Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:646

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-06-2020
Datum publicatie
28-07-2020
Zaaknummer
19/03061
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1940, Gevolgd
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Vaststellingsovereenkomst. Verdeling nalatenschap. Motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03061

Zitting 26 juni 2020

CONCLUSIE

E.B. Rank-Berenschot

In de zaak

1. Normanco Holding B.V.

2. [eiser 2]

eisers tot cassatie

advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven

tegen

[verweerster]

verweerster in cassatie

advocaat: mr. J. van Duivendijk-Brand

Deze zaak betreft het volgende. Eiser tot cassatie sub 2 (hierna: [eiser 2]) en verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]) zijn broer en zus. Hun vader, [de vader] , is overleden op 27 maart 2013. Op enig moment was [de vader] voornemens zijn bedrijf [A] Holding B.V. (hierna: [A]) over te dragen aan [eiser 2] . Daartoe heeft [de vader] certificaten van alle geplaatste gewone aandelen in [A] overgedragen aan eiseres tot cassatie sub 1 (hierna: Normanco), waarin [eiser 2] alle aandelen heeft en waarvan hij enig bestuurder is ( [eiser 2] en Normanco worden hierna tezamen aangeduid als: Normanco c.s.). Daarnaast verkreeg Normanco een optierecht om de certificaten van de overige, cumulatief preferente aandelen in [A] te kopen voor een bepaalde prijs (verder ook: de call optie). Tevens ging [eiser 2] een bestuursfunctie binnen de Stichting Administratiekantoor [A] (hierna: STAK) bekleden. Tussen [de vader] en [eiser 2] zijn verschillen van inzicht ontstaan over de wijze waarop [A] bestuurd moest worden. Zij hebben toen onderhandeld (zonder overeenstemming te bereiken) over teruglevering van de certificaten van de gewone aandelen en afkoop van de call optie. [de vader] heeft in zijn testament zijn echtgenote (hierna: [betrokkene 1]), tevens de stiefmoeder van [eiser 2] en [verweerster] , tot zijn enige erfgename benoemd. Na het overlijden van [de vader] is tussen [eiser 2] , Normanco en [verweerster] , allen bijgestaan door dezelfde advocaat, enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds onderhandeld over een totaaloplossing voor een aantal tussen hen gerezen geschillen. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst van 17 maart 2014 tussen deze vier partijen. Na het sluiten van de vaststellingovereenkomst is een geschil ontstaan tussen [verweerster] enerzijds en Normanco c.s. anderzijds over vraag hoe ‘de opbrengst’ van de vaststellingsovereenkomst moest worden verdeeld.

Het hof is, net als de rechtbank, tot het oordeel gekomen dat [verweerster] op grond van de gedragingen en verklaringen van [eiser 2] gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat tussen haar en Normanco c.s. de afspraak gold van een verdeling in gelijke delen van de ‘opbrengst’ van de tot stand te brengen vaststellingsovereenkomst. Het hof heeft de vordering van [verweerster] tot betaling van 50% van de opbrengst van de vaststellingsovereenkomst grotendeels toegewezen.

In cassatie richten de klachten zich tegen dit oordeel van het hof en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Verder wordt geklaagd dat het hof het bewijsaanbod van Normanco c.s. ten onrechte zou hebben gepasseerd.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:1

(i) [eiser 2] en [verweerster] zijn broer en zus. Hun vader, [de vader] was op enig moment voornemens zijn bedrijf, [A] , over te dragen aan [eiser 2] . Daartoe zijn op 17 januari 2012 certificaten van alle geplaatste gewone aandelen in [A] overgedragen aan de speciaal daarvoor opgerichte vennootschap Normanco, destijds nog geheten Maralt Holding B.V., waarin [eiser 2] alle aandelen heeft en waarvan hij enig bestuurder is. Daarnaast verkreeg Normanco op dezelfde datum een optierecht om de certificaten van de overige, cumulatief preferente aandelen in [A] te kopen voor een bepaalde prijs. Tevens ging [eiser 2] een bestuursfunctie binnen de STAK en stichting Calm bekleden. In 2012 is ook [verweerster] toegetreden tot het bestuur van de STAK.

(ii) In de loop van 2012 zijn er tussen [de vader] en [eiser 2] verschillen van inzicht ontstaan over de wijze waarop [A] bestuurd moest worden. Vader en zoon hebben toen onderhandeld over teruglevering van de certificaten van de gewone aandelen en afkoop van de call optie. Daarover hebben zij geen overeenstemming bereikt.

(iii) De notulen van de aandeelhoudersvergadering van [A] Holding B.V. van vrijdag 17 augustus 2012 luiden onder meer als volgt:

“ [betrokkene 2] [advocaat van [de vader] , hof] neemt het woord. Hij begint onomwonden te stellen dat een terugkeer van [eiser 2] bij [A] en het uitoefenen van het optie-recht op dit moment onmogelijk zal zijn en ook niet bespreekbaar is. Wel wil hij een voorstel doen ter compensatie. [betrokkene 2] licht zijn voorstel uitgebreid toe.

(...)

5. Het bepalen van een faire verdelingsformule van het familie vermogen (noot [betrokkene 3] [de notulist, hof]: dit om te voorkomen dat [de vader] [ [de vader] , hof] in een boze bui [eiser 2] en [verweerster] zou onterven). (...)”

(iv) De notulen van de AVA van januari 2013 luiden onder meer als volgt:

“1.3 In het belang van alle betrokkenen doet [de vader] een uiterste schikkingspoging.

(...)

iii. [eiser 2] zal geen deelneming kunnen verkrijgen in Fides Rae en evenmin controle kunnen uitoefenen over deze vennootschap.

iv. Zelfs in het geval dat [eiser 2] controle mocht verkrijgen over [A] is voorzetting van de samenwerking tussen Fides Rae en [A] geen gegeven.

2.5

[eiser 2] zal op basis van het huidige door [de vader] opgestelde testament geen vermogen erven na het overlijden van [de vader]

(...)

4. Voorstel aan [eiser 2]

4.1

[eiser 2] ontvang een bedrag ad €** bruto.

4.2

[de vader] zal erfrechtelijk beschikken dat aan zijn echtgenote, zijn dochter [verweerster] en zijn zoon [betrokkene 4] legaten toekomen van nader door hem te bepalen bedragen en de betrokkenen daarvan op de hoogte stellen, zonder dat [eiser 2] hieraan enig recht kan ontlenen.

4.3

De tussen partijen gesloten optieovereenkomst (...) wordt beëindigd. (...)”

(v) In een e-mail van 24 februari 2013 van [betrokkene 5]2 aan de advocaat van [eiser 2] is het voorstel van de vader nader uitgewerkt. Dit voorstel luidt onder meer:

“5. Financiële compensatie voor uw cliënt van om en nabij de € 440.000,-”

(vi) [de vader] heeft in zijn testament zijn echtgenote [betrokkene 1] , tevens de stiefmoeder van [eiser 2] en [verweerster] , tot zijn enig erfgename benoemd.

(vii) [de vader] is overleden op 27 maart 2013.

(viii) In een e-mail van 27 maart 2013 heeft hun advocaat [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6]) aan [eiser 2] en [verweerster] onder meer het volgende bericht:

“Beste [eiser 2] en [verweerster] ,

Wij bespraken vandaag ook nog dat tussen jullie een regeling moet komen die mogelijk bestaande conflicterende belangen tussen jullie wegneemt. Als voorbeeld zou gedacht kunnen worden aan een compensatie van erfdeel als dat wordt verminderd als gevolg van de claims uit hoofde van de optie. Ook kan worden gedacht aan deelname in de onderneming.’’

(ix) Na het overlijden van [de vader] zijn [eiser 2] , Normanco en [verweerster] bijgestaan door dezelfde advocaat, [betrokkene 6] , en is met (de vertegenwoordigers van) [betrokkene 1] onderhandeld over een totaaloplossing voor een aantal tussen hen gerezen geschillen.

(x) Bij arrest van 3 juni 2013 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar de gang van zaken bij [A] vanaf 1 januari 2012, een nader bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder van [A] en bepaald dat de aandelen [A] met onmiddellijke ingang ten titel van beheer aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon zijn overgedragen. De Ondernemingskamer heeft vervolgens [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7]) benoemd om het onderzoek te verrichten.

(xi) Op 14 juni 2013 heeft [eiser 2] [betrokkene 6] per e-mail onder meer het volgende geschreven:

“(...) gisteravond gesproken met [verweerster] , oa over afspraken mbt onze tegengestelde belangen bij claims en onze rol bij evt. erfenis verdeling, we zitten op lijn.”

(xii) In een e-mail van 27 juni 2013 heeft [verweerster] het volgende bericht:

“(...) Eerder heeft [betrokkene 6] [ [betrokkene 6] , hof] onze aandacht gevraagd voor het opstellen van een overeenkomst om eventueel in de toekomst een verdeling te kunnen maken indien er een “opbrengst ” zou zijn. Ik heb een tijd geleden gezegd dat ik niet zo goed weet wat ik daar mee aan moet en dat ik het maar even zo wil laten.

Maar aangezien het aantal uren dat ik vrij moet nemen voor alle gesprekken en zaken stel ik voor om deze uren bij te houden in een overzicht en dat we deze op een later moment mee kunnen nemen in een afrekening. De vakantie uren vertegenwoordigen uiteindelijk toch een waarde. (...) Denk er maar over na wat je ervan vindt (...)”

Hierop heeft [eiser 2] (o.a.) geantwoord:

“en dat van die uren is goed idee denk ik

Dank voor je inzet in elk geval”

(xiii) In een e-mail van 26 juli 2013 van [eiser 2] aan [betrokkene 6] en [verweerster] staat onder meer het volgende:

“3. Opvallende uitspraken door [betrokkene 8] 3 tijdens onze kennismaking

(...)

- [betrokkene 1] en [eiser 2] zijn de hoofdrolspelers in dit geschil.

- goede kans dat [A] straks naar [eiser 2] gaat en Fides hij [betrokkene 1] blijft

- zijn oplossing: hou het bij elkaar.

(...)

- er is wel een testament, in bezit bij [betrokkene 7] . nog geen details bekend.

(...)

- wil ik nog deel erfenis claimen als we de certificaten krijgen?

- onterving kan hij zich als vader niet voorstellen, zeker niet voor dochter.

- call optie is een heel stevig document laat hij doorschemeren. (...)”

(xiv) In een e-mail van [verweerster] aan [eiser 2] van 1 september 2013 staat onder meer:

“Een andere voorwaarde was afzien van [A] . Is dit een voorwaarde waar jij je niet aan wilt houden? Als bij de onderhandelingen blijkt dat jij via deze deal toch weer [A] in handen zou kunnen krijgen is het van de baan vrees ik. Je kan Wil wel al je rechten laten kopen. Misschien dat je in de toekomst in de gelegenheid bent [A] toch nog jouw kant op te trekken. Time will tell. (...) Laten wij geen suggesties doen hoe de som betaald wordt. Wij stellen voor in 1 x en dan komen er vanzelf andere voorstellen. (...)”

(xv) In een e-mail van [betrokkene 7] van 8 september 2013 [aan o.m. [eiser 2] en [verweerster] , A-G] is onder meer het volgende vermeld:

“(...)

Bevestigd is dat [betrokkene 1] , [eiser 2] en [verweerster] - de materieel belangrijkste betrokkenen - de geschillen tussen hen resp. de diverse rechtspersonen minnelijk zullen regelen met als hoofdlijnen:

* terugtreden van [eiser 2] uit alle aanspraken en posities;

* het verwerven van een aanspraak van [eiser 2] en [verweerster] in de nalatenschap van [de vader] alsof is bepaald dat elk van de kinderen (i.e. inclusief [betrokkene 9] ) daaruit een gelijk 1/3 deel ontvangt, waarbij

- het levensonderhoud/pensioen van [betrokkene 1] gewaarborgd moet blijven, en

- zij, [betrokkene 1] , beslist over de modus van uitkeren (in contanten of in goederen, naar gelang liquiditeit beschikbaar is). (...)”

(xvi) In een e-mail van 9 september 2013 van [eiser 2] aan [betrokkene 6] , cc aan [verweerster] staat onder meer:

“We trekken aan de bel omdat er verschil zit tussen zijn versie, jouw terugkoppeling en onze wensen. (...) Gaat dit nu de goede kant op en is een vaststellingsovereenkomst wel haalbaar met uitgangspunt €19 mio x verdeelsleutel en directe verrekening met definitief afscheid?

[verweerster] en ik hebben hier dit weekend over gesproken en er moeten nog wel wat puntjes op de i. Sommige details zoals hij ( [betrokkene 7] ) dat noemt zijn ‘showstoppers’ voor ons.

- ondergrens waarde totale nalatenschap moet vast staan (19 mio) met verdeelsleutel zoals bekend

(...)

- [verweerster] en ik zouden anders willen maar We zijn dus niet akkoord met deze besluiten v [betrokkene 7] . op deze basis gaan we geen posities opgeven. (...). Intussen moeten we druk houden met Calm, Ravil en [B] . Hier ligt onze kracht&macht. (...)

(xvii) Een e-mail van 12 september 2013 van [verweerster] aan [eiser 2] en [betrokkene 6] luidt onder meer:

“Het voorstel is dan ook dat [betrokkene 1] 50% betaalt. Maar de andere 50% wordt over 3 personen verdeeld.

Hoe kunnen we de vordering van [eiser 2] op [A] praktisch aanpakken. We hebben eerder aangegeven dat [A] er buiten moet blijven en [betrokkene 7] wil natuurlijk cash. Misschien dat [betrokkene 8] z.s.m. het geld aan [eiser 2] kan overmaken?”

(xviii) In een e-mail van 15 oktober 2013 van [betrokkene 10] (hierna: [betrokkene 10]), adviseur van [betrokkene 1] , aan [betrokkene 7] , [betrokkene 6] en [betrokkene 11]4, doorgestuurd door [betrokkene 6] aan [eiser 2] en [verweerster] , staat onder meer:

“De kern van de zaak is dat er drie mogelijke denkrichtingen bestaan, te weten:

1. Een bedrag voor een algehele oplossing. Voorgesteld is om aansluiting te zoeken bij 1/3e van de nalatenschap of wel 1/6e van de algehele gemeenschap van goederen per kind. (...);

2. Uitvoering geven van de optieovereenkomst met nadere voorwaarden;

3. verder procederen.

