Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:636

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
19/04195
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1316
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Jeugdzaak. Middelen o.m. over bedreiging (art. 285 Sr) en de vraag of de bewezenverklaarde misdrijven oplegging van een ongelimiteerde pij rechtvaardigen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04195 J

Zitting 30 juni 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 10 september 2019 de verdachte in de zaak met parketnummer 16-652164-18 ter zake van 1. “bedreiging met zware mishandeling”, 2. “diefstal”, 3. “handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet Wapens en Munitie”, 4. (subsidiair) “schuldheling”, 5. en 6. “(telkens) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, in de zaak met parketnummer ter zake van 1. en 2. “telkens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en in de zaak met parketnummer 16-652610-18 ter zake van “(…) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen gelast. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, alsook de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder in de zaak met parketnummer 05-271963-14 opgelegde voorwaardelijke taakstraf afgewezen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B.A.A. Postma, advocaat te Rotterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel klaagt dat de in de zaak met parketnummer 16-652164-18 onder 1 bewezenverklaarde bedreiging met zware mishandeling niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

3.2.

Ten laste van de verdachte is in de zaak met voornoemd parketnummer onder 1 bewezenverklaard dat:


“hij op 04 februari 2018 te Amersfoort, [betrokkene 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik pak je nog wel, ik wacht buiten op je”

3.3.

Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv. De aanvulling op het verkorte arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:


“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte (als bijlage op pagina 37-38 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2018001202-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1]:

Ik doe aangifte van diefstal. Op 1 januari 2018 was ik aan het werk bij [A] te Amersfoort en zag ik twee jongens binnenkomen. (..) Ik vroeg jongen 1 waar de kauwgom was. Ik zag dat de jongen hard de winkel uitrende. Ik hoorde op het moment dat hij buiten was, dat hij riep “rennen”. Ik ben direct achter hem aangerend.

Ik zag dat jongen 1, ter hoogte van het bedrijf [B] , werd tegengehouden door een man. Ik zag dat de groep direct agressief reageerde tegen de man die jongen 1 tegen probeerde te houden. Ik zag dat 1 jongen van de groep erg agressief was.

Jongen 3

- Man

- Licht getint

- Klein van postuur

- Tussen de 16 en 20 jaar maar je zou hem ook 14 kunnen schatten

- Joggingsbroek, zwarte capuchon en een beige pet

Nadat de politie weg was gegaan merkte ik dat ik mijn zwarte IPhone 7 kwijt was. Via findmyapple kwam ik er achter dat mijn telefoon uit stond. Ik ben naar [B] gelopen en heb daar de camerabeelden bekeken. Via de camerabeelden ben ik er achter gekomen dat mijn telefoon uit mijn broekzak is gevallen en dat jongen 3 hem opgepakt heeft.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 54-55 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2018001202-5), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 21 januari 2018 reed ik te Amersfoort. Op dat moment kreeg ik het verzoek van de centralist van de meldkamer om naar de [a-straat] te gaan. Aldaar had iemand de persoon herkend die enige tijd geleden zijn telefoon had weggenomen. Ik hoorde de man zeggen dat hij de jongen herkende die op 1 januari 2018 zijn mobiele telefoon had gestolen. Deze man gaf mij op te zijn: [betrokkene 1] . Ik zag dat [betrokkene 1] mij een jongen aanwees. Deze jongen bleek later te zijn [verdachte] . geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] .

Ik hoorde [betrokkene 1] verklaren: De jongen die nu bij u in de auto zit herken ik als de jongen die op 1 januari 2018 mijn telefoon heeft gepakt. De jongen die nu in uw auto zit is later nog in de winkel geweest en heeft toen geroepen dat hij de telefoon van [betrokkene 1] heeft. [betrokkene 1] is mijn roepnaam.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bij lage op pagina 68 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2018001202-8), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

Wij bekeken de beelden van casino [B] . Hierop zagen wij onder andere dat een jongen een voorwerp van de grond pakte. Door de aangifte wisten wij dat dit de verdachte was welk[e] op dit moment de mobiele telefoon van aangever pakte. Wij zagen dat de verdachte met de mobiele telefoon wegliep.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van herkenning (als bijlage op pagina 72 van het proces-verbaal genummerd PL090Q-2018001202-10), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op maandag 5 februari 2018 werd ik door mijn collega [verbalisant 3] gevraagd om camerabeelden te bekijken. Ik bekeek vervolgens op een laptop naar bewegende beelden. Ik zag op de beelden de straat [a-straat] in het centrum van Amersfoort. Mijn collega [verbalisant 3] wees mij, linksboven in beeld, een persoon aan, die over de [a-straat] liep. Ik zag dat deze persoon van links boven in beeld naar onder in beeld kwam gelopen.

Ik, [verbalisant 4] , herkende deze jongeman direct voor 100 procent. Ik herkende hem als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002.

Ik ken [verdachte] al langere tijd als wijkagent van de wijk [wijk] . [verdachte] woont in mijn wijk en ik heb als wijkagent al meerdere malen met hem te maken gehad. Ik herkende [verdachte] op de beelden direct aan zijn lengte, postuur, houding en manier van bewegen.

5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [verbalisant 4] d.d. 23 juli 2018 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verbalisant [verbalisant 4] :

Het gaat over [verdachte] . Ik ben zijn wijkagent en heb veel met hem te maken gehad. Ik heb ook veel huisbezoeken aan hem gebracht. Ik weet hoe hij eruit ziet, hoe hij is naar zijn ouders, hoe hij is als persoon en hoe hij loopt. (..) Ik heb zijn gezicht gezien op de beelden. Ik heb hem duidelijk in beeld gezien. Hij kwam aanlopen aan de overzijde van de wegen strak over. Ik herkende hem voor 100%. Ik herken zijn manier van lopen en de manier waarop hij beweegt. Hij heeft een spits bekkie.

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte (als bijlage op pagina 27-28 van het proces-verbaal genummerd PL0900-201803576-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte van bedreiging. Op 4 februari 2018 bevond ik mij in mijn winkel, supermarkt [A] in Amersfoort. Ik zag een persoon de winkel binnenlopen. Ik zag dat de jongen er als volgt uit zag:

- Man

- Ongeveer 15 jaar oud

- Licht getint uiterlijk

- Normaal postuur

- Ongeveer 170 cm groot

- Kort zwart haar

- Blauwe jas met bontkraag

- Spijkerbroek

Ik herkende deze jongen meteen. Op 1 januari 2018 is namelijk ook mijn IPhone uit de winkel gestolen. Ik heb van deze diefstal aangifte gedaan. Uit bewakingsbeelden is gebleken dat deze jongen mogelijk de dader is van de diefstal van mijn telefoon. De jongen is ook een van de jongeren die vervelend doen in de winkel. Sinds de diefstal word ik, persoonlijk, en in de winkel gebeld met de mededeling of ik mijn telefoon wil terugkopen. Ook is telefonisch een keer tegen mij gezegd: “Ik heb een mes. Geen politie, anders steek ik je neer.” Of woorden van gelijke strekking. Ik weet dat deze jongen voor de diefstal is aangehouden. Ik heb toen tegen hem gezegd dat hij een winkelverbod kreeg van mij.

Ik zag dat de jongen een kaasbroodje pakte en een pakje noodles. Omdat ik hem niet in de winkel wilde hebben, zei ik meteen tegen de jongen dat hij een winkelverbod had en hij weg moest gaan.

Ik hoorde hem iets zeggen, maar ik kon het niet helemaal verstaan, dus ik vroeg de jongen wat hij zei. Ik hoorde de jongen vervolgens zeggen: Ik pakje nog wel. Ik wacht buiten op je.

Ik ben niet alleen bang voor mijzelf, maar ook voor mijn personeel.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 30 van het proces-verbaal genummerd PL0900-201803576-8), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

Op zondag 4 februari 2018 omstreeks 20.00 uur heb ik telefonisch contact gehad met aangever [betrokkene 1] , roepnaam [betrokkene 1] . Ik vroeg [betrokkene 1] of er ten tijde van de bedreiging mensen in de winkel waren die mogelijk getuige zouden kunnen zijn van de bedreiging. Ik hoorde dat hij zei dat er een collega vlak bij hem stond die mogelijk de bedreiging wel zou kunnen hebben gehoord. Hij zei dat het [betrokkene 2] betrof. Ik heb meteen telefonisch contact gezocht met [betrokkene 2] . Ik hoorde dat [betrokkene 2] het volgende tegen mij zei:

- Dat collega [betrokkene 1] achter de kassa stond;

- Dat zij bij de uitgang stond;

- Dat ze hoorde en zag dat de jongen tegen [betrokkene 1] zei: “Ik pak jou nog wel”.

3.4.

Het verkorte arrest bevat, voor zover relevant, de volgende bewijsoverweging:


De bedreigingen

Het hof stelt voorop dat, voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en/of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

Niet vereist is dat het opzet van de verdachte ook is gericht op het ten uitvoer leggen van de bedreiging, bijvoorbeeld op het daadwerkelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel indien bedreiging met zware mishandeling is ten laste gelegd. Evenmin is vereist dat bij de bedreigde daadwerkelijk vrees voor de aantasting van de persoonlijke vrijheid is ontstaan. Het is voldoende dat de bedreiging in het algemeen geschikt is om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. De beoordeling of sprake is van vrees bij de bedreigde is daarmee geobjectiveerd. Het enkele feit dat de bedreigde deze vrees heeft opgevat oftewel zich bedreigd voelt, wil nog niet zeggen dat die vrees ook redelijk is.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze Iater in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt hierbij in het bijzonder als volgt.

Feit 1 (16-642164-18)

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. [betrokkene 1] heeft aangifte gedaan van een bedreiging gepleegd op 4 februari 2018 in Amersfoort. Hij hoorde dat verdachte zei “Ik pakje nog wel. Ik wacht buiten op je”. Getuige [betrokkene 2] hoorde ook dat verdachte zei “Ik pak je nog wel”. Verdachte zei dit nadat aangever hem de toegang tot [A] supermarkt had ontzegd. Aangever heeft verklaard dat hij niet alleen bang was voor zichzelf, maar ook voor zijn personeel.

Niet betwist wordt dat verdachte tegen aangever [betrokkene 1] heeft gezegd “Ik pak je nog wel ik, wacht buiten op je”. Op basis van de bewijsmiddelen acht het hof ook bewezen dat verdachte dit gezegd heeft.

Uit het dossier blijkt dat verdachte een mes bij zich droeg en dat deze uit zijn zak is gevallen. Met de rechtbank, de raadsvrouw en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat verdachte het mes ten tijde van de bedreiging niet opzettelijk getoond heeft aan aangever. Het hof spreekt verdachte dan ook vrij van dit subonderdeel. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat aangever achteraf hoorde dat verdachte een mes bij zich droeg niet relevant is voor de beoordeling van de geuite bewoordingen.

Het hof is op grond van voorgaande van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlatingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met zware mishandeling opleveren. Bij aangever kon, naar het oordeel van het hof, op basis van de geuite bewoordingen in redelijkheid de vrees ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. Het hof heeft bovendien geen redenen om te twijfelen dat het opzet van verdachte erop gericht was om aangever deze vrees aan te jagen.”

