Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:652

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-06-2020
Datum publicatie
21-07-2020
Zaaknummer
19/03821
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige perspublicatie. Belangenafweging art 10 en 8 EVRM; hoor en wederhoor, begrip public figure en passeren bewijsaanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0512
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03821

Zitting 26 juni 2020

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

1. [eiser 1] ,

hierna: [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2] ,

hierna: [eiser 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisers tot cassatie,

hierna gezamenlijk: [eisers] ,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

tegen

1. Het Parool B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

hierna: Het Parool,

2. [verweerder 2] ,

domicilie kiezende te [woonplaats] ,

hierna: [verweerder 2] ,

3. [verweerder 3] ,

domicilie kiezende te [woonplaats] ,

hierna: [verweerder 3] ,

4. [verweerder 4] ,

domicilie kiezende te [woonplaats] ,

hierna: [verweerder 4] ,

verweerders in cassatie,

hierna gezamenlijk: Het Parool c.s.,

advocaat: mr. A.M. van Aerde.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn eigenaren van onroerend goed in [plaats 1] . In 2010 blijkt dat [betrokkene 1] is ondergedoken in een pand aan de [a-straat] , waar zij de eigenaren van zijn. Het Parool schrijft daarover in 2016 in vier artikelen wanneer de gemeente Amsterdam voor een aanzienlijk bedrag de oude politiebureaus – waaronder die aan de [b-straat] - op [c-straat] heeft verkocht aan een consortium waarin ook [eiser 1] en [eiser 2] deelnemen. De publicaties houden in dat de gemeente Amsterdam en de (nationale) politie onzorgvuldig hebben gescreend, omdat de kopers van de panden ( [eiser 1] en [eiser 2] ) een “link” hebben met [betrokkene 1] . Van de vier artikelen zijn er drie waarvan [eiser 1] en [eiser 2] menen dat die onrechtmatig jegens hen zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen van de artikelen onrechtmatig is. Het hof oordeelt anders, één van de artikelen is wel degelijk onrechtmatig en daarbij moet (en is) een rectificatie geplaatst, en de andere artikelen zijn niet onrechtmatig. [eiser 1] en [eiser 2] zijn het daar niet mee eens en menen dat ook de andere twee publicaties onrechtmatig zijn. In cassatie voeren zij diverse klachten aan.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.1

(i) Het Parool geeft een dagblad uit dat, behalve aan nationale en internationale nieuwsfeiten, aandacht aan gebeurtenissen en situaties in Amsterdam besteedt. [verweerder 4] en [verweerder 3] treden daarbij geregeld als verslaggevers op. [verweerder 2] is [functie] van Het Parool.

(ii) [eisers] hebben sinds 1996 gezamenlijk een vastgoedportefeuille in [plaats 1] . Bij de uitvoering van hun projecten maken zij gebruik van diverse aannemers. Een van hen was gedurende enige tijd [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ).

(iii) Na wegens drugshandel enkele jaren celstraf te hebben ondergaan, richtte [betrokkene 2] in 2005 [A] B.V. (hierna: [A] ) op. Hij bood zijn diensten aan [eisers] aan. Tevens huurde hij van hen voor zijn bedrijf een werkplaats met kantoor grenzend aan hun kantoor. Het door [betrokkene 2] gehuurde had een eigen ingang; men kon echter ook binnendoor elkaars bedrijfsruimten bereiken. [eisers] verstrekten [betrokkene 2] daarnaast ten behoeve van zijn woonhuis in [plaats 2] een hypothecaire geldlening. Per 1 augustus 2007 zegde [betrokkene 2] de huur van zijn bedrijfsruimte op. Op 16 oktober 2007 werd [A] in staat van faillissement verklaard.

(iv) In 2007 begonnen [eisers] met de verbouwing van de panden [a-straat 1] , [a-straat 2] en [a-straat 3] in [plaats 1] , sinds 2006 hun eigendom. Aanvankelijk verrichtte [A] de werkzaamheden daar; na haar faillietverklaring geschiedde dat met behulp van oud-werknemers van [betrokkene 2] .

(v) Op [a-straat 1] werd een luxe bovenwoning (hierna: de bovenwoning) gecreëerd. De bovenwoning, die voor de verhuur was bestemd, omvatte de etages drie, vier en vijf. De bovenwoning was in twee afzonderlijke eenheden verdeeld (etage drie en etage vier/vijf), maar had één gezamenlijke toegang. Het beheer was, net als bij andere woningen van [eisers] , in handen van [B] Beheer B.V., die op hetzelfde adres als [eisers] kantoor hield. Op 18 maart 2008 sloot [B] voor de (gemeubileerde) bovenwoning namens [eisers] als verhuurders schriftelijk een huurovereenkomst met [betrokkene 3] .

(vi) Op 28 augustus 2010 hield de politie de voortvluchtige crimineel [betrokkene 1] in de bovenwoning aan. [betrokkene 1] , die [betrokkene 2] uit de gevangenis kende, bleek daar enkele jaren te hebben verbleven.

(vii) Op [datum 1] publiceerde Vrij Nederland een artikel onder de titel " […] '. In dit artikel staat onder meer:

“De vrijdag opgepakte crimineel [betrokkene 1] verschool zich in een woning van [eiser 2] . De [vastgoedbelegger] schrok zich rot toen hij hoorde waar de wereldwijd gezochte crimineel werd gearresteerd. [...] 'We hebben het [pand] opgeknapt en laten verhuren door bemiddelingsbedrijf [B] Beheer. Met de bewoners hebben we niets te maken.”

[datum 2] berichtte Vrij Nederland in een artikel getiteld " […] " onder meer:

"Volgens bronnen uit het milieu is de woning heringericht door de [aannemer] [betrokkene 2] [...] Feit is dat [betrokkene 2] verschillende klussen opknapte voor vastgoedhandelaar [eiser 2] . [..] [betrokkene 1] zat in 2003 enkele maanden vast wegens wapenbezit. Volgens een kennis van [betrokkene 2] hield deze sindsdien contact met [betrokkene 1] . [...]"

(viii) In augustus 2015 werden [eisers] in een consortium met een aantal zakenpartners geselecteerd voor de aankoop van de panden [d-straat 1] en [b-straat 1-7] te [plaats 1] . In beide panden waren voorheen politiebureaus gevestigd. Deze waren eigendom van de (later Nationale) Politie.

(ix) De [d-straat] en de [b-straat] liggen in het postcodegebied [001] . Bij het verlenen van (bouw)vergunningen in dit deel van de stad past de gemeente Amsterdam de zgn. Bibob-screening en de Van Traa-screening criteria toe. Daarmee probeert zij te voorkomen dat panden direct of indirect in handen komen van of worden gefinancierd door criminelen. De politie hanteerde deze screeningcriteria bij de selectie van het consortium met [eisers] voor de verkoop van de voormalige politiebureaus niet, maar verrichtte een eigen onderzoek naar de kandidaat-kopers.

(x) Medio januari 2016 voerden [eiser 1] en [verweerder 3] een viertal gesprekken met elkaar. Dit was op verzoek van [verweerder 3] , met het oog op mogelijke publicaties in Het Parool, om inlichtingen over het onderzoek van de politie naar [eisers] en hun zakenpartners nadat zij zich voor de aankoop van de voormalige politiebureaus hadden gemeld.

(xi) Op 21 januari 2016 legde [verweerder 3] een concept-artikel voor Het Parool aan [eisers] voor. Hun advocaat sommeerde Het Parool bij brief van [datum 3] van publicatie van dit artikel af te zien.

(xii) Op [datum 4] publiceerde Het Parool een artikel van de hand van [verweerder 3] onder de kop " […] ”. Voorafgaand aan die kop staat als introductie de volgende tekst:

'Twee oude politiebureaus op [c-straat] zijn nu in handen van vastgoedduo [eiser 1] en [eiser 2] . Eerder verbleef de toen voortvluchtige beroepscrimineel [betrokkene 1] in een van hun panden.’

In dit artikel, dat grotendeels overeenkomt met het hiervoor onder xi. bedoelde concept, staat onder meer het volgende:

"Een nachtmerrie zou het zijn, als de beroemde politiebureaus [b-straat] en [d-straat] op [c-straat] in handen zouden vallen van 'malafide kopers’. De politie en de gemeente kondigden bij de verkoop van de panden dan ook aan potentiële kopers streng te zullen screenen. Maar is dat goed gegaan? Over de contacten van de mannen die samen met [korpschef [betrokkene 4] ] op de verkoopakte staan, is één en ander op te merken. Twee van de kopers, vastgoedmannen [eiser 1] en [eiser 2] , zijn de eigenaren van het appartement waar topcrimineel [betrokkene 1] tussen 2006 en 2010 onderdook tijdens zijn jarenlange vlucht voor de politie. Zij onderhielden bovendien nauwe banden met de man die [betrokkene 1] hielp tijdens zijn vlucht: aannemer [betrokkene 2] . Desondanks konden [eiser 1] en [eiser 2] in augustus de politiepanden kopen, voor 9,5 miljoen euro.

(...)

Begin 2006 worden een aantal handelingen verricht die later cruciaal zullen blijken voor de vlucht van [betrokkene 1] . [eiser 1] en [eiser 2] kopen de panden op de [a-straat] en [betrokkene 2] begint [ [A] ], dat hij onderbrengt in de inpandige garage van het kantoor van [eiser 1] en [eiser 2] (...).

[betrokkene 2] verbouwt de zolderverdieping van de [a-straat] , waar [betrokkene 1] komt te wonen. (...) Ook privé zijn geldstromen: in dezelfde tijd koopt de vrouw van [betrokkene 2] een huis.

De financiers: [eiser 1] en [eiser 2] , op persoonlijke titel.

(...)

In die tijd beschikt [betrokkene 2] over veel geld. Dagelijks neemt hij grote geldbedragen op van de bankrekening van zijn bedrijf: de ene dag achtduizend euro, de volgende dag negenduizend. (...) In een jaar trekt hij ruim zes ton uit [A] , waarvan een ton volstrekt niet is te herleiden. Mogelijk is de rekening van tevoren gespekt en wordt [betrokkene 1] met dat geld onderhouden. In elk geval overhandigt [betrokkene 2] met regelmaat de huur van de [a-straat 1] : 3200 euro per maand, contant. Ook ene ‘ [betrokkene 3] ’ levert geld af, maar wie zij is, is onbekend. (...)

In die jaren zijn de drie panden voor [eiser 1] en [eiser 2] een intensief project. (...) Een bouwvakker die in die tijd aan de panden werkt, kan op een dag door een raam naar binnen kijken. “Daar zag ik hem zitten. [betrokkene 1] . Toen dacht ik wel even: oké ...Ik herkende hem omdat ik hem wel eens bij [betrokkene 2] op kantoor had gezien. Daar liepen [eiser 1] en [eiser 2] ook in en uit.” (...)

De truc met het contante geld dat [betrokkene 2] uit [A] trekt, gaat lang goed. Totdat bij de politie een tip binnenkomt dat 'bolle [betrokkene 2] naar [betrokkene 1] gaat om geld te brengen’. De methode wordt te riskant en [betrokkene 2] kan (...) [A] niet meer gebruiken. De geldopnames stoppen en [A] gaat prompt failliet. (...)

[betrokkene 2] gaat verder met een andere bv, en blijft gewoon kantoor houden bij [eiser 1] en [eiser 2] . De banden tussen de drie heren zijn dan nog uitstekend. Ook na zijn faillissement blijft [betrokkene 2] voor hen werken. In 2009 krijgt de vrouw van [betrokkene 2] een tweede hypotheek op hun huis in [plaats 2] . Opnieuw treden [eiser 1] en [eiser 2] als geldverstrekkers op. Maar [betrokkene 2] komt danig in de knel. Ook zijn nieuwe bedrijfjes gaan failliet. (...) Terwijl de druk op [betrokkene 2] toeneemt, moet hij [betrokkene 1] blijven onderhouden. (...)