(...) Na ons overleg van 6 september jl is een beslissing voor [betrokkene 1] erg dichtbij gekomen. (...) Als enig erfgename erft zij diverse goederen, waaronder een onderneming en een door haar man “ongewild” getekende optie-overeenkomst (...). Zij beschouwt de optie-overeenkomst als “een rotte appel in de fruitschaal”. (...) [betrokkene 1] kiest in eerste instantie voor het levenswerk van haar man en het personeel en heeft om die reden te kennen gegeven dat zij met pijn in het hart bereid is een afkoopsom voor de optie-overeenkomst te betalen en dat [eiser 2] zich terugtrekt uit alle zaken van het bedrijf (...). Kortom: [betrokkene 1] is bereid, voor zover dat financieel mogelijk is, een afkoopsom te betalen. [betrokkene 1] heeft ons gevraagd te onderzoeken welk bedrag verantwoord is om als afkoopsom te bieden. Een bedrag dat thans direct beschikbaar is, niet ten koste van haar levensonderhoud gaat en niet de ondergang van het bedrijf ten gevolge heeft. (...) Op grond van het vorenstaande kan [betrokkene 1] voor het afkopen van de optie-overeenkomst en het kopen van de gewone aandelen tot maximaal een bedrag van € 1.000.000, - komen. (...) U beiden zijn of waren van mening dat [A] Holding BV een waarde van € 4,0 miljoen of meer vertegenwoordigt. (...) Blijft u dat ondanks tegenwerping van [betrokkene 1] van mening (...) dan is onderhandelen over de afkoopsom voor de optie-overeenkomst en koopprijs voor de gewone aandelen niet langer opportuun en dan zullen wij verder moeten met denkrichting onder 2 verwoord. (...)”

(xix) Hierop heeft op 16 oktober 2013 [verweerster] aan (o.a.) [betrokkene 6] en [eiser 2] het volgende gemaild:

“Ik weet niet zeker of ik het voorstel goed begrijp.

Staat er dat ze [eiser 2] 1 milj bieden voor de afkoop van de optie?

En daarnaast ieder een 1/6 deel van het boedelbedrag?

(...) Ik weet niet wat gebruikelijk is in dit soort schikkingen. Is er onderhandelingsruimte? Ik sluit me aan bij wat jullie besluiten te doen. (...)”

(xx) Daarop antwoordde [eiser 2] per e-mail aan [verweerster] en [betrokkene 6] :

“(...) het moet bij mij ook nog flink indalen.

Ik lees maar 1 (totaal)bedrag voor ons samen, ze noemen inderdaad alleen koopoptie, op zich is het dan 1/3 pp van de helft (3 mio/2x1/3) veel te weinig natuurlijk maar zo staat het er ook niet letterlijk, dus wie weet is jouw versie de juiste.”

(xxi) Op 16 oktober 2013 heeft [verweerster] per e-mail aan [eiser 2] het volgende geschreven:

“Wat een stuitend bericht was dat. Volgens mij ontbrak het pand [a-straat] in het overzicht. (Of zat dat weer verdisconteert in de [A] prijs? Heb alle voetnoten nog niet gelezen.) Wat is de waarde van de optie + boete ongeveer? Tevens lijkt het mij niet terecht voor dit doel om van de waardes van de huizen in verhuurde staat (dus maar 60%) uit te gaan. (...)”

(xxii) In een e-mail van 17 oktober 2013 heeft [eiser 2] onder meer het volgende geschreven aan [betrokkene 6] , cc aan [verweerster] :

“ [verweerster] en ik hebben eea inmiddels besproken, verbazing en ontzetting troef, we komen voorlopig tot 2 mogelijke, korte antwoorden, een zachte en een harde lijn.

(...)

1. zacht ‘snel terug aan tafel’

We zijn hevig teleurgesteld in het voorstel van [betrokkene 10] en [betrokkene 11] [hof: de onderhandelaars namens [betrokkene 1] ] (...). [verweerster] wordt overgeslagen (...).

ons voorstel is om zo snel mogelijk alle betrokkenen (deze keer inclusief [eiser 2] en [verweerster] ) opnieuw aan tafel te brengen en de taxatie snel af te ronden met een neutrale, door u aan te wijzen persoon. De (erfrechtelijke) verdeelsleutel is reeds besproken en een ieder bekend.

(...)

2. hard ‘mes op tafel’

het bod van EUR 1 miljoen kunnen we niet plaatsen conform de uitgangspunten en zien wij maar als een (veel te laag) ‘openingsbod’.

om snel te schakelen leggen we direct ons tegenbod neer: EUR 2,5 miljoen per persoon, na aftrek van kosten en als resultaat van de erfrechtelijke verdeelsleutel conform de besprekingen (...) in augustus 2013.

(...)

[betrokkene 1] heeft blijkens de door haar ingebrachte stukken weliswaar de privé kant van de nalatenschap geerfd (en hoe dit zo recent en plotseling testamentair is veranderd volledig ten gunste van haar is merkwaardig maar laten we hier maar even in het midden), maar beslist niet de zakelijke kant. (...) Alle schriftelijke uitingen van bedrijfsopvolging door [de vader] [hof: [de vader] ] wijzen duidelijk in mijn richting als enige zoon.

(...)

Nu zij deze situatie toch wil afkopen om zelf [A] in handen te krijgen, tegen de contracten tegen de nadrukkelijke wens in van [de vader] (...) hangt hier een stevig prijskaartje aan en kan ze natuurlijk niet verwachten voor een dubbeltje op de 1e rij te gaan zitten bij afkoop van een cruciaal (koop)contract in zo'n grote zaak”.

(xxiii) Op 17 oktober 2013 heeft [betrokkene 6] aan [verweerster] en [eiser 2] het volgende gemaild:

“Het is goed dat jullie het met elkaar gaan bespreken. Ikzelf zie in het voorstel niets meer dan een afkoop van alles voor 1 mio. Natuurlijk, 1 mio = 1 mio, maar ik vind het gelet op de gesprekken van september wel heel erg mager. Dit zal vermoedelijk ook niet het eindbod zijn; ik denk dat het in de richting van 2 mio zou kunnen eindigen, maar zeker weet ik dat niet en dan nog. (...)”

(xxiv) Hierop reageerde [verweerster] op dezelfde dag per e-mail als volgt:

“Duidelijk, dank.

Weet je zeker dat we het moeten lezen als 1 milj totaal en niet 1 milj “alleen” voor de afkoop opte?

Waarom zou het overzicht van de boedel zijn toegevoegd?”

(xxv) Vervolgens antwoordde [betrokkene 6] in een e-mail eveneens van 17 oktober 2013 hierop:

“Het voorstel is voor meerdere uitleg vatbaar, maar ik verwacht dat men 1 mio in gedachten heeft.”

(xxvi) Op 24 oktober 2013 heeft [betrokkene 6] [eiser 2] en [verweerster] het volgende bericht:

“(...) Op dat vlak zie ik dat je nog volledig neigt naar doorprocederen. Het “voorstel” van [betrokkene 1] noemt evenwel ook de mogelijkheid van overname van [A] . Heb je daar genoeg over nagedacht?

Ik besprak een eventuele aanval op het testament vandaag met [betrokkene 12] . Je moet ermee rekening houden, dat dit ook naar het Curaçaose recht erg moeilijk ligt. We moeten het daarom voorlopig vooral zien in het licht van druk uitoefenen. (...)”

(xxvii) Hierop antwoordde [eiser 2] , cc aan [verweerster] als volgt:

“doorprocederen zien we ook meer als drukmiddel, de klok tikt door richting eind 2013 en er is een groot gat tussen vraag en aanbod. onze visie is dat er nog rek in zit in hun aanbod en de prijs omhoog gaat als we de bodemzaak starten.

(...)

In mijn laatste mail laat ik mogelijkheid van denkpad 2, koopoptie met voorwaarden, wel open als tussenvariant.

(...)

Als de taxatie lager is dan tussen 15 en 20 mio, zoals besproken met [betrokkene 7] als uitgangspunt om onderhandeling in te gaan obv gelijke erfdelen en verkoop van [A] , en nu blijkt dat er niet voldoende geld is voor een afkoop, dan is er weinig keus in de onderhandeling en praten we alleen nog verder over de koopoptie en afronding. over de praktische invulling al dan niet met kleine aanpassingen valt te praten, mits ook interessant voor ons. of iets van deze strekking.

dit kan ook in combinatie met een hard tegenbod neerleggen dat geldt t/m 31 okt. en dan moeten ze (snel) kiezen, geld bieden of koopoptie accepteren. in beide gevallen moet er een oplossing zijn ruim voor einde 2013.”

(xxviii) Op 29 oktober 2013 heeft [betrokkene 6] “Namens en voor mijn cliënten” aan [betrokkene 11] , [betrokkene 7] en [betrokkene 10] per e-mail “een (eerste) antwoord” gestuurd op het hiervoor (onder 1.1-(xviii)) bedoelde voorstel van [betrokkene 10] van 15 oktober 2013. Op 30 oktober 2013 heeft [betrokkene 11] hierop gereageerd, waarop [betrokkene 6] een concept antwoord aan [verweerster] en [eiser 2] heeft gemaild dat onder meer luidt:

“(...) Mijn cliënten proberen constructief aan oplossingen te werken die in lijn liggen met het aanbod van augustus. (...) Ik geef u nadrukkelijk andermaal in overweging mijn cliënten en de gestelde vraagpunten serieus te nemen (...).”

(xxix) Op 1 november 2013 mailde [betrokkene 11] aan [betrokkene 6] daarop als volgt:

“Ter bevestiging van ons telefonisch onderhoud van 30 oktober j.l. hebben wij afgesproken dat door u in het verlengde van de bespreking van 6 september j.l. een concept-vaststellingsovereenkomst zal worden opgesteld, dat als uitgangspunt heeft dat aan elk kind van wijlen de heer [de vader] een bedrag toekomt dat gelijk is aan 1/6e gedeelte van de waarde van de algehele gemeenschap van goederen waarin de erflater was gehuwd, waar tegenover [eiser 2] en [verweerster] afstand doen van alle procedures en verdere aanspraken op wat dan ook. (Wat dit laatste betreft ter aanvulling en om eventuele misverstanden te voorkomen: zij zullen terugtreden als bestuurder uit de gehele structuur en [eiser 2] zal zijn (middelijk) gehouden aandelen in [A] terugleveren om niet).

Daarin kan ook worden opgenomen dat aan [verweerster] en [eiser 2] door [betrokkene 1] een voorschot van ieder € 500.000,- zal worden betaald na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst.

De mail van 15 okt. j.l van [betrokkene 10] en mij zal zo dienen te worden gelezen dat wij daarin een berekening hebben gegeven van hetgeen [betrokkene 1] op dit moment aan gelden beschikbaar heeft om als voorschot te betalen.

(...)

Ik zal in ieder geval volgende week beginnen met het opstellen van de boedelbeschrijving.”

(xxx) Naar aanleiding van deze mail heeft [eiser 2] aan [verweerster] een concept-mail voor een reactie aan [betrokkene 6] voorgelegd met als bovenschrift “Concept; mee eens? Goede weg?”:

“Voordat we een volgende stap zetten willen [verweerster] en ik onze zorgen uiten over de laatste mail v [betrokkene 11] .

(...)

4. (...) een maximaal aanbod wordt een vaag voorschot (...)

5. De volgende uitgangspunten komen niet meer terug in haar tekst terwijl dit bekend is vanaf de zomer: 1 schikkingsbedrag per kind obv 1/6 totale nalatenschap (...) er lijkt voldoende geld voor interessant aanbod n kinderen maar dan moeten bedrijven en bakstenen wel zoveel mogelijk verkocht extern voor goede prijs om meteen in 1 x te kunnen schikken. (..) opgave v rechten en posities door [eiser 2] en [verweerster] na haar betaalde laatste euro, [betrokkene 9] en kid zal ook afstand moeten doen v positie in structuur bij faire verdeling, wij ontvangen maar geven ook op, moet ook voor haar en hem gelden.

(…)

Anders kiezen we toch beter voor doorzetten oorspronkelijke plannen met bedrijfsovername door mij en via calloptie met voorwaarden zoals betrekken v levensstandaard [betrokkene 1] . Maar dan gaan we niet langer wachten, geld staat nog altijd klaar in een hoekje. (...)”

(xxxi) Op 4 november 2013 mailde [verweerster] [betrokkene 6] het volgende:

“Ik weet niet of de vaststellingsdocument de plek is waar dit moet worden opgenomen maar is het mogelijk om op te nemen dat [A] aan mij nog de advocaat kosten moet vergoeden? (…)”

(xxxii) Op 15 november 2013 stuurde [betrokkene 6] aan [eiser 2] en [verweerster] een mail van [betrokkene 8] van dezelfde datum door, waarin onder meer was opgenomen:

“Ik zend u hierbij vertrouwelijk een cri de coeur van [betrokkene 13] over het delicate (...) onderwerp van het in gebreke blijven door de [A] Groep en door Fides Rae met de correcte naleving van de op hen toepasselijke regelgeving. Zoals u daarin kunt lezen loopt op 31 december as een vergunning af (...). Intussen hopen wij dat u op zo kort mogelijke termijn er in slaagt overeenstemming over de tekst van een vaststellingsovereenkomst te bereiken waarmee aan het geschil tussen uw cliënten een einde komt.”

(xxxiii) Hierna heeft [betrokkene 6] aan [betrokkene 10] en [betrokkene 11] de volgende (nadien aan [eiser 2] en [verweerster] doorgestuurde) mail gestuurd:

“Als wij niet samenwerken dan hoeft het ook niet meer. Dan is de zaak (ook voor [betrokkene 1] !) kaput. (...)”

(xxxiv) Op 18 november 2013 mailde [betrokkene 6] vervolgens aan [eiser 2] en [verweerster] :

“ [eiser 2] , [verweerster] ,

Hedenochtend al had ik (...) een gesprek met [betrokkene 10] (...) Het lijkt erop dat wij inderdaad op 1 lijn zitten en dat ook [betrokkene 1] die lijn wel zou willen volgen. Dwz onmiddellijke overdracht aandelen en zeggenschap. (...) Hij gaat e.e.a. terugkoppelen en neemt dan weer met mij contact op.”