3.5.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.1 Indien een uitlating op zichzelf beschouwd niet van dien aard is dat deze een dergelijke vrees kan doen ontstaan, kunnen desalniettemin de omstandigheden waaronder deze is gedaan met zich meebrengen dat van bedreiging met zware mishandeling sprake is.2 Enige tijd geleden heb ik, in mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:26) voorafgaand aan HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:245, NJ 2018/118, een aantal uitspraken op een rij gezet waarin het aankwam op de concrete omstandigheden waaronder de (al dan niet bedreigende) uitlatingen waren gedaan. Het lijkt mij dienstig deze opsomming hier te herhalen:

“Ten aanzien van de volgende uitlatingen en/of gedragingen, bezien in hun context, oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat deze een bedreiging ex art. 285 Sr opleverden, ontoereikend was gemotiveerd:

- Het vastpakken van het slachtoffer, het duwen en trekken tussen het slachtoffer en de verdachte en het toevoegen van de woorden “hoer, kanker zwarte, ik bel mensen voor je, ik weet hoe je eruit ziet, ik weet waar je werkt” (bewezenverklaard was bedreiging met zware mishandeling)3

- Het op boze toon schreeuwen naar een beveiliger van de gemeente Veenendaal “Ik heb wel meer mensen bewerkt”, “Als ik iemand pak, dan pak ik jou” en “Ik zal zien hoe laat jij klaar bent” (bewezenverklaard was bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht)4,

- Het dreigend op A, die achter de balie van woonstichting ‘ [C] ’ stond, aflopen en tegen haar zeggen “Ik kom je nog wel tegen op straat” (bewezenverklaard was bedreiging met zware mishandeling)5,

- Het vanuit de gevangenis aan de getuige die tegen de verdachte een belastende verklaring had afgelegd met betrekking tot het seksueel misbruiken van het zusje van de getuige, telefonisch uitspreken van de woorden “Bedankt voor die 8 jaar en als ik vrij kom, dan ga ik jou als eerste pakken” (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht)6 en

- Het tegen twee agenten op straat uiten van de woorden “Die kankerwouten, die teringlijers moeten ze allemaal afmaken” (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht).7

Ten aanzien van de volgende uitlatingen en/of gedragingen, bezien in hun context, oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat deze een bedreiging ex art. 285 Sr opleverden, toereikend was gemotiveerd:

- Het sturen van twee sms-berichten, inhoudende “Gezien SMS 28/04/2009 14:21 u. en het gebeuren gisteren in Breda, is jouw adres in België inmiddels doorgegeven aan twee v/m cliënten: zware jongens” en “Gezien jouw bedreigingen heeft [A] als instructie het waarschuwingsschot over te slaan en bij eerste gelegenheid gericht te vuren”, terwijl de verdachte ook brieven en faxen verstuurde naar het woonadres en kantooradres van het slachtoffer (bewezenverklaard was bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht)8,

- Het, nadat de verdachte A en diens moeder B was tegengekomen in de wachtruimte van een zittingszaal in het paleis van justitie terwijl A die dag moest voorkomen als verdachte van een woninginbraak bij de moeder van de verdachte en terwijl de sfeer in de wachtruimte dusdanig gespannen was dat beide partijen elkaar dreigden aan te vliegen, uiten van de bewoordingen: “Nu weet ik wie je bent, jij en je moeder komen daar nog wel achter, ik weet nu wie ik moet hebben” en/of “Ik pak jou en je moeder” (bewezenverklaard was bedreiging met zware mishandeling),9

- Het ‘lichtelijk hysterisch’ de kantine van zijn taxibedrijf betreden en daar tegen twee werknemers van hem roepen “Ik maak je helemaal kapot”, “Ik weet waar je woont en ik ken wel een paar mannetjes die ik op je afstuur” en “Laat ik heel duidelijk stellen, als ik erachter kom dat jullie mij zwart maken, achter mijn rug om, dan maak ik jullie helemaal kapot! Ook financieel” (bewezenverklaard was bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht)10

- Het naar aanleiding van een televisie-uitzending waarin door [...] over de broer van de verdachte werd gezegd dat hij hem ‘genetisch’ niet geschikt vond als minister, opbellen van de redactie van het televisieprogramma en de telefoniste toevoegen van de woorden dat wanneer [...] hem, verdachte, niet zou bellen hij, verdachte, die [...] wat zou aandoen en dat hij, verdachte, familie van Osama was (bewezenverklaard was bedreiging met zware mishandeling)11,

- Het tijdens een verhoor dreigend aan een agent toevoegen van de woorden “Ik zal voor die feiten wel gevangenisstraf krijgen, maar zeker niet levenslang vastzitten. Daarna weet ik je wel te vinden”. De Hoge Raad nam daarbij in aanmerking dat de agent ervan op de hoogte was dat de verdachte eveneens verdacht werd van het voorhanden hebben van een wapen van categorie III (bewezenverklaard was bedreiging met zware mishandeling)12 en

- Het tegen de beveiligingsbeambte A in de Hema schreeuwen “Ik onthou je gezicht en als je in burger loopt dan pak ik je”. De Hoge Raad nam daarbij in aanmerking de kort daarvoor door de verdachte jegens B, een collega van A, geuite bedreiging tegen diens leven gericht, van welke bedreiging A kennis droeg (bewezenverklaard was bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht)”13

3.6.

Ook nadien is de vraag of een bepaalde uiting gelet op de omstandigheden waaronder deze was gedaan een stafbare bedreiging oplevert, nog meermaals aan de Hoge Raad voorgelegd. Niet al deze uitspraken zijn relevant voor het onderhavige geval. Ik wijs daarom in aanvulling op het voorgaande enkel nog op HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1679, NJ 2018/454 m.nt. J.M. Reijntjes en op HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:909. De eerstgenoemde uitspraak betrof een op LinkedIn geplaatst bericht, inhoudende "Praat in mijn gezicht, dan trap ik het voor je kapot". De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat dit een bedreiging in de zin van art. 285 Sr opleverde, toereikend was gemotiveerd en wees erop dat het hof hierbij mede had betrokken een door de verdachte op dezelfde datum verzonden bericht, inhoudende "Je bent een bange kanker boer anders was je niet naar de politie gegaan verwacht een confrontatie met mij of mijn vrienden want jij komt hier niet mee weg". In de laatstgenoemde uitspraak had de verdachte tijdens een telefoongesprek gezegd “Je hebt thuis vier hele goede redenen om wel een gesprek met mij te hebben” en “het respect dat ik je niet heb opgezocht en lam heb geslagen zoals iedere man zou doen”. Daarmee was volgens de Hoge Raad het oordeel van het hof dat dit een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr opleverde, niet toereikend gemotiveerd. De slotsom hiervan is, evenals ik in mijn eerdergenoemde conclusie uit 2018 schreef, dat de scheidslijn tussen uitingen en gedragingen die voldoende zijn voor een bedreiging ex artikel 285 Sr en uitingen en gedragingen die dat niet zijn, dun is.

3.7.

In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op 4 februari 2018 [A] in Amersfoort binnenliep, waarop de aldaar werkzaam zijnde aangever tegen hem heeft gezegd dat hij een winkelverbod had en weg moest gaan. Hierop heeft de verdachte tegen de aangever gezegd “Ik pak je nog wel. Ik wacht buiten op je”. Het hof heeft tevens overwogen dat uit het dossier blijkt dat de verdachte een mes bij zich droeg dat uit zijn zak is gevallen, doch geoordeeld dat de verdachte dit niet opzettelijk heeft getoond aan de aangever en mitsdien – anders dan de rechtbank14 – de verdachte vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat inhield dat hij “een mes, althans een scherp voorwerp [heeft] getoond”.15

3.8.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de bewoordingen die de verdachte heeft geuit alsmede de omstandigheden waaronder hij dit heeft gedaan te “a-specifiek” zijn om te komen tot het oordeel dat sprake is van bedreiging in de zin van artikel 285 Sr.

3.9.

Ik ben het met de steller van het middel eens dat de bewoordingen die de verdachte heeft geuit op zichzelf onvoldoende zijn voor het oordeel dat bij de aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij (bij een volgende confrontatie met de verdachte) zou worden mishandeld en daarbij zwaar lichamelijk letsel kon oplopen. Dit volgt reeds uit de hiervoor onder 3.5 en 3.6 opgesomde rechtspraak.

3.10.

Naar mijn mening ziet de steller van het middel echter over het hoofd dat blijkens de bewijsmiddelen het hof nog meer ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat van bedreiging in de zin van artikel 285 Sr sprake is. Daarbij is relevant dat het hof in de zaak met parketnummer 16-652164-18 onder 2 tevens bewezen heeft verklaard dat de verdachte op 1 januari 2018 de telefoon van aangever heeft gestolen. Uit bewijsmiddel 6 volgt dat de aangever sindsdien wordt gebeld met de vraag of hij zijn telefoon wil terugkopen en dat hem hierbij ook een keer telefonisch is medegedeeld: “Ik heb een mes. Geen politie, anders steek ik je neer”, dan wel woorden van gelijke strekking. Nu de bewijsvoering inhoudt dat het de verdachte is die deze diefstal heeft gepleegd, heeft het hof hieruit kunnen afleiden dat het ook de verdachte is geweest die aangever telefonisch heeft medegedeeld dat hij over een mes beschikte en dat hij de aangever zou neersteken als er politie zou worden ingeschakeld.

3.11.

Het is goed om in dit verband te wijzen op HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1802. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, had de verdachte eerst beveiligingsbeambte 1 gedreigd neer te steken en met hem af te rekenen. Nadat vervolgens beveiligingsbeambte 2 was opgeroepen en ter plaatse gekomen, schreeuwde de verdachte tegen deze laatste beveiligingsbeambte” "ik onthou je gezicht en als je in burger loopt dan pak ik je". De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat de jegens beveiligingsbeambte 2 gedane uitlatingen onder zodanige omstandigheden waren geschied dat bij deze beveiligingsbeambte de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en overwoog voorts:

“Dat oordeel is, mede gelet op de kort daarvoor door de verdachte jegens [slachtoffer 1], een collega van [slachtoffer 2], geuite bedreiging tegen diens leven gericht, waarvan het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat [slachtoffer 2] daarvan kennis droeg, niet onbegrijpelijk.”16

3.12.

Ik meen dat het in de onderhavige zaak niet anders ligt, nu de aangever vanzelfsprekend op de hoogte was van de eerder op 1 januari 2018 jegens hem geuite bedreiging. De daarop volgende bedreiging van 4 februari 2018 waarbij de verdachte te kennen gaf dat hij de aangever nog wel zou pakken en dat hij buiten op hem zou wachten, heeft het hof kennelijk opgevat als een bedreiging die onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Die opvatting is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk uit de bewijsmiddelen heeft afgeleid, de verdachte eerder telefonisch te kennen heeft gegeven dat hij beschikte over een mes (een in potentie dodelijk wapen waarmee tevens zwaar lichamelijk letsel kan worden toegebracht17) en dat hij de aangever zou neersteken als er politie zou worden ingeschakeld. De bewezenverklaring is dus naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.13.

Het middel faalt.

4 Het tweede middel

4.1.

Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaringen in de zaak met parketnummer 16-131408-1818 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-652610-18 onder 1 van telkens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, ontoereikend zijn gemotiveerd.

4.2.

In de zaak met parketnummer 16-131408-18 heeft het hof ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

"1. hij op 1 mei 2018 te Harreveldgemeente Oost Gelre [betrokkene 3] en [betrokkene 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die voornoemde [betrokkene 3] en [betrokkene 4] dreigend de woorden toe te voegen:

- "Ik maak je dood, Ik stuur iemand op je af, Je zult wel zien, wacht maar af" en

- "Dit zijn geen dreigementen, dit zijn beloftes" en

- "Ik maak je dood, Ik ken wel mensen die je pakken, je zult wel zien." en

- "Ik maak je dood, je bent nog niet van me af" en

- " Ik maak je dood, buiten word je gepakt" en

- "Ik maak je dood, jij wordt buiten opgewacht, jij gaat buiten zien, ik laat je kapot maken".

2. hij op 17 mei 2018 te Harreveld, gemeente Oost Gelre, ten overstaan van [betrokkene 5] , [betrokkene 6] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk ten overstaan van [betrokkene 5] dreigend de woorden geuit: " [betrokkene 6] , ik snij je kankerkeel door en ik maak je helemaal dood", van welke bedreiging(en)/dreigende woorden voornoemde [betrokkene 6] kennis heeft genomen."

4.3.

In de zaak met parketnummer 16-652610-18 heeft het hof ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

"1. hij op 12 juli 2018 te Harreveld, gemeente Oost Gelre [betrokkene 6] en [betrokkene 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte (meermalen) opzettelijk voornoemde [betrokkene 6] en voornoemde [betrokkene 7] dreigend de woorden toegevoegd-

- "Ik maak je kapot" en

- " Ik maak je dood" en

- "Ik ga je echt vermoorden" en

- "Ik begin bij je voeten, dan je benen en ik snij je helemaal kapot" en

- " ik ga je vrouw opzoeken en vermoorden" en

- " Ik neuk je moeder en ik neuk je vrouw" en

- " Ik snij je keel door" en

- " Ik snij je hoofd eraf" en

- " Ik maak je moeder en je vrouw dood".

