Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:633

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-05-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
19/04768
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1101
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag (€ 144.430), (reis)bescheiden en 2 telefoons onder klager, die vanuit Paramaribo op Schiphol is aangekomen, t.z.v. verdenking van witwassen, waarna (reis)bescheiden en geld aan klager zijn teruggegeven. Verzet strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich niet langer tegen opheffing beslag? HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt klacht. CAG: Oordeel Rb dat strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich niet langer verzet tegen opheffing van beslag op telefoons berust op 2 gronden: (i) beslissing tot teruggave van geldbedrag kan niet leiden tot andere conclusie dan dat klager klaarblijkelijk verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor legale herkomst van geld heeft gegeven en (ii) opsporingsonderzoek heeft geen (concrete) aanknopingspunten opgeleverd die steun bieden aan opvatting dat inbeslaggenomen geldbedrag, gelet op door klager overgelegde bescheiden, desondanks van enig misdrijf afkomstig zou kunnen zijn. Voortzetting van beslag op telefoons zou onder deze omstandigheden niet meer in overeenstemming zijn met eis van proportionaliteit en subsidiariteit, terwijl ook overigens niet is gebleken dat belang van strafvordering zich tegen opheffing van beslag verzet. Oordeel Rb is niet begrijpelijk, nu door OvJ naar voren is gebracht dat strafrechtelijk onderzoek nog niet was afgerond, o.m. omdat inhoud van telefoons die klager meevoerde nog niet onderzocht kon worden, terwijl dit onderzoek voor verificatie van door klager afgelegde verklaring over legale herkomst van geld (geld gewonnen in Staatsloterij) relevant zou zijn, te meer nu door klager overgelegde brief van Staatsloterij door OvJ geopperde mogelijkheid dat klager winnend lot mogelijk heeft gekocht met geld uit onbekende bron niet uitsluit. Voorts blijkt uit mededelingen van OvJ dat klager (nog) geen antwoord heeft gegeven op door financieel rechercheur gestelde vragen waar en wanneer winnende staatslot door klager is aangekocht. Gelet hierop had Rb haar oordeel nader moeten motiveren. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04768 B

Zitting 12 mei 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[klager] ,

gevestigd te [plaats] ,

hierna: de klager.

  1. De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft het klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag op en teruggave aan hem van twee telefoons, bij beschikking van 26 augustus 2019 gegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld door officier van justitie mr. J.J. van Bree en mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Mr. M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie schriftelijk tegengesproken.

3 Casus en procesverloop

3.1.

Op vrijdag 30 november 2018 is de klager reizend vanuit Paramaribo aangekomen op luchthaven Schiphol en zijn onder hem een geldbedrag van € 144.430,-1, (reis)bescheiden en twee mobiele telefoons in beslag genomen. Genoemd geldbedrag en de (reis)bescheiden zijn op last van de officier van justitie op 5 december 2018 aan de klager teruggegeven. Over de herkomst van het geldbedrag heeft de klager op 30 november 2018 verklaard dat het geldbedrag (startkapitaal) afkomstig is van de Staatsloterij (€ 100.000,-) en een slachtofferuitkering (€ 60.000,-). Wat betreft de achtergrond van zijn reisbewegingen in het buitenland (Paramaribo - Miami en vice versa) heeft de klager toen verklaard dat deze reizen erin waren gelegen om euro’s om te zetten in andere valuta (ik begrijp: met het oog op het behalen van wisselkoerswinst).2 De inbeslaggenomen telefoons zijn niet aan de klager geretourneerd, omdat hij zijn toegangscodes niet wenst te verstrekken.

3.2.

De rechtbank heeft bij beschikkingen van 18 februari 2019 (19/000096) en 27 mei 2019 (19/003581) eerder ingediende klaagschriften, strekkende tot teruggave van de telefoons, ongegrond verklaard, omdat - kort gezegd - het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding (het onderzoek naar de jegens klager gerezen verdenking van witwassen van € 144.430,-) zich tegen de opheffing van het beslag verzette.

4 Het middel

4.1.