(xxxv) Op 28 november 2013 mailde [betrokkene 10] aan [betrokkene 6] het volgende:

“In vervolg op onze plezierige bespreking van 18 november jl. heb ik (...) jouw zienswijze voorgelegd aan [betrokkene 1] en [betrokkene 11] . Ik informeer je daarover als volgt. Kern van de zaak is dat nog steeds beide partijen de voorkeur hebben om uitvoering te geven aan het compromis, te weten de kinderen verkrijgen 1/6 van de nalatenschap onder intrekking van alle procedures, terugtrekking uit alle stichtingen en besturen en levering van de aandelen [A] .

Vooralsnog voorzie jij problemen bij de waardering van het geheel (....). Ook het pand aan de [a-straat 1] is regelmatig naar voren gekomen als onderbelichte activa, maar vertegenwoordigt volgens jou een aanzienlijke waarde die nu niet goed tot uiting komt.

(...)

De reactie van [betrokkene 1] in volgorde van haar voorkeur is als volgt:

Ook zij vindt dat gevolg moet worden gegeven aan het compromis. De waardering van FR en [A] vindt plaats op datum overlijden van [de vader] . Immers, er is sprake van een soort van boedelverdeling (...). Er zijn al door BDO de nodige waardebepalingen opgesteld en deze zullen als uitgangspunt kunnen dienen. Echter, gelet op jou hiervoor opgenomen zienswijze zou ze graag eerst een ander voorstel bij je neer willen leggen om tot een oplossing te komen.

Aangezien het pand aan [a-straat 1] te [plaats] regelmatig is genoemd, is [betrokkene 1] bereid om de discussie over de optie-overeenkomst te beëindigen en de aandelen [A] geleverd te krijgen, door levering van het pand geheel onbezwaard aan de Beheer BV van [eiser 2] . Deze betaling (lees: de levering van het pand) kwalificeert, ons insziens, onder de deelnemingsvrijstelling. (...). Het is dan aan [eiser 2] cq zijn Beheer BV wat hij verder met het pand doet en zij vertrouwt erop dat hij met [verweerster] tot een goede verdeling zal komen. (...)”

(xxxvi) In een door [eiser 2] aan [verweerster] op 1 december 2013 gestuurde mail ‘reactie op voorstel [betrokkene 10] d.d. 28/11/13’ is o.a. vermeld:

“1. voorkeur voor bedrijfsopvolging

(...) onze 1e keus is een gezond [A] (...) via overname door Maralt.

Alleen als er een aanbod komt we can't refuse is dit voor ons iets om zaken op te geven en over na te denken.

2. aanbod [a-straat] onvoldoende

Echter, het aanbod met alleen het bedrijfspand [a-straat] sec is voor ons niet interessant (genoeg). (...) Het kan wel onderdeel zijn van de totaaloplossing (in combinatie met contanten). We moeten verder kunnen en het geeft ook kopzorgen. [verweerster] heeft zo mogelijk nog grotere twijfels. Die wilde liever geen vastgoed omdat ze (terecht) geen situatie wil met molensteen om de nek. (...)

Kort samengevat:

* onvolledig. Alleen 1 pand bakstenen zonder geldbedrag was nooit de bedoeling

(...)

* geen verdeling. [verweerster] ’s deel is niet concreet en is er lastig uit te betalen.

* sigaar int eigen doos: kantoorpand [plaats] is al inbegrepen in de call-optie, net als [plaats 2] (...) ”

3. wat nu?

(...) het plaatje van onze finale schikking naar onze wens, inclusief [a-straat] , staat klaar. (...)”

(xxxvii) In een aan [verweerster] voorgelegd concept antwoord d.d. 2 december 2013 aan [betrokkene 6] , bedoeld om door te leiden naar [betrokkene 10] , schreef [eiser 2] o.a. het volgende:

“Er is geen interesse bij cliënten in 1 enkel kantoorpand zonder extra cash componenten.

Men heeft a priori niks tegen vastgoed of de [a-straat] maar wel zoals het nu als enige hoofdmoot wordt aangeboden. (...) Tot slot is de waarde ter zake simpelweg te laag om te kwalificeren voor een finale schikking door [betrokkene 1] op erfrechtelijk en bedrijfsmatig vlak.

(...)

Sinds september heeft u (...) via 3 voorstellen meerdere paden bewandeld. Deze leiden vooralsnog nergens naar toe. We geven u met nadruk mee terug te gaan naar uw voorstel van oktober jl. en ons toelichting te geven op punt 2: call optie uitvoeren onder voorwaarden. (...) Cliënten zijn bereid mee te denken aan constructieve oplossingen, ook richting [eiser 2] en Fides inclusief behoud van levensstandaard en dit kan heel snel. (...) ”

(xxxviii) Op 3 december 2013 mailde [betrokkene 6] [eiser 2] en [verweerster] het volgende:

“Beste [eiser 2] en [verweerster] ,

Dank voor de concept reactie.

(...)

We kwamen van 0 af. (...) Nu ligt er een schikkingsvoorstel ter waarde van ca. E 2,9 mio op de tafel. Het gaat hier om een pand dat (naast een behoorlijke executiewaarde) mogelijkheden biedt.

We bespraken nog een aantal m.i. bespreekbare toevoegingen op het laatste voorstel zoals 1 jaar huurcontract a E 290 K met privé garantie voor de huur van [betrokkene 1] , een huurovereenkomst ‘as is’, en twee maanden huur vooruit te betalen en overname van inboedel.

Doorprocederen moet daarop dus nu het alternatief uitmaken.

(...)

Hoe ziet het alternatief eruit

(...)

De procedure is geen gelopen koers, zeker niet waar het aanvechting van het testament aangaat en Fides Rae.

(…)

De situatie afwegend kom ik tot de conclusie dat het schikkingsvoorstel betere perspectieven biedt dan het alternatief van doorprocederen. (...)

Het blijft evenwel jullie keuze (...).”

(xxxix) Op 6 december 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser 2] en [verweerster] en notaris [betrokkene 14] in aanwezigheid van de moeder van [eiser 2] en [verweerster] over de mogelijkheid van doorprocederen en het uitoefenen van de call-optie. In een aan [betrokkene 6] gerichte e-mail van diezelfde dag heeft [eiser 2] geschreven:

“Beste [betrokkene 6] , Van ons krijg je de vrije hand de zaak via schikking af te ronden voor de Kerst o.b.v. onderstaande punten en bijgaand memo. (...)

hieronder onze reactie op de bandbreedtes:

1) Bandbreedte:

a) erfrechtelijke formule [betrokkene 7] is leidend

b) minimaal pand [a-straat 1-2] + cash”.

bij deze e-mail is een bijlage gevoegd, waarin onder andere het volgende is vermeld:

"Finale schikking voor [eiser 2] en [verweerster] o.b.v. reeds ontvangen voorstellen:

(...)

Bandbreedte schikking: tussen 2.5 en 3.3 mio p/p

Gemiddeld genoemn is ons erfdeel 2.9 mio p/p

(...)

2. Aanbod erfrechtelijk: [a-straat]

Kantoorpand waarde van toepassing voor ons Executiewaarde: 2.0 mio. Dan komen we 8 ton tekort. Afronding: kantoorpand + 1 mio aanbetaling! (3.8/2 -1.9 mio p.p.).”

De bijlage vermeldt verder:

“Definitieve verrekening [verweerster] en [eiser 2] volgt later onderling”.

(xl) In een e-mail van 9 december 2013 van [eiser 2] aan [betrokkene 6] staat onder meer:

“(...) Intussen hebben [verweerster] en ik er een paar nachtjes over kunnen slapen.

Jouw idee van het kantoorpand is op zich geen gekke gedachte mits met significant deel cash achter de hand als buffer. (...)"

Bij deze mail is de volgende notitie gevoegd:

“Beste [betrokkene 6] , Inmiddels zijn wij ook weer wat verder via diverse experts. (...) Van ons krijg je de vrije hand de zaak via schikking af te ronden voor de Kerst o.b.v. onderstaande punten. Het kantoorpand lijkt een goede basis te zijn mits er voldoende geldbuffers zijn. Op deze gedachten bouwen we graag verder. Zodat we ruim voor 1 januari a.s. ‘rust’ in de kop hebben met een goede oplossing waar we allemaal verder mee kunnen voor de komende jaren en we onze schulden kunnen inlossen, inclusief jouw nota 's.

1 100% schikking ‘Simpel& Snel’

1. overschrijving naar Maralt van [a-straat 1-2] + boedel (aanbod [betrokkene 10] WOZ)

2.800.000

2. (terug)huren [a-straat] 2014 door [A] (jaarverslag 2012) 257.000

3. aanbetaling contant van 2 x 5 ton voor [eiser 2] en [verweerster] (aanbod [betrokkene 11] ) 1.000.0000

5. overschrijving appt. Royal Palm I en II naar [eiser 2] en [verweerster] (eigen opgave) 195.000

6. onkostenvergoeding voor A. en [verweerster] (2012 - 2013) 248.000

____________________________________________________________

Totaal € 4.500.000

Op basis van de afgesproken erfrechtelijke formule ‘verdeelsleutel [betrokkene 7] ’ zou ons deel zijn: minimaal 15 mio x 1/6 = 2.5 mio p/p. samen is 5 mio. Voor opgave van onze rechten/posities van het Nederlandse deel (calloptie/STAK) is de prijs 4,5 mio in 2013. Het Antilliaanse deel (Calm, Fides) zien we apart: 4,5 ton.

2 100% Call Optie

(...) levering van certificaten door [B] en RI aan Maralt. Dit is o. i. een sterke BAZO mocht schikken niet lukken.

(...)

3 Combinatie Schikking en Call Optie

Nadat alle certificaten (...) binnen zijn, dan valt per januari evt te praten (...).

(xli) Op 10 december 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser 2] en zijn echtgenote, [verweerster] , [betrokkene 6] en mr. [betrokkene 17] .

(xlii) In een e-mail van 11 december 2013 van [eiser 2] aan [betrokkene 6] staat vermeld:

“ [verweerster] en ik hebben overlegd, laten we de belastingvrije overschrijving van [a-straat] naar Maralt maar snel afronden.

Hieronder voor de volledigheid de besproken uitgangspunten/aanvullingen:

-1 jaar huur 2014 a 257.000 + optie op nog 1 jaar

- inclusief boedel

- ‘as is’ huur

- 2 maanden borg (mag meer natuurlijk)

(...)

- onkosten vergoeding a 248.000 (o.a. adviseurskosten (incl. advocaat) sinds overlijden [de vader] , afronding salarispakket 2012, STAK, persoonlijke dingen v [de vader] (2 appt curacao) bestemd voor [eiser 2] / [verweerster] ). Hieruit kan MAralt dan oa de kosten voor [betrokkene 6] en [verweerster] /STAK betalen alsmede leningen aflossen.

(...)

De verdeelsleutel mbt huurinkomsten tussen [verweerster] en Maralt kan later volgen zodra we weten hoe de deal er precies uit komt te zien en n.a.v. het bekijken van de fiscale optimale situaties. dit geldt ook voor de latere exploitatie vh pand met uitkoopvariant voor [verweerster] en/of bij directe verkoop van het totaal na de huurperiode.

de exacte overdracht v aandelen en terugtrekking uit posities volgen zodra de deal 100% rond is en na overdracht v [a-straat] & garanties met 1e huurbetaling(en)?

(...)

onze call optie met deadlines blijft nog even achter de hand tot we er uit zijn.”

(xliii) In een e-mail van 11 december 2013 van [betrokkene 6] aan [betrokkene 10] en [betrokkene 11] staat onder meer:

“In reactie op het voorstel het volgende:

Mijn cliënten willen akkoord gaan met dien verstande dat zij het navolgende nog aan het voorstel toegevoegd zouden willen zien:

- het pand [a-straat 1-2] moet gegarandeerd onbezwaard zijn;

(...)

Er zal ook een gelijktijdige afkoop in contanten moeten volgen van EUR 249K voor de overige lopende procedures; de claims van [verweerster] ; persoonlijke kwesties tussen [de vader] en de kinderen; ASTAK kosten en de kostenvergoeding onder de optie;

(...)

Mijn cliënten (waaronder ook [verweerster] ) zullen dan afstand doen van alle rechten en vorderingen t.l.v. [A] c.s. en t.l.v. [betrokkene 1] en hun aandelen overdragen. (...)”

(xliv) Op 19 december 2013 stuurde [betrokkene 6] aan [betrokkene 10] het volgende bericht:

“Beste [betrokkene 10] ,

De wilsovereenstemming is helemaal rond. Partijen (en wij ook) mogen tevreden zijn. (...)”

(xlv) Op 23 december 2014 heeft [eiser 2] aan [betrokkene 6] onder meer het volgende bericht:

“hoi [betrokkene 6] ,

Interessant stuk.

Omdat het nog een 1e aanzet is ben ik zo vrij het volgende te melden dat kan dienen als aanvulling of geheugensteuntje.

Als fiscale leek begrijp ik als volgt:

- bijna alles in deze opzet lukt belastingvrij voor Maralt mits de veronderstellingen kloppen:

(...)

- wie betaalt OZB en verzekeringen tijdens huurperioden? 100% [betrokkene 1] of wij het eigenaren deel?

- wil je nog expliciet melden dat [eiser 2] en Maralt handen vrij hebben vanaf 2014 of juist weglaten? (...)”

(xlvi) Op 24 december 2013 schreef [betrokkene 10] aan [betrokkene 6] het volgende:

“Conform afspraak tref je hierna eerst een passage uit mijn memo dat ik heb opgemaakt voor onze eerste ontmoeting. Verder ben ik conform afspraak nader ingegaan op de interne reorganisatievrijstelling.

(...)

[verweerster] verkrijgt 50% van de aandelen in Maralt Holding BV [B] BV en Ravil Intersurance BV (Curaçao) kopen de call optie van Maralt Holding BV af en alle gewone aandelen voor een nog overeen te komen (af)koopsom waarmee alle geschillen eindigen. (...)”