Als het stof van de arrestatie is opgetrokken, worden in 2010 in Vrij Nederland vragen gesteld. [eiser 2] voert het woord en zegt geschrokken te zijn van het nieuws. “We hebben het opgeknapt en laten verhuren door bemiddelingsbedrijf [B] Beheer. Met de bewoners hebben wij niet direct te maken.” Dat is merkwaardig: [B] is het bedrijf dat wordt ingezet om de portefeuille van [eiser 1] en [eiser 2] te beheren.

Bovendien blijkt nu dat het bewuste bemiddelingskantoor óók is ingeschreven op het kantoor van [eiser 1] en [eiser 2] . Het bedrijf beheert uitsluitend woningen uit hun portefeuille. Wie de eigenaren zijn, is niet te achterhalen: administratiekantoren beheren de vennootschap. Eén ding is zeker: het telefoonnummer van [B] Beheer is hetzelfde als dat van de bv waarmee [eiser 1] en [eiser 2] de politiepanden kochten. (...)

Toen in oktober 2014 werd besloten dat politiebureaus werden verkocht, bedong de gemeente bij de politie dat kopers aan een integriteitsscreening zouden worden onderworpen. De panden vallen in [001] , de angst voor louche kopers was groot. Voor de bureaus [d-straat] en [b-straat] melden zich allerlei geïnteresseerden (…). Maar de voorkeur gaat naar [eiser 1] en [eiser 2] , terwijl zij tot zijn verdwijning nauwe banden met [betrokkene 2] onderhielden die zijn vriend [betrokkene 1] jaren in hun pand verborgen hield.”

(xiii) [verweerder 3] twitterde op [datum 4] , met een hyperlink naar het hiervoor geciteerde artikel:

"Wie kochten de beroemde politiebureaus op [c-straat] ? De kopers hebben een link met zware criminaliteit.”

(xiv) Op [datum 5] berichtte Het Parool - met [verweerder 3] als auteur - onder meer het volgende:

"Van der Laan gaf antwoord op raadsvragen van PvdA-raadslid Dennis Boutkan. Die wilde weten hoe het screeningsproces van de kopers was verlopen. Vastgoedondernemers [eiser 1] en [eiser 2] kochten de panden voor 9,5 miljoen euro van de Nationale Politie. De gemeente gaf toestemming voor de verkoop. Dat is opvallend: [eiser 1] en [eiser 2] zijn de eigenaars van het pand waar [betrokkene 1] tussen 2006 en 2010 onderdook voor politie en justitie én hadden nauwe banden met de man die [betrokkene 1] tijdens zijn vlucht ondersteunde. [betrokkene 1] wordt door justitie beschouwd als een kopstuk van de Amsterdamse onderwereld. De connectie tussen de nieuwe eigenaren en zware criminaliteit bleek uit onderzoek van Het Parool. ”

(xv) Op [datum 7] publiceerde Het Parool - met [verweerder 3] en [verweerder 4] als auteurs - een artikel met de kop “ […] ”, met onder meer de volgende tekst:

"De Nationale Politie gaat potentiële kopers van politiepanden voortaan zelf controleren aan de hand van de wet Bibob. (...) Dat schrijft burgemeester Eberhard van der Laan in een brief aan de gemeenteraad. De PvdA en de SP hadden vragen gesteld naar aanleiding van het nieuws in deze krant dat twee kopers van de gesloten politieposten bureau [b-straat] en bureau [d-straat] op [c-straat] banden hadden met crimineel [betrokkene 1] . Het ging om vastgoedinvesteerders [eiser 2] en [eiser 1] . [betrokkene 1] is veroordeeld voor drugshandel en wordt verdacht van het geven van moordopdrachten. Hij zat eerder ondergedoken in een pand aan de [a-straat] dat eigendom was van de vastgoedhandelaren. (...) Overigens hebben de omstreden vastgoedhandelaren (...) zich inmiddels teruggetrokken uit de directie van de onderneming die het voormalige politiebureau in de [b-straat] had gekocht.”

(xvi) In de loop van 2016 trokken [eisers] zich terug uit het consortium dat de beide voormalige politiebureaus had gekocht. De gemeente verstrekte de overgebleven leden van het consortium een omgevingsvergunning voor deze percelen.

1.2

Het procesverloop kan worden weergegeven als volgt.

1.3

Bij inleidende dagvaarding van 10 augustus 2016 hebben [eisers] bij de rechtbank gevorderd, samengevat en voor zover van belang:

a) primair te verklaren voor recht dat de hiervoor (deels) geciteerde artikelen in Het Parool van [datum 4] , [datum 5] en [datum 7] (hierna ook: de artikelen) onrechtmatig jegens hen zijn,

alsmede dat de door hen genoemde citaten uit de artikelen van [datum 4] en [datum 7] en de inhoud van de door [verweerder 3] op [datum 4] verstuurde tweet onrechtmatig jegens hen zijn,

en subsidiair te verklaren voor recht dat de in de genoemde artikelen geuite beweringen dat zij gelieerd zijn aan zware criminaliteit en banden hadden met crimineel [betrokkene 1] onrechtmatig jegens hen zijn;

primair Het Parool te veroordelen de artikelen offline te halen, opdat deze niet meer via internet worden openbaar gemaakt en niet langer digitaal opvraagbaar zijn, subsidiair Het Parool te veroordelen het ertoe te leiden dat de artikelen onvindbaar zijn via zoekmachine Google, althans deze publicaties te anonimiseren, meer subsidiair Het Parool te bevelen het ertoe te leiden dat de artikelen niet langer in de zoekresultaten van Google.nl en Google.com worden getoond gebruikmakend van hun namen als zoekterm, althans het ertoe te leiden dat de hierna bedoelde rectificatie bij het tonen van de artikelen in een pop-up venster zal worden getoond;

b) Het Parool te veroordelen in de zaterdageditie van de papieren versie van Het Parool alsmede gedurende drie (in hoger beroep: twee) weken op de voorpagina en op de homepage van de website www.parool.nl en permanent in het digitale archief van Het Parool de in de inleidende dagvaarding verwoordde (en in hoger beroep enigszins aangepaste) rectificatietekst bij de artikelen te plaatsen op in die dagvaarding nader uitgewerkte wijze;

c) Het Parool c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding wegens immateriële schade aan elk van beide appellanten een bedrag van € 10.000,-,

de veroordelingen onder (b) en (c) te versterken met een dwangsom, en met hoofdelijke, veroordeling van Het Parool c.s. in de proceskosten.

1.4

Het Parool c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van dit geding, waaronder inbegrepen het nasalaris als bedoeld in art. 237 lid 4 Rv.

1.5

Op 16 november 2016 is een tussenvonnis gewezen waarbij een comparitie van partijen is gelast. Bij eindvonnis van 7 juni 2017 heeft de rechtbank de vorderingen van [eisers] afgewezen met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

1.6

Bij appeldagvaarding van 12 juli 2017 zijn [eisers] in hoger beroep gekomen van dit eindvonnis bij het gerechtshof Amsterdam. [eisers] hebben geconcludeerd tot vernietiging van dit vonnis voor zover hun vorderingen in eerste aanleg zijn afgewezen en, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog hun in hoger beroep op onderdelen opnieuw geformuleerde vorderingen toe te wijzen met dien verstande dat onder c) is gevorderd Het Parool en [verweerder 2] te veroordelen in de zaterdageditie van de papieren versie van Het Parool alsmede gedurende twee weken op de voorpagina en op de homepage van de website www.parool.nl en permanent in het digitale archief van Het Parool de rectificatietekst bij de artikelen te plaatsen op in die Memorie van Grieven (verder: MvG) nader uitgewerkte wijze, met veroordeling van Het Parool c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

1.7

Het Parool c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot bekrachtiging van voormeld vonnis van de rechtbank Amsterdam, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.

1.8

Bij het bestreden arrest van 14 mei 20192 heeft het hof voormeld vonnis vernietigd, en opnieuw rechtdoende:

- voor recht verklaard dat de door Het Parool in het artikel met de kop ‘ […] ’ van [datum 6] en [datum 7] geuite bewering dat [eisers] banden hadden met crimineel [betrokkene 1] onrechtmatig is jegens hen;

- Het Parool veroordeeld op de website www.parool.nl de hiernavolgende rectificatietekst te plaatsen binnen zeven dagen na betekening van dit arrest, in lettertype Arial, minimale lettergrootte 12, vetgedrukt, duidelijk leesbaar in zwarte tekst op een witte achtergrond, in omlijnd kader en zonder wijziging, toevoeging of commentaar en dat deze rectificatie zal worden getoond in het digitale archief bij het artikel met de kop ‘ […] ’ van [datum 7] :

‘RECTIFICATIE inzake [eiser 1] en [eiser 2]

In dit artikel heeft het Parool gesuggereerd dat [eiser 1] en [eiser 2] banden hadden met crimineel [betrokkene 1] . In het artikel ontbreekt de nuancering dat slechts sprake is geweest van een indirecte band. In het artikel ontbreekt tevens dat [eiser 1] en [eiser 2] hebben ontkend dat zij wetenschap hadden van het verblijf van [betrokkene 1] in een pand dat hun eigendom was. Het gerechtshof Amsterdam heeft bepaald dat Het Parool hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] en [eiser 2] en heeft bij arrest van 14 mei 2019 bevolen deze rectificatie te publiceren.’

- Het Parool veroordeeld tot verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke dag dat het verzuimt het bevel tot plaatsen van de rectificatie geheel of gedeeltelijk na te komen, tot een maximum van € 25.000,-;

- deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

- de vordering van [eisers] voor het overige afgewezen;

- bepaald dat ieder van partijen de eigen proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep draagt.

1.9

Daartoe heeft het hof – kort gezegd – overwogen dat de publicaties van Het Parool van [datum 4] en [datum 5] niet onrechtmatig zijn, aangezien a) de inhoud van die artikelen voldoende gegrond is in het beschikbare feitenmateriaal, b) in die artikelen op passende wijze aandacht is besteed aan de standpunten van [eisers] , c) [eisers] door hun zakelijke activiteiten in de publieke belangstelling zijn komen te staan, d) Het Parool c.s. mede daarom aanleiding hebben kunnen zien om als bijdrage aan het publieke debat deze artikelen te publiceren, en e) de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet van indringende aard is. Daarom concludeert het hof dat de weegschaal voor wat betreft deze artikelen uit slaat in het voordeel van het recht op de vrijheid van de meningsuiting van Het Parool c.s. Voor wat betreft het artikel van [datum 7] heeft het hof dit artikel onrechtmatig geacht voor zover daarin is beweerd dat [eisers] banden hadden met crimineel [betrokkene 1] , nu dit een zware beschuldiging is terwijl iedere uitleg of nuancering van deze bewering ontbreekt in het artikel, en iedere vorm van wederhoor ontbreekt. Voor het overige heeft het hof dit artikel niet onrechtmatig geacht.

1.10

[eisers] hebben tegen dit arrest – tijdig3 – beroep in cassatie ingesteld. Het Parool c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en hun standpunt schriftelijk toegelicht. [eisers] hebben gerepliceerd. Het Parool c.s. hebben afgezien van dupliek.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit een weergave van de kern van de zaak (onder 1), de vaststaande feiten en de relevante feiten (1.1 tot en met 1.22), een inleiding op de klachten (2.0) en vier onderdelen (2.1 tot en met 2.4). Voor de leesbaarheid bespreek ik de voortbouwende klachten slechts voor het geval de eerdere klachten slagen.

