Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:628

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-05-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
19/03524
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1077
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Nalaten om gegevens te verstrekken in het kader van haar inlichtingenplicht o.g.v. art. 25 van de Werkloosheidswet (art. 227b Sr) door niet door te geven aan het UWV dat zij, verdachte, niet in loondienst was bij een failliet verklaarde B.V., en het gebruikmaken van valse geschriften door een valse arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties over te leggen (art. 225.1 Sr). Middelen over niet-beslissen door hof op beroep op overschrijding redelijke termijn ex art. 6 EVRM. Middelen slagen o.b.v. redenen zoals vermeld in de CAG. CAG stelt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD2578 voorop inhoudende dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. I.c. blijkt uit de strafmotivering van het hof dat het hof, ondanks een ter zake door de verdediging gevoerd verweer, geen overweging heeft gewijd aan de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. In het licht daarvan is de beslissing op het verweer dat de redelijke termijn is overschreden ontoereikend gemotiveerd. Daarover klaagt het middel terecht. Ook over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie klaagt het middel terecht. Dit hoeft echter niet te leiden tot strafvermindering. Gelet op de aan verdachte opgelegde taakstraf voor de duur van tachtig uren kan worden volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6.1 EVRM. HR doet de zaak zelf af en oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03524

Zitting 12 mei 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 23 juli 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. “in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming” en 2. “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren subsidiair veertig dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. I.A. van Straalen, advocaat te 's-Gravenhage, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Voordat ik aan een bespreking van de middelen toekom, geef ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof weer.

3.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1:

zij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2009 tot en met 22 november 2012 in Nederland, in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 25 van de Werkloosheidswet opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten haar, verdachtes, recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,

immers heeft zij, verdachte telkens aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet opgegeven/gemeld:

- dat zij, verdachte, niet in loondienst bij [A] B.V. was;

2:

zij op tijdstippen in de periode van 2 mei 2009 tot en met 28 februari 2010 in Nederland, telkens meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, te weten:

- een arbeidsovereenkomst d.d. 2 mei 2009 tussen [A] B.V. en haar, verdachte, en

- salarisspecificaties over de periode mei 2009 t/m september 2009,

bestaande die valsheid erin dat in en/of op ie geschriften telkens valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid, staat vermeld dat zij, verdachte, met ingang van 2 mei 2009 en fulltime dienstverband voor onbepaalde tijd had bij [A] B.V. en dat zij uit dien hoofde werkzaamheden verrichte en uit dien hoofde inkomsten genoot,

bestaande dit gebruik hierin dat zij, verdachte, deze geschriften telkens als ware deze echt en onvervalst heeft verstrekt en/of verzonden aan het UWV ter verkrijging van uitkeringen op basis van de Werkloosheidswet.”

3.2.

Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. Het verkorte arrest bevat daarnaast, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, de volgende bewijsoverwegingen:1

“Aanleiding onderzoek

Het bedrijf [A] B.V. was een handelsonderneming in sportartikelen, waaronder vooral fitnessapparatuur van diverse merken. De hoofdvestiging van het bedrijf was in [plaats], de directeur van het bedrijf was [betrokkene 1]. Na een financieel slechte periode is omstreeks mei 2009 [betrokkene 2] (…) betrokken geraakt om voornoemd bedrijf weer op de rails te krijgen. [betrokkene 1] deed een stap terug en de feitelijke leiding werd overgenomen door [betrokkene 2].

Desondanks is op 14 oktober 2009 het bedrijf [A] B.V. door de rechtbank Almelo failliet verklaard.

(…)

Verdachte

(…)

Verdachte heeft van meet af aan het ten laste gelegde ontkend en heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat zij per 1 mei 2009 in dienst is getreden bij [A] B.V. en tot aan het faillissement in het westen van Nederland werkzaamheden heeft verricht voor dit bedrijf. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat zij enkel werkzaam was in het westen van Nederland en niet op het kantoor van [A] B.V. in [plaats]. Wel zou zij ongeveer tweewekelijks naar [plaats] zijn afgereisd in verband met werkoverleg met [betrokkene 2].

Naar aanleiding van het faillissement van [A] B.V. heeft verdachte, zo heeft zij verklaard, een UWV-formulier ‘aanvraag overname betalingsverplichtingen wegens onmacht werkgever’ d.d. 21 oktober 2009 ingevuld en een digitale aanvraag WW-uitkering d.d. 5 november 2011 gedaan. Uit het dossier volgt dat verdachte hierbij onder meer een arbeidsovereenkomst d.d. 2 mei 2009 tussen haar en [A] B.V. en salarisspecificaties betreffende de maanden mei 2009 tot en met september 2009 als bijlagen heeft ingediend.

Beoordeling

De centrale vraag die het hof in onderhavige zaak dient te beantwoorden, betreft de vraag of daadwerkelijk sprake is geweest van een dienstverband bij [A] B.V. zoals omschreven in voornoemde arbeidsovereenkomst d.d. 2 mei 2009, of dat het hier een gefingeerd dienstverband betrof. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep op 17 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:8582) in de bestuursrechtelijke zaak tegen verdachte, waarbij (onder meer) is geoordeeld dat verdachte niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is geweest, laat onverlet dat het hof zich op dit punt - op basis van de inhoud van het strafdossier - een eigen oordeel dient te vormen. Van belang is in dit verband, naast het bestaan van een gezagsverhouding en loonbetaling, in de eerste plaats of verdachte daadwerkelijk arbeid van enige omvang heeft verricht als werknemer van [A] B.V.

In het onderzoek hebben meerdere getuigen die in de periode van mei tot oktober 2009 betrokken waren bij [A] B.V. verklaard dat zij verdachte niet kenden, nooit hadden gezien en/of dat zij nooit van haar naam hadden gehoord. Zij kunnen dan ook niets verklaren over werkzaamheden die verdachte zou hebben verricht uit hoofde van een dienstverband bij [A] B.V.