4.4.

Het hof heeft in de zaak met parketnummer 16-131408-18 de bewezenverklaring onder 1 doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“20. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 6-7 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018220974-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 4] :

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood gepleegd op 1 mei 2018 te Harreveld. Op 1 mei 2018 was ik op mijn werk. Ik werk als pedagogisch medewerker op de afdeling [...] . Bij het verlaten van de kamer reageerde [verdachte] verbaal erg agressief. Ik hoorde hem zeggen: “Ik maak je dood, ik stuur iemand op je af. Je zult wel zien, wacht maar af.” Ik zag dat [verdachte] mij aankeek terwijl hij deze woorden uitsprak. Ik hoorde toen hij mij nogmaals aankeek: “Dit zijn geen dreigementen, dit zijn beloftes.” Tijdens het plaatsen in de afzonderingsruimte wilde [verdachte] niet meewerken. Hij moest door ons fysiek onder controle gebracht worden om te zorgen dat hij zichzelf en ons geen schade kon toebrengen. Nadat wij [verdachte] liggend op de grond hadden gebracht, bleef [verdachte] gericht naar mij en [betrokkene 3] : “Wacht maar af, je wordt buiten opgezocht en ik pak je nog wel”. Na ongeveer een half uur ben ik naar de afzonderingsruimte gegaan om te kijken hoe het met [verdachte] ging. Nadat ik het luikje geopend heb kon hij mij alleen maar zien. Ik hoorde dat hij zei: “Ik maak je dood, ik ken wel mensen die je pakken, je zult wel zien.” Later op de avond wilde ik hem dekens brengen. Nadat ik de deur openende keek hij mij en [betrokkene 3] aan en bleef zijn dreigementen herhalen: “Ik maak je dood, je bent nog niet van me af’. Ik ben na deze bedreigingen van [verdachte] erg op mijn hoede.

21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 9-11 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018223004-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3] :

Ik doe aangifte van bedreiging tegen het leven gepleegd op 1 mei 2018 te Harreveld. Op 1 mei 2018 was ik werkzaam op de groep. [verdachte] was zo onrustig dat wij besloten dat hij met de armen achter zijn rug naar de afzondering moest worden gebracht. Ik hoorde dat hij herhaaldelijk riep: “Ik maak jullie dood.” Hij bleef herhalen: “Ik maak je dood, buiten word je gepakt.” Vanaf het moment dat [verdachte] op zijn kamer was tot op het moment dat [verdachte] gefouilleerd werd heeft hij herhaaldelijk naar mij geroepen en geschreeuwd: “ik maak je dood, jij wordt buiten opgewacht, jij gaat buiten zien, ik laat je kapot maken.”

Ik weet niet of [verdachte] zijn bedreigingen tegen mij gaat uitvoeren, maar ik voelde mij op dat moment wel bedreigd door [verdachte] .”

4.5.

De bewezenverklaring onder 2 in de zaak met parketnummer 16-131408-18 steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“22. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 3-5 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018213318-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 6] :

Ik doe aangifte van bedreiging tegen het leven gepleegd te Harreveld. Op 17 mei 2018 wilden we [verdachte] begeleiden naar de afzondering, waarbij het weer tot een fysiek conflict kwam. Dit werd worstelen op de grond. [verdachte] schreeuwde gericht naar mij: “ [betrokkene 6] , ik maak je kapot”. [betrokkene 5] hoorde dat [verdachte] via de intercom schreeuwde: “ [betrokkene 6] , ik snij je kankerkeel door en maak je helemaal dood”. [betrokkene 5] heeft mij dit later verteld. Ik ben bang dat [verdachte] deze bedreiging daadwerkelijk gaat waarmaken.

23. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige (als bijlage op pagina 12-14 van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018213318- 4), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 5] :

Op 17 mei 2018 hoorde ik [verdachte] naar [betrokkene 6] schreeuwen: “Jij hebt dit allemaal veroorzaakt en ik maak je kapot: . Wij hebben op dat moment besloten om uit de afzondering te gaan. Wij werden door [verdachte] via de intercom opgepiept. Bij het beantwoorden hiervan begon [verdachte] meteen te schreeuwen. [verdachte] schreeuwde: “ [betrokkene 6] ik snij je kankerkeel door en ik maak je helemaal dood”.

4.6.

In de zaak met parketnummer 16-652610-18 heeft het hof de bewezenverklaring onder 1 doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“18. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018310878-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 7] :

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood gepleegd te Harreveld op 12 juli 2018. Kort nadat [verdachte] de spullen toch had afgegeven begon hij tegen mijn collega [betrokkene 6] te schreeuwen en de eerste bedreigingen te uiten Ik hoorde dat [verdachte] tegen mijn collega zei: “Ik snij je keel door. Ik maak je dood”. Als [verdachte] op zijn kamer zit horen wij dat [verdachte] spullen aan het vernielen is. Wij zien dat hij met een ijzeren voorwerp tegen zijn kledingkast slaat en dat hij goederen vernielt in zijn kamer. Dit heeft ons doen besluiten om [verdachte] uit zijn kamer te halen en hem te verplaatsen naar de separeercel. Wij hebben [verdachte] met een schildprocedure uit zijn kamer gehaald. [verdachte] was ons aan het opwachten. Toen wij zijn kamer binnen kwamen met het schild gooide [verdachte] een zakje heet water naar ons. Nadat wij [verdachte] onder controle hadden en hem naar de separeercel brachten bedreigde [verdachte] mij en mijn collega meerdere malen met de woorden: ‘ik snij je hoofd eraf, ik maak je dood, ik maak je moeder en vrouw dood.” Ik zag dat [verdachte] tijdens de bedreigingen mij aankeek'. Ik voelde mij bedreigd en angstig. Ik ben er van overtuigd dat [verdachte] zijn woorden omzet in daden.

19. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte(als bijlage op van het proces-verbaal genummerd PL0600-2018310796-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 6] :

Ik doe aangifte van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht gepleegd te Harreveld op 12 juli 2018. [verdachte] is op zijn kamer met behulp van het schild klem gezet en onder controle gebracht. Uiteindelijk heeft het ongeveer 15 minuten geduurd om hem vanaf zijn kamer in de separeerruimte te krijgen. [verdachte] heeft nagenoeg continu bedreigingen geuit. Deze waren echt tegen mij gericht. Dit weet ik omdat hij zelfs mijn voornaam hierbij noemde, maar ook de naam van mijn collega [betrokkene 7] . Ik hoorde dat [verdachte] onder andere tegen mij zei:

- “Ik maak je kapot”

- “Ik maak je dood”

- “Ik ga je echt vermoorden”

- “Ik begin bij je voeten, dan je benen en snij je helemaal kapot”

- “Ik ga je vrouw opzoeken en vermoorden”

- “Ik neuk je moeder en ik neuk je vrouw

Ik ben ervan overtuigd dat [verdachte] zijn bedreigingen waar zal maken. Hij heeft al bewezen wapens te maken van allerlei zaken.”

4.7.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2019 heeft de verdediging aldaar, voor zover hier relevant (en met weglating van voetnoten), het volgende aangevoerd:

"Bedreigingen te Harreveld op 1 mei, 17 mei en 12 juli 2018

Het gaat bij die feiten telkens om uitingen die zijn gedaan ofwel nadat [verdachte] onder controle was gebracht en naar de afzonderingscel werd gebracht, ofwel in of vanuit zijn eigen kamer zonder anderen erbij, ofwel vanuit de afzonderingscel.

Die ten laste gelegde bewoordingen leveren geen bedreigingen op in de zin van art. 285 Sr Dat laat zich als volgt toelichten.

Mede gelet op de rechtspraak kan hier bezwaarlijk worden gesproken van bedreigingen in de zin van art. 285 Sr. Steeds moet het gaan om een door die bedreiging bij de ander ontstane reële vrees dat de bewoordingen tot die gevolgen kunnen leiden. Dat maakt dat met de woorden objectief bezien redelijke vees voor het leven dan wel voor het bekomen van zwaar lichamelijk letsel moet ontstaan.

In de onderhaviqe zaak gaat het om ten laste gelegde bewoordingen die zozeer meer bedreigend kunnen klinken, maar die gelet op de omstandigheden ter plaatse, objectief bezien, niet de voor bewezenverklaring vereiste vrees opwekken.

Een uitlating in de trant van "Fuck you, ik gooi een handgranaat" kan zonder meer bedreigend overkomen m de zin van art. 285 Sr. indien dit echter wordt geroepen vanuit een observatiecel na insluitingsfouillering, kan deze uitlating in redelijkheid bezien niet de vrees doen ontstaan dat daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel of de dood op de uitlading volgt. Natuurlijk hoefde niet gevreesd te worden dat deze verdachte op dat moment over een handgranaat beschikte en deze zou gooien. Geen bedreiging in de zin van art 285 Sr dus.

Een dergelijke uitlating heeft veeleer te gelden als enkel een emotionele ontlading. En dat is ook waar het in de onderhavige zaak om gaat.

Dat de context relevant kan zijn voor de duiding van de geuite bewoordingen, vooral ook als het emotionele ontlading betreft, oordeelt bijvoorbeeld ook het Gerechtshof Leeuwarden in 2011. In die zaak zei de verdachte net na zijn aanhouding wegens winkeldiefstal tegen een beveiligingsmedewerker: "Ik sla je kop van je romp". Het hof stelde feitelijk vast dat de geuite woorden moeten worden bezien in de context van verdachtes aanhouding voor vermeende winkeldiefstal en dat deze nier als een emotionele ontlading moeten worden opgevat, in plaats van dat deze geëigend waren om de voor art. 285 Sr vereiste vrees op te wekken.

In een andere winkel leidde de vraag van een caissière of zij een tas mocht controleren en de bon mocht zien tot flink schelden en daarbij de uitlating: "Ik bel mensen voor je, ik weet hoe je eruit ziet, ik weet waar je werkt". Dat de caissière strafbaar werd beledigd met al het schelden was zonneklaar, maar niet ten laste gelegd. Het hof vond dat hier sprake was van bedreiging met zware mishandeling. Dat oordeel werd door de Hoge Raad gecasseerd. In de gegeven omstandigheden was de stap naar een toekomstige confrontatie tussen anderen en de caissière en dan ook nog tot het daardoor bekomen van zwaar lichamelijk letsel te groot. De bedreiging was in de gegeven omstandigheden niet van dien aard dat daardoor in redelijkheid de vrees kon ontstaan tot het daadwerkelijk bekomen van dat zware letsel, aldus de Hoge Raad.

De jurisprudentie rondom art. 285 Sr is breed en laat zien dat het zeer aankomt op de omstandigheden van het geval.

De omstandigheden in de onderhavige tenlastelegging zijn de volgende.

Ten laste gelegde bedreiging van 1 mei 2018:

Aangifte [betrokkene 4] : "Hierop hebben [betrokkene 8] en ik hem bij de armen vastgepakt. Hij liep toen zonder veel moeite mee naar zijn kamer." Toen de kamerdeur op slot ging - dus [verdachte] was daar toen alleen - hoorde [betrokkene 4] veel lawaai op zijn kamer. [betrokkene 3] verklaart dat daar ca. 10 minuten tussen zaten. [verdachte] zwaaide met een houten voorwerp in het rond, aangesproken om het bij de deur te leggen, dat deed hij. Werkte mee, gaf het voorwerp door het luik aan [betrokkene 4] .9 Aangezegd dat hij naar de afzonderingscel zou worden gebracht. Dat hij bij de armen werd beetgepakt en zelfstandig mee mocht lopen. Dat ging in eerste instantie goed. Bij het verlaten van de kamer zou de ten laste gelegde verbale agressie zijn begonnen: hij werd toen dus aan de armen meegeleid naar de afzonderingscel. Let wel: hij werd met de armen op de rug meegeleid, dus hij kon geen kant op (verkl. [betrokkene 3] p. 10). Op [betrokkene 3] maakten de uitingen van [verdachte] op dat moment niet veel indruk: zij herinnert zich dat ze [verdachte] erg onrustig vindt maar weet niet meer wat hij precies zei. Aan plaatsing in de afzonderingsruimte wilde hij niet meewerken: hij werd liggend op de grond gebracht en toen zou hij ook woorden hebben geuit en daarna ook vanuit de afzonderingscel. "Ik maak je dood, ik ken wel mensen die je pakken, je zult zien"/"buiten word je gepakt". Irreële uitingen van ellende en onmacht zijn dit, precies ook op momenten dat hij geen kant op kan. Dat kan bezwaarlijk als een bedreiging in de zin van art. 285 Sr worden geduid.