Onderdeel 2.0

2.2

In de Inleiding op de klachten (onderdeel 2.0) geven [eisers] aan dat bij de beoordeling of sprake is van een onrechtmatige daad niet mag worden volstaan met een beoordeling of het artikel voldoende steun vindt in het feitenmateriaal, maar ook moet worden beoordeeld wat het artikel suggereert en wat er dus blijft hangen bij de gemiddelde lezer die met gemiddelde aandacht van het artikel kennis neemt, gezien de veranderende impact van de publicaties sinds de komst van het internet.

2.3

Hoewel de Inleiding doet vermoeden dat de gevolgen van de permanente aanwezigheid van de publicaties op het internet een grote rol speelden in eerste aanleg en hoger beroep, is dat niet het geval. In de MvG is dat onderwerp niet als grief naar voren gebracht. Het onderwerp is alleen – slechts zijdelings – door [eisers] tijdens het pleidooi van 27 juni 2018 naar voren gebracht (onder punt 116 van de pleitnotities, te weten:

“De aanwezigheid op Internet van de lichtvaardige verdachtmaking is permanent. En met de volledige namen van mijn cliënten. De impact van slordige en haastige journalistiek, uit hang naar een snelle sensationele scoop, is daarmee buitenproportioneel groot.”

Het hof heeft deze grond terecht – als deze al kon worden aangemerkt als nieuwe grief – buiten beschouwing gelaten, aangezien niet is gebleken dat geïntimeerden tijdens de pleitzitting voor het hof ondubbelzinnig ermee hebben ingestemd dat deze grief alsnog in de rechtsstrijd zou worden betrokken. Het hof behoefde dat in zijn arrest niet verder toe te lichten.4

2.4

Overigens wijs ik op de jurisprudentie van het EHRM over het belang van de functie van de archieven van de pers. Deze archieven leveren een belangrijke bijdrage aan het bewaren en beschikbaar maken van nieuws en informatie. Zij vormen een belangrijke bron voor onderwijs en historisch onderzoek, vooral omdat zij gemakkelijk toegankelijk zijn voor het publiek en doorgaans gratis. Ofschoon de primaire taak van de pers die van “public watchdog” is, heeft de pers ook een waardevolle secundaire rol: het opslaan van nieuwsartikelen die eerder zijn gepubliceerd en het beschikbaar maken van die nieuwsartikelen voor het publiek.5

Onderdeel 2.1

2.5

Onderdeel 2.1 komt op tegen rov. 3.4 van het bestreden arrest, waarin als volgt is overwogen:

“Aan de orde is of publicatie van de artikelen en het twitterbericht onrechtmatig zijn jegens [eisers] Bij de beoordeling daarvan staat voorop dat het recht van Het Parool c.s. op vrijheid van meningsuiting ingevolge artikel 10 EVRM slechts kan worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Een dergelijke beperking is gerechtvaardigd indien de uitlatingen van Het Parool onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van Het Parool c.s. is er met name in gelegen dat zij zich als uitgever en medewerker(s) van een journalistiek medium in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moeten kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken, terwijl het belang van [eisers] erin is gelegen dat zij niet lichtvaardig worden blootgesteld aan verdachtmakingen en dat hun privacy niet onnodig wordt geschonden. Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. In het onderhavige geval is daarbij van belang de mate waarin de publicaties steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal. Tevens is van belang de aard en ernst van de beschuldigingen, de inkleding daarvan, en de vraag of al dan niet sprake is van een bijdrage aan het publieke debat. Voorts is van betekenis in welke mate sprake is geweest van wederhoor. Ook speelt mee of [eisers] ‘public figures’ zijn, hetgeen mee zou kunnen brengen dat zij zich meer publiciteit moeten laten welgevallen dan een willekeurig ander persoon. Tot slot is van belang in hoeverre sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.”

2.6

Onderdeel 2.1.1 klaagt in de kern dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het gaat om een botsing van twee fundamentele rechten, namelijk het recht op vrijheid van meningsuiting aan de zijde van Het Parool c.s. tegen het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, waar ook onder is begrepen het recht op bescherming van de goede naam/reputatie van [eisers]

2.7

Artikel 10 van het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens (EVRM) beschermt het recht op vrijheid van meningsuiting. Art. 8 lid 1 EVRM beschermt onder meer het recht op eerbiediging van het privéleven waartoe ook behoort het recht op eerbiediging van reputatie of met andere woorden de eer en de goede naam.6

Een beperking van deze rechten is toegestaan als deze bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van onder meer de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (art. 8 lid 2 EVRM) respectievelijk van de goede naam of de rechten van anderen (art. 10 lid 2 EVRM).

Bij de toetsing of de beperking noodzakelijk is, kan de rechter voor de vraag komen te staan hoe de noodzaak voor een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting zich verhoudt tot de noodzaak voor een inbreuk op het recht van eerbieding van de eer en de goede naam. Het EHRM hanteert als uitgangspunt dat deze twee fundamentele rechten een gelijkwaardig niveau hebben. Niet kan worden gezegd dat in het algemeen een ‘presumption in favour’ voor één van beide rechten bestaat. Het criterium is of de nationale rechter een ‘fair balance’ tussen beide rechten heeft gevonden door afweging van de bijzondere omstandigheden van het geval.7

Uw Raad heeft het aldus geformuleerd:

“Het antwoord op de vraag welke van deze (in beginsel) gelijkwaardige rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle omstandigheden van het geval. Het oordeel dat één van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets.8

2.8

Het hof heeft bij zijn beoordeling kennelijk de maatstaf van het zogenoemde Gemeenteraadslidarrest voor ogen gehad, waar in rov. 3.4 voor zover van belang het volgende is overwogen:

“Bij de hier aan de orde zijnde vraag staan in beginsel twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publikaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan dankzij het onvermogen van de verantwoordelijke overheidsorganen om in een gecompliceerde maatschappij als die waarin wij leven gelijkelijk aandacht te geven aan alle zaken die die aandacht verdienen, nog daargelaten de mogelijkheid van andere factoren die belemmerend kunnen werken op het doen beëindigen van een bepaalde misstand.

Welk van deze belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, en wel — in een situatie als de onderhavige — in het bijzonder van de volgende:

a) de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;

b) de ernst — bezien vanuit het algemeen belang — van de misstand welke de publikatie aan de kaak beoogt te stellen;

c) de mate waarin ten tijde van de publikatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d) de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a. t/m c. bedoelde factoren;

e) de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publikatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;

f) een mogelijke beperking van het door de perspublikatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.”9

Nadien is de maatstaf van dit arrest vaste jurisprudentie geworden. De belangen die centraal staan in dit Gemeenteraadslidarrest worden ook beschermd door art. 8 en 10 EVRM. Bij de beoordeling door het EHRM van conflicten tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting en anderzijds de bescherming van de (privacy van) persoon op wie de uitlatingen betrekking hebben, zijn verschillende gezichtspunten van belang.

De gezichtspunten die aldus het EHRM een rol kunnen spelen zijn:10

- de bijdrage van de publicatie aan het publieke debat;

- de mate van bekendheid van de betrokken persoon;

- het onderwerp van het nieuwsbericht;

- het eerdere gedrag van de betrokken persoon;

- de inhoud, vorm en gevolgen van de publicatie;

- de wijze waarop de informatie is verkregen en de juistheid daarvan;

- de zwaarte van de aan de journalisten of uitgevers opgelegde maatregelen.11

Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval kunnen bepaalde criteria meer of minder relevant zijn.

2.9

Uit het vorenstaande blijkt dat het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting in 3.4. Het hof heeft de wederzijdse af te wegen belangen benoemd. Anders dan het onderdeel veronderstelt, heeft het hof geen ‘tweefasentoets’ aangelegd, waarbij eerst wordt bepaald welk recht zwaarder weegt en vervolgens een beoordeling van de noodzakelijkheidstoets plaatsvindt. Evenmin gaat het hof uit van de rechtsopvatting dat voorrang toekomt aan het recht op vrijheid van meningsuiting. Bovendien gaat ook [eisers] in de inleidende dagvaarding onder 33 en 34 uit van – bijna hetzelfde – juridische kader. Het onderdeel slaagt dan ook niet.

2.10

In onderdeel 2.1.2-I voeren [eisers] – kort gezegd en naar ik begrijp - aan dat er een verschil is tussen een beoordelingskader voorafgaand aan een verbod tot publicatie en na de plaatsing. Bij een vordering om een repressieve maatregel speelt de vrijheid van meningsuiting geen doorslaggevende rol meer, maar moet ook belang worden gehecht aan het voortduren van de onrechtmatige situatie aangezien de perspublicatie beschikbaar blijft op het internet en daardoor telkens een schending van de eer en goede naam oplevert.

2.11

Dit onderdeel kan niet tot cassatie leiden omdat [eisers] dit standpunt niet in de feitelijke instanties hebben aangevoerd en dit niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd, nu de beslissing daarover mede een onderzoek van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen plaats is. Ten overvloede het volgende. Een verbod op een voorgenomen publicatie – een preventieve maatregel - is erop gericht een dreigende onrechtmatigheid te voorkomen en kan slechts worden opgelegd als voldoende bekend is dat de voorgenomen publicatie onrechtmatig is.12 Dit in tegenstelling tot maatregelen die gevraagd worden ná het verschijnen van een publicatie, zoals rectificatie of schadevergoeding (de repressieve maatregelen). Zowel bij een vordering om een preventieve als een repressieve maatregel moeten alle belangen worden afgewogen zoals ik hiervoor reeds heb weergegeven. Aan het recht op vrijheid van meningsuiting moet in mijn ogen nog steeds hetzelfde gewicht worden toegekend. De omstandigheid dat de publicaties online te vinden zijn doordat de pers de door hen gepubliceerde artikelen voor het publiek beschikbaar houdt in een archief dat toegankelijk is door middel van de door hen beheerde websites zou inderdaad kunnen leiden tot grotere en langdurige reputatieschade en zou mee kunnen worden genomen in de belangenafweging13. Dit is overigens in mijn ogen niet anders bij een preventieve beoordeling. Het onderdeel faalt dan ook.

2.12

Onderdeel 2.1.2-II klaagt – samengevat - dat het hof miskent dat de onrechtmatige daad van Het Parool c.s. niet zozeer is gelegen in de schending van de privacy, maar in de schending van de eer en goede naam in de vorm van reputatieschade, waarvan [eisers] hebben betoogd dat die een permanent karakter heeft door de aanwezigheid op internet van de ernstige verdachtmakingen. Ook de aantasting van de eer en de goede naam (“reputation”) wordt beschermd door art. 8 EVRM.14

2.13

Het onderdeel lijkt uit te gaan van een onjuiste veronderstelling. Dommering legt het als volgt uit:

“De privacyvraag valt uiteen in twee aspecten: het recht op eer en goede naam en het recht op anonimiteit. Het recht op eer en goede naam betreft de publieke kant van iemands persoon. Dit is een oud recht. Het is de ‘fama’ die al dateert uit het Romeinse recht en die van groot belang is voor iemand die aan het sociaal-economische verkeer deelneemt. Het EHRM heeft de bescherming daarvan onder artikel 8 EVRM gebracht (zie EHRM 28 april 2009, NJ 2009/522, m.nt. E.J. Dommering).”15

Het recht op eer en goede naam valt dan ook onder het recht op privacy. Het EHRM hanteert een zwaardere norm voor de vraag of sprake is van schending van het recht op reputatie. Het EHRM overweegt daarover als volgt:

“an attack on a person’s reputation must attain a certain level of seriousness and be made in a manner causing prejudice to personal enjoyment of the right to respect for private life. 16


Anders dan het onderdeel veronderstelt, zie ik niet in dat het hof voormelde uitgangspunten heeft miskend.