Zo heeft [betrokkene 1], directeur van [A] B.V., zowel tegenover het UWV als tegenover de raadsheer-commissaris verklaard verdachte in het geheel niet te kennen en niets af te weten van haar arbeidsovereenkomst d.d. 2 mei 2009.

[betrokkene 3], algemeen manager bij [A] B.V., heeft verklaard dat hij niemand met de naam van verdachte kent die bij [A] B.V. zou hebben gewerkt, terwijl hij vanuit zijn functie tot in ieder geval eind juni 2009 met alle personeelsleden van [A] B.V. nauwe contacten onderhield, aldus de verklaring van [betrokkene 3].

[betrokkene 4], lid van het team dat [betrokkene 2] meebracht naar [plaats], heeft verklaard dat hij verdachte niet kent.

[betrokkene 5], die op freelance basis werkzaam was voor [A] B.V. en [betrokkene 2] in contact heeft gebracht met [betrokkene 1], heeft tegenover het UWV verklaard dat hij de naam van verdachte niet kent en verdachte nooit heeft gezien.

[betrokkene 6], destijds administratief medewerkster bij [A] B.V., heeft verklaard dat medio mei 2009 een viertal nieuwe mensen in het bedrijf waren gekomen die werden voorgesteld als investeerders en de taken van de directeur [betrokkene 1] overnamen. De vier nieuwe mensen waren [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2]), [betrokkene 4], [betrokkene 7] en nog iemand. [betrokkene 6] werkte destijds 40 uur per week op het kantoor in [plaats] en heeft - behalve de genoemde vier nieuwe mensen - geen andere nieuwe mensen gezien of gehoord dat er mensen waren aangenomen. Zij kende verdachte niet.

[betrokkene 8] ten slotte heeft verklaard dat hij verdachte alleen bij de curator heeft gezien en niet op kantoor in [plaats], dat de naam van verdachte hem niks zegt en dat er in het team van [betrokkene 2] geen Marokkaanse vrouw zat.

Verdachte heeft verklaard dat zij niet werkzaam was in [plaats] maar in het westen van het land en dat in ieder geval de [A]-medewerkers [betrokkene 6] en [betrokkene 8] haar zouden moeten kennen. [betrokkene 6] en [betrokkene 1] hebben haar gezien en waren ervan op de hoogte dat zij in dienst was voor [betrokkene 2] in [plaats], aldus verdachte. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting van het hof verklaard dat [betrokkene 6] haar bij een etentje met [betrokkene 2] na werktijd heeft gezien.

Zoals uit de hierboven aangehaalde verklaringen van [betrokkene 8] en [betrokkene 6] blijkt is daarin geen enkele bevestiging te vinden voor de verklaring van verdachte.

In de agenda van verdachte uit de betreffende periode, waarvan 26 gekopieerde pagina’s aan het UWV-dossier zijn toegevoegd, staat ongeveer om de twee weken vermeld dat verdachte naar [plaats] zou zijn afgereisd voor een vergadering. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting van het hof verklaard dat dit werkoverleggen met [betrokkene 2] betroffen, die veelal plaatsvonden bij de McDonalds in [plaats]. Verdachte kwam (vrijwel) nooit op het kantoor in [plaats] omdat [betrokkene 2] niet wilde dat zij in aanraking zou komen met de mensen op het kantoor van [A] B.V. waar zoveel mensen zouden worden ontslagen. Verdachte heeft verder verklaard dat zij haar inwerkperiode eind april 2009 heeft doorgebracht in de bibliotheek in [plaats] en dat het inwerken vooral bestond uit het doorlezen van de brochures van [A] B.V.

Ook deze door verdachte geschetste gang van zaken vindt geen enkele steun in andere verklaringen, met name niet in de verklaringen van [betrokkene 2] bij de FIOD en bij de raadsheer-commissaris. Daargelaten de mate van betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 2] (…) valt op dat [betrokkene 2] bij de raadsheer-commissaris in het geheel niets heeft verklaard over tweewekelijkse ontmoetingen met verdachte bij de McDonalds (of elders) in [plaats] en een inwerkperiode in de bibliotheek in [plaats].

Met betrekking tot werkzaamheden die verdachte in het westen van het land stelt te hebben verricht overweegt het hof het volgende. In het dossier is geen documentatie aanwezig zoals emailverkeer of andere correspondentie, gespreks- en vergaderverslagen dan wel een lijst met klanten en afleveradressen waaruit blijkt dat sprake was van werkzaamheden van enige omvang van verdachte voor [A] B.V. Verdachte heeft in dit verband eind 2012 aan het UWV enkel een drietal brieven en een factuur overgedragen waarin twee potentiële klanten en een leverancier eind 2012 bevestigen dat zij in de zomer van 2009 contact zouden hebben gehad met verdachte die daarbij optrad namens het bedrijf [A] B.V. In dit verband is door en namens verdachte ter terechtzitting van het hof het voorwaardelijke verzoek gedaan om de afzenders van deze brieven als getuigen te horen indien het hof verdachte niet integraal zou vrijspreken. Het betreft de getuigen [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11], die volgens de verdediging zouden kunnen verklaren over de werkzaamheden van verdachte voor [A] B.V.

Het hof is van oordeel dat het horen van deze getuigen niet noodzakelijk is en wijst het verzoek daarom af. Niet gesteld noch gebleken is immers dat de getuigen méér zouden kunnen verklaren dan dat zij inderdaad in de zomer van 2009 een (telefonisch) contact met verdachte hebben gehad over de aan- of verkoop van fitnessapparatuur of over reclamedrukwerk. Dat verdachte bij deze drie contacten optrad namens het bedrijf [A] B.V. maakt niet dat daarmee sprake is van een dienstverband en werkzaamheden van enige omvang uit hoofde van een arbeidsovereenkomst met [A] B.V.

(…)

Ten aanzien van de salarisbetalingen en het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding overweegt het hof het volgende.