Het middel komt op tegen de beslissing tot gegrondverklaring van het klaagschrift. In de eerste plaats wordt geklaagd dat de rechtbank met haar oordeel dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen de opheffing van het beslag ter ver vooruit is gelopen op de mogelijke uitkomst in de nog te voeren hoofdzaak. In de tweede plaats wordt geklaagd dat het oordeel dat voortzetting van het beslag niet meer in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, is.

4.2.

Het klaagschrift van de klager is in raadkamer van 12 augustus 2019 behandeld. Het proces-verbaal van de raadkamerzitting houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:


“(…)
Klager verklaart:
Alle gestelde vragen zijn inmiddels beantwoord.
De raadsvrouw voert als volgt het woord:
Ook zonder de pincodes kan snel onderzoek worden gedaan.
Van de officier van justitie heb ik begrepen, dat rechercheur [verbalisant] van de FIOD geen toezeggingen heeft mogen doen en dat de telefoons inmiddels bij de kraker liggen.
Al hetgeen door of namens klager naar voren is gebracht, is onderbouwd.
Het is een principekwestie aan het worden.
Meestal is het andersom, maar hier lijkt sprake te zijn van een fishing expedition van de zijde van het OM.
Uit de voorliggende stukken blijkt, dat de telefoons – nu ruim 8 maanden na inbeslagname – nog niet zijn onderzocht.

Daarbij in acht nemend dat klager – gelet op de beslissing tot teruggave van het geld – kennelijk een aannemelijke verklaring heeft over de herkomst van het geld, is nu ook de proportionaliteit en subsidiariteit aan de orde.
Klager heeft een goede reden (zijn privacy) om de pincodes niet af te geven.
Klager verklaart:
Ik heb geld gewisseld bij grote bedrijven. Dat had bij die bedrijven geverifieerd kunnen worden.
Ik heb een ongeluk gehad, waardoor ik aan geheugenverlies lijd. Ik kan mijn pincodes dan ook niet meer geven.
De officier van justitie voert als volgt het woord:
Ik ken de details van het onderzoek onvoldoende.
Uit een e-mail van de zaaksofficier heb ik begrepen, dat de codes van beide telefoons gekraakt moeten worden, met dien verstande dat aan de Samsung wellicht destructief onderzoek moet plaatsvinden. Dat is de reden dat het – niet oneigenlijk – langer duurt.
Ik concludeer tot ongegrondverklaring van het klaagschrift, nu het belang van strafvordering (waarheidsvinding) zich tegen de verzochte teruggave verzet.
Klager verklaart:
Ik heb bij Shell Miami geld gewisseld in dollars en vervolgens in Suriname gewisseld in euro’s. Ik heb de gelden steeds aangegeven en heb alle bonnen overgelegd.
Ik begrijp dan ook niet wat de reden is om de telefoons nog te onderzoeken.
De officier van justitie voert als volgt het woord:
Ik weet niet wat de reden is geweest om het in beslag genomen geldbedrag terug te geven.
De raadsvrouw voert als volgt het woord:
Ik snap de reden voor het handhaven van het beslag op de telefoons ook nog steeds niet.
Er is geen begin van een zaak tegen klager.
Het gaat in deze zaak om de herkomst van het bij klager aangetroffen geldbedrag, waarover hij een duidelijke verklaring heeft afgelegd.
Het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding is niet meer aan de orde.
Ik persisteer bij het verzoek tot teruggave van de telefoons.
De officier van justitie voert als volgt het woord:
Ik persisteer bij mijn conclusie tot ongegrondverklaring.
Klager verklaart:

“(…)
Alles is na te checken.
(…)”

4.3.

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“3. De standpunten

Het door en/of namens klager naar voren gebrachte standpunt luidt, zakelijk weergegeven, dat:

- deze rechtbank bij haar beschikking van 27 mei 2019, waarbij een eerder ingediend klaagschrift (registratienummer 19/003581) ongegrond werd verklaard, het op 13 mei 2019 door het Openbaar Ministerie ingenomen standpunt - dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich nog steeds verzet tegen teruggave van de telefoons aan klager, nu de telefoons op dat moment lagen bij Digi van de FIOD om ze te kraken - heeft gevolgd;

- klager op 27 juni 2019 een schrijven heeft ontvangen van de FIOD, waarin vermeld is dat het strafrechtelijk onderzoek nagenoeg is afgerond en dat [verbalisant] voornemens is de telefoons aan klager te retourneren na beantwoording van een tweetal in voornoemd schrijven gestelde vragen.