2.14

Onderdeel 2.1 faalt dan ook in het geheel.

Onderdeel 2.2

2.15

Onderdeel 2.2 (onderverdeeld in onderdelen 2.2.1 tot en met 2.2.10) richt zich – kort gezegd – tot rov. 3.5 tot en met 3.22 van het bestreden arrest.

2.16

Onderdeel 2.2.1 stelt drie maatstaven aan de orde die in de visie van [eisers] een rol spelen bij de beoordeling van de verdere klachten en die het hof – aldus het onderdeel – heeft miskend, althans onbesproken heeft gelaten. Het betreft de volgende maatstaven:

a) bij de beoordeling of de in de publicaties geponeerde stellingen voldoende steun vinden in het materiaal, moet ook betrokken worden de conclusie die het gemiddelde publiek daaruit zal trekken17. Het onderdeel beroept zich daarbij op rov. 3.5 van de uitspraak van het hof Amsterdam van 30 juni 200918 (onderdeel 2.2.1-I);

b) het is vaste rechtspraak dat het ten onrechte de indruk wekken dat een persoon betrokken is bij criminele activiteiten een aantasting van de eer en goede naam oplevert en daarmee onrechtmatig is19 (onderdeel 2.2.1-II);

c) wanneer in het kader van wederhoor feiten zijn gesteld waaruit volgt dat de te publiceren feiten onjuist zijn, levert het onverkort publiceren daarvan een onrechtmatige daad op, aangezien niet wordt gehandeld met de vereiste zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt (onderdeel 2.2.1-III).

2.17

Dit onderdeel slaagt in mijn ogen niet. Afgezien van de vraag of het onder a. genoemde als maatstaf moet worden aangemerkt, heeft het hof deze niet miskend. Zo overweegt het hof onder meer in rov. 3.7:

“het is aldus voor de lezer van het artikel helder op welke wijze de term ‘link’ dient te worden uitgelegd”, en onder rov. 3.10

“Van het publiek valt niet te verwachten dat zij de inhoud van de enige maanden daarvoor verschenen artikelen bij het lezen van dit artikel meenemen.”


Nergens is het hof tot het oordeel gekomen dat de artikelen de indruk wekken dat [eisers] betrokken zijn bij criminele activiteiten, zodat niet gesteld kan worden dat het hof de maatstaf onder b. heeft miskend. De door het onderdeel aangehaalde jurisprudentie ziet op gehele andere situaties, die niet vergelijkbaar zijn met deze zaak. De maatstaf onder c) vindt in deze algemene zin gesteld noch steun in de wet, noch in de jurisprudentie, zoals hierna bij de bespreking van het recht op wederhoor zal blijken.

Voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal

2.18

Vanaf rov. 3.520 behandelt het hof de zaak inhoudelijk. Het hof gaat daarbij in de rov. 3.5 tot en met 3.10 in op het standpunt van [eisers] dat de publicaties onvoldoende steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal.

Artikel van [datum 4]

2.19

In rov. 3.5 tot en met 3.8, waar de onderdelen 2.2.2 tot en met 2.2.4 tegen op komen, beoordeelt het hof de vraag of het artikel van [datum 4] en het op dezelfde dag door [verweerder 3] verzonden twitterbericht voldoende steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal. Daarin overweegt het hof als volgt.

“3.5 [eisers] werpen in de eerste plaats op dat de publicaties onvoldoende steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal. Het hof overweegt wat dit aangaat het volgende. In het artikel van [datum 4] wordt in de eerste plaats gemeld dat [eisers] eigenaren waren van het appartement waar [betrokkene 1] tussen 2006 en 2010 onderdook omdat hij werd gezocht door de politie. Dat is, op de jaartallen na, een met de feiten strokende mededeling. [eisers] klagen erover dat het pand tussen 2007 en 2008 werd verbouwd en pas met ingang van 18 maart 2008 door hen werd verhuurd aan een zekere “ [betrokkene 3] ” die, volgens de eigen stellingen van [eisers] , naar later bleek de levenspartner was van een oud-werknemer van [betrokkene 2] en tezamen met die levenspartner onderdak aan [betrokkene 1] verschafte. Het hof merkt in dit verband op dat in het kader behorend tot het artikel, waarin het weerwoord van [eisers] is weergegeven, is vermeld dat volgens [eisers] de verbouwing pas in 2008 heeft plaatsgevonden. Ook is in dit verband van belang dat [eiser 1] in het gesprek dat hij op 14 januari 2016 met [verweerder 3] heeft gevoerd, en waarvan Het Parool een transcriptie heeft overgelegd, zelf heeft gezegd dat [betrokkene 2] de huurders (bedoeld is voornoemde [betrokkene 3] en haar partner) van het appartement in 2006 of 2007 aan hem heeft voorgedragen. [eisers] maken bovendien niet duidelijk waarom de exacte duur van het verblijf van [betrokkene 1] in het appartement van wezenlijk belang zou zijn voor de interpretatie van het artikel. Kern van de boodschap is immers dat [betrokkene 1] gedurende enige jaren heeft gewoond in een appartement dat aan [eisers] toebehoorde.

3.6

Een tweede feitelijke kern van het artikel is dat [eisers] nauwe banden onderhielden met de aannemer [betrokkene 2] , de man die [betrokkene 1] met zijn vlucht hielp. [eisers] hebben niet betwist dat zij banden onderhielden met [betrokkene 2] , en evenmin dat [betrokkene 2] [betrokkene 1] bij zijn vlucht heeft geholpen. Zij hebben evenmin de gedetailleerde feitelijkheden betwist die in het artikel zijn beschreven omtrent de band die zij met [betrokkene 2] hadden. Integendeel, deze feiten zijn door [eiser 1] in zijn gesprekken met [verweerder 3] juist grotendeels bevestigd en staan ook deels in het tot het artikel behorende kader met de titel: “Reactie [eiser 1] en [eiser 2] ” als de inhoud van hun wederhoor beschreven. [eisers] waren, zo valt uit de weergave van dat wederhoor af te leiden, op de hoogte van de eerdere veroordeling van [betrokkene 2] voor drugshandel; zij wilden hem immers een ‘tweede kans’ geven. [eisers] hebben voorts niet betwist dat [betrokkene 2] zijn bedrijf had ondergebracht in de inpandige garage van hun kantoor, dat hij met zijn bedrijf verbouwingswerkzaamheden voor hen uitvoerde en dat zij uit hun eigen middelen een huis hebben gefinancierd voor (de echtgenote van) [betrokkene 2] . Ook blijkt uit de mededelingen van [eiser 1] in zijn gesprek met [verweerder 3] dat [betrokkene 2] de huurder van het appartement aan hen had voorgedragen. [eisers] hebben voorts bevestigd dat [betrokkene 2] regelmatig de huur, een bedrag van € 3.200,-, contant betaalde en dat zij ook na het faillissement van het bedrijf van [betrokkene 2] met hem bleven samenwerken en bovendien een tweede hypotheek aan zijn echtgenote hebben verstrekt. Ook de in het artikel vermelde feiten over het bemiddelingsbedrijf [B] Beheer worden door [eisers] niet weersproken. Een en ander maakt voldoende duidelijk dat [eisers] een nauwe band onderhielden met [betrokkene 2] en dat zij persoonlijk waren betrokken bij de verhuur van het appartement aan de door [betrokkene 2] voorgestelde huurders. Die feitelijkheden, en met name de financiering van de woning en het voortzetten van de samenwerking na faillissement, wijzen in de richting dat niet alleen sprake was van een nauwe zakelijke relatie maar ook van een verdergaande band van meer persoonlijke aard.”

3.7

Een en ander maakt in elk geval dat de inhoud van het artikel van [datum 4] in voldoende mate steun vindt in het feitenmateriaal. [eisers] klagen nog over de kop van dat artikel luidend ‘Link kopers politiepand met crimineel’. Met name als deze kop wordt gelezen in verband met de voorafgaande introductie van het artikel, slaat deze link met een crimineel op een link met [betrokkene 1] . Die link bestaat niet, aldus [eisers] Het hof overweegt dat aan [eisers] valt toe te geven dat, mede gelet op genoemde introductie, van de kop de suggestie uitgaat dat zij een link zouden hebben met [betrokkene 1] . Hoewel een directe link tussen hen en [betrokkene 1] ontbreekt, en het hof voorbij gaat aan de daartoe door Het Parool c.s. ingebrachte verklaringen van anonieme getuigen nu deze te vaag van aard zijn, hecht het hof geen groot gewicht aan de klacht van [eisers] over de kop van het artikel. De inhoud van het artikel maakt immers voldoende duidelijk dat bedoeld wordt dat er een band is tussen [eisers] en [betrokkene 2] , en tevens een band tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , welke banden erin hebben geresulteerd dat [betrokkene 1] in een pand van [eisers] ondergedoken heeft gezeten. Het is aldus voor de lezer van het artikel helder op welke wijze de term ‘link’ dient te worden uitgelegd. Dat de kop mogelijk op dit punt een iets te grove samenvatting van de inhoud van het artikel geeft hangt bovendien samen met de functie van een kop om met een (zeer) korte tekst de aandacht te trekken van het lezende publiek.

3.8

Hetzelfde geldt voor de inhoud van het op dezelfde dag door [verweerder 3] verzonden twitterbericht. Ook een dergelijk bericht heeft tot doel met een korte tekst de aandacht van het publiek te trekken. Het twitterbericht bevat bovendien een hyperlink waardoor het publiek direct toegang heeft tot de inhoud van dat artikel. Dat relativeert de betekenis van de tekst ‘link met zware criminaliteit’. Wel zal het hof meewegen dat die tekst een zware beschuldiging inhoudt.”

2.20

Onderdeel 2.2.2 tot en met 2.4 bevatten rechts- en motiveringsklachten. Samengevat klagen de onderdelen dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien moet worden beoordeeld wat de gemiddelde lezer van het artikel en het twitterbericht begrijpt (en dat is kort gezegd de directe link tussen [betrokkene 1] en [eisers] ). Het Parool c.s. hebben de jaartallen niet aangepast in de publicatie, hoewel zij daar wel op zijn gewezen. Het oordeel van het hof dat [eisers] niet duidelijk zou hebben gemaakt wat het belang is van het aanduiden van de verkeerde periode van het verblijf van [betrokkene 1] , is dan ook onbegrijpelijk, aldus het onderdeel. De suggestieve berichtgeving levert een aantasting op van de goede naam en is daardoor onrechtmatig, aldus de onderdelen.