De salarisspecificaties die zich in het dossier bevinden uit de periode van mei tot en met september 2009, roepen de nodige vragen op. Uit een e-mail van 6 augustus 2009 is op te maken dat een deel van de specificaties pas in augustus 2009 is uitgedraaid en op de bankafschriften van verdachte is slechts tweemaal een overschrijving te vinden gerelateerd aan [A] B.V. Bij één van die overschrijvingen wordt weliswaar in de omschrijving van de overboeking gesproken over [A], maar de betaling is afkomstig van een bankrekening die niet gerelateerd is aan [A] B.V. Verdachte heeft verklaard dat zij de overige salarissen contant uitbetaald heeft gekregen. Dit betreft echter een niet-verifieerbare verklaring die verdachte niet heeft kunnen onderbouwen met kwitanties of andere stukken.

Voor wat betreft een gezagsrelatie bevat het dossier evenmin (eenduidige en consistente) informatie. Ook op dit punt hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 12] in de reeds hierboven aangehaalde verklaringen bij UWV/FIOD en bij de raadsheer-commissaris tegenstrijdig en ongeloofwaardig verklaard.

Al het voorgaande overwegende is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de vereisten voor het bestaan van een dienstbetrekking tussen [A] B.V. en verdachte.

Het hof concludeert dan ook dat verdachte niet in dienstbetrekking werkzaam is geweest bij [A] B.V.

Daarmee is het hof van oordeel dat verdachte, doordat zij niet in loondienst was bij [A] B.V. en deze informatie niet aan het UWV heeft gemeld, zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde.

In het verlengde daarvan is het hof voorts van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde, door bij haar aanvraag “overname betalingsverplichtingen” en aanvraag WW-uitkering gebruik te maken van een valse arbeidsovereenkomst en valse salarisspecificaties.”

4. Het eerste middel klaagt dat de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] als getuigen te horen onbegrijpelijk is.

4.1.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2008 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:3

“23. Cliënte heeft een agenda overgelegd uit 2009, waarin haar werkzaamheden voor [A] worden bevestigd. Die agenda vermeldt onder meer:

(…)

• Afspraken met een drukfabriek, het mailen van het [...] logo naar de drukfabriek en omtrent het ontwerp door de drukfabriek op respectievelijk 3, 5 en 11 juni 2009;

Dit wordt ondersteund door de aan de FIOD overhandigde en in het dossier gevoegde factuur van die drukfabriek d.d. 5 juni 2009 (2 dagen na het eerste bezoek), alsmede door de schriftelijke verklaring van [betrokkene 11] van die drukfabriek. Op de factuur prijkt onderaan overigens de kennelijke handelsnaam "[B]", hetgeen overeenkomt met de aantekening in de agenda van cliënte op 3, 5 en 11 juni (respectievelijk '[B]' en '[B].');

(…)

24. Dit betreft diverse en gedetailleerde - evident werk-gerelateerde - informatie die dus, zoals aangegeven, bovendien bevestiging vindt in diverse dossieronderdelen. Voor zover er al enig onderzoek is gedaan (of beter: voor zover uit het dossier blijkt dat er enige relevante informatie beschikbaar is gekomen) wordt de inhoud van deze agenda niet weerlegd maar op onderdelen wel bevestigd. Overigens is er kennelijk geen enkel concreet onderzoek gedaan naar de in de agenda voorkomende namen (personen of bedrijven). Ik merk in elk geval op dat uit de administratie van [A] had kunnen en moeten blijken of de factuur van de drukkerij betaald was. Het achterwege blijven van zelfs dat eenvoudige onderzoek is ronduit kwalijk.

Hetzelfde geldt voor het niet nader onderzoeken van [betrokkene 9] van de [C] aan de [a-straat] in [plaats], [betrokkene 10] van de Stichting [D] aan [b-straat] in [plaats] en de heer [betrokkene 11] van voornoemd drukkersbedrijf.

Ik wijs bijvoorbeeld op de aantekening in de reeds in 2009 overhandigde kopieën uit haar agenda, waarin de naam "[C]" voorkomt (in relatie tot het schriftelijk bescheid van [betrokkene 9] van [C]).

(…)

(…) De opgegeven getuigen [betrokkene 11], [betrokkene 9] en [betrokkene 10] zouden kunnen verklaren of cliënte hen namens [A] heeft benaderd, en zo ja, hoe dat precies is gegaan. Dat zou hun ontlastende schriftelijke verklaringen kunnen bevestigen en er meer bewijskracht aan kunnen verlenen.

37. Dat dit alles achterwege is gebleven schaadt de verdediging en treft cliënte rechtstreeks in haar mogelijkheden om zich tegen de verwijten te verweren. Zij heeft niet nagelaten de juiste inlichtingen te verstrekken in strijd met een op haar rustende verplichting, want zij heeft gewerkt voor [A] en wilde dat aldus aantonen. Zij heeft geen gebruik gemaakt van een vals c.q. vervalst geschrift zoals opgenomen in de tenlastelegging, want die geschriften zijn niet vals c.q. vervalst. Althans, niet bij weten van cliënte, die dus in elk geval niet opzettelijk van een wellicht vals/vervalst geschrift gebruik heeft gemaakt.

38. Ik geef u dan ook primair in overweging om cliënte vrij te spreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Subsidiair, indien u niet vrijspreekt van beide feiten op de tenlastelegging, verzoek ik u op grond van het voormelde betoog alsnog de getuigen [betrokkene 9], [betrokkene 10] (p. 203) en [betrokkene 11] te doen horen. Het is noodzakelijk om na te gaan of zij invulling kunnen geven aan de uitvoering van arbeidstaken voor c.q. het bestellen van arbeids-gerelateerde artikelen op naam van [A], door cliënte, teneinde te kunnen beoordelen of zij daar in dienst is geweest.”

4.2.