(xlvii) Hierop schreef [eiser 2] op 27 december 2013 per e-mail aan [betrokkene 6] :

“dank voor de stukken

(...) 3. Waarom noemt [betrokkene 10] dat [verweerster] mede-aandeelhouder wordt van Maralt? Is dit een must optie om bepaald voordeel te behalen wat zou hiervan het voordeel zijn tov huidige situatie? dit is nieuw voor ons (...)”

(xlviii) Op 30 december 2013 schreef [eiser 2] aan [betrokkene 6] , cc aan [verweerster] :

“we hebben hard nagedacht onder de kerstboom.

het gaat de goede kant op maar er moeten wat ons betreft nog wel wat puntjes op de i.

(...)

Wat is de boete voor het niet leveren van kantoorpand [a-straat] terwijl er onderling reeds wilsovereenstemming is?”

Bij de e-mail is een concept-vaststellingsovereenkomst gevoegd met bijgeschreven opmerkingen/vragen van [eiser 2] . Dit stuk luidt onder meer als volgt:

“Artikel 1

(...)

[betrokkene 1] (...) verbindt zich (...) de onroerende zaak (...) aan de [a-straat 1-2] (...) zal (doen) overdragen aan Maralt, zulks als uitdeling aan Maralt op de certificaten van (...) aandelen (...) en de koopoptie op de (...) aandelen

Opmerking [eiser 2] : garanties expliciet noemen:

(...)

- 24/7 toegang voor [eiser 2] en [verweerster] en relaties vanaf 1 januari a.s.

(…)

Artikel 6

[eiser 2] en [verweerster] verklaren door mede-ondertekening van deze overeenkomst in privé tevens afstand te doen van welke claim dan ook die zij menen te mogen hebben op (delen van) de nalatenschap van de erflater en gaan derhalve akkoord met de inhoud van het testament van de erflater

Opmerking [eiser 2] : dit artikel is nieuw konijn uit de hoed en moet worden geschrapt. Het is erfrechtelijk en dat valt buiten deze oplossing. Er is zoals bekend veel twijfel over (de geldigheid van) het testament (...) deze situatie willen we later nog eens rustig bekijken. Het zou de rollen compleet omdraaien en het totaalplaatje komt er heel anders te zien.

Tenzij [betrokkene 1] deze onzekerheid nu ook meteen wil afkopen: o. a. met een substantieel deel voor [verweerster] in contant en vastgoed.

denk aan vb. kantoorpand [plaats 2] , 2 appartementen Royal Palm, belastingvrije schenking van 1 ton voor wonen in 2014 (voor [verweerster] en [eiser 2] ).

Voor de goede orde, dit is dan direct inclusief onze opgaaf v rechten/posities in STAK en CALM, de afkoop voor een MBO en het niet opgeven van zijn positie door [betrokkene 9] ”.

(xlix) Hierop antwoordde [betrokkene 6] per mail op 30 december 2013 als volgt:

“ [eiser 2] en [verweerster] ,

(...) jouw verzoek tot schrapping van artikel 6. Dat artikel kan niet worden geschrapt. Het staat er in om ook aan die onzekerheid een eind te maken. Als de deal is afgewikkeld moet ook een (overigens nog niet ingestelde) claim met betrekking tot het testament vervallen.”

(l) Op 7 februari 2014 mailde [betrokkene 6] aan [eiser 2] en [verweerster] “Helaas geen nieuws dus”, waarop [eiser 2] antwoordde: “ok [betrokkene 6] , de vaart lijkt er helaas nu wel een beetje uit”. Hierop schreef [verweerster] diezelfde dag in een e-mail aan [eiser 2] :

“Hoi, dank voor de update.

Jammer inderdaad.

Zullen wij binnenkort bij elkaar zitten over hoe nu verder?

Tevens heb ik geen beeld van de financiële consequenties. Waarschijnlijk mijn eigen dommigheid. Heb jij al een beter beeld?”

(li) Op 12 februari 2014 schreef [verweerster] aan [eiser 2] :

“Hoi, het gaat erg typisch allemaal. Ik kan niet goed beoordelen wat er aan de hand is. (...) Wanneer het cash bedrag aan jou uitbetaald wordt krijg ik toch de bedragen die ik betaald heb voor de facturen van [betrokkene 6] terug?”

(lii) Op 24 februari 2014 heeft [eiser 2] aan [verweerster] een concept e-mail voor [betrokkene 6] aan [verweerster] voorgelegd. Daarna heeft [verweerster] , cc aan [eiser 2] aan [betrokkene 6] o.a. het volgende gemaild:

“Beste [betrokkene 6] ,

Zoals aangegeven in de vorige mail, er zijn nog enkele openstaande vragen die eerder nog niet beantwoord konden worden. Het is voor ons geen alledaagse materie en het gaat om veel geld. (...)

- Is in het voorstel van [betrokkene 10] omtrent [verweerster] 50% aandeelhouder in Maralt een vrijblijvend voorstel gedaan vanuit zijn perspectief?

Om misverstanden zoals bij de overdrachtsbelasting te voorkomen, [betrokkene 10] heeft geen zeggenschap over de eigendomssituatie bij Maralt. Over dit onderdeel zijn voor zover bij ons bekend geen afspraken gemaakt. Gaarne overleg hierover. Tevens zouden wij graag een beter beeld van de fiscale gevolgen van de schikking.”

(liii) Bij e-mail van 24 februari 2014 schreef [betrokkene 6] [eiser 2] en [verweerster] als volgt:

“(...) Zoals jullie weten ben ik nog steeds aan het onderhandelen en dat zal zo blijven tot de akten worden getekend. (...)

14. De positie van [verweerster] als mede aandeelhouder is (mogelijk) van belang om te melden in het rulingverzoek van 4. Verder is het geen onderdeel van de deal met [betrokkene 1] . (...)”

(liv) In een e-mail van 15 maart 2014 heeft [eiser 2] aan [verweerster] onder meer het volgende bericht:

“(...) het lijkt me raadzaam voor jou om in deze fase een eigen, neutrale adviseur in te schakelen die jou kan bijstaan als buitenstaander met jouw belng voor ogen.

(...) Het is aan Maralt Holding als enige eigenaar van [a-straat 1-2] om te zorgen dat het pand op zeer korte termijn geld gaat opleveren.”

(lv) Vervolgens is op 17 maart 2014 een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [betrokkene 1] , [eiser 2] , [verweerster] en Normanco. Op grond van die vaststellingsovereenkomst diende [betrokkene 1] tegen teruglevering van de certificaten van de gewone aandelen [A] en ter afkoop van de call optie mee te werken aan levering aan Normanco van het pand gelegen aan de [a-straat 1-2] te [plaats] (verder te noemen: [a-straat 1-2]), welke onroerende zaak in eigendom toebehoorde aan één van de vennootschappen binnen het concern van [A] . Alle aanhangige procedures (waaronder procedures bij de Ondernemingskamer) moesten op grond van de vaststellingsovereenkomst worden beëindigd. [eiser 2] en [verweerster] , die op enig moment ook bestuurslid van een STAK van [A] was geworden, dienden af te treden als bestuursleden van de STAK en/of stichting Calm. Daarnaast diende [betrokkene 1] een bedrag van € 248.000,- aan [eiser 2] , Normanco en [verweerster] gezamenlijk te betalen ter afkoop van al hun overige vorderingen. [eiser 2] en [verweerster] zagen af van alle eventuele claims die zij meenden te hebben op (delen van) de nalatenschap van [de vader] . Artikel 10 van de vaststellingsovereenkomst luidt:

“Finale kwijting

Partijen verklaren dat zij met de ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst en door het passeren van de in artikel 1 genoemde akten al hun geschillen hebben beëindigd, dat zij met inachtneming van het voorgaande en na uitvoering van de hiervoor beschreven handelingen niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar over en weer finale kwijting verlenen.”

(lvi) [betrokkene 1] heeft uitvoering gegeven aan de vaststellingsovereenkomst. Daarbij is onder meer het kantoorpand aan de [a-straat 1-2] te [plaats] aan Normanco overgedragen.

(lvii) In een e-mail van 16 juli 2014 schreef [eiser 2] aan [verweerster] het volgende:

“hi [verweerster] ,

zoals besproken hieronder in vertrouwen enkele denklijnen mbt [a-straat] . nogmaals en voor de goede orde, dit is puur een conceptueel voorstel en vrijblijvend van mijn kant. de keuze en de route staan nog niet vast en is ook nog niet nader uitgewerkt, dit kan later volgen met nader te kiezen adviseurs.

hoofdlijn kan zijn dat we gaan vastleggen op papier dat jij tzt een deel ontvangt gelijk aan 50% van de transactie/verkoopwaarde [a-straat] zoals door de notaris vastgelegd (2.8 mio/2 = 1.4 mio), minus toewijsbare kosten, belasting etc. dan is jouw part ‘afgekocht’ en ga ik met Maralt als eigenaar verder met het pand als verdere belegging naar de toekomst, zoals ik het nu naar beste inzicht kan inschatten en zoals eerder gemeld, hou jij dan straks EUR 1 mio of zelfs iets meer over.

mogelijkheden zoals ik het nu zie:

1. oprichten van een aparte vastgoed bv ‘ [C] ’. Type flexbv waarin jij aandelen krijgt via een minderheidsbelang. met beperkte zeggenschap en met vast % winstdeel. Maralt houdt dan het meerderheidsbelang met doorslaggevende stem.

voordeel: jij krijgt periodiek aanvullend inkomen tot jouw deel/bovengenoemd bedrag of tot onverhoopt overlijden, nadeel: uitkeringshoogte onzeker want afhankelijk v bedrijfsresultaat, zwaar belast met vpb en dividendtax, zakelijk niet uit elkaar

2. splitsen nr 14 los van 13. Verkoop nr 14 aan de ‘buren ’. opbrengst deels gebruiken voor jouw afkoopdeel en mijn buffer verbouwing nr 13 of als onderpand banklening voordeel: jij krijgt vooraf al deels contant, zakelijk uit elkaar. nadeel: 3 jr wachttijd ov. belasting (wob notaris, 84K betalen?) en opknippen pand beperkt mogelijkheden van pand. Mede daarom heeft deze optie niet direct mijn voorkeur.

Banklening. ik zou liever meteen bekijken we op korte termijn of we via een banklening meer kunnen vragen opdat ik jou eerder zoveel mogelijk kan uitbetalen. jij kunt dit bespoedigen door alvast bij NIBC te informeren naar hun mogelijkheden. en bijvoorbeeld ca de helft van jouw deel (vb 5 ton) te laten financieren met het pand als onderpand waarmee jij binnenkort kan worden uitbetaald en jij de andere helft later ontvangt zodra er een deel contant is te maken via bv mijn erfdeel [c-straat] of via de toekomstige exploitatie van [a-straat] (verhuur kantoor of appartementen). intussen benader ik een aantal andere banken incl. Rabo, Abnamro en Triodos.

4. verhuur. tevens bereiden we de shortlist voor met makelaars voor kantoorverhuur vh pand vanaf 2015 voor de komende 5 jr of langer. dit geeft ook nieuwe mogelijkheden en geeft lucht en tijd.

[verweerster] , het is nu nog wat onzeker allemaal en lastig genoeg, dus pin me er niet op vast. maar ik hoop dat dit is wat je ongeveer bedoelt en dat het aansluit bij jouw gedachten. tot zover en laten we in gesprek blijven (...)”.

(lviii) Hierop reageerde [verweerster] bij e-mail van 21 juli 2014 als volgt:

“Mijn vertrekpunt is eenvoudig, het lijkt mij beter niet zakelijk verbonden te zijn aan elkaar. (...) Daarmee vallen er van jouw voorstel twee opties af, namelijk een BV oprichten en verhuren (mogelijkheden 1 en 4).

De uitkomst van de schikking is dat we samen eigenaar zijn van de [a-straat] . Dan zijn er twee opties, we verkopen het (geheel of in fases) en delen de opbrengst of jij koopt mij uit.

We kunnen dan nog praten over de hoogte van de taxatie, de huuropbrengst en de timing. (...)”

1.2

Bij inleidende dagvaarding van 19 augustus 2015 heeft [verweerster] [eiser 2] en Normanco gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en gevorderd – samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – de hoofdelijke veroordeling van [eiser 2] en van Normanco tot betaling van een bedrag van € 1.700.000,-, met rente en kosten.5

Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij met [eiser 2] is overeengekomen dat zij recht heeft op de helft van hetgeen [betrokkene 1] op grond van de vaststellingsovereenkomst aan Normanco heeft overgedragen. Deze overeenstemming blijkt uit de e-mailcorrespondentie tussen [verweerster] , [eiser 2] en [betrokkene 6] , deels in reactie op de voorstellen die van de zijde van [betrokkene 1] en haar adviseurs werden geformuleerd. [verweerster] mocht in ieder geval erop vertrouwen dat zij met [eiser 2] overeenstemming hierover had bereikt. [eiser 2] en Normanco zijn hoofdelijk aan deze overeenkomst gebonden.6

1.3

Normanco c.s. hebben verweer gevoerd.

1.4

Bij tussenvonnis van 27 november 2015 is een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 11 februari 2016. Er is proces-verbaal opgemaakt.

1.5

Bij tussenvonnis van 30 maart 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat in december 2013 een driepartijenovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [verweerster] recht heeft op de helft van hetgeen op basis van de vaststellingsovereenkomst aan Normanco is overgedragen en [eiser 2] en Normanco hoofdelijk verbonden zijn het deel van [verweerster] te betalen.7

1.6

Na aktewisseling heeft de rechtbank vervolgens bij eindvonnis van 7 december 20168 [eiser 2] en Normanco hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van € 1.516.765,-, met veroordeling van [eiser 2] en Normanco in de proceskosten.

Dit bedrag is opgebouwd uit € 1.400.000,- voor (de helft van de waarde van) [a-straat 1-2] , € 67.500,- voor huurinkomsten, € 82.000,- voor contante betaling en € 4.765,- voor de inboedel.910

1.7

Normanco c.s. zijn, voor zover in cassatie van belang11, van het tussenvonnis van 30 maart 2016 en het eindvonnis van 7 december 2016 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag, onder aanvoering van 11 grieven, met conclusie tot (onder meer) vernietiging van het tussenvonnis van 30 maart 2016 en het eindvonnis van 7 december 2016 en afwijzing van de vorderingen van [verweerster] .