2.21

Anders dan de onderdelen tot uitgangspunt nemen, heeft het hof – zoals ik reeds eerder aangaf - wel degelijk het gezichtspunt van de gemiddelde lezer mede tot uitgangspunt genomen in zijn diverse overwegingen. Alle onderdelen die daarover klagen falen dan ook. Evenmin is het oordeel van het hof in de rov. 3.5 tot en met 3.8 onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De door [eisers] aangedragen jaartallen staan vermeld in het kader bij de publicatie. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat op Het Parool c.s. niet de verplichting rustte om de publicatie aan te passen, aangezien [eisers] niet eenduidig waren over de exacte data aangezien [eiser 1] zelf heeft gezegd dat [betrokkene 2] de huurders van het appartement in 2006 of 2007 aan hem heeft voorgedragen. Verder miskent het onderdeel dat het hof [eisers] niet heeft gevolgd in hun betoog dat Het Parool c.s. bewust hebben getracht de gang van zaken zo voor te stellen dat [eisers] de panden aan de [a-straat] speciaal aankochten voor en als onderdeel van het plan om [betrokkene 1] onder te brengen. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de kern van de boodschap van het artikel is dat [betrokkene 1] enige jaren heeft gewoond in een appartement dat aan [eisers] toebehoorde en heeft [eisers] niet gevolgd in hun standpunt dat de jaartallen met opzet onjuist zijn vermeld. Verder is het oordeel in rov. 3.6 – dat van feitelijke aard is – voldoende begrijpelijk en gemotiveerd. Daarnaast is het hof gemotiveerd ingegaan op de klacht van [eisers] over de kop van het artikel. Daarbij heeft het – kort samengevat - overwogen dat van de kop de suggestie uitgaat dat [eisers] een link zouden hebben [betrokkene 1] , maar dat de inhoud van het artikel voldoende duidelijk maakt dat bedoeld wordt dat er een band is tussen [eisers] en [betrokkene 2] , en tevens een band tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en wijst het hof – bovendien – op de functie van de kop van een artikel. Dit oordeel van het hof is voldoende begrijpelijk. Anders dan waar onderdeel 2.2.4-III kennelijk van uit gaat, behoeven niet alle punten van de MvG volledig te worden weergegeven. Gelet op het debat in eerste aanleg en hoger beroep behoefde het oordeel van het hof in rov. 3.7 en 3.8, dat van feitelijke aard is, voor het overige ook geen nadere motivering dan door het hof gegeven. Van suggestieve berichtgeving is dan ook geen sprake. Onderdelen 2.2.1 tot en met 2.2.4 falen dan ook.

Artikel van [datum 5]

2.22

Het hof overweegt in rov. 3.9 als volgt.

“Het artikel dat op [datum 5] is gepubliceerd gaat enerzijds over de vragen die naar aanleiding van het artikel van [datum 4] in de gemeenteraad van Amsterdam zijn gesteld en de reactie van de burgemeester op die vragen, en bevat anderzijds een korte samenvatting van de inhoud van dat eerder verschenen artikel. [eisers] voeren niet aan dat de verslaglegging over de raadsvragen niet op de feiten is gegrond. Voor zover het artikel van [datum 5] een samenvatting bevat van het eerdere artikel, vindt dit gelet op het hiervoor overwogene voldoende steun in het feitenmateriaal. Wel kan de vraag worden gesteld of ‘de connectie tussen de nieuwe eigenaren en zware criminaliteit’ in de gegeven context niet een te zware beschuldiging inhoudt. Het hof komt daarop terug.”

2.23

Onderdeel 2.2.5 bestrijdt deze overweging van het hof.21 In onderdeel 2.2.5-II betogen [eisers] dat ook in deze overweging het hof de maatstaf dat het gaat om “de gemiddelde lezer” heeft miskend, want met toepassing van die maatstaf leidt de gemiddelde lezer uit het artikel van [datum 5] eveneens af dat sprake is van een connectie van [eisers] met de zware criminaliteit. Vervolgens betoogt het onderdeel dat de publicatie daarmee – naar ik begrijp – onrechtmatig is. Verder klaagt onderdeel 2.2.5-III dat [eisers] wel degelijk hebben aangevoerd dat de verslaglegging over de raadsvragen niet op de feiten is gegrond.

2.24

Ook deze klachten, die grotendeels een herhaling zijn, passeer ik. Het oordeel van het hof is voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Ook aan de stelling van [eisers] dat zij wel degelijk hebben aangevoerd dat de verslaglegging over de raadsvragen niet op de feiten is gegrond, ga ik voorbij. Het onderdeel wijst op de MvG onder 50, dat voorafgaat aan de daadwerkelijk geformuleerde grieven, en waar het volgende staat:

“Op 23 maart 2016 vond dit overleg plaats met de Directie Openbare Orde en Veiligheid op het stadhuis. Het dossier van de gemeenteambtenaren bestond uitsluitend uit het krantenartikel van Het Parool. De krant lag letterlijk op tafel. En de betrokken ambtenaren stelden hun vragen gebaseerd op de feiten en aannames uit het artikel van [datum 4] . Zo bleek de Gemeente geheel af te gaan op de onjuiste bewering dat [betrokkene 1] van 2006 tot 2010 was ondergedoken in de woning, meteen nadat de panden aan de [a-straat] door [eiser 1] en [eiser 2] waren verkregen. Het Parool werd dus gebruikt door de gemeente.”

Daargelaten dat hetgeen onder 50 is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als een grief, heeft het onderdeel geen betrekking op de verslaglegging van de raadsvergadering die plaatsvond voorafgaand aan [datum 5] , zodat het hof terecht daarop geen acht heeft geslagen.

Artikel [datum 7]

2.25

Kort gezegd overweegt het hof in rov. 3.10 dat het artikel van [datum 7] deels gaat over de reactie van politiek en bestuurlijk Amsterdam op de eerdere berichtgeving en in zoverre steun vindt in het feitenmateriaal. Over de vermelding in het artikel dat de kopers van de voormalige politiebureaus, [eisers] , “banden hadden met crimineel [betrokkene 1] ” oordeelt het hof dat die term “banden” zoals het publiek die krijgt voorgeschoteld, verder gaat dan gelet op de kenbare feiten is te rechtvaardigen. Over dit oordeel wordt in cassatie niet geklaagd.

Ernst beschuldiging en publiek debat

2.26

Het hof gaat vervolgens in op de ernst van de beschuldiging en het publieke debat. In rov. 3.11 en 3.12 overweegt het hof als volgt.

“3.11 Het gaat in dit geval om ernstige beschuldigingen. Het hebben van een band met [betrokkene 2] , die eerder is veroordeeld in verband met drugshandel en kennelijk ook een actieve rol heeft gespeeld bij het verbergen van [betrokkene 1] , is op zichzelf beschouwd al een zware beschuldiging. Die beschuldiging ligt echter besloten in de in de artikelen vermelde feiten waarover het publiek zelf een oordeel kan vellen. Daarnaast worden [eisers] in verband gebracht met [betrokkene 1] . Dat is een nog zwaardere beschuldiging gelet op de bekende rol van [betrokkene 1] in de zware criminaliteit. Een dergelijke beschuldiging behoeft dan ook nadere uitleg, te meer omdat de gebleken banden tussen [eisers] en [betrokkene 1] slechts indirect zijn omdat deze via [betrokkene 2] zijn verlopen.

3.12

Tegenover de ernst van die beschuldigingen staat echter dat juist het verband tussen de vastgoedhandel, de zakelijke activiteit van [eisers] , en criminaliteit maakt dat de inhoud van de artikelen bij kan dragen aan het publieke debat. Het is algemeen bekend dat het lokale bestuur zich grote zorgen maakt over de invloed van het criminele circuit op de handel in vastgoed, en dan met name over het verwerven door dat criminele circuit van panden in het [c-straatgebied] . Het is ook bekend dat de gemeente al jaren onderzoek doet naar het bestaan van deze banden, mede in verband met beslissingen die in het kader van de Wet Bibob kunnen worden genomen. Dat de artikelen bijdragen aan het publieke debat blijkt bovendien uit de reacties van de plaatselijke politiek op die artikelen. [eisers] gebruiken die reactie weliswaar als grond voor de onrechtmatigheid van de artikelen, maar uit het hiervoor overwogene blijkt dat Het Parool c.s. de politiek niet hebben gevoed met onjuiste of ongegronde beweringen zodat die reactie Het Parool c.s. niet is aan te rekenen.

2.27

Onderdelen 2.2.6-I en 2.2.6-II richten zich tot dit oordeel. Dit oordeel is aldus deze onderdelen onbegrijpelijk aangezien – kort gezegd - de lokale politiek is gevoed met onjuiste en ongegronde beweringen door Het Parool. Het Parool was de enige bron van de lokale politiek en heeft een onjuiste beeldvorming veroorzaakt. Ook deze klacht faalt in mijn ogen. Niet is gebleken dat de beweringen van het Parool c.s. voor het merendeel onjuist en ongegrond zijn, zodat er ook geen onjuiste beeldvorming is veroorzaakt. Uitlatingen in het kader van het publieke debat genieten voorts een hoge mate van vrijheid en de vraag of een publicatie bijdraagt aan een debat over aangelegenheden van publiek belang is dan ook één van de belangrijkste omstandigheden die moet worden betrokken in de belangenafweging.22 De omstandigheid “publiek debat” moet ruim worden opgevat, ook een geringe bijdrage aan het publieke debat valt al daaronder.23 Het oordeel van het hof is dan ook niet onbegrijpelijk.

Wederhoor

2.28

In rov. 3.13 en 3.14 toetst het hof of Het Parool c.s. in voldoende mate is tegemoet gekomen aan het recht op wederhoor.

“3.13 In het artikel van [datum 4] is in ruime mate tegemoet gekomen aan het recht op wederhoor. De schrijver van het artikel, [verweerder 3] , heeft voorafgaand aan publicatie niet alleen meermalen contact gezocht met [eiser 1] , maar heeft ook een concept van het artikel aan [eisers] toegezonden. In een ruim opgezet kader bij het artikel is hun reactie weergegeven. [eisers] hebben niet aangevoerd dat hun standpunt daarin onjuist of onvolledig is weergegeven. Het artikel van [datum 5] is kort daarna verschenen en borduurt slechts voort op het eerdere artikel. Dat een expliciete weergave van het standpunt van [eisers] daarin ontbreekt, is dan ook niet van relevant belang. [eisers] hebben bovendien over het ontbreken daarvan in dat artikel niet specifiek geklaagd. Verder leent een twitterbericht zich naar zijn aard niet voor wederhoor, terwijl het gewraakte bericht bovendien een link bevat naar het artikel van [datum 4] waarin wel het standpunt van [eisers] is opgenomen.

3.14

Het voorgaande ligt anders bij het artikel van [datum 7] . Daarin ontbreekt het standpunt van [eisers] Ook een directe verwijzing naar dat standpunt ontbreekt. Het voert te ver om te verwachten dat dit standpunt enkele maanden na het verschijnen van de eerdere artikelen bij het algemene publiek bekend is. In dit artikel ontbreekt dan ook het evenwicht tussen enerzijds de zware beschuldiging en anderzijds de nuancering daarvan of de ontkenning door [eisers] van betrokkenheid bij het verbergen van [betrokkene 1] .”

2.29

In onderdeel 2.2.7-I wordt betoogd dat het oordeel van het hof rechtens onjuist is omdat het er in de kern op neerkomt dat onder wederhoor wordt verstaan, althans voldoende is, dat een reactie van betrokkenen wordt gevraagd en verkregen, en in de publicatie een separate ruimte wordt ingericht waarin het standpunt wordt weergegeven. Die ruimte ontslaat Het Parool c.s. er niet van zelfstandig hun eigen concept tegen het licht te houden na de ontvangst van die reactie, en op die punten waarin het concept gemotiveerd wordt tegengesproken, hetzij de tekst aanstonds te wijzigen, hetzij nader onderzoek te doen naar de (on)juistheid van de geponeerde stellingen.24 Onderdeel 2.2.7-II stelt aan de orde dat het hof voor wat betreft het twitterbericht is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien elke schriftelijke of elektronische publicatie zich leent voor wederhoor.

