van smaad en smaadschrift is niet slechts sprake als het slachtoffer met naam en toenaam wordt aangeduid.6

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof voorwerpen aan het verkeer heeft onttrokken op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.

14. Het hof heeft de volgende voorwerpen aan het verkeer onttrokken:

‘- een zilverkleurige American baseball (goednummer 1223235);

- een blauwe Chuangxin bat (goednummer 1223236);

- een witte muts (goednummer 1223237);

- twee keukenmessen (goednummer 1223239);

- een zwarte muts (goednummer 1223240);

- een zwarte Man Kung mini cross bow voorzien van laserpen (goednummer 1223242);

- een kapmes, machete (goednummer 1223245);

- vier kruisboogpijlen (goednummer 1223246);

- een zwarte BSW kruisboog (goednummer 1223247);

- een zwarte wapenstok, knuppel met touwtje (goednummer 1223254).’

15. Het hof heeft de onttrekking aan het verkeer van deze voorwerpen als volgt gemotiveerd:

Beslag

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan het verkeer onttrokken dienen te worden, omdat deze voorwerpen bij het onderzoek naar de hiervoor bewezen verklaarde misdrijven bij verdachte zijn aangetroffen en het hof van oordeel is dat deze voorwerpen een gezamenlijkheid van voorwerpen vormen, geschikt om de hiervoor bewezen verklaarde feiten kracht bij te zetten. De gezamenlijkheid van deze voorwerpen is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.’

16. Onder de toepasselijke wettelijke voorschriften is art. 36d Sr vermeld. Dat artikel luidt als volgt:

‘Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.’

17. Het hof heeft volgens de steller van het middel een onjuiste uitleg gegeven aan het bepaalde in art. 36d Sr, in het bijzonder in zoverre dat artikel eist dat de voorwerpen ‘kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan’. Het hof heeft volgens steller van het middel een onjuist criterium toegepast, namelijk dat de gezamenlijkheid van voorwerpen ‘geschikt is om de hiervoor bewezen verklaarde feiten kracht bij te zetten’. De steller van het middel wijst er voorts op dat onder soortgelijke feiten in de zin van art. 36d Sr worden verstaan feiten die tot dezelfde categorie behoren, en attendeert erop dat verzoeker is veroordeeld wegens smaad en (verbale) bedreiging. Het oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen ‘een gezamenlijkheid van voorwerpen’ vormen die van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang zou ook onbegrijpelijk zijn. Daarvoor zou noodzakelijk zijn dat (op zichzelf ongevaarlijke) voorwerpen onderdeel vormen van een geheel dat als zodanig gevaarlijk is. Het zou niet duidelijk zijn waarom van een ‘gezamenlijk geheel’ sprake is en het zou ook niet zijn in te zien waarom het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met de wet of het algemeen belang.

18. Redelijke uitleg van de in art. 36d Sr gebezigde woorden ‘soortgelijke feiten’ brengt volgens Uw Raad ‘mee dat daaronder dienen te worden verstaan feiten, die, gelet op het belang dat de wetgever door de strafbaarstelling ervan heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als de door de verdachte begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht.’7 Tot de door het hof bewezenverklaarde feiten behoort het misdrijf bedreiging. De verdachte heeft [slachtoffer] bedreigd door [betrokkene 2] , sprekende over [slachtoffer] , dreigend de woorden toe te voegen: ‘Als ik op die manier niet mijn gelijk kan halen dan schiet ik een kogel door [slachtoffer] zijn kop. Dus ik hoop dat ik wel mijn gelijk kan halen anders heb ik medelijden met zijn familie. Want hij krijgt dan een kogel door zijn kop’. Dat is inderdaad een verbale bedreiging; dat doet er evenwel niet aan af dat het misdrijf bedreiging ook anders dan verbaal kan worden begaan, en dat bij een andere wijze van begaan van het misdrijf bedreiging van een soortgelijk feit sprake is.8

19. Enkele van de voorwerpen binnen de gezamenlijkheid die het hof aan het verkeer heeft onttrokken kunnen zonder meer dienen tot het begaan van een bedreiging; ik noem het kapmes, de wapenstok en de blauwe Chuangxin bat. Van wat andere aard zijn de Man Kung mini cross bow met laserpen, de BSW kruisboog en de kruisboogpijlen. Van het op iemand afstappen met een kapmes, een wapenstok of een bat gaat een onmiddellijke dreiging uit, dat is bij een kruisboog alleen wat anders. Maar ook een kruisboog in combinatie met kruisboogpijlen kan in de context van een bedreiging gebruikt worden; zo kan de betrokkene worden aangezegd dat de kruisboog en de pijlen op een later moment zullen worden gebruikt, of kan van enige afstand een pijl op de betrokkene worden afgeschoten.