1.8

[verweerster] heeft de grieven bestreden.

1.9

Bij (eind)arrest van 26 maart 201912 heeft het hof, voor zover van belang, de door de rechtbank tussen partijen gewezen vonnissen van 30 maart en 7 december 2016 bekrachtigd.13

1.10

Normanco c.s. zijn in cassatie gekomen van dit arrest en hebben daartoe op 26 juni 2019 (en dus tijdig) een procesinleiding bij de Hoge Raad ingediend. [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht waarna Normanco c.s. hebben gerepliceerd en [verweerster] heeft gedupliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 richt zich met vijf subonderdelen (die uiteenvallen in diverse klachten) tegen rov. 3.5 tot en met 3.11, waarin het hof als volgt heeft overwogen (voor de volledigheid citeer ik ook rov. 3.4):

“3.4 De grieven I tot en met IV leggen aan het hof de vraag voor of tussen [eiser 2] , Normanco enerzijds en [verweerster] anderzijds een overeenkomst tot stand is gekomen strekkende tot verdeling bij helfte van de ‘opbrengst’ van de vaststellingsovereenkomst.

3.5

De grieven falen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [verweerster] op grond van de gedragingen en verklaringen van [eiser 2] , zoals die blijken uit de overgelegde en hiervoor onder 2 weergegeven correspondentie, gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat tussen Normanco c.s. en [verweerster] de afspraak gold van een verdeling in gelijke delen van de ‘opbrengst’ van de tot stand te brengen vaststellingsovereenkomst.

3.6

Het hof betrekt daarbij allereerst dat [eiser 2] en [verweerster] beiden (via hun raadsman [betrokkene 6] ) met [betrokkene 1] in onderhandeling zijn geweest en daarbij steeds samen optrokken. Reeds vóór het overlijden van [de vader] was een erfrechtelijke verdeling voor beiden voorwerp van onderhandelingen, waaraan door het plotselinge overlijden van [de vader] een voorlopig einde kwam. Vervolgens is tenminste vanaf de e-mail van 8 september 2013 van [betrokkene 7] een (‘fictief) erfrechtelijke basis gekozen voor de gevoerde schikkingsonderhandelingen tussen de ‘materieel belangrijkste betrokken personen’, [eiser 2] , [verweerster] en [betrokkene 1] . De druk die gezamenlijk tegenover (de vertegenwoordigers van) [betrokkene 1] werd uitgeoefend, zag niet alleen op de call-optie maar ook op de overige posities van beiden, waaronder hun functies in STAK en het mogelijk aanvechten van het testament waarin beiden waren onterfd. Het hof wijst onder meer op de onder 2.17 en 2.2414 vermelde correspondentie. Nadat eerder onduidelijkheid bestond of het voorstel van [betrokkene 10] (namens [betrokkene 1] ) van 15 oktober 2013 de afkoop van de call-optie of van alle aanspraken betrof, is van de zijde van [betrokkene 1] in de e-mail van 1 november 2013 (hiervoor onder 2.3015 opgenomen) - opnieuw - het uitgangspunt geformuleerd dat aan elk kind 1/6 deel van de nalatenschap toekomt waartegenover [eiser 2] en [verweerster] afstand doen van alle procedures en aanspraken. Ook het voorstel van [betrokkene 10] van 28 november 2013 heeft ‘nog steeds’ als basis het ‘compromis, te weten de kinderen verkrijgen 1/6 van de nalatenschap onder intrekking van alle procedures/terugtrekking uit alle stichtingen en besturen en levering van de aandelen [A] ’. De afkoop van de call-optie maakte daarbij, samen met de overige posities van zowel [eiser 2] als [verweerster] , steeds deel uit van de ‘erfrechtelijke oplossing’, hetgeen beiden uit de (van elkaar, [betrokkene 6] en de via deze van de zijde van [betrokkene 1] ontvangen) correspondentie mochten en moesten begrijpen.

Niet in geschil is dat ‘de erfrechtelijke route’ een gelijke verdeling tussen broer en zus inhoudt (memorie van grieven, 145). In het op 28 november 2013 gedane aanbod is de levering van het pand aan de [a-straat 1-2] als vorm van ‘betaling in stenen’ voorgesteld binnen het ‘compromis’ van een (fictief) erfrechtelijke verdeling. In dit voorstel is (om fiscale redenen) levering van het pand aan (thans:) Normanco voorgesteld met de opmerking dat erop wordt vertrouwd ‘dat hij [ [eiser 2] , hof] met [verweerster] tot een goede verdeling zal komen”. Dat [eiser 2] dit laatste ook begreep blijkt genoegzaam uit zijn mail van 1 december 2013 (hiervoor, onder 2.3716) waarin hij onder meer erop wijst dat (bij betaling met het pand) uitbetaling van [verweerster] deel lastig is. Ook uit de (onder 2.3817 weergegeven) mail van 2 december 2013 blijkt dat ook [eiser 2] (ook tegenover [verweerster] ) het pand [a-straat 1-2] als voorstel voor een schikking ‘op erfrechtelijk en bedrijfsmatig vlak’ aanmerkte. Vervolgens is over deze betalingswijze telkens namens beiden gecorrespondeerd (zie de e-mails, weergegeven onder 2.37, 2.40 en 2.4118). In de bijlage bij de door [eiser 2] mede namens zijn zus aan [betrokkene 6] gestuurde e-mail van 6 december 2013 is de waarde van het pand [a-straat 1-2] ook gebruikt in een berekening die sluit op 1.9 miljoen p.p. bij een gelijke verdeling tussen broer en zus. Uit de slotzin “definitieve verrekening [verweerster] en [eiser 2] volgt later onderling” behoefde [verweerster] nog niet te begrijpen - zoals Normanco c.s. betogen - dat (toch) op andere wijze dan bij helfte zou worden afgerekend.

3.7

Normanco c.s. hebben aangevoerd dat tijdens een bespreking op 10 december 2013 aan [verweerster] duidelijk zou zijn gemaakt dat zij geen of een (veel) geringere aanspraak op verdeling zou hebben. Zij hebben evenwel onvoldoende concrete verklaringen en gedragingen gesteld waaruit volgt dat [verweerster] diende te begrijpen dat - in weerwil van de tot dusverre gevoerde uitgangspunten - een tot stand te komen vaststellingsovereenkomst niet langer op fictief erfrechtelijke basis werd gesloten en een gelijke verdeling van de ‘opbrengst’ niet langer langs erfrechtelijke lijnen zou plaatsvinden. Ook hebben Normanco c.s. onvoldoende (concreet) gesteld dat zij op hun beurt erop mochten vertrouwen dat [verweerster] (alsnog) ermee instemde in het kader van de vaststellingsovereenkomst haar posities op te geven zonder aanspraak te maken op de voordien steeds tot uitgangspunt genomen gelijke verdeling tussen broer en zus. De overgelegde correspondentie van na 10 december 2013 biedt ook geen steun voor de gestelde koerswijziging op dat punt. Meer in het algemeen had het op de weg van [eiser 2] gelegen om - zo hij uitoefening van de call-optie als een zelfstandig onderdeel aanmerkte en om die reden aanspraak meende te hebben op het geheel dan wel een significant groter deel van de ‘opbrengst’ - dit voldoende duidelijk te maken, temeer nu ook van [verweerster] werd verwacht haar posities en aanspraken op te geven in de te sluiten vaststellingsovereenkomst.

3.8

Tussen partijen staat vast dat op 19 december 2013 - overeenkomstig de door [betrokkene 6] aan [betrokkene 10] op die datum gedane mededeling - wilsovereenstemming over de (hoofdlijnen van de) vaststellingsovereenkomst bestond waaronder en daarmee (in beginsel) gebondenheid jegens [betrokkene 1] was gegeven. Vervolgens is nog gecorrespondeerd over conceptversies van de vaststellingsovereenkomst waarin de uitgangspunten werden uitgewerkt. Uit die latere correspondentie kan geen koerswijziging ten aanzien van de eerdere uitgangspunten en/of de onderlinge verdeling tussen [eiser 2] en [verweerster] worden afgeleid. De opmerking van [eiser 2] d.d. 30 december 2013 bij art. 6 van de conceptvaststellingsovereenkomst (hiervoor, onder 2.4919), dat z.i. de erfrechtelijke aanspraken niet zouden hoeven worden prijsgegeven, is enkel namens hemzelf gegeven, staat als zodanig haaks op de correspondentie zoals die tot dan is verlopen en doet ook overigens niet af aan het hiervoor gegeven oordeel dat met de levering van het pand [b-straat] met bijbetalingen posities van zowel [eiser 2] als [verweerster] werden afgekocht en de verdeling daarvan tussen hen beiden op (fictief) erfrechtelijke basis zou geschieden. Bovendien heeft [betrokkene 6] aan eventuele onduidelijkheid bij [eiser 2] hierover op dezelfde dag (zie onder 2.4820) een eind gemaakt en is vervolgens doorgegaan op de weg van algehele afkoop jegens [betrokkene 1] van hun beider rechten en posities.

3.9

Anders dan Normanco c.s. betogen kan uit de e-mails van 4 november 2013 en 12 februari 2014 (hiervoor, onder 2.32 en 2.5221) niet worden afgeleid dat [verweerster] - in weerwil van alle (hiervoor besproken) correspondentie - ervan uitging (en [eiser 2] redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat) dat zij slechts aanspraak had of maakte op vergoeding van haar advocaatkosten. Ook uit de correspondentie rondom de door [betrokkene 10] op 23 december 2013 uit zichzelf geopperde wijze van uitvoering waarbij [verweerster] 50% van de aandelen van Maralt zou houden, mochten [eisers] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet begrijpen dat [verweerster] geen aanspraak (meer) wenste te maken op de helft van de opbrengst van de te sluiten vaststellingsovereenkomst.

3.10

In het licht van al het voorgaande is het hof van oordeel dat [verweerster] jegens Normanco c.s. erop mocht vertrouwen dat zij de vaststellingsovereenkomst, waarin zij haar posities jegens [betrokkene 1] opgaf, tekende onder een met Normanco c.s. gemaakte afspraak tot gelijke verdeling van de aan Normanco c.s. gedane betalingen. Zo [eiser 2] een andere voorstelling mocht hebben gehad van hun relatieve posities jegens [betrokkene 1] en daaruit voortvloeiende gevolgen voor de verdeling, had hij op dit wezenlijke punt duidelijk(er) moeten zijn tegenover zijn zus en kan door hem op een eventueel bij hem aanwezige andere voorstelling van zaken geen beroep worden gedaan (art. 3:35 BW). Het voorgaande betekent tevens dat (Normanco c.s. begrepen althans dienden te begrijpen dat) [verweerster] met het kwijtingsbeding uit de vaststellingsovereenkomst (artikel 10) niet ook jegens hen afstand deed van haar verdelingsaanspraak. Dat [eiser 2] hierop ook niet heeft vertrouwd, blijkt overigens genoegzaam uit diens e-mail van 16 juli 2014. [verweerster] mocht deze e-mail in het licht van alle hiervoor genoemde feiten of omstandigheden redelijkerwijs aldus opvatten dat (hooguit) de voorgestelde uitwerkingsvarianten onder voorbehoud werden gedaan, maar niet het in de brief vooropgestelde - voordien reeds overeengekomen - uitgangspunt dat [verweerster] recht had op 50% van de opbrengst.

3.11

In ieder geval ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is daarmee tussen Normanco c.s. en [verweerster] een driepartijen-overeenkomst tot stand gekomen met de strekking dat van (de waarde van) hetgeen op grond van de vaststellingsovereenkomst aan Normanco c.s. zou worden betaald, de helft aan [verweerster] zou worden toebedeeld. Feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden, zijn niet (voldoende concreet) gesteld of gebleken.”

2.3

Subonderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 3.5 en 3.6, waarin het hof heeft geoordeeld dat [verweerster] op basis van de verklaringen en gedragingen van [eiser 2] zoals weergegeven in rov. 2 (zie deze conclusie, onder 1.1) gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat tussen [eiser 2] en Normanco enerzijds en [verweerster] anderzijds de afspraak gold van een verdeling in gelijke delen van de ‘opbrengst’ van de vaststellingsovereenkomst met [betrokkene 1] .

2.4

Het subonderdeel klaagt ten eerste – althans zo meen ik het subonderdeel te moeten begrijpen – dat de in het subonderdeel weergegeven omstandigheden (a) tot en met (e), waarop het hof zich volgens het subonderdeel heeft gebaseerd, het oordeel van het hof niet kunnen dragen, ook niet in onderling verband bezien.22

2.5

De klacht faalt op grond van het volgende.

2.6

In rov. 3.4 heeft het hof vastgesteld dat de grieven I tot en met IV van Normanco c.s. aan het hof de vraag voorleggen of tussen [eiser 2] en Normanco enerzijds en [verweerster] anderzijds een overeenkomst tot stand is gekomen strekkende tot verdeling bij helfte van de ‘opbrengst’ van de vaststellingsovereenkomst.

Die vraag heeft het hof, net als de rechtbank, in rov. 3.5 bevestigend beantwoord; zulks aan de hand van het – in cassatie als zodanig niet bestreden – criterium of [verweerster] op grond van de gedragingen en verklaringen van [eiser 2] zoals die blijken uit de overgelegde en in rov. 2 – onbestreden – weergegeven correspondentie gerechtvaardigd op de totstandkoming van een overeenkomst met deze inhoud heeft mogen vertrouwen.

2.7

Ter motivering van de bevestigende beantwoording van die vraag heeft het hof in rov. 3.6 tot en met 3.10 in chronologische volgorde een aantal omstandigheden benoemd en beoordeeld, op basis waarvan het tot de conclusie is gekomen dat in ieder geval ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst (17 maart 2014) een driepartijenovereenkomst met de strekking van verdeling bij helfte tot stand is gekomen (rov. 3.11).