2.30

Ik zal eerst het juridisch kader op dit punt schetsen.25 De vrijheid van meningsuiting in het kader van de publieke informatievoorziening is niet onbeperkt. Zo gaat het EHRM, met het oog op de bescherming van rechten van anderen, uit van een journalistieke plicht om te goeder trouw, op basis van accuraat onderzocht feitenmateriaal, aan betrouwbare en nauwkeurige verslaggeving te doen in overeenstemming met de ‘ethics of journalism’:

“(…) However, editorial discretion is not unbounded. The press must not overstep the bounds set for, among other things, ‘the protection of (…) the rights of others’, including the requirements of acting in good faith and on an accurate factual basis and of providing ‘reliable and precise’ information in accordance with the ethics of journalism (…).”26

De wijze waarop de journalist uiting heeft gegeven aan zijn rol van ‘public watchdog’ dient te worden beoordeeld aan de hand van de zorgvuldigheidsnorm. Het overtreden van aan de beroepsethiek ontleende normen of journalistieke codes kan worden betrokken bij de afweging of een beperking van de persvrijheid als noodzakelijk moet worden beschouwd.27 Of een publicatie in overeenstemming is met aan de journalistieke beroepsethiek ontleende voorwaarden of normen, is dus een factor bij de beoordeling van de vraag of met succes art. 10 EVRM kan worden ingeroepen. Dat betekent dat overtreding van dergelijke voorwaarden of normen niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie leidt dat geen beroep op art. 10 EVRM kan worden gedaan. Dit volgt ook het arrest Pretium/ Tros, waarin de Hoge Raad overwoog dat (overtreding van) journalistieke maatstaven (in dat geval: het gebruik van verborgen opnameapparatuur) een omstandigheid is die gewicht in de schaal zal leggen bij de door de rechter te verrichten afweging, maar daarbij niet doorslaggevend behoeft te zijn.28 De aard en ernst van de in de media geuite beschuldigingen kunnen met zich brengen dat er hogere eisen aan deze zorgvuldige toetsing van de feiten worden gesteld:

“The Court must therefore examine whether the applicants acted in good faith and complied with the ordinary journalistic obligation to verify a factual allegation. This obligation required that they should have relied on a sufficiently accurate and reliable factual basis which could be considered proportionate to the nature and degree of their allegation, given that the more serious the allegation, the more solid the factual basis has to be.”29

Indien uit de publicatie blijkt dat sprake is van een mening van de betrokkene, gelden voor wat betreft volledigheid, feitelijke juistheid en betrouwbaarheid lagere eisen.30

2.31

Tegen deze achtergrond bezien, meen ik dat de onderdelen vergeefs voor zijn gesteld. De reactie van [eisers] staat vermeld in het kader bij de publicatie van [datum 4] . Zoals ik hiervoor reeds aangaf, heeft het hof meegewogen dat [eiser 1] zelf tijdens het gesprek dat hij op 14 januari 2016 met [verweerder 3] had gevoerd, heeft gezegd dat [betrokkene 2] de huurders (bedoeld is voornoemde [betrokkene 3] en haar partner) van het appartement in 2006 of 2007 heeft voorgedragen, waardoor het hof kennelijk heeft geoordeeld dat op het Parool c.s. niet de verplichting rustte om het artikel aan te passen aangezien [eisers] niet eenduidig waren in hun informatie over de exacte data van de verhuur. Het oordeel van het hof over de wederhoor getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende begrijpelijk. Dit geldt eveneens voor het oordeel van het hof over het twitterbericht dat zich naar zijn aard – een kort bericht van (thans) 280 tekens waar vaak wordt gereageerd op actuele gebeurtenissen – (in zijn algemeenheid) niet leent voor wederhoor. Bovendien heeft het hof ook in aanmerking genomen dat het twitterbericht een link bevatte naar het artikel waar wel het standpunt van [eisers] was meegenomen.

Publieke figuren en inbreuk persoonlijke levenssfeer

2.32

In rov. 3.15 overweegt het hof als volgt.

“3.15 Bij het te geven oordeel is voorts van belang dat [eisers] zich actief op de onroerend goed markt begeven, ook in het [c-straatgebied] . Zij hebben in het kader van hun zakelijke activiteiten de voormalige politiebureaus in (middellijk) eigendom verworven in de wetenschap dat zij voorwerp van onderzoek door de politie zouden worden; de politie zou immers een screening van de kopers uitvoeren. Ook zullen zij vanwege hun beroepsactiviteiten meer in het algemeen wetenschap hebben van het publieke debat over de eigendom van onroerend goed op [c-straat] . Een en ander bij elkaar genomen leidt ertoe dat zij ‘public figures’ zijn in die zin dat zij zich door hun zakelijke activiteiten meer publiciteit moeten laten welgevallen dan een willekeurig ander persoon.”

2.33

Onderdeel 2.2.8-I tot en met 2.2.8-III richten zich tot deze overwegingen.31 Onderdeel 2.2.8-II klaagt in de kern dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat sprake is van een onbegrijpelijk oordeel omdat [eisers] geen publieke figuren zijn.32 [eisers] achten het daartoe niet bepalend dat de gemeente Amsterdam voor de aankoop een screening uitvoert, aangezien dit bij alle kopers in het postcodegebied [001] (het [c-straatgebied] ) plaatsvindt.33 Ook de omstandigheid dat [eisers] zich op de onroerendgoedmarkt van het [c-straatgebied] begeven, maakt hen nog geen bekende Amsterdammer of Nederlander. Verder klagen [eisers] in onderdeel 2.2.8-III dat het hof ongemotiveerd voorbijgaat aan hetgeen [eisers] “daarover” – ik begrijp: over het niet zijn van een “public figure” – in eerste aanleg en hoger beroep hebben aangevoerd. In onderdeel 2.2.8-IV en 2.2.8-V voeren [eisers] aan dat het hof miskent dat het niet gaat om een inbreuk op de privacy, maar op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in art. 8 EVRM waar het gaat om aantasting van de eer en goede naam door het toebrengen van reputatieschade.34 Het hof miskent dat de indringende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt veroorzaakt door de inbreuk op de goede naam door [eisers] te verbinden met [betrokkene 1] en zware criminaliteit. Dit levert een inbreuk althans een beschadiging op van de integriteit van [eisers] en dus aantasting van de eer en goede naam.35 Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang danwel een onbegrijpelijk oordeel gegeven.36

2.34

Ik zal allereerst kort aangeven wie er door het EHRM wordt aangemerkt als “public figure”. Daarbij maak ik gebruik van het overzicht dat Gerards daarover heeft gegeven in het SDU Commentaar op art. 10 EVRM. 37 De categorie “publieke figuren” is, aldus Gerards, bijzonder ruim geworden. Niet alleen vallen daaronder politici en andere publieke functionarissen, maar ook “gewone” privépersonen die de publieke arena betreden38, zoals wetenschappers39 en zakenlieden40. Gerards betoogt dat in een meningsuiting de relatie met de publieke functie van de betrokkene voldoende duidelijk moet worden gelegd en dat er sprake moet zijn van een debat over een onderwerp van publiek belang.41

In de loop van de tijd heeft het EHRM de enigszins onbepaalde categorie ‘publieke figuren’ verder gespecificeerd. “Gewone’ privépersonen kunnen ook als publiek figuur worden aangemerkt, namelijk zodra zij de publieke arena betreden Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat daarvan in ieder geval sprake is bij gekozen politici: zij kiezen willens en wetens voor een leven in de schijnwerpers. Voor andere personen is die vrijwilligheid, aldus Gerards, niet altijd duidelijk, maar het EHRM lijkt dat ook niet steeds relevant te vinden. Daarbij wijst Gerards op de zaak Flinkkilä e.a. t. Finland.42

Verder wijst Gerards erop dat het EHRM op vergelijkbare voet heeft aangenomen dat mensen die zichzelf actief opstellen in een publiek debat, bijvoorbeeld door actief in een mediadiscussie te participeren, zichzelf bewust blootstellen aan grotere publieke kritiek.43 Hij geeft aan dat de categorie van publieke figuren via deze redenering bijzonder ruim is geworden, hetgeen kan blijken uit het feit dat het ook wetenschappers en zakenlieden hieronder zijn begrepen.44

In veel gevallen is het volgens Gerards echter niet helemaal duidelijk waarom het EHRM bepaalde zakenmensen als ‘publiek persoon’ aanduidt. Het lijkt er soms op dat het enkele feit dat iemand zich bezighoudt met onderwerpen van publiek belang al voldoende is om hem uit de pure privésfeer weg te halen, aldus Gerards.45 Het EHRM oordeelde dat de eigenaar van een stripteaseclub als een publieke figuur moest worden beschouwd, omdat hij nu eenmaal betrokken was in ‘the particular kind of business’ van de stripteaseclubs, terwijl er bovendien een publieke discussie gaande was over dit soort clubs.

In de zaak Steel en Morris t. het Verenigd Koninkrijk46 extrapoleerde het Hof de notie van publieke personen naar grote ondernemingen, zoals McDonald’s. In Timpul Info-Magazine & Anghel t. Moldavië47 borduurde het Hof hierop voort en gaf het aan dat ditzelfde kan gelden voor kleinere ondernemingen.

Het bovenstaande laat zien dat de categorie ‘publieke personen’ ruim is omlijnd. Het EHRM heeft echter ook een aantal nuances in de rechtspraak aangebracht, die duidelijk maken dat niet alle soorten meningsuiting even snel moeten worden geduld, stelt Gerards. Om binnen deze categorie te kunnen vallen, geeft hij aan dat in een meningsuiting de relatie met de publieke functie van de betrokkene voldoende duidelijk moet worden gelegd en er sprake moet zijn van een debat over een onderwerp van publiek belang.48

2.35

De vraag of iemand als “public figure” dient te worden aangemerkt is een materie die overwegend door feitelijke wegingen wordt bepaald en dus niet voor herbeoordeling in cassatie in aanmerking komt. Hoewel uit de motivering van het hof niet expliciet volgt dat het hof de punten die [eisers] in eerste aanleg hebben aangevoerd (te weten: dat de lezers van Het Parool [eisers] niet kenden, zij onbekende vastgoedontwikkelaars waren/zijn, zij geen strafblad hebben, nooit verdacht of vervolgd zijn en uitsluitend in 2010 in het nieuws gekomen zijn en dat zij met naam en toenaam zijn genoemd) in zijn beoordeling heeft betrokken, meen ik dat in het licht van de ruime categorie die het EHRM toepast het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Door te overwegen dat [eisers] zich actief op de onroerend goed markt begeven waardoor zij een belangrijke rol spelen op de Amsterdamse vastgoedmarkt, terwijl de verkrijging van de politiebureaus in eigendom een onderwerp was waarvoor veel publieke belangstelling was, heeft het hof voldoende gemotiveerd waarom het van oordeel is dat zij ‘public figures’ zijn. Zeker gezien de niet bestreden vaststelling van het hof dat Het Parool een dagblad is dat aandacht aan gebeurtenissen en situaties in Amsterdam besteedt.

2.36

In rov. 3.15 laatste volzin, overweegt het hof: “Een en ander bij elkaar genomen leidt ertoe dat zij ‘public figures’ zijn in die zin dat zij zich door hun zakelijke activiteiten meer publiciteit moeten laten welgevallen dan een willekeurig persoon.” Hoewel het hof dit niet expliciet noemt, lees ik het oordeel aldus dat [eisers] zich het noemen van hun volledige namen moet laten welgevallen.49 Het onderdeel faalt dan ook.