20. Bij andere aan het verkeer onttrokken voorwerpen volgt uit de omschrijving niet dat zij geschikt zijn tot het begaan van een bedreiging. Dat is in de eerste plaats de ‘zilverkleurige American baseball’. Een blik achter de papieren muur leert evenwel dat het hier niet gaat om een bal maar om een (tweede) bat. In het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die met de aanhouding buiten heterdaad van verdachte belast waren en op 1 augustus 2017 zijn woning hebben betreden, is onder meer gerelateerd: ‘Wij zagen in de woonkamer in de hoek een aluminium honkbalknuppel staan en in de kast in een open gedeelde een kruisboog en 3 kruisboogpijlen. Wij zagen in de slaapkamer bivakmutsen, handschoenen, grote kabelbinders, een kruisboog, een aluminium honkbalknuppel en een rubberen wapenstok liggen’ (dossier, p. 15). Over een baseball wordt niet gesproken, wel over twee aluminium honkbalknuppels. Dat wijst erop dat de zilverkleurige American baseball waar het hof over spreekt één van deze beide knuppels is. Tegen deze achtergrond ligt het in de rede de formulering van de aan het verkeer onttrokken voorwerpen in zoverre verbeterd te lezen dat het hof een ‘zilverkleurige American baseball bat’ aan het verkeer heeft onttrokken.

21. Ook van de witte muts, de twee keukenmessen en de zwarte muts is niet onmiddellijk duidelijk dat zij geschikt zijn tot het begaan van een bedreiging. Met name in verband met deze voorwerpen is van belang dat het hof het geheel van aan het verkeer onttrokken voorwerpen als een gezamenlijkheid heeft aangemerkt. Zonder toelichting, die ontbreekt, is evenwel niet onmiddellijk duidelijk waarom deze voorwerpen met de andere als een gezamenlijkheid zijn aangemerkt. Een blik achter de papieren muur biedt ook in dit opzicht verheldering. In een ander proces-verbaal van bevindingen relateren de betreffende verbalisanten: ‘In de slaapkamer zagen wij een grijze honkbalknuppel en een kruisboog naast het bed tegen een muur staan. Voor meer bijzonderheden zie “Foto 3 en Foto 4”. Ook zagen wij in de slaapkamer twee keukenmessen op een kleine tafel liggen. Voor meer bijzonderheden zie “Foto 5 en Foto 6”. Op het bed zagen wij twee bivakmutsen en wapenstok liggen. Voor meer bijzonderheden zie “Foto 7, Foto 8 en Foto 9”. Naast het bed in de slaapkamer lag een witte doos waar een bruin handvat van een machette uitstak. Voor meer bijzonderheden zie “Foto 10”. Op een kledingkast in de slaapkamer zagen wij nogmaals een kruisboogpijl liggen. Voor meer bijzonderheden zie “Foto 11”’ (dossier, p. 20).

22. Uit de plaats waar de beide keukenmessen zijn aangetroffen, de slaapkamer, en de voorwerpen die daar overigens zijn aangetroffen, heeft het hof kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat deze messen deel uitmaakten van het ‘wapenarsenaal’ van de verdachte en daarmee derhalve een ‘gezamenlijkheid van voorwerpen’ vormden. Dat van een witte en zwarte bivakmuts sprake is en dat ook deze beide mutsen in de nabijheid van de genoemde wapens zijn aangetroffen, brengt tenslotte mee dat het hof ook deze mutsen als een onderdeel van deze gezamenlijkheid heeft kunnen aanmerken. Ik neem daarbij in aanmerking dat bivakmutsen een groot deel van het gezicht bedekken en om die reden, zeker in samenhang met één of meer van de andere inbeslaggenomen voorwerpen, kunnen dienen tot het begaan van een bedreiging. Ik teken daarbij aan dat het aanmerken van een ongevaarlijk voorwerp als onderdeel van een gezamenlijkheid van voorwerpen en het op die grond aan het verkeer onttrekken van het voorwerp in het bijzonder in de rede ligt als die voorwerpen door het verband met de andere voorwerpen in het licht van het gevaar voor het begaan van soortgelijke feiten een ‘gevaarlijk’ karakter krijgen.9