In de met subonderdeel 1.1 bestreden rov. 3.6 heeft het hof een aantal omstandigheden benoemd en beoordeeld die betrekking hebben op de periode tot 10 december 2013:

(A) [eiser 2] en [verweerster] zijn beiden (via hun raadsman [betrokkene 6] ) met [betrokkene 1] in onderhandeling geweest en trokken daarbij steeds samen op.

(B) Reeds vóór het overlijden van [de vader] was een erfrechtelijke verdeling voor beiden voorwerp van onderhandelingen, waaraan door het plotselinge overlijden van [de vader] een voorlopig einde kwam.

(C) Vervolgens is tenminste vanaf de e-mail van 8 september 2013 van [betrokkene 7]23 een (‘fictief’) erfrechtelijke basis gekozen voor de gevoerde schikkingsonderhandelingen tussen de ‘materieel belangrijkste betrokken personen’, [eiser 2] , [verweerster] en [betrokkene 1] .

(D) De druk die gezamenlijk tegenover (de vertegenwoordigers van) [betrokkene 1] werd uitgeoefend, zag niet alleen op de call optie maar ook op de overige posities van beiden, waaronder hun functies in STAK en het mogelijk aanvechten van het testament waarin beiden waren onterfd. Het hof wijst onder meer op de onder rov. 2.17 en rov. 2.23 van het bestreden arrest vermelde correspondentie.24

(E) Nadat eerder onduidelijkheid bestond of het voorstel van [betrokkene 10] (namens [betrokkene 1] ) van 15 oktober 201325 de afkoop van de call optie of van alle aanspraken betrof, is van de zijde van [betrokkene 1] in de e-mail van 1 november 2013 (hiervoor, aldus het hof, onder rov. 2.30 opgenomen26) - opnieuw - het uitgangspunt geformuleerd dat aan elk kind 1/6 deel van de nalatenschap27 toekomt waartegenover [eiser 2] en [verweerster] afstand doen van alle procedures en aanspraken.

(F) Ook het voorstel van [betrokkene 10] van 28 november 201328 heeft ‘nog steeds’ als basis het ‘compromis, te weten de kinderen verkrijgen 1/6 van de nalatenschap29 onder intrekking van alle procedures, terugtrekking uit alle stichtingen en besturen en levering van de aandelen [A] ’. De afkoop van de call-optie maakte daarbij, samen met de overige posities van zowel [eiser 2] als [verweerster] , steeds deel uit van de ‘erfrechtelijke oplossing’, hetgeen beiden uit de (van elkaar, [betrokkene 6] en de via deze van de zijde van [betrokkene 1] ontvangen) correspondentie mochten en moesten begrijpen.

(G) Niet in geschil is dat ‘de erfrechtelijke route’ een gelijke verdeling tussen broer en zus inhoudt (memorie van grieven, 145).

(H) In het op 28 november 201330 gedane aanbod is de levering van het pand aan de [a-straat 1-2] als vorm van ‘betaling in stenen’ voorgesteld binnen het ‘compromis’ van een (fictief) erfrechtelijke verdeling. In dit voorstel is (om fiscale redenen) levering van het pand aan (thans:) Normanco voorgesteld met de opmerking dat erop wordt vertrouwd “dat hij [lees: [eiser 2] , hof] met [verweerster] tot een goede verdeling zal komen”.

(I) Dat [eiser 2] dit laatste ook begreep blijkt genoegzaam uit zijn mail van 1 december 2013 (hiervoor, aldus het hof, onder rov. 2.3731) waarin hij onder meer erop wijst dat (bij betaling met het pand) uitbetaling van [verweerster] deel lastig is.

(J) Ook uit de (aldus het hof onder rov. 2.3832 weergegeven) e-mail van 2 december 2013 blijkt dat ook [eiser 2] (ook tegenover [verweerster] ) het pand [a-straat 1-2] als voorstel voor een schikking ‘op erfrechtelijk en bedrijfsmatig vlak' aanmerkte.

(K) Vervolgens is over deze betalingswijze telkens namens beiden gecorrespondeerd (zie, aldus het hof, de e-mails, weergegeven onder rov. 2.37, rov. 2.40 en rov. 2.4133).

(L) In de bijlage bij de door [eiser 2] mede namens zijn zus aan [betrokkene 6] gestuurde e-mail van 6 december 201334 is de waarde van het pand [a-straat 1-2] ook gebruikt in een berekening die sluit op 1.9 miljoen p.p. bij een gelijke verdeling tussen broer en zus.

(M) Uit de slotzin “definitieve verrekening [verweerster] en [eiser 2] volgt later onderling” behoefde [verweerster] nog niet te begrijpen – zoals Normanco c.s. betogen – dat (toch) op andere wijze dan bij helfte zou worden afgerekend.

2.8

De in het subonderdeel weergegeven omstandigheden (a) tot en met (d) zijn weliswaar in deze opsomming terug te vinden (zie de omstandigheden (A) tot en met (C) en (G)), maar uit deze opsomming blijkt echter ook dat, anders dan het subonderdeel veronderstelt, het door het subonderdeel bestreden oordeel van het hof zijn grondslag vindt in méér omstandigheden dan uitsluitend de in het subonderdeel genoemde.

De in de procesinleiding onder (e) genoemde omstandigheid dat “ook uit correspondentie zijdens [eiser 2] aan de advocaat van partijen die hen beiden in de onderhandelingen bijstond, zou volgen dat [eiser 2] uitging van een verdeling van de opbrengst conform een erfrechtelijke verdeling, derhalve bij helfte” is als zodanig niet in rov. 3.6 van het bestreden arrest terug te vinden. Mogelijk is bedoeld te verwijzen naar de hiervoor onder 2.7 genoemde omstandigheden (J) en (L). Ook indien daarvan wordt uitgegaan, miskent het subonderdeel dat het oordeel van het hof op méér omstandigheden is gebaseerd dan uitsluitend de in het subonderdeel genoemde.

2.9

Bovendien maakt de klacht niet duidelijk waarom de in het subonderdeel weergegeven omstandigheden (a) tot en met (e) – indien tot uitgangspunt zou worden genomen dat uitsluitend die omstandigheden dragend zijn voor het door het subonderdeel bestreden oordeel van het hof – dit oordeel niet kunnen dragen.

2.10

Subonderdeel 1.1 klaagt in de tweede plaats dat oordeel van het hof in rov. 3.5 en 3.6 onbegrijpelijk is “in het licht van het navolgende”.35

(i) “Tussen partijen staat vast dat er een aanmerkelijk verschil bestond tussen de posities van [eiser 2] en [verweerster] . Hoewel beiden een mogelijke erfrechtelijke positie hadden jegens [betrokkene 1] – vast stond dat overigens nog niet – hadden [eiser 2] (al dan niet via Normanco) en Normanco daarnaast ook zakelijke aanspraken jegens [betrokkene 1] die door [de vader] tot enige erfgenaam was benoemd en zich na het overlijden van haar echtgenoot derhalve geconfronteerd zag met een call optie op de cumulatief preferente aandelen in [A] en het feit dat Normanco houdster was van de certificaten op de gewone aandelen in [A] .” 36

(ii) “Zoals uit de notulen van de AVA van 30 januari 2013 volgt, is vóór het overlijden van [de vader] onderhandeld tussen hem en [eiser 2] over de – kort gezegd – verbreking van de zakelijke banden van laatstgenoemde met het [A] concern, daaronder begrepen de call optie.37 [de vader] is op 27 maart 2013 overleden zodat in zoverre aan die onderhandelingen een einde is gekomen.38 In de periode nadien is met [betrokkene 1] , als weduwe van [de vader] , verder onderhandeld over onder meer de afkoop van de call optie en de teruglevering van de certificaten op de gewone aandelen. Sterker nog: het zwaartepunt van de onderhandelingen zag juist daarop, zo valt af te leiden uit de door het gerechtshof ook geciteerde correspondentie in rov. 2.14, 2.15, 2.18, 2.19, 2.20 2.22 en 2.25. De mogelijke erfrechtelijke aspecten van de zaak zijn pas later bij de onderhandelingen betrokken en waren ondergeschikt aan de zakelijke aspecten”.39

2.11

Voor zover het subonderdeel heeft beoogd met dit betoog een klacht naar voren te brengen, voldoet deze niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

Uit voornoemd betoog is niet af te leiden welke beslissing of overweging van het hof in rov. 3.5 en/of 3.6 precies onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is. In het betoog wordt slechts aangegeven dat “het oordeel van het hof in rov. 3.5 en 3.6” onbegrijpelijk is “in het licht van het navolgende”, waarna het een en ander naar voren wordt gebracht over het verschil tussen posities van partijen en de onderhandelingen met [de vader] respectievelijk diens weduwe [betrokkene 1] .

Uit het betoog kan evenmin worden afgeleid waarom “het oordeel van het hof in rov. 3.5 en 3.6” onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Op basis van hetgeen hiervoor is aangehaald is het niet duidelijk of het in het betoog gaat om feiten of om stellingen van Normanco c.s.

Voor zover het om stellingen van Normanco c.s. zou gaan, is ongewis waar die stellingen zijn ingenomen in feitelijke instanties. Een verwijzing naar een vindplaats ontbreekt.

Ook is uit het betoog niet af te leiden waarom die stellingen – voor zover ingenomen in feitelijke instanties – zouden meebrengen dat “het oordeel van het hof in rov. 3.5 en 3.6” onbegrijpelijk zou zijn, danwel onvoldoende gemotiveerd.

2.12

Voor zover met het betoog onder (i) zou zijn beoogd de klacht naar voren te brengen dat het hof de omstandigheid dat er een aanmerkelijk verschil bestond tussen de posities van [eiser 2] en [verweerster] ten onrechte niet in zijn oordeel zou hebben betrokken, faalt deze.

In rov. 3.5 en 3.6 ligt besloten dat het hof die omstandigheid bij beantwoording van de voorliggende vraag (of [verweerster] op grond van de gedragingen en verklaringen van [eiser 2] gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat tussen Normanco c.s. en [verweerster] de afspraak gold van een verdeling in gelijke delen van de ‘opbrengst’ van de tot stand te brengen vaststellingsovereenkomst) wel in aanmerking heeft genomen, maar niet van doorslaggevend gewicht heeft geacht.

Bovendien heeft het hof in rov. 3.10 overwogen – welke overweging in cassatie als zodanig niet is bestreden – dat zo [eiser 2] een andere voorstelling mocht hebben gehad van hun relatieve posities jegens [betrokkene 1] en daaruit voortvloeiende gevolgen voor de verdeling, hij op dit wezenlijke punt duidelijk(er) had moeten zijn tegenover zijn zus en door hem op een eventueel bij hem aanwezige andere voorstelling van zaken geen beroep kan worden gedaan (art. 3:35 BW).

2.13

Het betoog onder (ii) miskent dat – hoewel het hof in rov. 2.3 heeft vastgesteld dat vader en zoon toen [lees: nadat in de loop van 2012 tussen [de vader] en [eiser 2] verschillen van inzicht waren ontstaan over de wijze waarop [A] bestuurd moest worden, toev. A-G] hebben onderhandeld over teruglevering van de certificaten van de gewone aandelen en afkoop van de call optie – het hof in rov. 3.6 op basis van de in rov. 2 weergegeven correspondentie tevens heeft geconstateerd dat reeds vóór het overlijden van [de vader] een erfrechtelijke verdeling voor beiden voorwerp van onderhandelingen is geweest, waaraan door het plotselinge overlijden van [de vader] een voorlopig einde kwam. Deze overweging als zodanig is in cassatie niet bestreden.

Dat het hof uit de door hem geciteerde correspondentie in rov. 2.14, 2.15, 2.18, 2.19, 2.20, 2.22 en 2.25 (zie hiervoor, onder 1.1-(xiii), (xiv), (xvii), (xviii), (xix), (xxi) en (xxiv)) niet heeft afgeleid dat het zwaartepunt van de onderhandelingen juist zag op de verbreking van de zakelijke banden (en de mogelijke erfrechtelijke aspecten van de zaak pas later bij de onderhandelingen zijn betrokken en ondergeschikt waren aan de zakelijke aspecten), is, anders dan het betoog onder (ii) wellicht beoogt te veronderstellen, niet onbegrijpelijk. Een en ander valt naar mijn mening uit genoemde correspondentie niet af te leiden, terwijl het middel ook geen vindplaatsen van stellingen met bedoelde strekking vermeldt. Ten slotte ligt verwerping van het betoog onder (ii) in het oordeel van het hof in rov. 3.5 en 3.6 besloten.

2.14

Tot slot klaagt subonderdeel 1.140 dat het hof in het kader van de in het middel weergegeven omstandigheden (a) tot en met (e) – hiervoor aangeduid als (A)-(C), (G) en (J/L), zie onder 2.7 en 2.8 – ten onrechte niet is ingegaan op een aantal volgens Normanco c.s. als essentieel aan te merken stellingen.

2.15

Volgens het subonderdeel brengt de omstandigheid (a) dat [eiser 2] en [verweerster] in de onderhandelingen met [betrokkene 1] gezamenlijk zijn opgetrokken (zie hiervoor, onder 2.7, omstandigheid (A), toev. A-G) nog niet mee dat op grond daarvan zou moeten worden geoordeeld dat de revenuen uit de vaststellingsovereenkomst met [betrokkene 1] bij helfte zouden moeten worden gedeeld.

Dat laat volgens de klacht immers onverlet dat – zoals door [eiser 2] en Normanco steeds is gesteld en door het hof ook is onderkend – de inzet van de onderhandelingen steeds gericht was op het bereiken van een regeling met betrekking tot de zakelijke aspecten van de zaak, zodat de revenuen ook (met name) daarop betrekking hebben.41 In het licht van deze stellingen is de beslissing van het hof in zoverre onbegrijpelijk, aldus de klacht.

2.16

De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof het door het subonderdeel bestreden oordeel niet uitsluitend heeft gebaseerd op de door de klacht genoemde omstandigheid (a), maar op de hiervoor onder 2.7 (A) tot en met (M) genoemde omstandigheden.