2.37

Onderdeel 2.2.8-IV en 2.2.8-V richten zich tot rov. 3.16 waarin het hof als volgt overweegt:

“3.16 Het Parool c.s. hebben in de artikelen niets anders aan de orde gesteld dan de zakelijke activiteiten van [eisers] Voor zover de relatie met [betrokkene 2] meer dan een zakelijke was, bijvoorbeeld de financiering van de woning van [betrokkene 2] uit eigen middelen, volgt dat uit de beschreven feiten, waarvan de juistheid niet in geschil is. Enige verdere mededeling over het persoonlijke leven van [eisers] ontbreekt. Er is dan ook geen sprake van een indringende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eisers] ”

2.38

De onderdelen voeren aan dat het hof miskent dat het niet gaat om een inbreuk op de privacy, maar op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in art. 8 EVRM waar het gaat om aantasting van de eer en goede naam door het toebrengen van reputatieschade. Zoals ik reeds hiervoor heb aangegeven, heeft het hof dit niet miskend, zodat ik voorbij ga aan de klacht dat het hof wat dat betreft is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

Afweging

2.39

In rov. 3.17 en 3.18 maakt het hof een belangenafweging. Het hof overweegt daarin als volgt:

“3.17 (…) De inhoud van de artikelen van [datum 4] en [datum 5] is voldoende gegrond in het beschikbare feitenmateriaal. Ook is in die artikelen op passende wijze aandacht besteed aan de standpunten van [eisers] De artikelen bevatten op het eerste oog weliswaar een ernstige aantijging maar de inhoud daarvan is voldoende genuanceerd in die zin dat daaruit voldoende duidelijk wordt dat een rechtstreeks verband bestaat tussen [eisers] en [betrokkene 2] en slechts een indirecte band tussen hen en [betrokkene 1] . Voorts is te concluderen dat [eisers] door hun zakelijke activiteiten in de publieke belangstelling kunnen staan en dat Het Parool c.s. mede daarom aanleiding hebben kunnen zien om als bijdrage aan het publieke debat de onderhavige artikelen te publiceren. Ook staat vast dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet van indringende aard is. Een en ander maakt dat, hoewel sprake is van een zware beschuldiging en de teksten – inclusief de tekst van het twitterbericht – hier en daar genuanceerder had kunnen zijn, in dit geval de weegschaal dient uit te slaan in het voordeel van het recht op vrijheid van meningsuiting aan de zijde van Het Parool c.s. zodat het belang van [eisers] om niet te worden blootgesteld aan dergelijke teksten daarvoor dient te wijken.

3.18

Dat ligt anders voor wat betreft het artikel van [datum 7] , voor zover daarin is beweerd dat [eisers] banden hadden met crimineel [betrokkene 1] . Het gaat om een zware beschuldiging terwijl iedere uitleg of nuancering van deze bewering ontbreekt in dit artikel. Het had wel in de rede gelegen nu de beschreven feitelijkheden enkel wijzen op een indirecte band tussen [eisers] en [betrokkene 1] . Het voert te ver om de uitleg of nuancering van de ‘banden’ bij het publiek bekend te veronderstellen. Ook iedere vorm van wederhoor ontbreekt. In het licht daarvan bevindt de beschuldiging van [eisers] in dit artikel zich over de grens van het toelaatbare. Voor het overige is het artikel overigens niet onrechtmatig te achten jegens [eisers] ”

2.40

Onderdeel 2.2.9 richt zich tegen deze overweging.50 In onderdeel 2.2.9-II wordt geklaagd dat het zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat het hof voor het artikel van [datum 7] oordeelt dat het bekend veronderstellen van de nodige nuancering van ‘banden’ met zware criminaliteit bij het publiek een brug te ver is, terwijl het hof dit voor de uitingen van [datum 4] en [datum 5] anders beoordeelt.51

2.41

Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, is het oordeel van het hof wel degelijk van motivering voorzien. Het geeft duidelijk aan dat in de artikelen van [datum 4] en [datum 5] een indirecte band wordt gelegd tussen [eisers] en [betrokkene 1] , terwijl deze nuancering in het artikel van [datum 7] ontbreekt. Het onderdeel slaagt dan ook niet.

Gevolgen

2.42

In rov. 3.19 tot en met 3.21 geeft het aan hof wat de gevolgen zijn van zijn oordeel over de onrechtmatigheid van de publicaties voor de vorderingen van [eisers] Het overweegt daarin als volgt.

“3.19 Een ander leidt tot de volgende beslissing. De vordering onder (a) primair dient te worden afgewezen omdat deze ertoe strekt te verklaren voor recht dat alle artikelen in hun geheel, dan wel, zo begrijpt het hof: één daarvan, alsmede de in de vordering geciteerde beweringen en het daarin geciteerde twitterbericht onrechtmatig zijn jegens [eisers] Er is immers overwogen dat geen van de artikelen als geheel en evenmin het twitterbericht onrechtmatig zijn. De vordering onder (a) subsidiair zal worden toegewezen voor zover deze betreft de bewering in het artikel van [datum 7] dat [eisers] banden hadden met crimineel [betrokkene 1] . Al met al is dus de conclusie dat één bewering in het artikel van [datum 7] onrechtmatig is jegens [eisers] Het voert dan te ver om Het Parool te veroordelen het (gehele) artikel offline te halen of op enige wijze onvindbaar te (doen) maken via de zoekmachine van Google, zoals onder (b) gevorderd. Het voert tevens te ver om van Het Parool te verlangen Google te bewegen een pop-up venster te plaatsen bij zoekresultaten, zoals [eiser 1] met hun vordering onder (b) kennelijk mede beogen. Het hof komt verder tot een algehele afwijzing van het onder (b) gevorderde omdat de hierna te verwoorden veroordeling tot rectificatie een voldoen redres vormt voor het onrechtmatig geoordeelde handelen van Het Parool c.s.

3.20

Het hof ziet voorts aanleiding de vordering onder (c) toe te wijzen op de navolgende wijze. De door [eisers] voorgestelde rectificatietekst past niet bij de gedeeltelijke toewijzing van de vordering onder (a). Het hof zal in het dictum van dit arrest dan ook een passende alternatieve tekst formuleren. Het hof acht de onrechtmatigheid voorts van onvoldoende gewicht om Het Parool te veroordelen een rectificatie te plaatsen in de papieren editie van de zaterdagkrant of in een pop-up venster bij ieder bezoek aan de website, zoals is gevorderd. De veroordeling zal dan ook slechts het plaatsen van een rectificatie in het digitale archief betreffen. Het hof ziet geen grond om naast Het Parool tevens [verweerder 2] persoonlijk te veroordelen tot rectificatie. De op te leggen dwangsommen worden voorts gematigd en gemaximeerd als na te melden.

3.21

De onrechtmatigheid betreft niet alle artikelen maar slechts (een onderdeel van) het artikel van [datum 7] , terwijl [eisers] zich op die datum al hadden teruggetrokken uit de onderneming die de politiebureaus had gekocht. De terugtrekking mist dan ook een voldoende oorzakelijk verband met het onrechtmatig handelen van Het Parool. [eisers] hebben voorts onvoldoende toegelicht dat en op welke wijze zij door de inhoud van laatstgenoemd artikel in hun eer en goede naam zijn aangetast, laat staan op welke wijze dit alsnog tot immateriële schade heeft geleid. Al met al is naar het oordeel van het hof gelet op alle omstandigheden de toe te wijzen veroordeling tot rectificatie een voldoende redres voor het onrechtmatig handelen van Het Parool c.s. De vordering strekkende tot vergoeding van immateriële schade zal dan ook worden afgewezen.”

2.43

Onderdeel 2.2.10-I klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is en dat het hof is voorbijgegaan aan hetgeen (in onderdeel 2.0) is gesteld over de indringendheid van internetpublicaties.

2.44

Voor wat betreft de indringendheid van de internetpublicaties, heb ik reeds aangegeven dat het hof dit onderwerp terecht buiten beschouwing heeft gelaten, zodat ook onderdeel 2.2.10-I niet slaagt.

2.45

Onderdeel 2.2.10-III klaagt dat het oordeel in rov. 3.21 voortbouwt op de onjuiste oordelen over het ongeoorloofd zijn van eerdere berichtgeving en daarom niet in stand kan blijven en voor het overige gebaseerd is op eisen die aan het causaal verband niet kunnen worden gesteld, dan wel onbegrijpelijk zijn in het licht van de stellingen van [eisers] 52 Aangezien de eerdere onderdelen falen, faalt dit onderdeel ook voor zover daarop wordt voortgebouwd. Verder is het oordeel dat de terugtrekking voldoende oorzakelijk verband mist met het onrechtmatig handelen van het Parool, naar mijn mening voldoende begrijpelijk, aangezien [eisers] zich al voor de publicatie van [datum 7] had teruggetrokken uit de onderneming die de politiebureaus had gekocht. Het onderdeel faalt dan ook.

Onderdeel 2.3

2.46

Onderdeel 2.3 klaagt dat het hof het door [eisers] gedane bewijsaanbod in het geheel onbesproken heeft gelaten. De MvG van [eisers] houdt onder 149 en 150 in:

“Bewijsaanbod

149. [eiser 1] en [eiser 2] bieden uitdrukkelijk bewijs aan van hun stellingen, voor zover zij krachtens art. 150 Rv daartoe zouden zijn gehouden, in het bijzonder met betrekking tot de stellingen:

a) dat zij tussen 2010 en 2016 probleemloos meerdere screenings (zowel Bibob-toets als Van Traa-screening) hebben ondergaan bij het aanvragen van (omgevings)vergunningen in het [001] postcodegebied ( [c-straatgebied] ;

b) dat zij er geen weet van hadden dat de voortvluchtige crimineel [betrokkene 1] zat ondergedoken in een huurwoning van [eiser 1] en [eiser 2] en geen banden met hem hadden;

c) dat [eiser 1] en [eiser 2] reputatieschade hebben geleden doordat hun eer en goede naam is aangetast door de publicaties.

150. Daartoe zouden de volgende getuigen onder ede gehoord kunnen worden:

- [betrokkene 5] , directeur Directie Openbare Orde en Veiligheid gemeente Amsterdam ;

- werknemers van [B] Beheer BV, de bemiddelaar voor verhuur van woningen van [eiser 1] en [eiser 2] ;

- de anonieme bron(nen) waarnaar Het Parool in haar conclusie van antwoord verwijst (voor zover daar enig gewicht aan zou worden toegekend);

- de accountmanager c.q. directie van een financiële instelling waar [eiser 1] en [eiser 2] zaken mee deden;

- de voormalige medevennoten in de commanditaire vennootschap City Upgrade Property Management CV.”

2.47

Terecht merkt het onderdeel op dat het hof heeft nagelaten om het bewijsaanbod te bespreken. Hoewel Uw Raad hoge eisen stelt aan het passeren van een bewijsaanbod,53 meen ik dat het onderdeel niet tot vernietiging kan leiden. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het bewijsaanbod voor zover het betreft de stellingen onder a) en b) niet terzake dienend is, nu het geen betrekking heeft op feiten die voor het oordeel over de toewijsbaarheid van de vordering van belang kunnen zijn.54 Immers, het hof heeft nergens overwogen dat de bedoelde screenings van [eisers] in 2010 en 2016 niet probleemloos zouden zijn en heeft dit ook niet meegenomen in zijn beoordeling. Daarnaast heeft het hof niet vastgesteld dat [eisers] er weet van had dat [betrokkene 1] zat ondergedoken in hun huurwoning. Evenmin is het hof daar impliciet vanuit gegaan.

Met zijn overweging: “ [eisers] hebben voorts onvoldoende toegelicht dat en op welke wijze zij door de inhoud van laatstgenoemd artikel in hun eer en goede naam zijn aangetast, laat staan op welke wijze dit alsnog tot immateriële schade heeft geleid”, heeft het hof kennelijk gedoeld op de stelplicht van [eisers] Naar het oordeel van het hof hebben [eisers] onvoldoende voldaan aan de stelplicht voor zover het betreft de indringende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, waaronder ook de bescherming van de reputatie valt. Kennelijk is het hof op die grond niet toegekomen aan het bewijsaanbod voor wat betreft de reputatieschade. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

2.48

De slotsom is dan ook dat alle onderdelen falen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 2.1 tot en met 2.16 van het bestreden arrest.