- op 8 juli 2019 deze vragen in reactie naar [verbalisant] door klager zijn beantwoord;

- gelet op het voornemen van [verbalisant] thans niets méér in de weg staat aan de teruggave van de twee telefoons aan klager, reden waarom namens klager een bericht d.d. 22 juli 2019 aan de officier van justitie mr. Van Bree is gestuurd met daarin het verzoek tot kennisgeving van de status van het onderzoek en de teruggave van de telefoons aan cliënt;

- op dit bericht tot op heden géén reactie is ontvangen;

- vanwege het feit dat inmiddels ruim 3 maanden zijn verstreken sinds het indienen van het vorige klaagschrift en kennelijk geen onderzoek aan de telefoons meer zal worden gedaan en het voornemen van de FIOD bestaat de telefoons aan klager te retourneren, klager om teruggave van beide telefoons verzoekt, nu geen strafvorderlijk belang meer lijkt te bestaan bij de inbeslagname ervan.

De officier van justitie heeft het volgende naar voren gebracht:

Er wordt opnieuw geklaagd over de voortduring van het beslag van twee gsm’s van verdachte, een Samsung en een iPhone.

Voor beide voorwerpen geldt dat het beslag nog altijd noodzakelijk is met het oog op de waarheidsvinding.

Verdachte wil zijn codes niet geven, zodat het nodig is de telefoons te kraken.

De iPhone ligt inmiddels aan de kraker. Het duurde even voordat de technische mogelijkheden er waren en deze telefoon aan de beurt was. Het is niet te zeggen of het mogelijk is en zo ja, hoe lang het duurt, om de code te kraken. In zijn algemeenheid geldt dat dit type toestellen met de huidige techniek te kraken zijn;

De Samsung is lastiger te kraken, maar niet onmogelijk. Dit toestel wacht op dit moment op een geschikte mogelijkheid.

De in het klaagschrift bedoelde brief van 27 juni 2019 van de FIOD houdt, voor zover hier van belang, in:

"Op 30 november 2018 is bij binnenkomst op de luchthaven Schiphol een bedrag van €144.000- onder U in beslag genomen op verdenking van witwassen. Op 5 december 2018 is het in beslaggenomen bedrag van € 144.000,-- aan U teruggegeven. Tevens is aan U medegedeeld dat het onderzoek nog niet was afgerond en de telefoons nog onder beslag bleven.

Het strafrechtelijk onderzoek is nagenoeg afgerond. U heeft thans nog de status van verdachte ("niet verplicht tot antwoorden"), maar ik verzoek U hierbij of u (per mail of telefoon), kan aangeven waar (welk verkooppunt) en wanneer (ongeveer) het winnende staatslot (prijs € 100.005--) is aangekocht. Ik verwacht graag een reactie van U uiterlijk voor 8 juli 2019.

Na ontvangst van de antwoorden op deze twéé laatste vragen, ben ik voornemens om de in beslag genomen 2 telefoons op 30 november 2018, na toestemming van de officier van justitie, aan U terug te geven.

Tevens zal ik hierna, aan de Officier van Justitie mr. J.J. van Bree voorstellen om het strafrechtelijk onderzoek af te sluiten.”

De officier van justitie stelt dat dit niet in overeenstemming is met de visie van het Openbaar Ministerie op de afhandeling van deze zaak. De telefoons dienen eerst onderzocht te worden voordat zij teruggegeven worden. Hoewel uit het bovenstaande wellicht de intentie van een van de FIOD rechercheurs kan worden afgeleid, blijkt evenwel dat de beslissing nog genomen moet worden en deze ligt bij de officier van justitie. Mede gelet daarop kan niet van een gerechtvaardigd vertrouwen op de onverwijlde teruggave van de telefoons uit worden gegaan.

