Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:629

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
19/03612
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1513
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag tegen inbeslagneming door beslagene. Is het oordeel van de rechtbank dat een derde als rechthebbende moet worden aangemerkt toereikend gemotiveerd? De conclusie strekt tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03612 B

Zitting 30 juni 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de klager.

1. De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 15 augustus 2019 het beklag strekkende tot teruggave aan de klager van een drietal onder hem inbeslaggenomen autosleutels (Opel, Chevrolet en onbekend), een navigatiesysteem merk TomTom met lader, een garageopener, Woolrich jassen (blauw en zwart), een Cavalli spijkerbroek, schoenen (Louis Vuitton en Balenciaga) en een vest (Philip Plein), ongegrond verklaard.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. R.I. Takens en mr. T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat te Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

3. Alvorens het middel te bespreken merk ik met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep het volgende op. Wat betreft de inbeslaggenomen sleutels merk ik op dat reeds voorafgaand aan het wijzen van de bestreden beschikking door de feitenrechter bij vonnis van 20 december 2018 over deze voorwerpen (onherroepelijk) is beslist. Deze beslissing hield in dat de sleutels aan de klager dienden te worden teruggegeven. Uit door mij ingewonnen inlichtingen over de status van onderhavige beslag bij het parket Amsterdam volgt dat de drie autosleutels ( [001] ) op 8 februari 2019 aan de klager zijn teruggegeven. De klager is daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn beroep. Hetzelfde lot deelt het beroep voor zover dat ziet op het Navigatiesysteem TomTom met lader. Uit voornoemde inlichtingen blijkt dat dit voorwerp met machtiging van de officier van justitie is vernietigd, zodat daarmee het beslag op dit voorwerp is beëindigd (art. 134, tweede lid onder c, Sv). Nu uit de door mij ingewonnen inlichtingen over de garageopener blijkt dat dit goed niet kan worden gevonden, ga ik er in het voordeel van de klager vanuit dat op dit goed nog steeds beslag rust.

4. Het middel

4.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat het beklag ongegrond moet worden verklaard onjuist is, althans onvoldoende is gemotiveerd.

4.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:


“(…)

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
(…)
klager, tevens beslagene.
(…)

2. Inhoud van het klaagschrift en de (schriftelijke) reactie van de raadsman van klager
Het klaagschrift strekt tot teruggave van de onder klager in beslag genomen

voorwerpen, te weten:

(…)

- een garageopener;

- Woolrich jassen kleur blauw en zwart;

- een Cavalli spijkerbroek;

- schoenen, merk Louis Vuitton en Balanciaga; en

- een vest, merk Phillip Plein.

Klager moet redelijkerwijze als rechthebbende van deze goederen worden aangemerkt, omdat in het proces-verbaal binnentreden in woning, het verslag van binnentreden en het proces-verbaal van doorzoeking [a-straat 1] te [plaats] steeds wordt gerelateerd dat die woning aan de [a-straat 1] wordt bewoond door klager. Die binnentreding vond plaats in het kader van het onderzoek naar klager en de inbeslagname vond plaats ten laste van klager. Ook heeft klager bij zijn verhoren toegegeven gebruik te maken van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. Voor zover het argument wordt aangedragen door het Openbaar Ministerie dat klager geen verklaring heeft afgelegd of anderszins heeft aangegeven dat deze goederen van hem zouden zijn, moet worden opgemerkt dat klager bij zijn verhoren ook helemaal niet is ondervraagd over deze goederen.

Klager is van mening dat hij redelijkerwijze als rechthebbende moet worden aangemerkt en dat geen enkel strafvorderlijk belang zich tegen opheffing van het strafvorderlijk beslag verzet, met name nu eerder ook geen verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeerd is gevorderd, daarvoor ook geen gronden zijn en de onderliggende strafzaak reeds onherroepelijk met een vrijspraak is geëindigd.

De raadsman van klager heeft op 2 mei 2019 schriftelijk op het standpunt van het Openbaar Ministerie gereageerd. Deze reactie houdt onder meer in - samengevat - dat onderhavige goederen door de politie in beslag werden genomen omdat de politie er ook van uitging dat die goederen aan klager toebehoorden. Dat klager niet formeel op het adres [a-straat 1] in [plaats] ingeschreven stond legt geen gewicht in de schaal bij de vraag of klager rederlijkwijze rechthebbende is: dergelijke goederen zijn niet aan een adres verbonden.