2 ECLI:NL:GHAMS:2019:1610. In de op www.rechtspraak.nl gepubliceerde versie is sprake van een andere nummering. Zo is daar rov. 3.5 weggevallen en genummerd als 3.6 en 3.17 als 3.18.

3 De procesinleiding is ingediend op 13 augustus 2019.

4 HR 6 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5051.

5 Zie o.m. EHRM 16 juli 2013, 33846/07, JIN 2013/165 m.nt. G. Overkleeft-Verburg (Węgrzynowski and Smolczewski v. Poland), § 59 en EHRM 28 juni 2018, 60798/10 en 65599/10, ECLI:CE:ECHR:2018:0628JUD006079810, NJ 2019/97, m.nt. E.J. Dommering (M.L. and W.W. v. Duitsland).

6 EHRM 28 april 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:0428JUD003931105, 39311/05, NJ 2009/522, m.nt. E.J. Dommering (Karakó/Hongarije); EHRM 30 maart 2010, 20928/05 (Petrenco/Moldova), § 52.

7 Zie onder meer: EHRM 7 februari 2012, 39954/08, NJ 2013/251 m.nt. E.J. Dommering (Axel Springer AG/Duitsland), § 84; EHRM 7 februari 2012, 40660/08 en 60641/08, NJ 2013/250 m.nt. E.J. Dommering (Von Hannover/Duitsland (no. 2)), § 100; EHRM 15 november 2007, 12556/03 (Pfeifer/Austria), § 38.

8 HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569, JAR 2017/115 m.nt. I.J. de Laat, JIN 2017/80 m.nt. E.J. Peerboom-Gerrits; NJ 2017/238 m.nt. E.J. Dommering.

9 HR 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221, AB 1983/548 m.nt. F.H. van der Burg; NJ 1984/801 m.nt. M. Scheltema (Gemeenteraadslid).

10 Zie o.m. EHRM 7 februari 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW0603, 39954/08, EHRC 2012/71 m.nt. R. de Lange en J.H. Gerards, NJ 2013/251 m.nt. E.J. Dommering (Axel Springer AG v. Germany) en EHRM 7 februari 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW0604, 40660/08 , 60641/08, EHRC 2012/72 m.nt. R. de Lange en J.H. Gerards, MF 2012-5, nr. 14, p. 165-170 m.nt. O.G. Trojan, NJ 2013/250 m.nt. E.J. Dommering, NTM/NJCM-bull. 2012/5 p. 563-581 m.nt. G.A.J. Schuijt (Caroline von Hannover v. Germany II). De gezichtspunten zijn mede ontleend aan de Guide on Article 8 of the European Convention on Human Rights, versie 3 augustus 2019, p. 15-16.

11 De laatste twee gezichtspunten volgen uit EHRM 27 juni 2017, 931/13 (Satakunnan Markkinapörssi Oy and Satamedia Oy v. Finland).

12 HR 2 mei 2003, NJ 2004/80 m.nt. E.J. Dommering, MF 2003/30 m.nt. G.A.I. Schuijt (Breekijzer).

13 Zie o.m. EHRM 28 juni 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0628JUD006079810, NJ 2019/97, m.nt. E.J. Dommering (M.L. en W.W./Duitsland) § 91 waarin – kort gezegd – is overwogen dat het internetarchief een grotere impact kan hebben op het privéleven van personen, met name door de rol van zoekmachines.

14 Onderdeel 2.1.3 bevat een voortbouwende klacht.

15 E.J. Dommering in zijn annotatie bij HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569, NJ 2017/238.

16 Zie o.m. EHRM 25 september 2018, 76639/11 (Denisov v. Ukraine).

17 Het onderdeel wijst in dit verband ook op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 juni 2018, p. 4 waarin onder het 5e woordblok staat: Voorzitter: “(..) het is de vraag of de gemiddelde lezer (…)”. Zie in gelijke zin p. 5, 5e woordblok.

18 ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ2305. [eisers] wijst er op dat zij die uitspraak zowel in eerste aanleg (inleidende dagvaarding punt 50) als in hoger beroep (MvG onder 28 in samenhang met 41 t/m 47, en in 122) hebben aangehaald.

19 [eisers] wijzen op MvG onder 122 t/m 126, waarin wordt verwezen naar hof Amsterdam 30 juni 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ2305, hof Amsterdam 10 juni 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2210 ([…] vs Quote) en de cassatie daarvan HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627, NJ 2016/31, gerechtshof Amsterdam 8 mei 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BD1356 (Melchers vs ANP) en HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1544, NJ 2002/577 m.nt. T. Koopmans (Prof dr Van de Bunt vs Salomonson). Verder wijst het onderdeel op EHRM 15 november 2007, 12556/03, EHRC 2008/6 (Pfeifer/Oostenrijk) m.nt. J.H. Gerards.

20 In de gepubliceerde versie is dit rov. 3.6.

21 Onderdeel 2.2.5-I is een voortbouwende klacht.

22 O.M.B.J. Volgenant, GS Onrechtmatige daad VII.2.1.1, bijgewerkt tot 1-10-2019.

23 Vgl. o.m. EHRM 7 februari 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW0604, 40660/08 en 60641/08, NJ 2013/250 m.nt. E.J. Dommering (Caroline von Hannover v. Germany II).

24 Het onderdeel wijst daarbij op het vonnis van de rechtbank Amsterdam 11 mei 2006, ECLI:NL:RBAMS:AX8482.

25 Het juridisch kader is grotendeels ontleend aan mijn eerdere Conclusie van 1 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:94, die is ontleend aan de Conclusie van A-G de Bock (ECLI:NL:PHR:2017:19) vóór HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569, NJ 2017/238 m.nt. E.J. Dommering.

26 EHRM 10 mei 2011, 48009/08, EHRC 2011/108 m.nt. A.W. Hins (Mosley/Verenigd Koninkrijk) § 113. Zie ook EHRM 15 februari 2005, 68416/01, NJ 2006/39 m.nt. E.J. Dommering, EHRC 2005/37 m.nt. J.H. Gerards (Steel and Morris/UK), § 90 en EHRM 16 november 2004, 56767/00 (Selistö/Finland), § 48.

27 EHRM 20 mei 1999, 21980/93, ECLI:NL:XX:1999:AD3057, NJ 2001/64, (Bladet Tromsø en Stensaas/Noorwegen); EHRM 29 maart 2001, 38432/97 (Thoma/Luxemburg); EHRM 17 december 2004, 49017/99, NJ 2005/369 m.nt. E.J. Dommering (Pedersen & Baadsgaard/Denemarken) en EHRM 10 februari 2009, 3514/02 (Eerikäinen/Finland).

28 HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6165, NJ 2011/449 m.nt. E.J. Dommering (Pretium/Tros).

29 EHRM 17 december 2004, 49017/99, ECLI:NL:XX:2004:AU1355, NJ 2005/369 m.nt. E.J. Dommering, § 78.

30 HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210, NJ 2008/274 m.nt. E.J. Dommering, rov. 3.8 ( […] / […] ).

31 Onderdeel 2.2.8-I is een voortbouwende klacht.

32 Het onderdeel verwijst naar de Resolutie 1165 (1998) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, par. 7; EHRM 7 februari 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW0604, 40660/08 , 60641/08, EHRC 2012/72 m.nt. R. de Lange en J.H. Gerards, MF 2012-5, nr. 14, p. 165-170 m.nt. O.G. Trojan, NJ 2013/250 m.nt. E.J. Dommering, NTM/NJCM-bull. 2012/5 p. 563-581. m.nt. G.A.J. Schuijt (Caroline von Hannover v. Germany II); gerechtshof Den Haag 23 januari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:40 (Pretium/ […]); gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11182; rechtbank Amsterdam 19 april 2017, IEF 16738, (X/Google), rechtbank Amsterdam 6 juni 1996, MF 1996-7/8, rechtbank Amsterdam 3 februari 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BP5180, rechtbank Amsterdam 19 april 2006, ECLI:NL:RBAMS:AW2164 ([…] /Privé), rechtbank Haarlem 19 augustus 1997, MF 1997-9.

33 Het onderdeel wijst op de MvG onder 31.

34 Het onderdeel wijst op O.M.B.J. Volgenant, GS Onrechtmatige daad, VII.A4 Kernoverzicht, bijgewerkt tot 1-10-2019, en A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon’, diss. VU Ars Aequi 2002, 271.

35 De onderdelen wijzen op de MvG onder 90 t/m 92, 112 t/m 116.

36 Onderdeel 2.1.8-V is een voortbouwende klacht.

37 SDU Commentaar art. 10 EVRM, C.4.2.2, publicatiedatum 15 januari 2019.

38 Zie o.m. EHRM 6 april 2010, 25576/04 (Flinkkilä and Others v. Finland); EHRM 1 december 2009, 5380/07, ECLI:NL:XX:2009:BM6871, § 34 (Karsai v. Hungary).

39 EHRM 27 maart 2008, 20620/04 (Azevedo v. Portugal).

40 EHRM 21 september 1990, 17101/90 (Fayed v. the United Kingdom), EHRM 19 juni 2012, 3490/03.

41 Gerards wijst daarbij op EHRM 16 november 2004, 53678/00, EHRC 2005/6 (Karhuvaara & Iltalehti v. Finland).

42 EHRM 6 april 2010, 25576/04 (Flinkkilä and Others v. Finland.

43 EHRM 1 december 2009, 5380/07, ECLI:NL:XX:2009:BM6871, § 34 (Karsai v. Hungary).

44 EHRM 22 juni 2010, 41029/06 (Kurlowicz v. Polen); EHRM 23 juni 2009, 38435/05, ((Bodrožić and Vujin v. Serbia).

45 EHRM 19 juni 2012, 3490/03 (Tănăsoaica v. Romania).

46 EHRM 15 februari 2005, 68416/01, ECLI:NL:XX:2005:AT3385, EHRC 2005/37 m.nt. J.H. Gerards; NJ 2006/39 m.nt. E.J. Dommering (Steel and Morris v. the United Kingdom).

47 EHRM 27 november 2007, 42864/05 (Timpul Info-Magazin and Anghel v. Moldova).

48 EHRM 16 november 2004, 53678/00, EHRC 2005/6 (Karhuvaara & Iltalehti v. Finland).

49 Anders dan in HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569, JAR 2017/115 m.nt. I.J. de Laat, JIN 2017/80 m.nt. E.J. Peerboom-Gerrits; NJ 2017/238 m.nt. E.J. Dommering waar het ging om (oud)medewerkers van de Rabobank die geen bekendheid genoten en geen leidinggevende functie daar hadden. Zie ook hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10757, rov. 3.10 waarin is geoordeelde dat naamsvermelding de zeggingskracht van een publicatie kan vergroten en dat de keuze om namen te noemen in beginsel tot de journalistieke vrijheid behoort (met verwijzing naar: EHRM 28 juni 2018, 60798/10 en 65599/10, ECLI:CE:ECHR:2018:0628JUD006079810, NJ 2019/97, m.nt. E.J. Dommering (M.L. and W.W. v. Duitsland).

50 Onderdeel 2.2.9-I is een voortbouwende klacht.

51 Onderdeel 2.2.9-III stelt aan de orde dat bij het slagen van de klachten ook rov. 3.19 en 3.22 worden geraakt.

52 Het onderdeel wijst op de MvG onder 12-14, 49, 50, 54, 57 en 58.

53 HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3075, NJ 2014/485.

54 Zie F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling- van Gent, Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht, Procesrecht 4. Hoger beroep, nr 209.