Het onderzoek is kortom nog niet afgerond. Niet alleen kon de inhoud van de telefoons die verdachte tijdens zijn reis met zich mee voerde - en welke informatie zijn verklaring kan bevestigen of ontkrachten - nog niet onderzocht worden, ook wil verdachte nog niet verklaren waar hij het winnende staatslot heeft gekocht. Dat is van belang om vast te kunnen stellen of hij het zelf gewonnen heeft (met een klein bedrag aan inleg), dan wel - wat ook voor komt - het winnende lot heeft gekocht met geld uit onbekende bron.

De strafvorderlijke belangen verzetten zich nog altijd tegen teruggave.

Ik concludeer tot ongegrondverklaring.

4. Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer met betrekking tot een beklag als het onderhavige een summier karakter draagt en dat mitsdien niet van haar kan worden gevergd ten gronde te treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak (HR 28 september 2010, LJN: BL2823).

Op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer is komen vast te staan, dat bedoelde telefoons op 30 november 2018 rechtmatig onder klager in beslag zijn genomen, zodat - nu niet is gebleken dat daarvan afstand is gedaan noch van een gegeven last tot teruggave - het beslag daarop nog voortduurt. Het klaagschrift is dan ook tijdig ingediend.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.

Op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer van 12 augustus 2019 is komen vast te staan, dat:

- op 30 november 2018 onder klager in beslag zijn genomen een geldbedrag van € 144.030,00, (reis)bescheiden, en twee mobiele telefoons;

- het geldbedrag ad € 144,030,00 en de (reis)bescheiden op 5 december 2018 op last van de officier van justitie aan klager zijn teruggegeven;

- als bijlagen bij het op 17 april 2019 ingediende klaagschrift (19/003581) zijn gevoegd:

• een brief van de Staatsloterij B.V. d.d. 22 maart 2019, waarin wordt bevestigd dat klager op 26 januari 2017 bij het hoofdkantoor (te Den Haag) is geweest om het prijswinnende lot te laten scannen en het prijswinnersformulier in te vullen, waarna het gehele bedrag binnen 5 dagen aan hem is overgemaakt;

• een brief van het Openbaar Ministerie, Slachtoffer Informatiepunt Schadevergoedingsmaatregelen, d.d. 14 augustus 2018, waarin klager wordt medegedeeld, dat op die dag in het kader van de Voorschotregeling een schadevergoeding € 26.027,87 op zijn bankrekening is overgemaakt;

- deze rechtbank bij haar beschikkingen van 18 februari 2019 en 27 mei 2019 eerder ingediende klaagschriften (registratienummers 19/000096 en 19/003581), strekkende tot teruggave van de telefoons, ongegrond heeft verklaard, omdat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding (het onderzoek naar de jegens klager gerezen verdenking van witwassen van € 144.030,00) zich tegen de opheffing van het beslag verzette.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel, dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich niet langer verzet tegen opheffing van het beslag op de telefoons, nu:
- enerzijds de beslissing tot teruggave van geldbedrag ad € 144.030,00 niet kan leiden tot een andere conclusie, dan dat klager klaarblijkelijk een verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de legale herkomst van dat geldbedrag heeft gegeven;

- anderzijds het opsporingsonderzoek, waarvan na 31 januari 2019 geen onderzoeksresultaten aan het dossier zijn toegevoegd, geen (concrete) aanknopingspunten heeft opgeleverd dat steun biedt aan de opvatting dat het in beslag genomen (en inmiddels teruggegeven) geldbedrag, gelet op de door klager overgelegde bescheiden, desondanks van enig misdrijf afkomstig zou kunnen zijn.

Voortzetting van het beslag is onder deze omstandigheden niet meer in overeenstemming met de eis van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het beklag zal dan ook, nu ook overigens niet is gebleken dat het belang van strafvordering zich tegen de opheffing van het beslag verzet, gegrond worden verklaard.

5. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift gegrond;

heft op het daarop gelegde beslag en gelast de teruggave aan klager van:

- twee mobiele telefoons (een zwartkleurige Samsung en een witkleurige iPhone).”

4.4.