Klager heeft nauwe banden met Nederland omdat zijn ex-vriendin, [betrokkene 1] met hun dochtertje in [plaats] woont. Klager probeert in Nederland met zijn dochtertje samen te zijn. Klager verklaard uitgebreid en heeft ook erkend dat het adres [a-straat 1] op momenten zijn verblijfsadres was. Dit past bij de stelling dat hij samen met [betrokkene 1] een dochtertje heeft, maar niet altijd bij hen slaapt. Hij verblijft dan in de woning aan de [a-straat 1] bij een vrouwelijke kennis [betrokkene 2] , terwijl zijn ex-vriendin en dochtertje in hetzelfde dorp verblijven op het adres [b-straat 1] . De nacht voorafgaand aan de aanhouding heeft klager op het adres [a-straat 1] geslapen, zodat er door hem persoonlijke spullen zijn achtergelaten. Er werden op 5 mei 2018 geen andere personen aangetroffen, terwijl vaststaat dat klager de laatste gebruiker van de woning was. Er is dan ook geen enkele indicatie dat de goederen waarop het klaagschrift ziet toebehoren aan een ander persoon.

Dat er bescheiden van [betrokkene 3] zijn aangetroffen is irrelevant. Uit zijn verklaring volgt dat hij wel eens op het adres [a-straat 1] is geweest, maar daaruit volgt in zijn geheel niet dat hij daar de goederen waarop het klaagschrift ziet zou hebben achtergelaten.

Volgens het Openbaar Ministerie zou er geen link zijn tussen de goederen en klager. Dit wordt betwist. Het overleggen van eigendomsbewijzen is een eis die de wet en jurisprudentie niet stellen, waarbij dit ook onredelijk is bij dit soort goederen. In het normale maatschappelijke verkeer is het ook niet gebruikelijk om van bijvoorbeeld kleding aankoopbewijzen te bewaren. Bovendien is bijgevoegd een foto van klager waarop te zien is dat hij een van de jassen draagt.
Tot slot is het niet juist dat het verzoek tot teruggave eerst na afdoening van de strafzaak is gedaan. Bij e-mail van 14 juni 2018 is al aan de politie verzocht om toegang tot de woning aan de [a-straat 1] , zodat klager zijn persoonlijke spullen kon laten ophalen. Zodra toegang werd verkregen, bleek dat de goederen door de politie in beslag waren genomen. Er is toen besloten de inhoudelijke zitting af te wachten, maar toen bleek dat de goederen ook niet genoemd werden op de beslaglijst heeft de raadsman van klager op 11 december 2018 de officier van justitie gemaild met het verzoek over te gaan tot teruggave van de goederen. Dit was dus voorafgaand aan het vonnis van 20 december 2018.

Gelet op het voorgaande is het alleszins aannemelijk dat de goederen aan klager toebehoren. In geval van verdere weigerachtigheid van de zijde van het Openbaar Ministerie wordt verzocht foto’s van de inbeslaggenomen goederen toe te voegen aan het raadkamerdossier en kondigt de raadsman van klager aan dat [betrokkene 1] als getuige zal worden meegebracht.

De raadsman van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift in raadkamer - samengevat - aangevoerd dat op grond van het dossier klager geldt als de beslagene en dat de goederen daarom aan hem moeten worden geretourneerd. Mocht de rechtbank niet aannemen dat klager geldt als beslagene, dan is genoegzaam aangetoond dat klager dient te gelden als rechthebbende. Klager hoeft niet buiten redelijke twijfel aan te tonen en of aannemelijk te maken dat de goederen aan hem toebehoren.

(…)

4. De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 5 mei 2018 zijn op de voet van artikel 94 Sv voornoemde voorwerpen in beslag genomen.

Klager werd - kort gezegd - verdacht van onder meer het bezit van harddrugs. Hij is bij vonnis van 20 december 2018 hiervan vrijgesproken.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot het voorwerp de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan met naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld m artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.

In het onderhavig geval is sprake van voorwerpen die volgens het Openbaar Ministerie dienen om de waarheid aan de dag te brengen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het onderzoek nog niet is afgerond en het met hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend de verbeurdverklaring van de voorwerpen zal uitspreken of de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen zal opleggen.

De rechtbank is (vooralsnog) van oordeel dat niet klager, maar een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de voorwerpen moet worden beschouwd. Wat de sleutels betreft, heeft klager onvoldoende gedaan om aan te tonen dat hij als rechthebbende moet worden beschouwd. Hij had bijvoorbeeld een kentekenbewijs kunnen overleggen of in raadkamer kunnen verschijnen om een nadere uitleg te geven Wat betreft de kleding is van belang dat er meerdere mannen in de woning aan de [a-straat 1] zijn aangetroffen en dat klager onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de rechthebbende is. De rechtbank acht de hiertoe overlegde foto onvoldoende, nu de foto de achterkant van een man laat zien en niet te zien is dat de persoon op de foto klager is.

Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.

5. De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”

4.3.