Het hof heeft, zoals hiervoor reeds weergegeven, het voorwaardelijk verzoek afgewezen en daartoe het volgende overwogen:4

“Met betrekking tot werkzaamheden die verdachte in het westen van het land stelt te hebben verricht overweegt het hof het volgende. In het dossier is geen documentatie aanwezig zoals emailverkeer of andere correspondentie, gespreks- en vergaderverslagen dan wel een lijst met klanten en afleveradressen waaruit blijkt dat sprake was van werkzaamheden van enige omvang van verdachte voor [A] B.V. Verdachte heeft in dit verband eind 2012 aan het UWV enkel een drietal brieven en een factuur overgedragen waarin twee potentiële klanten en een leverancier eind 2012 bevestigen dat zij in de zomer van 2009 contact zouden hebben gehad met verdachte die daarbij optrad namens het bedrijf [A] B.V. In dit verband is door en namens verdachte ter terechtzitting van het hof het voorwaardelijke verzoek gedaan om de afzenders van deze brieven als getuigen te horen indien het hof verdachte niet integraal zou vrijspreken. Het betreft de getuigen [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11], die volgens de verdediging zouden kunnen verklaren over de werkzaamheden van verdachte voor [A] B.V.

Het hof is van oordeel dat het horen van deze getuigen niet noodzakelijk is en wijst het verzoek daarom af. Niet gesteld noch gebleken is immers dat de getuigen méér zouden kunnen verklaren dan dat zij inderdaad in de zomer van 2009 een (telefonisch) contact met verdachte hebben gehad over de aan- of verkoop van fitnessapparatuur of over reclamedrukwerk. Dat verdachte bij deze drie contacten optrad namens het bedrijf [A] B.V. maakt niet dat daarmee sprake is van een dienstverband en werkzaamheden van enige omvang uit hoofde van een arbeidsovereenkomst met [A] B.V.”

4.3.

Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de motivering van de afwijzing onbegrijpelijk is, omdat het feit dat de vraag of de verdachte arbeid van enige omvang heeft verricht uit hoofde van een arbeidsovereenkomst niet definitief wordt beantwoord met de vaststelling dat zij in deze drie gevallen arbeidsactiviteiten heeft verricht namens [A] niet betekent dat die vaststelling niet van doorslaggevend belang kan zijn voor de uitkomst van deze zaak. Verder is volgens de steller van het middel niet begrijpelijk dat het hof impliciet stelt zichzelf voldoende voorgelicht te achten met betrekking tot de vraag of de verdachte werkzaamheden van enige omvang heeft verricht voor [A] BV.

4.4.

Het hof heeft bij de afwijzing van het verzoek terecht de maatstaf van het noodzakelijkheidscriterium op grond van art. 315 Sv in verbinding met art. 328 en 331 Sv gehanteerd. Dit criterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Een dergelijk verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken.5 Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.6

4.5.

Aan het verzoek [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] als getuigen te horen, heeft de verdediging ten grondslag gelegd dat het noodzakelijk is om na te gaan of zij invulling kunnen geven aan de uitvoering door de verdachte van arbeidstaken voor c.q. het bestellen van arbeidsgerelateerde artikelen op naam van [A]. Het hof heeft daaruit niet onbegrijpelijk afgeleid dat de getuigen gehoord zouden moeten worden over de contacten tussen de verdachte en [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] over de aan- of verkoop van fitnessapparatuur of over reclamedrukwerk, waarbij de verdachte zou hebben opgetreden namens [A] B.V. In zijn overwegingen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht achtte over deze contacten van de verdachte met [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11]. Daarbij heeft het hof, dat er kennelijk niet aan twijfelde dat de verdachte bij deze contacten optrad namens [A] B.V., mede in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat de verdachte bij deze contacten optrad namens [A] B.V. niet maakt dat daarmee sprake is van een dienstverband en werkzaamheden van enige omvang uit hoofde van een arbeidsovereenkomst met [A] B.V.

4.6.

In dat licht bezien komt het oordeel van het hof dat het zich voldoende ingelicht achtte over de contacten waarover de verdediging [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11] wenste te horen en het horen van de getuigen daarom niet noodzakelijk was, mij niet onbegrijpelijk voor. De afwijzing van het verzoek behoefde ook geen nadere motivering.

4.7.

Het middel faalt.

5. Het tweede middel klaagt over de afwijzing van het verzoek tot een schriftkundig onderzoek naar de echtheid van de handtekening onder de arbeidsovereenkomst van de verdachte.

5.1.

Uit de stukken van het geding blijkt het volgende.

(i) In de zaak tegen de verdachte in hoger beroep heeft het hof op 4 april 2016 een regiezitting gehouden. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt onder meer dat de advocaat-generaal de zaak heeft voorgedragen en dat de verdachte in de gelegenheid is gesteld om mondeling haar bezwaren tegen het vonnis op te geven. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte (onder meer) het in het middel bedoelde verzoek gedaan. Het hof heeft dit verzoek op die terechtzitting afgewezen en daartoe overwogen dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd in relatie tot de door het hof te beantwoorden vragen. Het onderzoek van de zaak is vervolgens geschorst voor onbepaalde tijd.

(ii) Op 9 juli 2018 heeft het hof de zaak tegen de verdachte inhoudelijk behandeld. Het hof was toen anders samengesteld dan op de zitting van 4 april 2016. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt niet dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw is aangevangen noch dat het onderzoek met instemming van de procesdeelnemers is hervat. Uit het proces-verbaal blijkt wel dat de advocaat-generaal de zaak heeft voorgedragen en dat de verdachte in de gelegenheid is gesteld om mondeling haar bezwaren tegen het vonnis op te geven. Verder houdt noch het proces-verbaal van de terechtzitting noch de daaraan gehechte pleitnota van de raadsman van de verdachte in dat toen opnieuw is verzocht verzoek tot een schriftkundig onderzoek naar de echtheid van de handtekening onder de arbeidsovereenkomst van de verdachte.

(iii) Het bestreden arrest houdt onder de aanhef “Onderzoek van de zaak” in dat de beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2018.

5.2.