In de toelichting op het middel wordt allereerst melding gemaakt van het feit dat de behandelend officier van justitie op 5 augustus 2019 een mailbericht heeft gestuurd aan het “Rekestenbureau Haarlem (AP Noord-Holland)’ met als onderwerp ‘Herhaald klaagschrift [klager] 19-006551’, zijnde het registratienummer van de onderhavige zaak. Dit mailbericht bevindt zich niet bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken. Gesteld wordt dat de rechtbank, daar waar in de bestreden beschikking het standpunt van de officier van justitie is verwoord (zie onder 4.3), aan dit e-mailbericht refereert en dat het stuk zich derhalve wel bij de stukken waarover de rechtbank beschikte heeft bevonden. Het betreffende bericht is aan de schriftuur gehecht en houdt het volgende in:

“Standpunt OM ivm herhaald klaagschrift [klager] 19-006551

Er wordt opnieuw geklaagd over de voortduring van het beslag van twee gsm's van verdachte, een Samsung en een Iphone.

Voor beide voorwerpen geldt dat het beslag nog altijd noodzakelijk is met het oog op de waarheidsvinding. Verdachte wil zijn codes niet geven, zodat het nodig is deze te kraken. Ik heb mij over de status laten informeren:

-De Iphone ligt inmiddels aan de kraker. Het duurde even voordat de technische mogelijkheden er waren en deze telefoon aan de beurt was. Het is niet te zeggen of het mogelijk is en zo ja, hoe lang het duurt, om de code te kraken. In zijn algemeenheid geldt dat dit type toestellen met de huidige techniek te kraken zijn;

-De Samsung is lastiger te kraken, maar niet onmogelijk. Dit toestel wacht op dit moment op een geschikte mogelijkheid.

Toezegging FIOD?

Door de rechercheur blijkt aan verdachte en zijn advocaat te zijn geschreven (voor zover hier relevant):

"Op 30 november 2018 is bij binnenkomst op de luchthaven Schiphol een bedrag van € 144.000,-onder U in beslaggenomen op verdenking van witwassen. Op 5 december 2018 is het in beslaggenomen bedrag van € 144.000,- - aan U teruggegeven. Tevens is aan U medegedeeld dat het onderzoek nog niet was afgerond en de telefoons nog onder beslag bleven.

Het strafrechtelijk onderzoek is nagenoeg afgerond. U heeft thans nog de status van verdachte ("niet verplicht tot antwoorden"), maar ik verzoek U hierbij of u (per mail of telefoon) kan aangeven waar (welk verkooppunt) en wanneer (ongeveer) het winnende staatslot (prijs €100.005--) is aangekocht. Ik verwacht graag een reactie van U, uiterlijk voor 8 juli 2019.

Op maandag 24 juni 2019 heb ik nagenoeg dezelfde tekst van deze brief, ook via de mail aan het bij ons bekende gmail-adres toegezonden.

Na ontvangst van de antwoorden op deze twee laatste vragen, ben ik voornemens om de in beslag genomen 2 telefoons op 30 november 2018, na toestemming van de officier van justitie, aan U terug te geven.

Tevens zal ik hierna, aan de Officier van Justitie mr. J.J. van Bree voorstellen om het strafrechtelijk onderzoek af te sluiten."

Deze brief is niet met mij afgestemd en is ook niet overeenkomstig mijn instructies. Deze telefoons dienen eerst onderzocht te worden voordat zij teruggegeven worden. Hoewel uit het bovenstaande wellicht de intentie van een van de FIOD rechercheurs kan worden afgeleid, blijkt evenwel dat de beslissing nog genomen moet worden en bij ondergetekende ligt. Mede gelet daarop kan niet van een gerechtvaardigd vertrouwen op de onverwijlde teruggave van de telefoons uit worden gegaan.

Het onderzoek is kortom nog niet afgerond. Niet alleen kon de inhoud van de telefoons die verdachte tijdens zijn reis met zich mee voerde - en welke informatie zijn verklaring kan bevestigen of ontkrachten - nog niet onderzocht worden, ook wil verdachte nog niet verklaren waar hij het winnende staatslot heeft gekocht. Dat is van belang om vast te kunnen stellen of hij het zelf gewonnen heeft (met een klein bedrag aan inleg), dan wel - wat ook voor komt - het winnende lot heeft gekocht met geld uit onbekende bron.

De strafvorderlijke belangen verzetten zich nog altijd tegen teruggave.