Aangever [betrokkene 4] zegt vrees te hebben voor [verdachte] . En aangever [betrokkene 3] zegt niet te weten of hij zijn bedreigingen gaat uitvoeren, maar dat zich wel bedreigd voelde en hem niet wil onderschatten. Hoe het op deze aangevers overkomt is echter hier niet van wezenlijk belang: het gaat om de door uw hof te beantwoorden vraag of er objectief bezien in de concrete situatie vrees kon ontstaan voor het bekomen van zwaar lichamelijk of dodelijk letsel. En die vraag moet, juist gelet op de omstandigheden waaronder de ten laste gelegde uitingen zouden zijn gedaan, ontkennend worden beantwoord.

[verdachte] verblijft al jaren af en aan in instellingen en hij heeft hetgeen hij roept nog nooit waargemaakt. Het gaat hier om - vervelend doch - uitsluitend roepen, keer op keer, duidelijk uit onmacht en veelal terwijl hij ofwel fysiek door meerdere volwassenen wordt vastgehouden of al was geïsoleerd.

Ten laste gelegde bedreiging van 17 mei 2018:

[verdachte] werd door drie mannen naar de afzondering gebracht. Drie man lagen in de afzonderingscel op het matras op [verdachte] om hem in bedwang te houden (p. 13, verkl. [betrokkene 5] ). Op dat moment schreeuwde [verdachte] naar [betrokkene 6] " [betrokkene 6] ik maak je kapot", (aangifte [betrokkene 6] en verkl. [betrokkene 5] ).

Pedagogisch medewerker [betrokkene 5] verklaart daarbij het volgende (p. 13): het viel haar op dat [verdachte] erg hard aan het huilen was en door het huilen heen schreeuwde tegen medewerker [betrokkene 6] . Ook van wat hij daarna door de intercom schreeuwde, merkte [betrokkene 5] dat het woede was en dat hij buiten adem was.

Zij neemt hem dan in feite bij de hand via de intercom, zegt hem rustig te worden en niet meer over het incident te beginnen. [verdachte] ging toen op zijn matras liggen en werd rustig. Dat heeft hij nodig. Dat werkt de-escalerend. Ook in de geschiedenis van [verdachte] is de doeltreffendheid van die aanpak overigens ook terug te zien: een paar jaar terug was er in een andere instelling eerst incident na incident, strijd. Op een gegeven moment vroeg de leiding plots alleen maar " [verdachte] wil je wat drinken" als het leek op te laaien en was er eigenlijk niets meer aan de hand.

Uit die verklaring van [betrokkene 5] volgt hoezeer het hier niet om reële bedreigingen gaat, maar om uitingen van onmacht van een jongen die niets kan beginnen en zich geen raad weet. Hij heeft duidelijkheid nodig, dat wordt ook meermalen gerapporteerd en die duidelijkheid die [betrokkene 5] hier biedt zorgt voor de terugkeer van rust. Dat geeft precies aan dat het hier niet om bedreigingen in de zin van art. 285 Sr gaat. Wel om vervelend en zorgelijk gedrag, maar niet om bedreigingen met de daarin vereiste objectieve toets van opgewekte vrees voor het bekomen van zwaar lichamelijk of dodelijk letsel.

Ten laste gelegde bedreiging van 12 juli 2018:

Op deze dag ging het om een discussie in verband met het bezoek. [verdachte] moet naar zijn kamer en aangever hoort dat hij daar spullen aan het vernielen is. [verdachte] weet dat de schildprocedure dan wordt ingezet (tweede pagina van de aangifte van [betrokkene 6] ): dat betekent dat de medewerkers beschermende kleding aan hebben voordat ze zijn kamer binnengaan. Ook toen bij het brengen naar de afzonderingsruimte uitte [verdachte] volgens de verklaringen van alles. Ook toen kon [verdachte] geen kant op.

Dat de aangever [betrokkene 6] en [betrokkene 7] zeggen ervan overtuigd te zijn dat [verdachte] zijn bewoordingen waar zal maken: uit niets blijkt op basis waarvan die overtuiging zou bestaan. Dat volgt ook niet uit de medische geschiedenis van [verdachte] . Het gaat erom dat [verdachte] duidelijkheid nodig heeft, dat wordt ook meermalen gerapporteerd en die duidelijkheid die [betrokkene 5] op 17 mei 2018 via de intercom bood, zorgt voor de terugkeer van rust. Dat geeft precies aan dat het hier niet om bedreigingen in de zin van art. 285 Sr gaat. Wel om vervelend en zorgelijk gedrag, maar het gaat niet om bedreigingen met de daarin vereiste objectieve toets van opgewekte vrees voor het bekomen van zwaar lichamelijk of dodelijk letsel.

Conclusie: de verdediging verzoekt uw hof [verdachte] vrij te spreken van de ten laste gelegde bedreigingen van 1 en 17 mei 2018 en van 12 juli 2018."

4.8.

Het arrest bevat voorts de volgende overwegingen van het hof:

De bedreigingen

(…)

Feit 1 en 2 (05-131408-18) en het feit ten laste gelegd onder parketnummer 16-652610-1

Niet betwist wordt dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde bewoordingen heeft geuit. Op basis van de bewijsmiddelen acht het hof ook bewezen dat verdachte dit gezegd heeft. De vraag die beantwoord dient te worden is of deze uitingen bedreigingen zijn in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof stelt vast dat het in alle gevallen gaat om uitingen gericht tegen het personeel van de instelling waar verdachte op dat moment verbleef. De raadsvrouw heeft deze uitingen omschreven als “irreële uitingen van ellende en onmacht, geuit op momenten dat verdachte geen kant op kon”. Uitingen die – aldus de verdediging - bezwaarlijk gezien kunnen worden als bedreigingen in de zin van de wet.

Het hof volgt deze redenering van de verdediging niet. Uit het dossier volgt dat verdachte zeer concrete bedreigingen heeft geuit die specifiek gericht waren tegen aangevers Deze bedreigingen hielden onder meer in “Ik maak je dood. Ik stuur iemand op je af. Je zult wel zien, wacht maar af” en “Dit zijn geen dreigementen, dit zijn beloftes.”, “Ik maak je dood, jij wordt buiten opgewacht, jij gaat buiten zien, ik laat je kapot maken.” (feit 1, 05-131408-18). Daarnaast heeft verdachte gezegd gezegd “ [betrokkene 6] , ik snij je kankerkeel door en ik maak je helemaal dood (feit 2, 05-131408-18). Uit het dossier volgt bovendien dat de bedreigingen veelal ook gepaard gingen met fysiek verzet tegen de medewerkers.

Het hof is op grond van voorgaande van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlatingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. Bij aangevers kon naar het oordeel van het hof op basis van de geuite bewoordingen in redelijkheid de vrees ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Het hof heeft bovendien geen redenen om te twijfelen dat het opzet van verdachte erop gericht was om aangevers deze vrees aan te jagen.

4.9.

Volgens de steller van het middel konden de door de verdachte geuite bewoordingen bij de aangevers in redelijkheid niet tot de vrees leiden dat zij het leven zouden kunnen verliezen vanwege de omstandigheden waaronder deze bewoordingen zijn geuit. In de zaak met parketnummer 16-131408-18 is zij – evenals in feitelijke aanleg – kennelijk van mening dat het (meermaals) uiten van (onder meer) de bewoordingen “ik maak je dood” en “ik snij je kankerkeel door en ik maak je helemaal dood" niet een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr oplevert “omdat Jaoud onder controle was gebracht en naar de afzonderingscel werd gebracht”. Eenzelfde redenering wordt in de zaak met parketnummer 16-131408-18 gevolgd ten aanzien van (onder meer) de bewoordingen "Ik snij je keel door" en "Ik snij je hoofd eraf” omdat deze uitingen zijn gedaan “ofwel in of vanuit zijn eigen kamer zonder anderen erbij”.19

4.10.

In de toelichting op het middel wordt ter onderbouwing van dit betoog gewezen op HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191. In die zaak had de verdachte verschillende bedreigingen geuit tegen een aantal verbalisanten en tevens naar hen geroepen "Fuck you. Ik gooi een handgranaat". Nu het hof had vastgesteld dat de verdachte na te zijn onderworpen aan een insluitingsfouillering, was ingesloten in de observatiecel van het politiebureau ten tijde van deze uiting, oordeelde de Hoge Raad dat uit de bewijsmiddelen niet was af te leiden dat deze bedreiging van dien aard was dat hierdoor bij de verbalisanten de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zouden kunnen verliezen. Als ik de steller van het middel goed begrijp, is zij van mening dat deze situatie vergelijkbaar is met die van de verdachte in de onderhavige zaak omdat deze ook was ingesloten en/of onder controle was gebracht.

4.11.

Recenter kan nog worden gewezen op HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:445. In die zaak werd eveneens aangevoerd dat de omstandigheden waaronder de desbetreffende uiting (“Ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer”) was gedaan met zich meebrachten dat geen sprake was van een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr. Deze omstandigheden bestonden er volgens de verdediging in die zaak uit dat de verdachte een gehandicapte man was die lichamelijk niet in staat was om gevolg te geven aan de dreigementen en dat “raketten” militair wapentuig betreffen waarover de verdachte nooit de beschikking kon krijgen. Mijn ambtgenote Paridaens overwoog dat het oordeel van het hof dat het woord “raket” niet alleen wordt gebruikt voor militaire wapens maar ook voor (zwaar) vuurwerk en dat ook mensen in een rolstoel (zwaar) vuurwerk kunnen afschieten, niet onbegrijpelijk was.20 De Hoge Raad deed de zaak af met 81 RO.

4.12.

In de huidige zaak volgt ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uit bewijsmiddel 20 dat de verdachte reeds voordat hij in de afzonderingsruimte werd geplaatst, heeft gezegd “Ik maak je dood, ik stuur iemand op je af. Je zult wel zien, wacht maar af.” Voor zover het middel wil betogen dat hierdoor niet de redelijke vrees kon ontstaan dat de aangevers het leven zouden kunnen verliezen omdat de verdachte ten tijde van het uiten van de bedreiging was ingesloten, mist het dus feitelijke grondslag. Eén van de daaropvolgende bedreigingen heeft de verdachte blijkens ditzelfde bewijsmiddel geuit nadat hij op de grond was gebracht en de overige bedreigingen zijn kennelijk vanuit de afzonderingsruimte geuit. Bewijsmiddel 21 houdt daarnaast in dat “vanaf het moment dat [verdachte] op zijn kamer was tot op het moment dat [verdachte] gefouilleerd werd [hij] herhaaldelijk [heeft] (…) geroepen en geschreeuwd: “ik maak je dood, jij wordt buiten opgewacht, jij gaat buiten zien, ik laat je kapot maken”.

4.13.

De omstandigheid dat de verdachte zich ten tijde van het uiten van de bedreigingen in een afzonderingsruimte of zijn eigen kamer bevond, doet naar mijn mening geen afbreuk aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat bij de aangevers in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. De steller van het middel miskent mijns inziens dat HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191 een situatie betrof van evidente grootspraak aan de zijde van de verdachte die ook voor de aangevers kenbaar moet zijn geweest, nu het wel heel onwaarschijnlijk was dat de verdachte een handgranaat zou kunnen gooien na te zijn onderworpen aan een insluitingsfouillering en was ingesloten in een observatiecel.

4.14.