Hoewel het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juli 2018 dit niet uitdrukkelijk vermeldt, volgt uit de omstandigheid dat de advocaat-generaal de zaak (opnieuw) heeft voorgedragen en de verdachte (opnieuw) in de gelegenheid is gesteld mondeling haar bezwaren tegen het vonnis op te geven, dat het hof op die terechtzitting het onderzoek ter terechtzitting opnieuw heeft aangevangen. Dat vindt ook bevestiging in de vermelding in het bestreden arrest dat het (mede) is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juli 2018.

5.3.

De beslissing van het hof op het verzoek tot een schriftkundig onderzoek naar de echtheid van de handtekening onder de arbeidsovereenkomst van de verdachte is een beslissing op de voet van art. 315, eerste lid, Sv in verbinding met art. 328 Sv en art. 331, eerste lid, Sv, welke bepalingen ingevolge art. 415, eerste lid, Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Op een dergelijke beslissing heeft art. 322, vierde lid, Sv geen betrekking.7 Nu het onderzoek ter terechtzitting op 9 juli 2018 opnieuw is aangevangen en de bestreden einduitspraak dus niet mede berust op de terechtzitting waarop de gewraakte beslissing gegeven is, moet het middel onbesproken blijven.8

5.4.

Het middel faalt.

6. Het derde middel klaagt dat (ik citeer het middel) “het hof de verdediging het recht op het voeren van verweer met betrekking tot de volledigheid van de stukken heeft ontzegd op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen, althans niet zonder meer begrijpelijk zijn” en dat “als gevolg van de uitwerking van dat standpunt (…) het hof het verweer strekkende tot vrijspraak, dat steunde op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, [heeft] verworpen op grond van een motivering die evenmin zonder meer begrijpelijk is”.

6.1.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2008 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:9

“2. VRIJSPRAAK

6. Cliënte heeft bij het UWV verklaard daadwerkelijk te hebben gewerkt voor [A] BV en houdt die verklaring ook vandaag staande. (…)

7. Het is te betreuren dat het dossier bepaald geen alomvattend beeld van de zaak en het onderzoek levert. De facto wordt van de rechter gevraagd om een oordeel te vellen over een casus, terwijl de relevante informatie slechts deels beschikbaar is gemaakt. Er ontbreekt een substantieel deel van de administratie van het bedrijf [A]. Er ontbreken verklaringen van medewerkers, getuigen en/of medeverdachten. Medeverdachten zijn her en der vervolgd voor verschillende rechtbanken, en niet gezamenlijk. Nader onderzoek naar aanleiding van de verklaring van cliënte, de door haar aangeleverde namen of het door haar overhandigde materiaal heeft in het geheel niet plaatsgevonden. Wat is daarvan de reden? Dat is mij niet bekend, maar zorgvuldig kan dit onderzoek bepaald niet genoemd worden. Maar daarvan mag een verdachte niet de dupe worden.

8. Deze omstandigheden beïnvloeden in elk geval de uitkomst van de rechtsvraag die u hebt te beantwoorden. Cliënte bestrijdt de stelling dat haar dienstverband bij [A] BV fictief zou zijn geweest, en ontkent aldus de verwijten op de dagvaarding. Bij het oordeel of haar verklaring "aannemelijk" is, speelt het ontbreken van relevante informatie een rol. U kunt het [verdachte] niet verwijten dat het OM niet heeft zorggedragen voor het beschikbaar zijn van de administratie van [A] die in bezit bij de curator was. U kunt het haar niet euvel duiden dat het OM niet alle beschikbare verklaringen in het dossier heeft gevoegd. U kunt haar evenmin tegenwerpen dat de FIOD haar wel uitdrukkelijk heeft geadviseerd om getuigen te noemen die haar verklaring zouden kunnen bevestigen, maar vervolgens heeft nagelaten om naar de door cliënte inderdaad opgegeven getuigen onderzoek te doen.

9. U kunt bij die stand van zaken niet zonder meer oordelen dat de verklaring van cliënte niet aannemelijk zou zijn geworden. Haar verklaring en de door haar aangeleverde stukken bevatten voldoende concrete aanknopingspunten voor nader onderzoek. Uit de ontbrekende stukken of uit het achterwege gebleven nadere onderzoek had goed een bevestiging van de verklaring van cliënte kunnen volgen, en/of ontlastend steunbewijs.

10. En haar verklaring is op zichzelf al voldoende concreet, en wordt al voldoende ondersteund, om niet op voorhand als onaannemelijk terzijde te worden geschoven.

(…)

21. Er zijn salarisbetalingen vastgesteld door [A] (dan wel kennelijk gelieerde ondernemingen namens [A]). Ten aanzien van de kasbetalingen voor de maanden mei, juni en juli meldt het dossier niet dat de administratie van [A] dit zou tegenspreken. Die hebben dus kennelijk ook plaatsgevonden (en tijdig!). Er zitten voorts loonstroken in het dossier. Cliënte komt voor op de verzamelloonstaat 2009 van accountantskantoor [E], waarvan eigenaar [betrokkene 13] verklaarde alleen contact te hebben met [betrokkene 8] en [betrokkene 6]. [betrokkene 13] zegt de loonstroken tot en met juli 2009 te hebben gedaan, terwijl die van latere datum een andere opmaak hebben. Dat geldt ook voor de loonstroken van cliënte.

22. Ook de lasten zijn kennelijk (en tijdig) afgedragen, althans het dossier meldt in elk geval niet dat cliënte niet zou zijn aangemeld bij de Belastingdienst of dat loonbelasting, sociale verzekeringsbijdragen of het werkgeversdeel niet zouden zijn afgedragen.