Ik concludeer tot ongegrondverklaring.

Met vriendelijke groet,

en hoogachting,

mr. drs. J.J. (Joost) van Bree

Officier van justitie”

4.5.

In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het feit dat het inbeslaggenomen geldbedrag inmiddels aan de klager was teruggegeven reeds bekend was ten tijde van de eerdere beschikkingen van de rechtbank en dat het zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd, waarom dit feit thans wel zou moeten leiden tot gegrondverklaring van het klaagschrift en dat het belang van strafvordering zich thans niet meer zou verzetten tegen opheffing van het beslag. Daarbij wordt opgemerkt dat de officier van justitie gemotiveerd heeft betoogd dat en waarom het onderzoek aan de telefoons nog immer noodzakelijk was voor het onderzoek naar witwassen, te weten dat nader onderzoek dient plaats te vinden naar de aankoop van het winnende staatslot waarover de klager niet heeft willen verklaren, terwijl de mogelijkheid bestaat dat de klager een winnend staatslot heeft gekocht en dit lot gebruikt wordt om geld wit te wassen. Door te oordelen dat de beslissing tot teruggave van het geldbedrag van € 144.430,00 niet kan leiden tot een andere conclusie dan dat de klager klaarblijkelijk een verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de legale herkomst van dat geldbedrag heeft gegeven en het opsporingsonderzoek geen (concrete) aanknopingspunten heeft opgeleverd die steun bieden aan de opvatting dat het inbeslaggenomen (en inmiddels teruggegeven) geldbedrag desondanks van enig misdrijf afkomstig zou kunnen zijn, is de rechtbank volgens de steller van het middel te ver vooruitgelopen op de te zijner tijd door de rechtbank in de hoofdzaak te beoordelen vraag of sprake was van witwassen en heeft de rechtbank het summiere karakter van de klaagschriftprocedure miskend. De enkele omstandigheid dat het geldbedrag aan de klager is teruggegeven zou dit niet anders maken, nu die omstandigheid aan een latere veroordeling wegens witwassen niet in de weg staat.

4.6.

Voorts zou het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie inmiddels genoeg tijd heeft gehad om de verdenking van witwassen tegen de klager nader te onderbouwen niet zonder meer begrijpelijk zijn, althans zou dat oordeel ontoereikend zijn gemotiveerd, nu het onderzoek dat nog moet worden verricht juist betrekking heeft op de inbeslaggenomen telefoons. Bovendien zou uit de rechtspraak van de Hoge Raad over de proportionaliteits-en subsidiariteitseis kunnen worden afgeleid dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is van onrechtmatig voortduren van het beslag op grond van disproportionaliteit, in het bijzonder wanneer aan die disproportionaliteit in de kern niet meer dan het verstreken tijdsverloop ten grondslag wordt gelegd. Volgens de steller van het middel had de rechtbank blijk moeten geven van een zorgvuldige belangenafweging door aandacht te besteden aan de bijzonderheden van het geval en daarbij helder moeten motiveren waarom de persoonlijke belangen van de klager in casu zwaarder dienen te wegen dan het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag. De rechtbank zou onvoldoende oog hebben gehad voor de omvang en complexiteit van het te verrichten onderzoek, terwijl door de officier van justitie in dit verband is aangevoerd dat (i) tegen de klager een verdenking bestaat ter zake witwassen, (ii) dat het in het kader van de waarheidsvinding noodzakelijk is dat de inbeslaggenomen telefoons worden onderzocht, (iii) dat de telefoons moeten worden gekraakt omdat klager zijn codes niet wil geven en (iv) dat het even duurde voordat de technische mogelijkheden er waren om de code van de Iphone te kraken en dat er gewacht moet worden op een geschikte mogelijkheid om de inbeslaggenomen Samsung te kraken.

4.7.