2.17

Bovendien ligt verwerping van de stelling dat “de inzet van de onderhandelingen steeds gericht was op het bereiken van een regeling met betrekking tot de zakelijke aspecten van de zaak, zodat de revenuen ook (met name) daarop betrekking hebben” – daargelaten of die stelling is ingenomen in de in het subonderdeel genoemde vindplaatsen – in rov. 3.5 en 3.6 besloten. In rov. 3.6 is het hof immers op basis van de (onbestreden) feitenvaststellingen in rov. 2 tot het tegengestelde oordeel gekomen. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.

2.18

Waarop de klacht baseert dat het hof zou hebben onderkend dat de inzet van de onderhandelingen steeds gericht was op het bereiken van een regeling met betrekking tot de zakelijke aspecten van de zaak, zodat de revenuen ook (met name) daarop betrekking hebben, maakt de klacht niet duidelijk.

Dit kan (in elk geval) niet worden afgeleid uit de feitenvaststellingen in rov. 2.14, 2.15, 2.18, 2.19, 2.20, 2.22 en 2.25 (zie hiervoor, onder 1.1. (xiii), (xiv), (xvii), (xviii), (xix), (xxi) en (xxiv)), waarnaar in het hiervoor weergegeven betoog onder (ii) van subonderdeel 1.1 is verwezen. Evenmin kan dit worden afgeleid uit het oordeel van het hof in rov. 3.5 en 3.6.

2.19

Volgens het subonderdeel geldt “datzelfde” mutatis mutandis ook voor de omstandigheid (b) dat de erfrechtelijke aspecten van deze zaak ook voor het overlijden van [de vader] al onderwerp van gesprek waren (zie hiervoor, onder 2.7, omstandigheid (B), toev. A-G). Ook deze omstandigheid laat immers onverlet dat het zwaartepunt van de onderhandelingen met [betrokkene 1] zag op de financiële gevolgen van de ontvlechting van Normanco (en [eiser 2] ) en het [A] concern, aldus de klacht.

2.20

Deze klacht, die volledig voortbouwt op de voorgaande klacht, faalt om dezelfde redenen.

2.21

Subonderdeel 1.1 klaagt vervolgens dat de omstandigheid (c) dat sinds het najaar van 2013 een (fictief) erfrechtelijke basis werd gekozen voor de gevoerde schikkingsonderhandelingen (zie hiervoor, onder 2.7, omstandigheid (C), toev A-G) ook nog niet maakt dat de opbrengsten uit die onderhandelingen door [eiser 2] en [verweerster] bij helfte zouden moeten worden verdeeld. Daartoe betoogt de klacht – onder verwijzing naar vindplaatsen – dat deze fictieve erfrechtelijke basis een “hulpmiddel” was om uiteindelijk op een schikkingsbedrag uit te komen.42 De fictieve erfrechtelijke benadering had dan ook alleen een “externe werking” richting [betrokkene 1] ; in de verhouding tussen [eiser 2] en Normanco enerzijds en [verweerster] anderzijds heeft zij geen wijziging gebracht.43

2.22

Ook deze klacht faalt nu zij miskent dat het hof de positieve beantwoording van de voorliggende vraag (of Normanco c.s. en [verweerster] verdeling bij helfte zijn overeengekomen) heeft gebaseerd op alle hiervoor in 2.7 onder (A) tot en met (M) weergegeven omstandigheden, en dus niet uitsluitend op omstandigheid (C).

Daarnaast heeft het hof in rov. 3.10 overwogen – welke overweging in cassatie als zodanig niet is bestreden – dat zo [eiser 2] een andere voorstelling mocht hebben gehad van hun relatieve posities jegens [betrokkene 1] en daaruit voortvloeiende gevolgen voor de verdeling hij op dit wezenlijke punt duidelijk(er) had moeten zijn tegen zijn zus en dat hij op een eventueel bij hem aanwezige andere voorstelling van zaken geen beroep kan doen (art. 3:35 BW).

In deze oordelen in rov. 3.6 en 3.10 ligt verwerping besloten van de stelling van Normanco c.s. dat de fictieve erfrechtelijke benadering alleen maar “externe werking” richting [betrokkene 1] had en zij in de verhouding tussen Normanco c.s. en [verweerster] geen wijziging heeft gebracht. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.

2.23

Volgens het subonderdeel kan “gelet op het voorgaande” ook de omstandigheid (d) dat niet in geschil is dat de erfrechtelijke route een gelijke verdeling tussen broer en zus inhoudt (zie hiervoor, onder 2.7, omstandigheid (G), toev. A-G), de beslissing van het hof niet dragen. Daartoe wordt aangevoerd dat Normanco c.s gesteld hebben dat deze benadering slechts externe werking had.

2.24

Deze klacht bouwt geheel voort op de voorgaande klachten en faalt derhalve.

2.25

Ten overvloede wijs ik erop dat de klacht er aan voorbij ziet dat het hof voor de omstandigheid dat niet in geschil is dat ‘de erfrechtelijke route' een gelijke verdeling tussen broer en zus inhoudt, heeft verwezen naar de memorie van grieven, par. 145, waar Normanco c.s. het volgende naar voren hebben gebracht:

“ [verweerster] lijkt vast te blijven houden aan de erfrechtelijke route, waarbij inderdaad sprake zou zijn van een gelijke verdeling voor [eiser 2] en [verweerster] . Zoals reeds betoogd, is deze erfrechtelijke route echter verlaten.”

Het uit dit citaat blijkende betoog van Normanco c.s. in feitelijke instanties strookt niet met de stelling dat de erfrechtelijke benadering slechts externe werking had.

2.26

Tot slot wordt in subonderdeel 1.1 geklaagd over onbegrijpelijkheid van de overweging (omstandigheid (e)) dat uit de eigen correspondentie van [eiser 2] volgt dat ook hij uitging van verdeling van de revenuen uit de vaststellingsovereenkomst bij helfte. Daartoe verwijst de klacht naar “de aangevoerde stellingen” in de memorie van grieven, par. 68, 80, 84 en 85, alsmede “producties 40, 46 en 48”. Het hof heeft deze volgens de klacht als essentieel aan te merken stellingen niet, althans niet kenbaar, in zijn oordeel, betrokken. Ook in zoverre is de beslissing van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk, aldus de klacht.

2.27

De klacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen van art. 407 lid 2 Rv, zodat zij faalt.

Nog daargelaten dat de bestreden overweging als zodanig niet is terug te vinden in rov. 3.6 (zie hiervoor, onder 2.8), maakt de klacht voorts niet duidelijk op welke specifieke stellingen wordt gedoeld (de stellingen en de inhoud van de producties worden in de klacht niet geduid), waarom die stellingen als essentiële stellingen moeten worden aangemerkt, laat staan waarom die stellingen zouden meebrengen dat de door de klacht bestreden “overweging” van het hof onbegrijpelijk is. Een (nadere) toelichting van de zijde van Normanco c.s. had temeer mogen worden verwacht, nu de vindplaatsen en de producties waarnaar in de klacht wordt verwezen e-mailcorrespondentie en/of citaten van delen daaruit betreffen die in rov. 2 zijn weergegeven, en door het hof dus ook in aanmerking zijn genomen.

2.28

Uit het voorgaande volgt dat alle klachten van subonderdeel 1.1 falen.

2.29

Subonderdeel 1.2 keert zich tegen rov. 3.7 van het bestreden arrest, waarin het hof volgens Normanco c.s. kennelijk uitgaat van een koerswijziging en overweegt dat door Normanco c.s. onvoldoende is gesteld waaruit zou volgen dat [verweerster] zou moeten begrijpen dat een tot stand te komen vaststellingsovereenkomst niet langer op fictief erfrechtelijke basis werd gesloten en dat de opbrengst daarvan ook niet meer bij helfte zou worden gedeeld.44

2.30

De eerste klacht houdt in dat in het licht van “de hiervoor aangehaalde stellingen van de zijde van [eiser 2] en Normanco” zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat het hof ervan uitgaat dat in de oorspronkelijke opzet de opbrengsten uit de vaststellingsovereenkomst gelijkelijk zouden worden gedeeld tussen partijen, waarbij wordt verwezen naar hetgeen in subonderdeel 1.1 is opgemerkt.45

2.31

Deze klacht bouwt geheel voort op de klachten uit subonderdeel 1.1 en faalt in het voetspoor daarvan.

2.32

De volgende klacht berust op de lezing dat het hof van oordeel is dat [eiser 2] en Normanco beoogd hebben te stellen dat sprake zou zijn van een koerswijziging sinds de bespreking van 10 december 2013. Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat in de stellingen van [eiser 2] en Normanco een dergelijke koerswijziging niet te lezen valt. Integendeel, hetgeen zij hebben gesteld met betrekking tot datgene dat tijdens de bespreking op 10 december 2013 aan de orde is gesteld en nadien ook is gehandhaafd, is geheel in lijn met het daarvoor reeds geldende uitgangspunt dat onderhandeld werd over de afkoop van de call optie door [betrokkene 1] en de teruglevering van de certificaten op de gewone aandelen in [A] , aldus de klacht.46

2.33

Deze klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft, anders dan het middel veronderstelt, de stellingen van Normanco c.s. niet aldus uitgelegd dat volgens Normanco c.s. sprake is van een koerswijziging sinds de bespreking van 10 december 2013. Het hof heeft immers vastgesteld dat Normanco c.s. hebben aangevoerd dat tijdens een bespreking op 10 december 2013 aan [verweerster] duidelijk is gemaakt dat zij geen of een (veel) geringere aanspraak op verdeling heeft (rov. 3.7, eerste volzin). Deze uitleg is in het licht van de stellingen in de memorie van grieven, par. 158 en 160-163 niet onbegrijpelijk.

Waar het hof in rov. 3.7 spreekt van een “gestelde koerswijziging”, is dat een kwalificatie van het hof zelf, die ermee verband houdt dat het hof eerder, in rov. 3.6, heeft vastgesteld dat het in ieder geval tot aan de bespreking van 10 december 2013 de bedoeling van partijen was om de opbrengst van de vaststellingsovereenkomst gelijk te verdelen. Het tijdens de bespreking op 10 december 2013 alsnog – “in weerwil van de tot dusverre gevoerde uitgangspunten” – omarmen van het uitgangspunt dat [verweerster] geen of een (veel) geringere aanspraak op verdeling zou hebben, is dan in de niet onbegrijpelijke beleving van het hof een koerswijziging.

2.34

Tot slot klaagt subonderdeel 1.2 dat in zoverre eveneens onbegrijpelijk is de overweging en beslissing van het hof dat onvoldoende (concreet) is gesteld dat Normanco c.s. erop mochten vertrouwen dat [verweerster] ermee instemde dat zij haar mogelijke erfrechtelijke positie opgaf zonder gelijke verdeling van de revenuen uit de vaststellingsovereenkomst. [eiser 2] en Normanco hebben, aldus de klacht, ter zake in feitelijke aanleg voldoende concrete stellingen (en onderbouwing daarvan) naar voren gebracht47, terwijl van een koerswijziging ten opzichte van de periode voor 10 december 2013 geen sprake was. In dit verband is, zo brengt de klacht naar voren, ook onderdeel 2 van het cassatiemiddel van belang dat verband houdt met het bewijsaanbod van de zijde van [eiser 2] en Normanco op dit punt.48

2.35

Dit betreft een voortbouwklacht, die faalt in het voetspoor van de vorige klachten.

Daarnaast voldoet de klacht niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Verwijzing naar “de vindplaatsen van onderdeel 1.1” is – gelet op alle in onderdeel 1.1 genoemde vindplaatsen – onvoldoende specifiek om als onderbouwing te dienen van de stelling dat Normanco c.s. “terzake in feitelijke aanleg voldoende concrete stellingen (en onderbouwing daarvan) naar voren [hebben] gebracht”.

2.36

Subonderdeel 1.3, subonderdeel 1.449 en subonderdeel 1.550 – die gericht zijn tegen rov. 3.8, rov. 3.9 respectievelijk rov. 3.10 – bouwen volledig voort op de klachten van de subonderdelen 1.1 en 1.2 en falen derhalve.

2.37

De slotsom is dat alle klachten van onderdeel 1 falen.

2.38

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.24, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

“3.24 Het voorgaande betekent dat ook het hof van oordeel is dat de vorderingen van [verweerster] - voor zover deze door de rechtbank zijn toegewezen - toewijsbaar zijn. Normanco c.s. hebben onvoldoende (voldoende concrete) feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden en ook geen (voldoende specifiek) bewijs van zulke (voldoende concrete) feiten en omstandigheden aangeboden. Het hof gaat daarom aan het door hen gedane bewijsaanbod voorbij.”

2.39

Het onderdeel klaagt ten eerste dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof met dit oordeel heeft miskend dat uitgangspunt is dat een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten, indien voldoende specifiek bewijs is aangeboden van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Volgens Normanco c.s. hebben zij in par. 267 tot en met 271 van de memorie van grieven dergelijk specifiek bewijs aangeboden.

2.40

Deze rechtsklacht faalt. In rov. 3.24 heeft het hof het bewijsaanbod van Normanco c.s. immers gepasseerd omdat Normanco c.s. geen (voldoende specifiek) bewijs hebben aangeboden van (voldoende concrete) feiten en omstandigheden die leiden tot een ander dan het door het hof bereikte oordeel.

2.41

Het onderdeel vervolgt met de (subsidiaire) motiveringsklacht dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de feiten waarvan bewijs is aangeboden “zeer nauw verband houden” met het oordeel van het hof (i) dat [verweerster] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat een overeenkomst tot stand was gekomen op grond waarvan zij aanspraak had op de helft van de revenuen uit de vaststellingsovereenkomst en (ii) dat sprake was van een – door het hof ten onrechte aangenomen – koerswijziging vanaf 10 december 2013.

2.42

Ook de motiveringsklacht faalt.

2.43

Waar het hof heeft geoordeeld dat tussen partijen (in ieder geval ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op 17 maart 2014) een driepartijen-overeenkomst tot stand is gekomen strekkende tot verdeling bij helfte van de opbrengst van de vaststellingsovereenkomst (rov. 3.4-3.11), was het aan Normanco c.s. om concrete feiten te stellen en zonodig te bewijzen die konden leiden tot enig ander oordeel, dus het oordeel dat überhaupt geen overeenkomst tot stand is gekomen (zoals gesteld in memorie van grieven, par. 144 e.v. en par. 191 e.v.) of het oordeel dat een overeenkomst met een andere inhoud tot stand is gekomen. Het oordeel van het hof dat dergelijke feiten niet zijn gesteld51 (welk oordeel niet is bestreden) en dat dergelijke feiten evenmin te bewijzen zijn aangeboden (thans bestreden) is in het licht van het bewijsaanbod52 niet onbegrijpelijk.