In de onderhavige zaak ligt dat wezenlijk anders. Uit het arrest blijkt dat de verdachte niet een aantal politieagenten heeft bedreigd maar zijn begeleiders bij een jeugdzorginstelling waarin hij was geplaatst. Gelet op de agressieve houding van de verdachte waarvan uit de bewijsmiddelen blijkt, alsook het feit dat de verdachte zijn bedreigingen (ook na enige tijd in een afzonderingsruimte te zijn geplaatst) bleef herhalen en in aanmerking genomen dat zijn begeleiders in de toekomst nog verder met hem moesten – ook buiten de afzonderingsruimte en de eigen kamer van de verdachte – waardoor een herhaalde confrontatie met de verdachte niet denkbeeldig was, is het oordeel van het hof dat in redelijkheid bij aangevers de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen, mijns inziens niet onbegrijpelijk.

4.15.

Met betrekking tot de overige bewezenverklaarde feiten is het klachtenstramien in de schriftuur telkens min of meer hetzelfde. Met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 16-131408-18 onder 2 bewezenverklaarde wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat het oordeel van het hof dat de bewoordingen “ [betrokkene 6] , ik snij je kankerkeel door en maak je helemaal dood” gelet op de omstandigheden waaronder deze zijn geuit een bedreiging in de zin van artikel 285 Sr opleveren, niet begrijpelijk is omdat de verdachte volgens de steller van het middel op dat moment “fysiek geen kant op [kon]”. Deze klacht kan reeds niet slagen gelet op hetgeen ik hiervoor onder [4.13 en 4.14] heb opgemerkt. Bovendien heeft het hof blijkens bewijsmiddel 22 vastgesteld dat er hieraan voorafgaand – toen verdachte werd begeleid naar de afzondering – wederom een “fysiek conflict” had plaatsgevonden, waarbij sprake is geweest van “worstelen op de grond”. Hierin ligt als oordeel van het hof besloten dat (ook) de verdachte fysiek geweld heeft toegepast. Dit mede in aanmerking genomen, is het oordeel van het hof naar mijn mening niet onbegrijpelijk.

4.16.

Ten overvloede merk ik nog op dat ik de steller van het middel ook niet kan volgen in haar opvatting dat “het fysiek verzet waarmee de geuite woorden veelal gepaard zouden zijn gegaan (…) niet zonder meer een relevant en begrijpelijk aspect [is] om bij het bewijsoordeel te betrekken”, omdat het bij “verzet (…) immers om verweer en niet om een aanval [gaat].” Uit de bewijsmiddelen volgt geenszins dat de verdachte zich heeft “verweerd”. Integendeel, het beeld dat uit de bewijsvoering naar voren komt is dat het telkens de verdachte is die (fysiek) de confrontatie opzoekt. Bovendien leert de algemene ervaring dat verzet niet zelden uit een “aanval” bestaat en lijkt het mij onwenselijk dat bij “verdedigend” verzet (wat dat ook moge zijn) straffeloos bedreigingen zouden mogen worden geuit.

4.17.

Ten slotte nog de klacht ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-652610-18 onder 1 bewezenverklaarde. Ook deze klacht kan niet slagen nu het hof blijkens bewijsmiddel 18 onder meer heeft vastgesteld dat de verdachte goederen aan het vernielen was op zijn kamer, dat hij een zakje heet water naar de aangevers heeft gegooid en dat zij daarop een schildprocedure hebben moeten uitvoeren. Nadat zij de verdachte onder controle hadden en naar de separeercel brachten, uitte de verdachte de bedreigingen. Mijns inziens is het oordeel van het hof dat onder deze omstandigheden de uitingen van verdachte in redelijkheid de vrees konden opwekken dat zij het leven zouden kunnen verliezen, niet onbegrijpelijk.

4.18.

Overigens is de klacht dat de in de bewezenverklaring opgenomen uiting "Ik neuk je moeder en ik neuk je vrouw" geen bedreiging in de zin van artikel 285 Sr oplevert, terecht voorgedragen. Dit behoeft echter niet tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden omdat ook wanneer zou moeten worden vrijgesproken van dit onderdeel, daardoor de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.21

4.19.

Het middel faalt.

5 Het derde middel

5.1.

Het derde middel klaagt over de motivering van de opgelegde PIJ-maatregel.

5.2.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2019 heeft de verdediging aldaar, voor zover hier relevant en met weglating van voetnoten, het volgende aangevoerd:

"Welke straf- of maatregel moet worden opgelegd

En dan kom ik op het zwaartepunt van de reden van het hoger beroep: de pij-maatregel die in eerste aanleg is opgelegd. Zowel in juridisch als maatschappelijk opzicht zou deze maatregel niet aan deze verdachte moeten worden opgelegd.

Duur van de vrijheidsbeneming:

Uitgangspunt is voor jeugdigen dat vrijheidsbeneming van zo kort mogelijke duur wordt toegepast (art. 37 onderdeel b IVRK). Dringend verzoek aan uw hof is om dit uitgangspunt in ogenschouw te nemen en van daaruit te beslissen wat er voor [verdachte] nodig is. Dat gaat om een eigen afweging van uw hof waarbij de belangen van de minderjarige voorop moeten worden gesteld. Dat vergt immers art. 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind benadrukt dat bij alle maatregelen die het kind betreffen - dus ook strafrechtelijke - de belangen van het kind de eerste overweging vormen.

Bij de straftoemeting dienen ook de omstandigheden te worden meegewogen waaronder de feiten - voor zover uw hof tot bewezenverklaring daarvan over gaat - zijn begaan. Daartoe nog het volgende. Het meest valt in het dossier op hoe zeer professionals zien dat het hier eigenlijk om een hulpvraag gaat. Dat volgt bijvoorbeeld ook uit de aangifte van verbalisant [verbalisant 6] (feit 5 op dagvaarding 16/652164-18, bedreiging). Boventoon in de verklaringen: disrespect dat wordt getoond door zo'n jonge jongen. Niet een vrees die is opgewekt. Het meest indruk heeft gemaakt dat een jonge jongen zich zo respectloos kan uitlaten. Wat moet er van zo'n jongen worden. Ook de toelichting van de aangever [verbalisant 6] die aan het voegingsformulier is gehecht is niet toegeschreven op ontstane vrees en evenmin op dat een dergelijke vrees redelijkerwijs is ontstaan, maar op het respectloze gedrag en de zorgen rondom deze jongen. Uit geen van de verklaringen volgt dat een van de agenten er rekening mee hield dat [verdachte] met deze - zonder meer laakbare - uitingen van onvermogen serieus was. Het gaat er vooral om wat er van deze jongen moet worden, en hoe. En die vraag ligt nu aan uw hof voor.

Eerst ten aanzien van de pij-maatregel, mocht uw hof de oplegging daarvan overwegen, twee formele punten:

Actualiteit uitgebrachte rapporten

Allereerst een formeel punt ten aanzien van de beziging van de uitgebrachte rapporten. Redelijke wetsuitleg van art. 77s lid 2 Sr brengt met zich dat als aanvang geldt de datum van het eerst uitgebrachte van de twee adviezen. En bij de aanvang van het hoger beroep mogen de adviezen alleen nog worden gebruikt indien A-G en verdediging verklaren met het gebruik van de uitgebrachte adviezen in te stemmen en daaraan is in de onderhavige zaak niet voldaan.15 Daarenboven gaat het de verdediging erom dat uw hof toereikend en actueel is geadviseerd. Dat is ook de strekking van het vereiste van art. 77s Sr: het gaat met het vereiste van actuele bevindingen om het bieden van een waarborg dat tot een ingrijpende maatregel als de pij alleen zal kunnen worden besloten op grond van actuele deskundige advisering. Daaraan is in de onderhavige zaak vooralsnog niet voldaan.

Vgl. ook A-G Keulen in zijn Conclusie bij de Hoge Raad vorig jaar, waarin de - wettelijk bezien gelijkluidende - vraag aan de orde kwam over de actualiteit van de uitgebrachte rapporten: voor de vraag of sprake is van voldoende actualiteit is mede van belang of zich tussentijds nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan. In die zaak was tussentijds wel aanvullend gerapporteerd en waren de deskundigen ter terechtzitting gehoord, dus in zoverre verschilt die zaak van de onderhavige zaak.16 De verdediging staat evenwel geen pij-maatregel voor, dus zal zelf niet om verder oponthoud verzoeken op dit punt.

(…)

Daarenboven: Nut en noodzaak van pij-maatregel ontbreken in casu

Meest essentieel in hoger beroep is echter natuurlijk dat in de visie van de verdediging geen pij-maatregel moet worden opgelegd. Van oudsher wordt sanctionering in het jeugdstrafrecht gekenmerkt door een pedagogische invalshoek. Art. 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind benadrukt dat bij alle maatregelen die het kind betreffen - dus ook strafrechtelijke - de belangen van het kind de eerste overweging vormen.17

Dat ziet de verdediging tot nu toe niet terug in de beoordeling van deze zaak. Veiligheid enerzijds en demotivatie van [verdachte] anderzijds: dat zijn in de kern bezien de twee pijlers waarop de oplegging van de pij-maatregel vooralsnog noodzakelijk wordt geacht. Dat het hier dan in feite gaat om een kale extra lange duur van vrijheidsbeneming van een ongemotiveerde jongen, dat komt niet ter sprake. Hoe beoogd wordt deze jongen toch te bereiken en gemotiveerd te krijgen voor behandeling en begeleiding binnen het kader van de pij-maatregel, blijkt evenmin uit de bevindingen die tot nu toe zijn uitgebracht. Dat mag niet ontbreken in de overwegingen: de belangen van het kind dienen immers de eerste overweging te vormen. Dat is tot nu toe niet gedaan en dient door uw hof wel in ogenschouw te worden genomen.

Een aanzet tot het anders willen kijken naar [verdachte] en naar zijn mogelijkheden, werd deze zomer gegeven door WSG. Dat berichtte ik uw hof bij mijn schrijven van 15 augustus jl. Het zou ook tot nadere bevindingen leiden, maar daartoe is het niet gekomen. Wisseling in begeleiding, overlap in vakanties van begeleiders, een misverstand in de overdracht: hoe dan ook: heel vervelend en een wat de verdediging betreft extra blijk van de overbelaste jeugdhulpinstellingen.

Puntsgewijs zal de verdediging de wettelijke vereisten bespreken die vereist zijn voor het opleggen van een pij-maatregel, aan de hand van de bevindingen die er tot nu toe zijn en met het oog op de belangen van deze minderjarige. Die belangen staan immers voorop.

De pij-maatregel is de zwaarste sanctie binnen het jeugdstrafrecht. Het gaat om een zware en mogelijk langdurige behandelmaatregel, om een ultimum remedium bij jeugdigen.

Gekeken moet worden naar alternatieven, reële alternatieven. Zelfs als uw hof, anders dan bepleit, tot integrale bewezenverklaring overeenkomstig het oordeel van de rechtbank zou komen, zou niet tot oplegging van de pij-maatregel moeten worden beslist.

Wettelijke vereisten: art. 77s lid 1 Sr schrijft drie cumulatieve vereisten voor waaraan moet worden voldaan voor de oplegging van een pij-maatregel. De eerste voorwaarde, dat het om vhs- feiten moet gaan - wordt hier niet betwist. De andere twee voorwaarden wel:

- Vereist is dat de veiligheid van anderen/algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van deze maatregel eisen;

- De oplegging van de pij-maatregel moet in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van het kind.

Aan beide voorwaarden is hier niet voldaan.

In het Triple onderzoek d.d. 23 november 2018 en de daarin betrokken andere rapportages valt het volgende op:

- [verdachte] lijkt verhard door het leven op groepen (p. 9)

- Door zijn weigering is er nauwelijks zicht te krijgen op zijn functioneren (p. 9);

- Hij wordt gezien als een gemakkelijk beïnvloedbare jongen met gezagsproblemen, hij zoekt grenzen op en overschrijdt ze, heeft een wantrouwende houding tegenover volwassenen, de ouders zijn handelingsverlegen en externe structuur en begeleiding wordt noodzakelijk geacht (p. 10);

- Er zijn aanwijzingen van beperkingen op het gebied van sociale interactie, intelligentie en impuls- en emotieregulatie. De psychiater acht het van belang dat [verdachte] wordt geplaatst in een omgeving waar extra beveiliging en begrenzing kan plaatsvinden met als doel stabilisatie en voor(k)omen van escalatie van verdere gedragsproblemen (p. 11);

- [verdachte] heeft moeite met het aanvaarden van gezag en heeft vee! nabijheid nodig in de zin van controle en grenzen (p. 11);

- [verdachte] maa(k)t een verharde indruk; er kwam geen contactgroei op gang en er was geen afstemming en wederkerigheid in het contact (p. 12);

- [verdachte] moet een ontwikkeling doormaken in meer vaardigheden gericht op zelfredzaamheid, agressieregulatie en sociale vaardigheid (p. 13).