23. Cliënte heeft een agenda overgelegd uit 2009, waarin haar werkzaamheden voor [A] worden bevestigd. Die agenda vermeldt onder meer:

(…)

• Afspraken met een drukfabriek, het mailen van het [...] logo naar de drukfabriek en omtrent het ontwerp door de drukfabriek op respectievelijk 3, 5 en 11 juni 2009;

Dit wordt ondersteund door de aan de FIOD overhandigde en in het dossier gevoegde factuur van die drukfabriek d.d. 5 juni 2009 (2 dagen na het eerste bezoek), alsmede door de schriftelijke verklaring van [betrokkene 11] van die drukfabriek. Op de factuur prijkt onderaan overigens de kennelijke handelsnaam "[B]", hetgeen overeenkomt met de aantekening in de agenda van cliënte op 3, 5 en 11 juni (respectievelijk '[B]' en '[B].');

(…)

24. Dit betreft diverse en gedetailleerde - evident werk-gerelateerde - informatie die dus, zoals aangegeven, bovendien bevestiging vindt in diverse dossieronderdelen. Voor zover er al enig onderzoek is gedaan (of beter: voor zover uit het dossier blijkt dat er enige relevante informatie beschikbaar is gekomen) wordt de inhoud van deze agenda niet weerlegd maar op onderdelen wel bevestigd. Overigens is er kennelijk geen enkel concreet onderzoek gedaan naar de in de agenda voorkomende namen (personen of bedrijven). Ik merk in elk geval op dat uit de administratie van [A] had kunnen en moeten blijken of de factuur van de drukkerij betaald was. Het achterwege blijven van zelfs dat eenvoudige onderzoek is ronduit kwalijk.

(…)

27. Vanuit de witwas-jurisprudentie leen ik graag de navolgende formulering (hoewel dat in deze casus geen staande jurisprudentie is): uit het voorgaande blijkt dat cliënte de FIOD heeft voorzien van een (ten minste!) min of meer concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring die haar dienstverband bij [A] ondersteunt. Voorts blijkt uit het dossier van diverse bronnen (deels onafhankelijk) die verder ondersteunen dat er van zo een dienstverband sprake is geweest. Dat een deel van deze verklaring in het geheel niet is onderzocht komt voor rekening van de FIOD en het OM (en zelfs, met alle respect, van het Hof).

28. Dat er uit het onderzoek elementen zijn gebleken die doen vermoeden dat er fraude is gepleegd bij dan wel door middel van [A] doet niet af aan de aannemelijkheid van de verklaring van cliënte dat zij wel degelijk in dienst was bij en tegen betaling werkzaamheden verrichtte voor dat bedrijf, Dat er personeelsleden uit [plaats] zijn die haar niet kennen doet daar evenmin aan af. En dat er enige administratieve chaos zou zijn ten aanzien van haar dienstverband kan haar evenmin worden aangerekend en doet ook geen afbreuk aan haar verklaring.

29. Het potentieel belastende bewijsmateriaal in het dossier levert volstrekt onvoldoende tegenwicht om tot het wettig en overtuigend bewijs te komen dat cliënte willens en wetens heeft gelogen over het in dienst zijn bij [A] BV en in strijd met een op haar rustende verplichting heeft nagelaten die gegevens te verstrekken, c.q. opzettelijk gebruik zou hebben gemaakt van de onder 2 genoemde valse/vervalste geschriften.

(…)

36. Ik sluit af.

Het dossier bevat veel aannames en veronderstellingen, leunt zwaar op potentieel oprechte vergissingen en levert geen enkel concreet tegenbewijs tegen de verklaring van cliënte dat zij echt voor [A] heeft gewerkt. Eventueel misbruik - zelfs door [betrokkene 2] - van het bedrijf, de leaseconstructies aldaar of de financiële administratie levert niet het bewijs op dat het dienstverband van cliënte ook fictief zou zijn geweest. [verdachte] heeft een concrete, verifieerbare verklaring afgelegd en ter ondersteuning meerdere stukken aangehouden. Daarnaar heeft geen enkel onderzoek plaatsgehad.

Ook het Hof wees nader onderzoek daarnaar af; ten onrechte, naar mijn mening. Uit het voorgaande volgt dat nader onderzoek in de administratie opheldering had kunnen verschaffen over de datum van loonbetaling en de vraag of de door cliënte overgelegde factuur was betaald. De opgegeven getuigen [betrokkene 11], [betrokkene 9] en [betrokkene 10] zouden kunnen verklaren of cliënte hen namens [A] heeft benaderd, en zo ja, hoe dat precies is gegaan. Dat zou hun ontlastende schriftelijke verklaringen kunnen bevestigen en er meer bewijskracht aan kunnen verlenen.

37. Dat dit alles achterwege is gebleven schaadt de verdediging en treft cliënte rechtstreeks in haar mogelijkheden om zich tegen de verwijten te verweren. Zij heeft niet nagelaten de juiste inlichtingen te verstrekken in strijd met een op haar rustende verplichting, want zij heeft gewerkt voor [A] en wilde dat aldus aantonen. Zij heeft geen gebruik gemaakt van een vals c.q. vervalst geschrift zoals opgenomen in de tenlastelegging, want die geschriften zijn niet vals c.q. vervalst. Althans, niet bij weten van cliënte, die dus in elk geval niet opzettelijk van een wellicht vals/vervalst geschrift gebruik heeft gemaakt.

38. Ik geef u dan ook primair in overweging om cliënte vrij te spreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

(…)

Conclusie:

Vrijspraak feit 1 en 2”.

6.2.

Het hof heeft in het bestreden arrest met betrekking tot het strafdossier het volgende overwogen:

“De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het strafdossier in onderhavige zaak geen alomvattend beeld van de zaak en het onderzoek levert, omdat meerdere onderzoekshandelingen en/of de schriftelijke stukken daarvan ontbreken in het dossier

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer dat de advocaat-generaal zich tijdens de regiezitting van 14 april 2016 bereid heeft verklaard om zich in te spannen voor inzage door de verdediging in andere stukken van het dossier die mogelijk aanwezig zouden zijn bij het UWV en de FIOD. De advocaat-generaal heeft daarbij aangegeven dat hij ten behoeve daarvan van de verdediging een opsomming dient te ontvangen van hetgeen de verdediging wenst in te zien. Niet is gebleken dat de verdediging van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Het hof is van oordeel dat de verdediging zich thans niet met vrucht kan beroepen op het verweer dat bepaalde stukken in het dossier zouden ontbreken.”

6.3.