Door de officier van justitie is, zoals onder 4.3 is weergegeven, in raadkamer het standpunt ingenomen dat het strafrechtelijk onderzoek naar de jegens klager gerezen verdenking van witwassen van € 144.430,- nog niet is afgerond, omdat de inhoud van de telefoons die de klager tijdens zijn reis mee voerde - en welke informatie zijn verklaring kan bevestigen of ontkrachten - nog niet onderzocht kon worden en de klager nog niet wil verklaren waar hij het winnende staatslot heeft gekocht. Wat betreft het eerste punt heeft de officier van justitie klaarblijkelijk het oog op de verificatie van klagers verklaring over zijn reisbewegingen in het buitenland, zoals hiervoor onder 3.1 genoemd.3 Terwijl informatie over de plek waar klager het winnende staatslot heeft gekocht van belang wordt geacht om vast te kunnen stellen of de klager het genoemde bedrag zelf gewonnen heeft (met een klein bedrag aan inleg), dan wel het winnende lot heeft gekocht met geld uit onbekende bron. Het gestelde belang van strafvordering berust zo bezien op twee pijlers die hun grondslag vinden in de door de klager over de herkomst van het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag afgelegde verklaring. De inhoud van de inbeslaggenomen telefoons zou voor genoemde verificatie onmisbaar zijn.

4.8.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich niet langer verzet tegen opheffing van het beslag op de telefoons. Dat oordeel berust op een tweetal gronden: (i) de beslissing tot teruggave van het geldbedrag ad € 144.430,- kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot een andere conclusie dan dat de klager klaarblijkelijk een verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de legale herkomst van het geld heeft gegeven en (ii) het opsporingsonderzoek - waarvan na 31 januari 2019 geen onderzoeksresultaten aan het dossier zijn toegevoegd - geen (concrete) aanknopingspunten heeft opgeleverd die steun bieden aan de opvatting dat het inbeslaggenomen (en inmiddels teruggegeven) geldbedrag, gelet op de door de klager overgelegde bescheiden, desondanks van enig misdrijf afkomstig zou kunnen zijn. Voortzetting van het beslag op de telefoons zou onder deze omstandigheden niet meer in overeenstemming zijn met de eis van proportionaliteit en subsidiariteit, terwijl ook overigens niet is gebleken dat het belang van strafvordering zich tegen de opheffing van het beslag verzet.

4.9.

Het oordeel van de rechtbank dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich op genoemde gronden niet langer verzet tegen opheffing van het beslag op de telefoons komt mij niet begrijpelijk voor. Immers, door de officier van justitie is naar voren gebracht dat het strafrechtelijk onderzoek nog niet was afgerond, onder meer omdat de inhoud van de telefoons die de klager meevoerde nog niet onderzocht kon worden, terwijl dit onderzoek voor de verificatie van de door de klager afgelegde verklaring over de legale herkomst van het geld relevant zou zijn, te meer nu de door de klager onder 4.8 sub (iii) overgelegde brief van de Staatsloterij de door de officier van justitie geopperde mogelijkheid dat de klager het winnende lot mogelijk heeft gekocht met geld uit onbekende bron niet uitsluit. In dat verband merk ik nog op dat uit de mededelingen van de officier van justitie blijkt dat de klager (nog) geen antwoord heeft gegeven op de door financieel rechercheur [verbalisant] gestelde vragen waar (verkooppunt) en wanneer (ongeveer) het winnende staatslot door de klager is aangekocht. Gelet hierop had de rechtbank haar oordeel mijns inziens nader moeten motiveren.

4.10.

Nu het oordeel van de rechtbank inzake de proportionaliteit en subsidiariteit op voornoemd oordeel voortbouwt, laat ik de tweede deelklacht van het middel buiten bespreking.

4.11.

Het middel slaagt.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit het proces-verbaal van bevindingen en overdracht, proces-verbaalnummer 2018-0203-13161 (AMB-001) blijkt dat het om een geldbedrag van € 144.430,- gaat. In de bestreden beschikking wordt per abuis gesproken over een geldbedrag van € 144.030,-.

2 Proces-verbaal van bevindingen en overdracht, proces-verbaalnummer 2018-0203-13161 (AMB-001).

3 In de beschikking van 27 mei 2019 (19/003581) wordt o.m. genoemd dat de officier van justitie naar voren heeft gebracht dat de telefoons voor de waarheidsvinding in beslag moeten worden gehouden, omdat daaruit klagers reisbewegingen kunnen blijken, contacten in Suriname en overige informatie die zijn verklaring kan bevestigen of ontkrachten.