Er is nu voor [verdachte] een geschikt alternatief beschikbaar is; plaatsing in een van de woningen van [D] . Daarvoor heeft [verdachte] een succesvolle intake gehad en alle bevindingen in deze zaak, zowel qua verdenkingen als de bevindingen omtrent de persoon van [verdachte] , zijn met [D] zijn gedeeld. Dat heb ik uw hof reeds in mijn brief van 16 augustus 2019 toegelicht en de bereidheid van [verdachte] tot het op deze wijze vorm leren geven aan zijn leven blijkt uit de bijgevoegde bijlage.

Het is aan uw hof om af te wegen welke beslissing hier verantwoord is en daarin dienen de belangen van [verdachte] voorop te worden gesteld.

De verdediging zag tot voor kort een jongen die ongemotiveerd is. En dat werd in het Triple Onderzoek en door andere betrokken deskundigen ook gezien. En dat is wezenlijk anders bij hem ten opzichte van [D] . De verdediging heeft zich natuurlijk ook afgevraagd hoe dat komt, die directe blijk van vertrouwen richting [betrokkene 9] en die directe overeenstemming tussen beiden in wat [verdachte] nodig heeft. De verdediging stuitte daarbij op meerdere publicaties die ook worden genoemd in WODC-onderzoeken naar (kort gezegd) nut en noodzaak van de pij en van andere interventies bij jeugdigen. In die publicaties, waaronder zelfs een onderzoek uit 1991, blijkt hoezeer het voor een jongere uit kan maken dat er tussen de begeleiding en de minderjarige een overeenkomst is in culturele achtergrond. Zonder dat nader geduid kan worden waar dat aan ligt, is zowel de start van de begeleiding als het verloop wezenlijk anders. Dat geldt mogelijk te meer bij [verdachte] . Juist vanwege de zeer belaste voorgeschiedenis in de jeugdzorginstellingen.

Met het reële alternatief dat voorhanden is, wordt de oplegging van de pij-maatregel niet gevergd. Behandeling, begeleiding en veiligheid kunnen op andere wijze - meer constructief, dus meer met het oog op de belangen van het kind - vorm worden gegeven."

5.3.

Met betrekking tot de sanctieoplegging heeft het hof, voor zover hier relevant, onder meer het volgende overwogen:

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van vijf maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is aan verdachte de PIJ-maatregel opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De verdediging heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het opleggen van de PlJ-maatregel een ultimum remedium is en daarom niet opgelegd zou moeten worden Het opleggen van de maatregel is niet in het belang van de zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het in het belang van verdachte !s om ambulant behandeld te worden bij [D] . Verdachte heeft daar een positieve intake gehad en kan gelijk opgevangen worden. Eventueel kan als bijzondere voorwaarde voorts opgelegd worden dat verdachte onder elektronische controle komt te staan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich in een periode van ruim een halfjaar schuldig gemaakt aan negen strafbare feiten, te weten diefstal, heling, verboden wapenbezit en zes bedreigingen Dit zijn zeer ernstige feiten. Met name de bedreigingen acht het hof bijzonder kwalijk en verontrustend. Verdachte heeft naast een winkelmedewerker, ook verschillende agenten en hulpverleners met de dood bedreigd. Dit vond plaats terwijl deze personen bezig waren met hun dagelijkse werkzaamheden. Zoals blijkt uit de verschillende verklaringen hebben deze ernstige bedreigingen veel impact gehad op de slachtoffers.

Bij de bepaling van de strafmaat en -modaliteit heeft het hof rekening gehouden met de rechterlijke oriëntatiepunten die gelden ter zake van bedreiging, diefstal en schuldheling Het hof heeft daarnaast rekening gehouden met het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 25 juli 2019, het triple onderzoek van 23 november 2018 en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 januari 2019.

Zoals hiervoor al is weergegeven wordt in het triple onderzoek geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een lichte verstandelijke beperking, een ernstige normoverschrijdende gedragsstoornis en autismespectrumstoornis, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en in psychosociaal opzicht van pedagogische problemen die hebben geleid tot een beschadigd basisvertrouwen.

Uit de triple rapportage blijkt verder dat het van groot belang is dat verdachte wordt behandeld voor zijn problematiek. Daarbij wordt opgemerkt dat sprake is van een ernstige normoverschrijdende gedragsstoornis met een gebrekkig normbesef, gebrekkige empathische vermogens, met daarbij een kwalitatief beperkte manier van contact maken, rigiditeit, grote moeite om sociale situaties goed in te schatten en gebrekkige sociale afstemming. In een behandeling zal dus moeten worden gewerkt vanuit voorspelbaarheid structuur en duidelijkheid. Daarnaast is psycho-educatie nodig, zodat verdachte leert wat hij moeilijk vindt, en de mogelijkheid gaat leren te benutten om anderen om hulp te kunnen yragen als hem het overzicht ontbreekt, in plaats van zich bedreigd te voelen en agressief te worden: Aanvullend zou een antipsychoticum gericht op het verminderen van achterdocht prikkelgévoeligheid en agressieregulatie problematiek kunnen worden gestart.

De deskundigen adviseren in hun rapport om aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ- maatregel op te leggen. Van belang is dat het recidiverisico wordt verminderd binnen een gesloten setting met een hoog beveiligingsniveau. Opvang en begeleiding in gespecialiseerde jeugdzorgsetting heeft in de afgelopen jaren geen verbetering gegeven. Daarnaast vormt het gezin van herkomst een onvoldoende uitvalsbasis voor een ambulante interventie. Bovendien worden er geen mogelijkheden gezien om middels voorwaarden verdachtes medewerking aan alternatieve interventies te verkrijgen. Qua behandelduur wordt verwacht dat minimaal twee jaren nodig zijn om de huidige ontwikkelingsscheefgroei te kunnen keren.

Het advies tot oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt onderschreven door de Raad voor de Kinderbescherming. In het rapport van de Raad wordt geconcludeerd dat er geen andere mogelijkheid wordt gezien dan dat de nodige behandeling zal plaatsvinden binnen een Justitiële Jeugdinrichting. Een gedragsbeïnvloedende maatregel of een voorwaardelijke PIJ-maatregel worden niet als passend en haalbaar gezien, nu duidelijk is dat verdachte niet het vermogen heeft om mee te werken, zich te houden aan de voorwaarden en een daaraan verbonden noodzakelijke behandeling. Naast het opleggen van een PIJ-maatregel adviseert de Raad aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, zodat verdachte inziet dat zijn strafbare gedrag consequenties heeft. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de heer Den Besten, jeugdzorgwerker bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering verklaard dat de William Schrikker Stichting geen haalbaar alternatief ziet voor de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Het hof stelt vast dat bij verdachte sprake is van ernstige en hardnekkige problematiek. Het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan strafbare (gewelds)feiten wordt ingeschat als hoog. Het staat voor het hof buiten kijf dat verdachte een langdurige en intensieve behandeling nodig heeft om het recidiverisico terug te dringen en om zich verder positief te ontwikkelen.

Het hof heeft gehoord hetgeen door de raadsvrouw en verdachte ter zitting naar voren is gebracht over de mogelijkheid tot ambulante behandeling bij [D] . Ter zitting is ook [betrokkene 9] - pedagogisch medewerker bij [D] - als deskundige bevraagd over deze mogelijkheid. Het hof heeft uit deze toelichting begrepen dat verdachte bij [D] 24-uurs begeleiding zal ontvangen. Vanuit de hulpvraag wordt bekeken wat verdachte nodig heeft. Er zal gezorgd worden voor dagbesteding en sociale vaardigheidstraining. Verdachte kan het terrein verlaten wanneer hij wil.

Ondanks de omstandigheid dat het hof het een positieve ontwikkeling vindt dat verdachte zich open lijkt te stellen voor begeleiding vanuit [D] , is het hof van oordeel dat door de deskundigen voldoende onderbouwd is waarom een ambulante behandeling onvoldoende is om de problematiek van verdachte te kunnen behandelen. Uit het verleden is gebleken dat verdachte met vrijwillig mee heeft willen werken aan een behandeling Het hof heelt er op dit moment - onvoldoende vertrouwen in dat verdachte nu wel mee zal werken. Het hof acht het risico te groot dat hij de instelling zal verlaten als het hem niet langer zint. Het is goed mogelijk dat verdachte op een later moment in zijn leven behandeling kan krijgen vanuit [D] of een soortgelijke instelling, maar gelet op de hardnekkige problematiek bij verdachte en het feit dat er een hoog beveiligingsniveau nodig is om hulpverlening vorm te kunnen geven, acht het hof een ambulante behandeling thans niet passend. Het is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte dat hij zich met kan onttrekken aan de behandeling die hem wordt aangeboden. Daarnaast eist ook de bescherming van de maatschappij de oplegging van deze maatregel.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ- maatregel passend en geboden is.

Het hof stelt – met de rechtbank – vast dat, wat betreft de bewezenverklaarde feiten onder 16/652164-18 (feit 1, 5, 6), 05/131408 (feit 1 en 2) en 16/652610-18 aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de een PIJ-maatregel, zoals deze staan weergegeven in artikel 77s, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan. Deze bewezenverklaarde feiten behoren tot de misdrijven die zijn omschreven in artikel 285, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, zoals genoemd onder a van het eerste lid van artikel 77s van dit wetboek. Ten tijde van het plegen van deze misdrijven leed verdachte aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Behandeling en begeleiding van verdachte is, zoals hiervoor overwogen, noodzakelijk voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Gelet op de hoge kans van gewelddadig gedrag in de toekomst eist bovendien de veiligheid van personen het opleggen van de maatregel.

(…)”

5.4.

Vooropgesteld dient te worden dat de rechter vrij is in de keuze van de straf en/of maatregel en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht, zolang hij daarbij blijft binnen de daaraan door de wet gestelde grenzen.22 In relatie tot de PIJ-maateregel is hierbij nog van belang ook de waardering van deskundigenrapporten en –adviezen aan de feitenrechter is voorbehouden.23

5.5.

Het hof heeft onder meer overwogen dat de bescherming van de maatschappij oplegging van de PIJ-maatregel eist en daarmee tot uitdrukking gebracht dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de maatregel eist. Voorts heeft het hof overwogen dat het in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte is dat hij zich niet kan onttrekken aan de behandeling die hem wordt aangeboden. Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat is voldaan aan de in artikel 77s Sr genoemde vereisten voor oplegging van de PIJ-maatregel.

5.6.

De steller van het middel meent dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat het hof ongemotiveerd voorbij zou zijn gegaan aan de “door de verdediging gemaakte opsomming aan bevindingen in het Triple onderzoek die tenminste even goed dan wel beter kunnen aansluiten bij een plaatsing van rekwirant in het kleinschaliger traject 24/7 bij [D] dan in een justitiële jeugdinrichting”. In de uitvoerige motivering van de opgelegde maatregel heeft het hof overwogen dat de deskundigen in de Triple rapportage adviseren een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Naast het terugdringen van het recidiverisico, wordt daartoe onder meer van belang geacht dat opvang en begeleiding in de jeugdzorg in het verleden geen verbeteringen hebben gegeven. Tevens heeft het hof overwogen dat dit deskundigenadvies wordt onderschreven door de Raad voor de Kinderbescherming. Op grond van deze conclusies en adviezen, die het hof klaarblijkelijk tot de zijne gemaakt, heeft het vervolgens geoordeeld dat het “buiten kijf [staat] dat verdachte een langdurige en intensieve behandeling nodig heeft om het recidiverisico terug te dringen en om zich verder te ontwikkelen”. Dit oordeel – dat zozeer verweven is met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst – is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

5.7.