23. Het hof heeft, door te overwegen dat de gezamenlijkheid van voorwerpen ‘geschikt (is) om de hiervoor bewezen verklaarde feiten kracht bij te zetten’, kennelijk onder woorden willen brengen dat deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van (in het bijzonder) het misdrijf bedreiging, in verschillende vormen. Daarmee heeft het hof de onttrekking aan het verkeer in zoverre niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik wijs er daarbij op dat in hoger beroep geen verweer is gevoerd tegen de mogelijke onttrekking aan het verkeer van deze voorwerpen, terwijl ook de rechtbank deze voorwerpen aan het verkeer had onttrokken.

24. Het middel faalt.

25. Beide middelen kunnen worden verworpen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve verdient de wijze waarop het hof de straf heeft bepaald voor de feiten die buiten het hoger beroep zijn gebleven de aandacht. Het betreffende onderdeel van het dictum is in het bestreden arrest als volgt geformuleerd:

‘Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor de in de zaak met parketnummer 01-845024-17 onder 1 en 4 en bewezen verklaarde – niet aan het oordeel van het hof onderworpen – feiten op een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 (één) maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren en met de bijzondere voorwaarden, en het contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van 2 (twee) jaren, zoals deze door de rechtbank zijn opgelegd.’

26. De rechtbank had in het dictum van het vonnis de volgende passage opgenomen:

‘legt op de volgende straf en maatregelen.

Ten aanzien van de onder parketnummer 01/845024-17 als feiten 1, 2 en 4 en het onder parketnummer 01/860371-17 bewezen verklaarde:

• een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot één maand niet ten uitvoer zal worden geleed, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren [een van] de hierna te noemen voorwaarden heeft overtreden.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich:

- gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die door de reclassering zullen worden gegeven, ook indien zulks zou inhouden dat veroordeelde zich moet laten behandelen door het FACT-team van GGz Oost-Brabant of soortgelijke ambulante forensische zorg. Daarbij dient veroordeelde zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of de instelling/behandelaars zullen worden gegeven en

- vanaf dag waarop dit vonnis is uitgesproken, meldt bij de reclassering van het Leger des Heils, [adres] of een soortgelijke instelling, zo frequent en zolang de reclassering zulks noodzakelijk acht.

De Reclassering Nederland, Regio Zuid, [adres] , wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van parketnummer 01/845024-17 voorts

• een contactverbod voor de duur van 2 (twee) jaar

Legt op de maatregel dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1987.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.

Beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.’

27. Vooropgesteld kan worden dat de wat losse verwijzing van het hof zich lastig verhoudt tot de wettelijke regeling. Art. 423, vierde lid, Sv eist dat het hof in het daar omschreven geval de straf bepaalt, als de opgelegde straf niet wordt bevestigd. Dat verhoudt zich niet goed tot deze verwijzing. Bezwaarlijker is, dat de verwijzing niet in alle opzichten precies aansluit. Het hof verwijst niet naar de gestelde algemene voorwaarden, niet naar de opdracht tot het houden van toezicht door Reclassering Nederland, niet naar het bevel dat vervangende hechtenis wordt toegepast bij schending van het contactverbod en niet naar de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel. Ik merk in dit verband op dat Uw Raad eerder heeft overwogen dat uit het arrest van het hof ‘in samenhang met het vonnis van de rechtbank, voor zover dit is bevestigd, ondubbelzinnig (moet) blijken welke straf(fen) en/of maatregel(en) aan de verdachte zijn opgelegd. In het licht daarvan alsmede teneinde – ook met betrekking tot de tenuitvoerlegging – misverstanden te voorkomen, verdient het in voorkomende gevallen aanbeveling dat het dictum van het arrest van het hof een integrale weergave van alle opgelegde straffen en/of maatregelen bevat.’10 Die aanbeveling lijkt mij ook van belang in situaties als de onderhavige, waarin bij het bepalen van de straf naar het vonnis wordt verwezen.