In de toelichting op het middel, dat niet uitblinkt in helderheid, wordt aangevoerd dat de verdediging in hoger beroep ter onderbouwing van het vrijspraakverweer heeft betoogd 1) dat de verdachte een factuur van een door haar ingeschakelde drukkerij aan de FIOD heeft overgelegd, welke factuur aan [A] is gezonden omdat de verdachte namens dat bedrijf opdracht had gegeven tot drukwerk, 2) dat de verdachte heeft verklaard dat haar loon een aantal malen per kas was betaald en 3) dat de sociale lasten kennelijk door het bedrijf zijn betaald respectievelijk loonbelasting is ingehouden door het bedrijf. Door de verdediging is aangevoerd dat het hof niet zonder meer kon oordelen dat de verklaring van de verdachte op deze drie punten niet aannemelijk zou zijn, omdat naar deze onderdelen van haar verklaring geen onderzoek is gedaan en vanwege het ontbreken van de administratie van het bedrijf in het dossier het hof deze onderdelen van de verklaring van de verdachte ook niet kon controleren. Het hof heeft echter geoordeeld dat de verdediging zich niet met vrucht kon beroepen op het verweer dat bepaalde stukken in het dossier zouden ontbreken, heeft volgens de steller van het middel twee van de drie standpunten van de verdediging genegeerd en heeft een van de standpunten gepasseerd met de overweging dat het een niet-verifieerbare verklaring is die de verdachte niet heeft kunnen onderbouwen.
Vervolgens worden, zo begrijp ik, door de steller van het middel drie klachten opgevoerd. De eerste klacht houdt in dat het hof de verdediging het recht heeft ontzegd om zich te beroepen op het achterwege blijven van nader onderzoek en op het ontbreken van (de relevante delen van) de administratie van [A] B.V. in het dossier. De tweede klacht houdt in dat het hof ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn ambtshalve bevoegdheid om tot verificatie te komen van de drie standpunten van de verdediging. De derde klacht houdt in dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op de drie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging.

6.4.

Wat betreft de eerste klacht stel ik vast dat de verdediging bij pleidooi uitgebreid heeft betoogd dat het dossier onvolledig is doordat bepaald onderzoek niet is gedaan en dat – niet nader genoemde – stukken ontbreken in het dossier. Het hof heeft aan dat betoog van de verdediging echter niet de door de verdediging voorgestane conclusie verbonden dat de verdachte op haar woord moet worden geloofd. Uit het feit dat aan het betoog van de verdediging niet de door haar gewenste conclusie is verbonden, kan echter geenszins worden afgeleid dat de verdediging het recht is ontzegd dat betoog te voeren. De klacht ontbeert in zoverre feitelijke grondslag. Voor zover het middel beoogt te klagen dat het hof niet had mogen oordelen dat de verklaring van de verdachte dat zij de overige salarissen contant uitbetaald heeft gekregen niet-verifieerbaar is en dat de verdachte deze verklaring niet heeft kunnen onderbouwen stuit het middel af op de selectie- en waarderingsvrijheid van het hof.

6.5.

Met de tweede klacht doet de steller van het middel in feite een beroep op de verantwoordelijkheid van de zittingsrechter voor de volledigheid van het onderzoek en de samenstelling van de processtukken.10 Deze verantwoordelijkheid komt onder meer tot uitdrukking in art. 315, eerste lid, Sv, waarin de rechter de bevoegdheid is gegeven om ambtshalve de oproeping van getuigen en de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging te bevelen indien hem de noodzakelijkheid van dat verhoor respectievelijk de overlegging van die bescheiden of stukken blijkt.

6.6.

Van deze vrije bevoegdheid heeft het hof in deze zaak geen gebruik gemaakt. Het hof heeft in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de door de verdachte overgelegde factuur, de verklaring van de verdachte dat zij salarissen contant heeft ontvangen en de door de verdediging betrokken stelling dat de sociale lasten kennelijk door het bedrijf zijn betaald respectievelijk loonbelasting is ingehouden door het bedrijf kennelijk niet de noodzaak gezien nader onderzoek te doen dan wel de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging te bevelen. Dat aan het hof voorbehouden oordeel komt mij in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd niet onbegrijpelijk voor, zodat de tweede klacht faalt.

6.7.

Wat betreft de derde klacht, het onvoldoende responderen op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, stel ik vast dat de verdediging blijkens de hiervoor aangehaalde pleitnota in hoger beroep het standpunt heeft betrokken dat de verdachte diende te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde omdat zij in loondienst was bij [A] B.V., in dat kader werkzaamheden heeft verricht voor [A] B.V. en salaris heeft ontvangen van [A] B.V. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte een factuur van een door haar ingeschakelde drukkerij aan de FIOD heeft overgelegd, dat deze factuur door de drukkerij aan [A] B.V. was gezonden omdat de verdachte namens dat bedrijf opdracht had gegeven tot drukwerk, dat de verdachte haar loon een aantal malen per kas heeft ontvangen en dat de sociale lasten voor de verdachte door [A] B.V. zijn ingehouden respectievelijk loonbelasting door [A] B.V. is ingehouden.

6.8.

Het hof heeft in afwijking van dit standpunt de verdachte veroordeeld voor het haar onder 1 en 2 tenlastegelegde. Met de hiervoor onder 3.2 aangehaalde geciteerde overwegingen heeft het hof in het bijzonder de redenen opgegeven waarom het is afgeweken van het standpunt van de verdediging. Tot een nadere motivering was het hof mijns inziens niet gehouden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.11 De derde klacht is daarmee tevergeefs voorgesteld.

6.9.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

7. Het vierde middel klaagt dat het hof bij de strafoplegging geen rekening heeft gehouden met de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg, terwijl op die schending wel een beroep is gedaan.