2.44

Het aanbod (in par. 267) om te bewijzen “dat er op of omstreeks 19 december 2013 geen tweede overeenkomst tot stand is gekomen” heeft geen betrekking op een concreet onderliggend feit, maar op een kwalificatie.

2.45

De stelling dat tijdens het gesprek op 10 december 2013 “besproken is dat het voorstel zag op de afkoop van de call optie en dat het pand aan de [a-straat] (uitsluitend) aan Normanco c.s. zou toekomen” (par. 269) voert niet noodzakelijkerwijs tot de gevolgtrekking dat naar de bedoeling van partijen aan [verweerster] niet de helft van de opbrengst van de vaststellingsovereenkomst (die naar ’s hofs vaststelling meerdere aspecten besloeg (rov. 2.56)) zou toekomen. Dat op 10 december 2013 zou zijn besproken dat “partijen te zijner tijd zouden kijken naar oplossingen hoe [eiser 2] [verweerster] in de toekomst financieel zou kunnen steunen” (par. 269) sluit evenmin uit dat op 17 maart 2014 wilsovereenstemming over een verdeling van de opbrengst bij helfte was bereikt.

2.46

Het aanbod (par. 270) om door [betrokkene 6] te laten verklaren “dat kort voor of rond 19 december 2013 geen tweede overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser 2] , [verweerster] en Normanco” ziet, als gezegd, op een rechtsgevolg en niet op feiten en omstandigheden. Nu rechtsgevolgen zich niet lenen voor bewijs, mocht het hof dit (deel van het) bewijsaanbod dus passeren.

2.47

In par. 270 wordt voorts het aanbod gedaan te bewijzen dat “[betrokkene 6] [ ] gedurende de onderhandelingen voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst zowel [eiser 2] als [verweerster] [heeft] bijgestaan. Hij kan dan ook verklaren wat tussen partijen afgesproken is voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst en hij kan verklaren dat tegenover het afstand doen van de calloptie aan Normanco het onbezwaarde pand is geleverd”.

Het aanbod te bewijzen dat [betrokkene 6] kan verklaren wat tussen partijen is afgesproken voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst, is algemeen van aard, dus is niet onbegrijpelijk dat het hof uit dit deel van het bewijsaanbod geen “voldoende concrete” te bewijzen feiten en omstandigheden heeft afgeleid.

Dat tegenover het afstand doen van de call optie aan Normanco het onbezwaarde pand is geleverd, is een feit waarmee het hof al rekening heeft gehouden in zijn oordeel (maar waaraan het hof echter niet de door Normanco c.s. gewenste conclusie heeft verbonden).

Het citaat uit een e-mail van [betrokkene 6] uit 2015 (par. 270) doet aan het voorgaande niet af. In het citaat zijn m.i. eveneens geen concrete feiten en omstandigheden opgenomen op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat er geen tweede overeenkomst tot stand is gekomen, danwel een overeenkomst met andere inhoud dan verdeling van de opbrengst bij helfte.

2.48

Ook het bewijsaanbod in par. 271 “[eiser 2] kan daarnaast verklaren over de calloptie, de plannen voor de bedrijfsovername en de onderhandelingen voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst. Daarnaast kan [eiser 2] verklaren over de onderhandelingen tussen hem en [verweerster] na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst, waaronder - maar niet beperkt tot - het doel en de strekking van zijn e-mail van 16 juli 2014” is door het hof begrijpelijkerwijs gepasseerd, omdat het – gelet op de algemene bewoordingen – niet voldoet aan de eis dat een bewijsaanbod ‘voldoende concrete feiten en omstandigheden’ met betrekking tot het bewijsthema moet bevatten.

2.49

Ook onderdeel 2 kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 2.2 tot en met 2.59 van het in cassatie bestreden arrest van het Hof Den Haag van 26 maart 2019, zaaknummer 200.207.256.

2 [betrokkene 5] is de adviseur van [de vader] . Zie memorie van grieven, par. 16.

3 [betrokkene 8] is door de Ondernemingskamer benoemd tot tijdelijk bestuurder van [A] . Zie memorie van grieven, par. 40.

4 [betrokkene 11] is de notaris van [betrokkene 1] . Zie memorie van grieven, par. 56.

5 Ontleend aan rov. 3.1 van het bestreden arrest. Zie ook rov. 3.1 van het tussenvonnis van de rechtbank Den Haag van 30 maart 2016, zaak/rolnummer: C/09/495320/HA ZA 15-997.

6 Ontleend aan rov. 3.2 van het tussenvonnis van 30 maart 2016.

7 Zie rov. 3.2 van het bestreden arrest i.v.m. rov. 4.3, 4.8, 4.11 en 4.22 van het tussenvonnis van 30 maart 2016.

8 Rb Den Haag 7 december 2016, zaak/rolnummer: C/09/495320/HA ZA 15-997.

9 Ontleend aan rov. 3.2 van het bestreden arrest.

10 De rechtbank heeft naast de tussenvonnissen van 27 november 2015 en 30 maart 2016 en het eindvonnis van 7 december 2016 ook nog een beslissing genomen en twee tussenvonnissen gewezen: (i) een beslissing van 15 juni 2016, inhoudende dat het verzoek van [eiser 2] om tussentijds hoger beroep open te stellen van het tussenvonnis van 30 maart 2016 wordt afgewezen (ii) een tussenvonnis van 26 oktober 2016, waarin het pleidooiverzoek van [eiser 2] is afgewezen, (iii) een tussenvonnis van 9 november 2016, waarin het verzoek van [eisers] om tussentijds hoger beroep open te stellen van het tussenvonnis van 26 oktober 2016 is afgewezen. Deze beslissing en deze tussenvonnissen zijn in cassatie echter niet van belang.

11 Het hoger beroep is, blijkens de appeldagvaarding, ook ingesteld tegen de tussenvonnissen van 27 november 2015 en 26 oktober 2016. Dit heeft echter geen relevantie voor de cassatieprocedure.

12 Hof Den Haag 26 maart 2019, zaaknummer 200.207.256.

13 Het Hof Den Haag heeft op 4 juli 2017 (ECLI:NL:GHDA:2017:1846) ook een arrest in het incident ex art. 351 Rv gewezen. Dit arrest is in cassatie niet van belang.

14 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xvi) resp. (xxiii).

15 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xxix).

16 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xxxvi).

17 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xxxvii).

18 Zie deze conclusie, onder 1.1.-(xxxvi), (xxxix) resp. (xl).

19 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xlviii).

20 Bedoeld zal zijn: rov. 2.50. Zie deze conclusie, onder 1.1-(xlix).

21 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xxxi) resp. (li).

22 Zie par. 1.1, eerste alinea, en p. 8, derde alinea (“De hiervoor weergegeven omstandigheden ...”), van de procesinleiding.

23 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xv).

24 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xvi) en (xxii).

25 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xviii).

26 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xxix).

27 In de e-mail wordt gesproken over 1/6e gedeelte van de waarde van de gemeenschap van goederen.

28 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xxxv).

29 Dit komt overeen met de bewoordingen van de e-mail. Zie echter voetnoot 27.

30 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xxxv).

31 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xxxvi).

32 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xxxvii).

33 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xxxvi), (xxxix) en (xl).

34 Zie deze conclusie, onder 1.1-(xxxix).

35 Zie p. 7, tweede alinea, van de procesinleiding.

36 Zie p. 7, derde alinea, van de procesinleiding.

37 In de procesinleiding wordt verwezen naar het in cassatie bestreden arrest van 26 maart 2019, rov. 2.5 en 2.6.

38 Zie p. 7, vierde alinea, van de procesinleiding.

39 Zie p. 8 (tweede alinea) van de procesinleiding.

40 Zie p. 8 (derde alinea) t/m p. 10 (derde alinea) van de procesinleiding.

41 De klacht verwijst naar de stellingen in de memorie van grieven, par. 46, 53, 54, 66, 77, 78, 79, 84 en 90.

42 Zoals door [eiser 2] in feitelijke aanleg gesteld, aldus de klacht, bleef zijn positie ook in die opzet echter veel sterker (ook via Normanco) dan die van [verweerster] en besefte laatstgenoemde dat ook. In de procesinleiding wordt verwezen naar de memorie van grieven, par. 44, 45 en 46 en producties 22, 23 en 24, par. 51 en productie 28, par. 54 en par. 158 en 159.

43 Dit laatste volgt volgens de klacht ook uit de stelling van [eiser 2] in feitelijke aanleg dat ook wat [betrokkene 1] betreft duidelijk was dat zij een regeling trof met betrekking tot de afkoop van de call optie en de certificaten op de gewone aandelen in [A] en dat [eiser 2] en Normanco vervolgens tot een goede verdeling met [verweerster] zou komen, waarbij niet gegeven is dat die verdeling bij helfte zou zijn. In de procesinleiding wordt verwezen naar memorie van grieven, par. 68 en productie 40 en par. 80 en productie 46. In dit verband hebben, zo stelt de klacht, [eiser 2] en Normanco in feitelijke aanleg ook aangevoerd dat in het oorspronkelijke concept voor de vaststellingsovereenkomst met [betrokkene 1] alleen laatstgenoemde en Normanco partij waren. In de procesinleiding wordt verwezen naar memorie van grieven, par. 84 en 85 en productie 48.

44 Zie par. 1.2, eerste alinea, van de procesinleiding.

45 Zie p. 10, laatste alinea van de procesinleiding.

46 Zie p. 11, tweede alinea, van de procesinleiding.

47 De klacht verwijst naar de vindplaatsen in subonderdeel 1.1.

48 Zie p. 11, derde alinea, van de procesinleiding.

49 Subonderdeel 1.4 klaagt dat de overwegingen en beslissing van het hof in rov. 3.9 dat uit de aldaar door het hof aangehaalde correspondentie niet kan worden afgeleid dat [verweerster] ervan uitging (en [eiser 2] er redelijkerwijs van uit mocht gaan) dat zij slechts aanspraak maakte op vergoeding van haar advocaatkosten, “in het licht van het voorgaande” evenmin begrijpelijk is, omdat het hof daarin niet (althans niet kenbaar) “de in onderdeel 1.1 aangehaalde stellingen” van de zijde van [eiser 2] en Normanco en de ter onderbouwing daarvan overgelegde producties in zijn beslissing heeft betrokken.

50 Subonderdeel 1.5 klaagt, kort gezegd – onder verwijzing naar “de in onderdeel 1.1 aangevoerde stellingen en vindplaatsen” – dat de overwegingen en beslissingen van het hof in rov. 3.10, “gelet op hetgeen hiervoor is gesteld”, het lot van de daaraan voorafgaande overwegingen en beslissingen moeten delen.

51 Zie ook reeds rov. 3.11, slot.

52 Het bewijsaanbod van Normanco c.s. in par. 267-271 van de memorie van grieven luidt als volgt: “267. Hoewel de bewijslast rust op [verweerster] , bieden [eisers] bewijs aan van hun stellingen dat er op of omstreeks 19 december 2013 geen tweede overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eisers] en [verweerster] . 268. Meer specifiek bieden [eisers] bewijs aan door middel van het (doen) horen van de volgende getuigen: - [eiser 2] ; - [betrokkene 16] (de echtgenote van [eiser 2] ); - [betrokkene 6] - [betrokkene 17] (kantoorgenoot van [betrokkene 6] ). 269. Bovengenoemde getuigen waren allen aanwezig bij het gesprek van 10 december 2013 waarin het voorstel van [betrokkene 10] van 28 november 2013 werd besproken. Zij kunnen verklaren dat tijdens dit gesprek besproken is dat het voorstel zag op de afkoop van de calloptie, dat het pand aan de [a-straat] (uitsluitend) aan Normanco zou toekomen en dat partijen te zijner tijd zouden kijken naar oplossingen hoe [eiser 2] [verweerster] in de toekomst financieel zou kunnen steunen. Dit gesprek is van doorslaggevend belang geweest, omdat [verweerster] op dat moment begreep althans had moeten begrijpen dat zij geen recht had op 50% van de helft van hetgeen aan Normanco zou worden overgedragen. 270. [betrokkene 6] kan bovendien verklaren dat kort voor of rond 19 december 2013 geen tweede overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser 2] , [verweerster] en Normanco. [betrokkene 6] heeft gedurende de onderhandelingen voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst zowel [eiser 2] als [verweerster] bijgestaan. Hij kan dan ook verklaren wat tussen partijen afgesproken is voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst en hij kan verklaren dat tegenover het afstand doen van de calloptie aan Normanco het onbezwaarde pand is geleverd. In dat verband verwijzen [eisers] naar een tweetal e-mails van [betrokkene 6] van 28 mei 2015 (productie 78) en van 21 juni 2015 (productie 79). Daarin schrijft [betrokkene 6] onder andere: "De visie van [verweerster] wijkt erg af van de realiteit. Ze heeft een heel verkeerd beeld van de manier waarop zaken zijn gelopen. De zaak tegen [A] is precies langs de lijn van de oorspronkelijke koopoptie t.n.v. Maralt afgewikkeld. Van één of andere constructie is totaal geen sprake. Ik (en jij ook) ben altijd volledig transparant geweest naar [verweerster] . en Ik zou een korte schets willen geven van de historie om aan te geven, dat de uiteindelijke afspraken in de vaststellingsovereenkomst het gevolg zijn van de namens Maralt bij dagvaarding van 12 oktober 2012 ingestelde vordering tot nakoming van de call optie ..." 271. [eiser 2] kan daarnaast verklaren over de calloptie, de plannen voor de bedrijfsovername en de onderhandelingen voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst. Daarnaast kan [eiser 2] verklaren over de onderhandelingen tussen hem en [verweerster] na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst, waaronder - maar niet beperkt tot - het doel en de strekking van zijn e-mail van 16 juli 2014."