28. Bij de huidige stand van het cassatieprocesrecht behoeft dit evenwel niet tot ambtshalve cassatie te leiden. Wat het hof heeft bedoeld lijkt mij duidelijk: het heeft ook de algemene voorwaarden, de opdracht aan Reclassering Nederland en het bepaalde inzake vervangende hechtenis in verband met het contactverbod willen overnemen. Daarmee is in zoverre sprake van kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen. In dat geval ligt het op de weg van procespartijen om bij onduidelijkheid bij het gerechtshof een herstelbeslissing te verzoeken.11 Wat de dadelijke uitvoerbaarheid betreft kan worden opgemerkt dat de onhelderheid in ’s hofs arrest van zijn effect wordt beroofd ingeval Uw Raad het cassatieberoep verwerpt. Daardoor wordt het bestreden arrest (dadelijk) uitvoerbaar.12

29. Dat in aanmerking nemend, heb ik geen ambtshalve gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit de ‘akte partiële cassatie’ blijkt dat het cassatieberoep ‘niet (is) gericht tegen de gegeven vrijspraken.’

2 HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9186, NJ 2008/430.

3 HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009, NJ 2011/325.

4 Zie ook HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:331, NJ 2018/160 (smaadschrift via Facebook) waarin niet geklaagd werd over de bewijsvoering van het handelen met het kennelijk doel om aan de tenlastelegging van het feit ruchtbaarheid te geven voor zover de verspreiding via Facebook had plaatsgevonden.

5 In verband met de eis dat een ‘bepaald feit’ is tenlastegelegd verdient nog de aandacht dat uit oudere jurisprudentie van Uw Raad valt af te leiden dat de enkele beschuldiging van meineed, zonder concretisering, niet de telastlegging van een bepaald feit oplevert. Vgl. HR 13 oktober 1919, ECLI:NL:HR:1919:36, NJ 1919, p. 1067 (‘valsche eedaflegster’) en HR 17 januari 1927, ECLI:NL:HR:1927:160, NJ 1927, p. 189 (‘meinedige’). In het onderhavige geval is uit de context evenwel af te leiden dat de beschuldiging ziet op een verklaring van [slachtoffer] dat hij geen Facebook-pagina zou hebben. Over dit onderdeel van de bewezenverklaring en de bewijsvoering op dat punt wordt in cassatie niet geklaagd

6 Vgl. HR 3 februari 1936, ECLI:NL:HR:1936:149, NJ 1936, p. 733 m.nt. Taverne, waarin Uw Raad overwoog ‘dat art. 261 Sr. voor zijne toepasselijkheid niet eischt, dat de persoon, wier eer of goede naam wordt aangerand, met name door den aanrander wordt genoemd en het voldoende is, dat genoegzaam blijkt, wie bedoeld is’. Zie ook HR 28 december 1937, ECLI:NL:HR:1937:92, NJ 1938/868 m.nt. Pompe.

7 HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322, NJ 1997/655, rov. 4.2; HR 6 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1256, NJ 1999/25.

8 Vgl. J.W. Fokkens, Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 3 bij art. 36d (actueel t/m 1 oktober 2016) die meent ‘dat de term ‘soortgelijk’ niet te eng moet worden uitgelegd’.

9 Vgl. HR 7 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4090, NJ 1972/197 (De Marconist, een radiopiraat): onttrekking aan het verkeer van onder meer 27 grammofoonplaten en een rieten boodschappentas. Zie ook HR 3 februari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB3588, NJ 1976/311 m.nt. Van Veen (abortuskliniek): onttrekking aan het verkeer medisch instrumentarium. Vgl. ook F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, tweede druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 361. Zie – kritisch - ook M.M. Beije, Onttrekking aan het verkeer, Groningen: Wolters Noordhoff 1994, p. 160-163.

10 HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372, NJ 2018/173.

11 Vgl. HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:15 over het verzuim om aan Reclassering Nederland opdracht te geven toezicht en begeleiding te bieden. Uit art. 14c, eerste en derde lid, Sr volgt dat de door de rechtbank gestelde algemene voorwaarden – nu bijzondere voorwaarden zijn gesteld - uit de wet voortvloeien. En uit art. 38w, eerste lid, Sr volgt dat de rechter beveelt dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor het geval niet aan een vrijheidsbeperkende maatregel houdende een contactverbod wordt voldaan.

12 Ik merk nog op dat het slagen van een klacht inzake (de motivering van) een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid gewoonlijk – vgl. bijvoorbeeld HR 10 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1310 - niet tot terugwijzing leidt.