7.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De raadsman voert het woord tot verdediging en verklaart, zakelijk weergegeven:

De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

De raadsman houdt de punten 1 tot en met 4 uit zijn pleitnota samengevat voor. Vanaf punt 5 voert de raadsman het woord overeenkomstig de pleitnota. De raadsman maakt de volgende aanvullingen op zijn pleitnota:

(…)

- Aanvulling aan het einde van de pleitnota, met betrekking tot de strafmaat: ik ben het met advocaat-generaal eens dat sprake is van schending van de redelijke termijn. De zaak is 9 jaar oud en de feiten en omstandigheden spelen een rol. Het is de vraag of gezien de ontwikkelingen in het leven van verdachte in combinatie met de schending van de redelijke termijn toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet redelijk is. Subsidiair verzoek ik conform de eis een korte proeftijd.”

7.2.

De aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“1. Cliënte is op 15 februari 2011 als verdachte gehoord in deze zaak. Vanaf die datum is er sprake van een criminal charge. Sindsdien zijn 7 jaar en 5 maanden verstreken, hetgeen een schending van de redelijke termijn oplevert.

2. Op 10 oktober 2014 heeft de politierechter van de rechtbank Overijssel vonnis gewezen. Bij dat vonnis is met het tijdsverloop ten onrechte geen rekening gehouden. Ten tijde van het wijzen van vonnis waren immers al 3 jaar en 8 maanden verstreken zonder rechtvaardiging voor dat tijdsverloop. Er was toen reeds sprake van schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn.

3. Tegen dat vonnis heeft cliënte zich tijdig voorzien van hoger beroep. Sedertdien zijn opnieuw (ruim) 3 jaar en 8 maanden verstreken zonder dat daarvoor rechtvaardiging bestaat. In hoger beroep - waarin weliswaar op verzoek van de verdediging 4 getuigen zijn gehoord - is het dossier pas verstrekt eind 2015, is de eerste zitting gehouden op 14 april 2016 en zijn nadien wederom 2 jaar en 3 maanden verstreken.

4. Ook in hoger beroep is derhalve sprake van schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn. Ik zal u, ingeval u daaraan toekomt, verzoeken daarmee rekening te houden bij het eventueel bepalen van een strafmaat.”

7.3.

Het bestreden arrest houdt onder “Oplegging van straf en/of maatregel”, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Alles overwegende is het hof van oordeel dat gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren passend is.

De advocaat-generaal en de raadsman (subsidiair) hebben aangevoerd dat in onderhavige zaak de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak is overschreden en om die reden strafvermindering dient plaats te vinden.

Het hof oordeelt als volgt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. In onderhavige zaak is op 24 oktober 2014 hoger beroep ingesteld, terwijl de stukken van het geding op 11 augustus 2015 door het hof zijn ontvangen. Voorts overweegt het hof dat het procesverloop in hoger beroep in onderhavige zaak na binnenkomst van de stukken van het geding bijna drie jaren in beslag heeft genomen. Weliswaar zijn er in de hoger beroepsprocedure meerdere getuigen gehoord op verzoek van de verdediging, maar dat verklaart niet de overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van deze strafzaak in hoger beroep.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in de fase van hoger beroep is overschreden. Echter, de hoogte van de voornoemde op te leggen taakstraf leent zich niet voor matiging. De Hoge Raad heeft bepaald dat geen vermindering van de straf wordt toegepast indien het gaat om een taakstraf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan honderd uren. Het hof is daarom van oordeel dat met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden dient te worden volstaan.”

7.4.

Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk gevoerd verweer dat het recht op berechting binnen een redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM ook in eerste aanleg was geschonden. Doordat het hof geen rekening heeft gehouden met die overschrijding van de redelijke termijn is de strafmotivering volgens de steller van het middel onbegrijpelijk.

7.5.

Vooropgesteld dient te worden dat het oordeel over de overschrijding van de redelijke termijn en het eventuele rechtsgevolg dat de feitenrechter daar aan kan verbinden, in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Dit betekent dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval.12 Bij deze toetsing geldt voorts als uitgangspunt dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de onderhavige garantie van artikel 6, eerste lid, EVRM. Hij dient in zijn uitspraak, voor zover hier van belang, te doen blijken van dat onderzoek indien ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven.13

7.6.

Uit de hiervoor aangehaalde strafmotivering blijkt dat het hof, ondanks een ter zake door de verdediging gevoerd verweer, geen overweging heeft gewijd aan de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. In het licht daarvan is de beslissing op het verweer dat de redelijke termijn is overschreden ontoereikend gemotiveerd. Daarover klaagt het middel terecht.

7.7.

De Hoge Raad kan de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen.14 Daarbij merk ik op dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat geen strafvermindering wordt toegepast indien de rechter heeft volstaan met de oplegging van een taakstraf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan honderd uren, zoals in de onderhavige zaak.15 De Hoge Raad kan daarom naar mijn mening volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

7.8.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

8. Het vijfde middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

8.1.

Namens de verdachte is op 6 augustus 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 7 augustus 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Daarover klaagt het middel terecht. Dit hoeft echter niet te leiden tot strafvermindering. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf voor de duur van tachtig uren kan worden volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.16

8.2.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

9. Het eerste, tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het vierde en het vijfde middel kunnen niet tot cassatie leiden. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met weglating van voetnoten.

2 Opmerking AG: in het arrest was vermeld ECLI:NL:CRVB:2016:8580, maar blijkens een aanvullende overweging in de aanvulling bewijsmiddelen betreft dit een verschrijving.

3 Met weglating van voetnoten.

4 Met weglating van een voetnoot.

5 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.8.

6 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.76.

7 Vgl. HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3029, NJ 2011/606, m.nt. Borgers, rov. 2.4.

8 Vgl. HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8865, NJ 2009/262, rov. 2.4-2.5, HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3026, NJ 2011/605, m.nt. Borgers, rov. 2.4, HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0438, rov. 2.5, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 3.3, en HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2583.

9 Met weglating van voetnoten.

10 Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Kluwer 2018, p. 267 en 757-758.

11 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.4.

12 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.7. en HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5819, rov. 2.4.

13 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m. nt. Mevis, rov. 3.8.

14 Vgl. HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2492, HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1283, en HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2055.

15 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.6.2.

16 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.6.2.