Bovendien heeft het hof expliciet de door de verdediging aangedragen mogelijkheid van een ambulante behandeling bij [D] onder ogen gezien, doch hiervan geoordeeld dat dit vanwege de hardnekkige problematiek bij de verdachte en het feit dat er een hoog beveiligingsniveau nodig is om de hulpverlening vorm te geven thans niet passend is. Ook dit met waarderingen van feitelijke aard verweven oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

5.8.

In de toelichting op het middel wordt voorts gewezen op het actualiteitsvereiste dat is vervat in artikel 77s lid 2 Sr. Deze bepaling luidt als volgt:

De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines. Van deze gedragsdeskundigen dient er één een psychiater te zijn. Het advies wordt door de deskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend kan de rechter hier slechts gebruik van maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.

5.9.

De steller van het middel erkent dat gelet op de data van rapportage en behandeling ter zitting “aan de letter van die bepaling is voldaan”. Dit is inderdaad het geval.24 Blijkens het arrest heeft het hof de oplegging van de PIJ-maatregel gebaseerd op het Triple-onderzoek van 23 november 2018 en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 januari 2019, terwijl het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is aangevangen op 11 juni 2019 en de zaak op 27 augustus 2019 inhoudelijk is behandeld. Er zijn volgens de steller van het middel echter omstandigheden aan te wijzen die maken dat een nieuw rapport diende te worden opgesteld om aan “de ratio van het vereiste van actuele bevindingen” te voldoen. Hiertoe verwijst zij naar een conclusie van mijn ambtgenoot Keulen, voorafgaand aan HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:736 (81 RO). In die zaak werd geklaagd dat in strijd met de ratio van het voorschrift van artikel 37 lid 2 Sr was gehandeld. Mijn ambtgenoot merkte hierover onder meer het volgende op:

“24. Ik kan mij omstandigheden voorstellen waaronder de ratio van art. 37, tweede lid, Sr, van toepassing verklaard in art. 37a, derde lid, Sr meebrengt dat de rechter, ook al is aan de letter van de bepaling voldaan, een nieuw rapport dient te laten opstellen. Zulke omstandigheden doen zich naar het mij voorkomt in deze strafzaak evenwel niet voor. De inhoudelijke behandeling vond plaats toen het rapport 19 maanden oud was. De norm van een jaar is gekoppeld aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. In die norm ligt besloten dat de inhoudelijke behandeling later dan een jaar na het uitbrengen van het rapport kan plaatsvinden. Een overschrijding met ruim zeven maanden komt dan niet zo excessief voor dat een nieuwe behandeling reeds om die reden aangewezen is. Daarbij stelt het hof vast dat er een aanvullend rapport lag van 11 maart (bedoeld is 1 maart) 2016, en dat de deskundigen ter terechtzitting in eerste aanleg ‘hierop’ zijn bevraagd als getuige-deskundigen. Er was derhalve ook recentere informatie.

25. Voorts heeft het hof vastgesteld dat in het rapport van het PBC wordt gesproken over een bij de verdachte aanwezige duurzame intrinsieke drang, en dat zich gedurende de periode na observatie (de verdachte zat in detentie en onderging geen behandeling) geen nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan. Dat is een feitelijke vaststelling die - anders dan het middel stelt - niet op aanvullend ambulant of klinisch onderzoek gebaseerd behoeft te worden. Mede gelet op de feiten en omstandigheden die het hof, een overweging van de rechtbank overnemend, aanvullend aan zijn beslissingen ten grondslag heeft gelegd (uit het rapport blijkt dat in het verleden bij de verdachte herhaaldelijk pedofilie is gediagnosticeerd) is dat feitelijke oordeel niet onbegrijpelijk. Dat feitelijke oordeel draagt bij aan de begrijpelijkheid van de beslissing om geen nieuwe rapportage te laten opmaken.”

5.10.

Allereerst wil ik stilstaan bij de vraag of de verdachte voldoende rechtens te respecteren belang bij deze klacht heeft. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2019 heeft de verdediging aldaar, voor zover hier relevant en met weglating van voetnoten, het volgende aangevoerd:

“Actualiteit uitgebrachte rapporten

Allereerst een formeel punt ten aanzien van de beziging van de uitgebrachte rapporten. Redelijke wetsuitleg van art. 77s lid 2 Sr brengt met zich dat als aanvang geldt de datum van het eerst uitgebrachte van de twee adviezen. En bij de aanvang van het hoger beroep mogen de adviezen alleen nog worden gebruikt indien A-G en verdediging verklaren met het gebruik van de uitgebrachte adviezen in te stemmen en daaraan is in de onderhavige zaak niet voldaan. Daarenboven gaat het de verdediging erom dat uw hof toereikend en actueel is geadviseerd. Dat is ook de strekking van het vereiste van art. 77s Sr: het gaat met het vereiste van actuele bevindingen om het bieden van eert waarborg dat tot een ingrijpende maatregel als de pij alleen zal kunnen worden besloten op grond van actuele deskundige advisering. Daaraan is in de onderhavige zaak vooralsnog niet voldaan.

Vgl. ook A-G Keulen in zijn Conclusie bij de Hoge Raad vorig jaar, waarin de - wettelijk bezien gelijkluidende - vraag aan de orde kwam over de actualiteit van de uitgebrachte rapporten: voor de vraag of sprake is van voldoende actualiteit is mede van belang of zich tussentijds nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan. In die zaak was tussentijds wel aanvullend gerapporteerd en waren de deskundigen ter terechtzitting gehoord, dus in zoverre verschilt die zaak van de onderhavige zaak. De verdediging staat evenwel geen pij-maatregel voor, dus zal zelf niet om verder oponthoud verzoeken op dit punt. (accentuering AG)”

5.11.

Aldus heeft de verdediging in hoger beroep weliswaar enige opmerkingen gemaakt over de actualiteit van de uitgebrachte rapporten, maar daaraan niet de ondubbelzinnige conclusie verbonden dat deze – al dan niet gelet op de ratio van artikel 77s lid 2 Sr – niet bruikbaar zouden zijn en hierbij zelfs aangegeven dat de verdediging “zelf niet om verder oponthoud [zal] verzoeken op dit punt”. Mede in aanmerking genomen dat de schriftuur geen toelichting bevat met betrekking tot het belang dat de verdachte desondanks bij de onderhavige klacht zou hebben, kan de klacht reeds bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

5.12.

Ten overvloede merk ik hier nog over op dat de zaak in hoger beroep inhoudelijk is behandeld toen de Triple-rapportage – waaraan de verdachte zijn medewerking niet heeft verleend – ongeveer 9 maanden oud was. De rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming waarin het advies tot het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt onderschreven, was op dat moment slechts 7 maanden oud. Dat de verdachte in de tussentijd zijn procespositie heeft gewijzigd en na het vonnis van de rechtbank wel bereid was om mee te werken aan een nader en nieuw onderzoek naar zijn persoon, brengt niet met zich mee dat niet langer aan de ratio van artikel 77s Sr wordt voldaan. Hierbij neem ik tevens in aanmerking dat uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat het de verdediging er vooral om te doen was dat in plaats van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, zou worden volstaan met ambulante behandeling. Op dit punt zijn ter terechtzitting in hoger beroep twee deskundigen ondervraagd en in de motivering van de opgelegde maatregel heeft het hof uitgebreid uit de doeken gedaan waarom naar diens oordeel niet kon worden volstaan met een ambulante behandeling.

5.13.

Ten slotte wordt in de toelichting op het middel nog geklaagd dat het hof niet zou hebben beslist op een ter terechtzitting gedaan (subsidiair) verzoek. Ik merk op dat deze klacht niet in de formulering van het middel zelf is vervat. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2019 houdt op dit punt, voor zover relevant, het volgende in:

“Voor wat betreft de straf stel ik mij primair op het standpunt dat er geen PIJ- maatregel opgelegd dient te worden. Cliënt kan ambulant behandeld worden bij [D] . Ik kan u zeggen dat dit anders in een civiel kader gaat gebeuren. Subsidiair verzoekt de verdediging uw hof om tussenarrest te wijzen om te onderzoek wat de mogelijkheden voor ambulante behandeling zijn. De William Schrikker Groep heeft geen ervaringen met [D] , maar andere locaties hebben dat wel.”

5.14.

Ook wat deze klacht betreft, sta ik eerst stil bij de vraag of de verdachte voldoende rechtens respecteren belang bij cassatie heeft. Ik meen dat dit niet het geval is nu het hof bij tussenarrest van 25 juni 2019 reeds het op de regiezitting van 11 juni 2019 door de verdediging gedane verzoek tot “een nieuw actueel persoonlijkheidsonderzoek waarin ook grondig de alternatieven op de pij-maatregel worden onderzocht en waarin specifieke elementen uit het dossier van de tenlastegelegde bedreigingen bij kunnen worden betrokken” gemotiveerd heeft afgewezen. Bij het op de terechtzitting van 28 augustus 2019 gedane (ongemotiveerde) “verzoek” is de verdediging niet ingegaan op de door het hof aan diens beslissing gegeven motivering en is evenmin een beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden.25 Zonder nadere toelichting, die in de schriftuur ontbreekt, heeft de verdachte aldus geen in rechte te respecteren belang bij deze klacht.

5.15.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

6 Het vierde middel

6.1.

Het vierde middel klaagt over het oordeel van het hof dat de PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van één of meer personen.

6.2.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2019 gehechte pleitnotities heeft de verdediging aldaar, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd:

“Geen verlenging pij-maatregel mogelijk

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, gaat het hier niet om misdrijven waarvoor verlenging van de maatregel mogelijk is. Dan moet gevaar zijn veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en daaraan is in de onderhavige zaak niet voldaan.

Vgl. o.a. de in cassatie vernietigde arresten ten aanzien van ditzelfde criterium: HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:646 (belaging ex art. 285b Sr), HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:436 (belaging en vernieling); HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:116 (kinderporno, gewoonte van bezit en verspreiden valt er niet onder), en HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:443 (poging afpersing, meermalen bedreigingen en belaging)/”

6.3.

Het hof heeft ten aanzien hiervan onder het hoofd “Oplegging van straf en/of maatregel” het volgende overwogen:

“De maatregel geldt voor een termijn van drie jaren. Na twee jaar eindigt de maatregel van rechtswege voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze zoals bedoel[d] in artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht. Het hof stelt vast dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van een of meer personen. Derhalve kan de maatregel verlengd worden, telkens met ten hoogste twee jaren en tot een maximale duur van zeven jaren, zoals bedoeld in artikel 77t, Wetboek van Strafrecht.

(…)”

6.4.

Het hof heeft geoordeeld dat de PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van één of meer personen, hetgeen ingevolge artikel 77t Sr met zich meebrengt dat de maatregel telkens met twee jaren kan worden verlengd tot een maximale duur van zeven jaren.26 Deze bepaling luidde ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest,27 voor zover hier relevant, als volgt:

“1. De rechter die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de termijn, als bedoeld in artikel 77s, zevende lid, eerste volzin, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan een maand voor het tijdstip waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel. De artikelen 509oa en 509q van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. In de gevallen waarin de maatregel is verlengd, eindigt de maatregel voorwaardelijk een jaar voordat de maximale duur van de maatregel wordt bereikt. De rechter geeft in de beslissing tot verlenging van de maatregel aan wanneer de maatregel, behoudens verdere verlenging, onvoorwaardelijk eindigt. Artikel 77s, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. Op de beslissing tot verlenging van de maatregel waarbij de maximale duur van de maatregel zal worden bereikt, is artikel 77s, tweede en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

3. De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Artikel 77s, eerste lid, onder b en c, is van overeenkomstige toepassing.

(…)”

6.5.