In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de rechtbank de toepasselijke maatstaf niet, althans niet op de juiste wijze, heeft toegepast. In dat verband wordt naar de kern genomen aangevoerd dat de rechtbank eraan voorbij lijkt te gaan dat de klager als beslagene dient te worden beschouwd, terwijl in de overwegingen van de rechtbank niet tot uitdrukking wordt gebracht waarom een ander redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden beschouwd. Bovendien heeft de rechtbank - voor zover in cassatie nog van belang - met betrekking tot de garageopener in het geheel niet gemotiveerd waarom een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd. Voor zover de rechtbank de klager als derde heeft aangemerkt, zou eveneens sprake zijn van een onjuiste invulling van de in dat geval toepasselijke maatstaf en is het oordeel dat de klager niet redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, in het licht van hetgeen door de klager in dat verband is aangevoerd, ontoereikend gemotiveerd.

4.4.

De bestreden beschikking houdt in dat de voorwerpen waarover het in cassatie nog gaat (de kleding en de garageopener) op de voet van art. 94 Sv in beslag zijn genomen en de klager in dat verband als beslagene wordt aangemerkt. Ook de in de bestreden beschikking weergegeven maatstaf duidt erop dat de rechtbank - wat daar ook van zij - de klager als beslagene heeft aangemerkt. Bij de beoordeling van het middel ga ik er daarom vanuit dat het in het onderhavige geval gaat om een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag.

4.5.

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.1

4.6.

In de hiervoor onder 4.2 weergegeven overwegingen ligt mijns inziens besloten dat de rechtbank, na vooropstelling van de toepasselijke maatstaf, heeft vastgesteld dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet (meer) vordert. Daarbij neem ik in aanmerking de overweging van de rechtbank dat in dit geval beoordeeld moet worden of het onderzoek nog niet is afgerond en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de voorwerpen zal uitspreken of de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen zal opleggen2 en de vaststelling van de rechtbank dat de klager bij vonnis van 20 december 2018 (onherroepelijk) is vrijgesproken. In het geval het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert brengt de toepasselijke maatstaf mee dat de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de beslagene (de klager) dient te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de voorwerpen moet worden beschouwd.

4.7.

Door te overwegen dat de rechtbank (vooralsnog) van oordeel is dat niet klager, maar een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de voorwerpen moet worden beschouwd, heeft de rechtbank mijns inziens tot uitdrukking gebracht dat naar haar oordeel de genoemde uitzonderingssituatie zich hier voordoet. Dit oordeel grondt de rechtbank wat betreft de kleding op de omstandigheid dat er meerdere mannen in de woning aan de [a-straat 1] ( AEH : op welk adres de voorwerpen in beslag zijn genomen) zijn aangetroffen en de klager onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de rechthebbende op de inbeslaggenomen kleding is. De door de klager overgelegde foto - die dient als bewijs van het zijn van rechthebbende op de zwarte Wooldrich jas - zou daartoe onvoldoende zijn, omdat deze foto slechts de achterkant van een man laat zien en niet te zien is dat de persoon op de foto de klager is. De bestreden beschikking houdt ten aanzien van het oordeel dat een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de inbeslaggenomen garageopener moet worden beschouwd geen nadere motivering in.

4.8.

De vraag is of de omstandigheid dat er meerdere mannen in de woning aan de [a-straat 1] zijn aangetroffen én de klager onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de rechthebbende op de inbeslaggenomen kleding is, het oordeel dat een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de kleding moet worden beschouwd kan dragen. Ik meen van niet. In het onderhavige geval was het in beginsel niet aan de klager om aan te tonen dat hij een “beter recht” dan een ander op de kleding heeft, omdat de kleding onder hem in beslag is genomen3, terwijl de enkele omstandigheid dat “er meerdere mannen in de woning aan de [a-straat 1] zijn aangetroffen”, zonder nadere (feitelijke) vaststellingen, daartoe ontoereikend is, te meer nu het gaat om niet nader gespecificeerde personen. De rechtbank had derhalve nader dienen te motiveren waarom een ander een “beter recht” op de kleding zou hebben dan de klager.4

4.9.

Gelet op het voorgaande is het oordeel van de rechtbank dat een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de garageopener moet worden beschouwd, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk.

4.10.

Ten overvloede merk ik op dat in het onderhavige geval, tegen de achtergrond van de vaststelling van de rechtbank dat er “meerdere mannen in de woning aan de [a-straat 1] zijn aangetroffen” - waarbij een blik in het dossier leert dat het adres meermalen in beeld was gekomen als verblijfplaats van criminele Albanezen die zich met verdovende middelen bezighouden5 - een nader onderzoek naar de vraag wie als beslagene had te gelden mij raadzaam zou lijken.

4.11.

Het middel slaagt.

5. Ambtshalve heb ik geen andere gronden dan de onder 3 genoemde grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beroep voor zover dat ziet op de inbeslaggenomen autosleutels (Opel, Chevrolet, onbekend) en het navigatiesysteem TomTom met lader en tot vernietiging van de bestreden beschikking voor het overige en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.8.

2 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.9.

3 Vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7949.

4 Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:983, HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:905, HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8950, HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0524 en HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0539.

5 Proces-verbaal van doorzoeking [a-straat 1] , p. 27.