De mogelijkheid tot verlenging “indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen”, is tegelijkertijd met de invoering van de PIJ-maatregel geïntroduceerd bij de Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 528). Uit de memorie van toelichting volgt dat met de regeling van artikel 77t Sr aansluiting is gezocht bij de regeling inzake de mogelijkheid tot verlenging van een tbs-maatregel:

“In de tweede plaats regelt artikel 77t de gronden voor de verlenging. Deze gronden zijn in grote lijnen overgenomen uit het door de commissie-Anneveldt voorgestelde artikel 77 h, derde lid, en komen overeen met artikel 38 d, tweede lid, zoals dit zal luiden na inwerkingtreding van de reeds genoemde wet inzake de maatregel van terbeschikkingstelling.”28

6.6.

In artikel 38e lid 1 Sr is de totale duur van een tbs-maatregel gemaximeerd “tenzij de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”. Aldus geldt voor de verlenging van een tbs-maatregel hetzelfde criterium als voor de verlenging van een PIJ-maatregel en kan bij de beoordeling van het middel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 38e lid 1 Sr.

6.7.

Gelet op deze rechtspraak van de Hoge Raad kan een bedreiging niet zonder meer worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf, dus als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen. Dit betekent niet dat dit misdrijf nimmer als zodanig kan worden aangemerkt, zo volgt uit HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, NJ 2013/161 m.nt. van Kempen. Daarin overwoog de Hoge Raad in het belang der wet dat de tbs-verlengingsrechter in voorkomende gevallen zal moeten vaststellen of een tbs-maatregel wel of niet ter zake van een geweldsmisdrijf is opgelegd, en tevens:

“Zulks is vooral van belang indien het misdrijf ter zake waarvan de TBS is opgelegd, niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf — dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen — bijvoorbeeld in geval van bedreiging (art. 285 Sr) of belaging (art. 285b Sr), ter zake waarvan op grond van art. 37a, eerste lid onder 1°, Sr de onderhavige maatregel kan worden opgelegd.”29

6.8.

De (tbs-verlengings)rechter dient volgens dit arrest alle relevante omstandigheden in aanmerking te nemen ter beantwoording van de vraag of het misdrijf waarvoor de terbeschikkingstelling is opgelegd gericht was tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, waarbij hij volgens de Hoge Raad:

“(…) onder meer [zal] kunnen betrekken of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.”30

6.9.

Deze factoren lijken mij ook dienstig bij de beoordeling van de voorliggende vraag of het oordeel van het hof dat sprake is van geweldsdelicten, kan standhouden.31

6.10.

Daarnaast wijs ik nog op HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:443, NJ 2018/244 m.nt. Mevis. In deze zaak was – kort gezegd – de vraag aan de orde of een aantal verbale en schriftelijke bedreigingen geweldsdelicten in voornoemde zin konden opleveren. De Hoge Raad overwoog als volgt:

“3.5. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat sprake was van een geweldsmisdrijf in de hiervoor bedoelde zin omdat "de verdachte (...) de slachtoffers verbaal en per e-mail [heeft] bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling en (...) deze bedreiging kracht [heeft] bijgezet door middel van het sturen van foto's naar het e-mailadres van een van de slachtoffers waarop de gevolgen (ernstige verminkingen) van genoemd misdrijf staan afgebeeld". Daarmee heeft het Hof zijn oordeel echter, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is vooropgesteld, ontoereikend gemotiveerd.”

6.11.

Zoals in de schriftuur terecht wordt opgemerkt, is voor een aantal beslissingen over voorwaardelijke veroordelingen eveneens relevant of de veroordeling een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam.32 In dit verband kwam in HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1400 de vraag aan de orde of (onder meer) de in die zaak geuite bedreiging als een zodanig misdrijf kon worden aangemerkt. Blijkens de bewezenverklaring had de verdachte tegen medewerkers van Jeugdzorg gezegd “Dan haal ik de kinderen volgens de omgangsregeling wel uit huis bij [betrokkene 1] en ik sla haar kop in met een hakbijl". De Hoge Raad overwoog dat niet zonder meer duidelijk was dat de bewezenverklaarde feiten waren gericht tegen of gevaar veroorzaakten voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

6.12.

Nu het middel in deze zaak. Blijkens de overwegingen in het arrest, heeft het hof de PIJ-maatregel opgelegd ter zake van het onder 1, 5 en 6 bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 16/652164-18, het onder 1 en 2 bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 05/131408-18 en het in de zaak met parketnummer 16/652610-18 bewezenverklaarde. Dit betreffen telkens veroordelingen wegens bedreigingen met zware mishandeling en/of enig misdrijf tegen het leven.

6.13.

De bewezenverklaring onder 1 in de zaak met parketnummer 16/652164-18 is hierboven reeds weergegeven onder 3.2, de bewezenverklaringen onder 1 en 2 in de zaak met parketnummer 05/131408-18 zijn weergegeven onder 4.2 en de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 16/652610-18 is weergegeven onder 4.3. De bewezenverklaringen onder 5 en 6 in de zaak met parketnummer 16/652164-18 houden daarnaast in dat ten laste van de verdachte bewezen is verklaard dat:

“5. hij op 24 november 2017 te Amersfoort, [verbalisant 6] , brigadier van politie Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 6] dreigend de woorden toegevoegd: “Wacht tot jij zo gaat zitten en dat uniformpje niet meer aan hebt. Met je pistool van 500 euro. Wie denk je wel niet dat je bent. Ik heb een veel groter netwerk dan jij denkt. Jij wordt buiten geliquideerd.

6. hij op [geboortedatum] 2018 te Amersfoort [verbalisant 4] , brigadier van politie Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 4] (meerdere malen) dreigend de woorden toegevoegd: “ [verbalisant 4] , ik maak je dood en/of ik maak je kapot”.”

6.14.

Zoals ik reeds in het kader van de bespreking van het eerste en tweede middel uiteen heb gezet, kan ter zake van het telkens bewezenverklaarde onder 1 in de zaak met parketnummer 16/652164-18, het onder 1 en 2 in de zaak met parketnummer 05/131408-18 en (onder 1) in de zaak met parketnummer 16/652610-18 niet worden gezegd dat dit louter verbale bedreigingen betreffen.33 Dit is reeds een relevant verschil met HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:443, NJ 2018/244 m.nt. Mevis.

6.15.

In de zaak met parketnummer 05/131408-18 volgt ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen dat de verdachte niet slechts verbale bedreigingen heeft geuit, maar ook agressief was en geweld heeft toegepast tegen de aangevers. In de zaak met parketnummer 16/652610-18 volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte naast het uiten van verbale bedreigingen, goederen heeft vernield, met een ijzeren voorwerp tegen zijn kledingkast heeft geslagen en een zakje heet water heeft gegooid naar de aangevers, waarbij het nodig was hem met een “schildprocedure” uit zijn kamer te halen en te verplaatsen naar een separeercel. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat een deel van de aangevers er rekening mee hield dat de verdachte de bedreigingen zou gaan uitvoeren.

6.16.

Aldus heeft hof tot uitdrukking gebracht dat de bedreigingen zijn voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag en geweld tegen goederen en personen (vgl. de hiervoor onder 6.8 weergegeven overwegingen van de Hoge Raad uit NJ 2013/161). Dit in aanmerking genomen, geeft het oordeel van het hof dat de PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van één of meer personen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

6.17.

Het middel faalt.

7. Alle middelen falen en kunnen worden verworpen met de aan artikel 81 RO ontleende motivering.

8. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-652164-18 onder 2 bewezenverklaarde toegewezen tot een bedrag van € 464,-. Ter zake hiervan heeft het hof aan de verdachte tevens een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie. Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 behoort de bestreden uitspraak ten aanzien van deze vervangende jeugddetentie ambtshalve te worden vernietigd, waarbij de Hoge Raad kan bepalen dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. Ik heb me daarbij wel gerealiseerd dat gelet op de beperkte duur van de vervangende jeugddetentie het belang bij een dergelijke vernietiging niet bijster groot is, maar niettemin acht ik dat nog wel voldoende aanwezig om tot vernietiging op dit punt over te gaan. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hier een jeugdzaak betreft en de opgelegde maatregel van lange duur kan blijken te zijn.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448, r.o. 3.3.

2 Vgl. HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7062, NJ 2005/145.

3 HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2131.

4 HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:775.

5 HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5695.

6 HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448.

7 HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7062, NJ 2005/145.

8 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3630. Mijn ambtgenoot Hofstee wijst er in paragraaf 35 van zijn conclusie, voorafgaand aan dit arrest op dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat verdachte met elk van beide sms-berichten het slachtoffer heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Hofstee meent dat de verdachte naar objectieve maatstaven met de tekst uit het eerste sms-bericht – “inhoudende de weinig specifieke bewoordingen dat de verdachte het adres van het slachtoffer aan twee van zijn cliënten, die kennelijk zware jongens zijn, heeft doorgegeven” – niet zonder meer het slachtoffer heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

9 Deze gang van zaken leid ik af uit de conclusie voor HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8174. De Hoge Raad deed het middel met art. 81 RO af.

10 Deze gang van zaken leid ik af uit de conclusie voor HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5323. De Hoge Raad deed het middel met art. 81 RO af.

11 HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4022, NJ 2011/226.

12 HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7701.

13 HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1802.

14 Zie het vonnis van 25 februari 2019, p. 5: “De rechtbank acht het van belang dat [betrokkene 1] , vrijwel meteen nadat de woorden “ik pak jou nog wel” door verdachte zijn geuit, op de hoogte is geraakt dat verdachte op dat moment een mes bij zich droeg. Gelet op die omstandigheid en het feit dat verdachte zich eerder in de nabijheid van de winkel erg agressief had gedragen kon bij [betrokkene 1] de redelijke vrees ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Overigens blijkt ook uit het dossier dat aangever kort na de diefstal telefonisch bedreigd is. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een bedreiging met zware mishandeling.”

15 Overigens heeft het hof in de zaak met parketnummer 16-652164-18 onder 3 wel bewezen verklaard dat de verdachte dit mes voorhanden heeft gehad, waarin als oordeel van het hof ligt besloten dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van dit wapen (vgl. HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504).

16 HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1802, r.o. 3.3.

17 Vgl. HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7701.

18 Het arrest van het hof vermeldt parketnummer 05/131408-18.

19 Zie de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van hoger beroep van 27 augustus 2019, p. 5 e.v., geciteerd in de cassatieschriftuur onder 17.

20 Conclusie AG Paridaens, ECLI:NL:PHR:2020:109, par. 3.8.

21 Vgl. o.a. HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133.

22 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2018, negende druk, p. 264.

23 Vgl. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1645, NJ 2009/73. Weliswaar ging het in die zaak om de TBS maatregel, maar de desbetreffende overwegingen van de Hoge Raad hebben mijns inziens mutatis mutandis te gelden voor de PIJ-maatregel.

24 Zie HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0518, NJ 2007, 302.

25 Vgl. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:389.

26 Vgl. HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2297, NJ 2016/487 m.nt. Vellinga-Schootstra.

27 Bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stb. 2017, 82 (i.w.tr. 1 januari 2020) is deze bepaling verplaatst naar art. 6:6:31 Sv. Zie voor een uitgebreide bespreking van de wijzigingen die art. 77t Sr voordien heeft ondergaan de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee (par. 16 e.v.) voor HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2297, NJ 2016/487 m.nt. Vellinga-Schootstra.

28 Kamerstukken II 1989/90, 21 327, 3, p. 37 (MvT).

29 HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, NJ 2013/161 m.nt. van Kempen, r.o. 4.3.

30 HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, NJ 2013/161 m.nt. van Kempen, r.o. 4.4.

31 Zie ook de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse (par. 6.5. e.v.) voor HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:646, NJ 2017/181.

32 Vgl. art. 14b lid 2 Sr, waarin is opgenomen dat een proeftijd ten hoogste tien jaren kan bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom “een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”. Vgl. tevens art. 14e Sr: “De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

33 Indien de Hoge Raad mij volgt in mijn lezing van de bewijsvoering ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 16-652164-18 onder 1 bewezenverklaarde bedreiging met zware mishandeling die ik bij de bespreking van het eerste middel heb verdedigd, heeft voorts te gelden dat hieruit blijkt dat de verdachte te kennen heeft gegeven over een mes te beschikken. In de zaak met parketnummer 16-652164-18 heeft het hof onder 3 overigens ook bewezen verklaard dat de verdachte een mes voorhanden heeft gehad.