Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:623

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
19/03419
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1590, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Beslagrecht. Executoriaal beslag door Ontvanger. Gemotiveerd bezwaarschrift in de zin van art. 25.2.2 Leidraad Invordering 2008. Hoogte griffierecht in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-07-2020
FutD 2020-2124
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03419

Zitting 19 juni 2020

CONCLUSIE

E.M. Wesseling-van Gent

In de zaak

[eiser]

Tegen

De Ontvanger van de Belastingdienst

In deze zaak is in cassatie het begrip ‘gemotiveerd bezwaarschrift’ in de zin van artikel 25.2.2 Leidraad Invordering 2008 aan de orde, alsmede, in het kader van de klacht over het aan de Ontvanger in rekening gebrachte griffierecht, de begrippen bepaalde/onbepaalde waarde en natuurlijke persoon/niet-natuurlijke persoon in de Wet griffierecht burgerlijke zaken.

1. Feiten 1 en procesverloop 2

1.1 Om betaling te verkrijgen van een terugvorderingsbeschikking Zorgtoeslag van 21 november 2015 heeft verweerder in cassatie (hierna: de Ontvanger) bij exploot van 21 mei 2016 een hernieuwd bevel tot betaling voor een in dat exploot genoemd dwangbevel in persoon aan eiser tot cassatie (hierna: [eiser] ) betekend en voorts executoriaal beslag gelegd op de auto van [eiser] , een Opel Omega met kenteken [kenteken] (hierna: de auto).

1.2 Genoemd beslag is niet rechtsgeldig gelegd omdat op het moment van beslaglegging, anders dan in het exploot was vermeld, geen dwangbevel was uitgevaardigd.

1.3 [eiser] heeft op 30 mei 2016 bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 genoemde terugvorderingsbeschikking Zorgtoeslag. Bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2016 heeft Belastingdienst/Toeslagen zijn eerdere beslissing op bezwaar, waarbij het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk was verklaard, herzien en alsnog beslist dat de terugvorderingsbeschikking ten onrechte was opgelegd.

Daarmee is de terug- en invordering van deze zorgtoeslag niet meer aan de orde.

1.4 Op 21 juni 2016 is aan [eiser] een naheffingsaanslag Motorrijtuigbelasting over de periode van 22 maart 2014 tot en met 3 juni 2016 (hierna: de naheffingsaanslag MRB) opgelegd. Op 7 juli 2016 is voor deze aanslag een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 26 juli 2016 is betekend aan de Officier van Justitie en in de Staatscourant bekend is gemaakt. [eiser] heeft op 22 juli 2016 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag MRB. Bij dagvaarding van 2 september 2016 heeft [eiser] bij de rechtbank Overijssel verzet ingesteld tegen het dwangbevel van 7 juli 2016.

1.5 Op 8 augustus 2016 heeft de Ontvanger executoriaal beslag op de auto gelegd om van [eiser] betaling te verkrijgen van de naheffingsaanslag MRB.

1.6 [eiser] heeft bij dit geding inleidende verzetdagvaarding van 16 juni 2016 op de voet van art. 17 Invorderingswet 1990 de Ontvanger gedagvaard voor de rechtbank Midden-Nederland. Hij heeft daarbij – samengevat – gevorderd dat de rechtbank de Ontvanger (i) beveelt het executoriaal beslag op de auto op te heffen; (ii) veroordeelt om deze auto binnen één dag na betekening van het vonnis aan [eiser] af te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom en (iii) verbiedt om uitvoering te geven aan het bevel tot betaling op straffe van verbeurte van een dwangsom.3

1.7 De Ontvanger heeft verweer gevoerd.

1.8 Na verdere conclusiewisseling en pleidooi heeft de rechtbank de vorderingen bij vonnis van 17 mei 2017 afgewezen en [eiser] in de proceskosten veroordeeld.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [eiser] verzet heeft gedaan tegen de tenuitvoerlegging van de in het hernieuwde bevel tot betaling van 21 mei 2016 genoemde dwangbevel (rov. 4.1); dat geen grond (meer) bestaat voor toewijzing van de vordering van [eiser] tot opheffing van dat beslag, voor zover dat is gelegd ter verzekering van de betaling van de terugvorderingsbeschikking Zorgtoeslag en dat ditzelfde geldt voor het gevorderde verbod om uitvoering te geven aan het (niet bestaande) bevel tot betaling, zodat deze vorderingen zullen worden afgewezen (rov. 4.2); dat de resterende vordering tot afgifte van de auto is gebaseerd op de grondslag dat het executoriaal beslag van 21 mei 2016 onrechtmatig was en dat de Ontvanger zich tegen deze vordering verweert door erop te wijzen dat inmiddels op de auto een ander executoriaal beslag rust, thans ter verkrijging van betaling van de naheffingsaanslag MRB (rov. 4.3); dat het op 21 mei 2016 gelegde beslag onrechtmatig is gelegd, maar dat het nadien, op 8 augustus 2016, tot nakoming van de naheffingsaanslag MRB gelegde beslag op de auto echter in beginsel aan toewijzing van de vordering van [eiser] in de weg staat (rov. 4.3.1) en dat de vordering tot afgifte van de auto wordt afgewezen, nu op de auto een ander en niet aan het oordeel van deze rechtbank onderworpen beslag is gelegd dat aan afgifte van de auto in de weg staat (rov. 4.3.4).

1.9 [eiser] is, onder aanvoering van acht grieven, van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zittingsplaats Arnhem). Hij heeft daarbij allereerst geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van zijn vordering zoals ingesteld in eerste aanleg (petitum memorie van grieven onder A. tot en met D.). [eiser] heeft daarnaast zijn eis vermeerderd en, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang, gevorderd dat het hof, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaart dat de Ontvanger:

- E. jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld;

- F. is gehouden tot vergoeding van de door hem ( [eiser] ) geleden schade, op te maken bij staat, onder veroordeling van een voorschot ten bedrage van € 15.000,-; en

- G. is gehouden de in rekening gebrachte betekenings- en vervolgingskosten tot nihil te verlagen dan wel tot een door uw [hof] in goede justitie te bepalen bedrag.4

1.10 De Ontvanger heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.

1.11 Het hof heeft bij arrest van 30 april 2019 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd, [eiser] uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het hoger beroep veroordeeld en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.

1.12 [eiser] heeft tegen dit arrest tijdig5 cassatieberoep ingesteld.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping.

Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] heeft gerepliceerd en de Ontvanger heeft gedupliceerd.6

Samenhangend cassatieberoep

1.13 Parallel aan de onderhavige procedure heeft [eiser] nog een procedure aanhangig gemaakt tegen de Ontvanger.7 Daarin heeft [eiser] eveneens de opheffing gevorderd van het executoriale beslag op de auto, daarnaast teruggaaf van de auto en een verbod aan de Ontvanger om verdere uitvoering te geven aan een bevel tot betaling.8

Deze vorderingen zijn door de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, bij vonnis van 15 maart 2017 afgewezen.9 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 24 december 201910 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Mij is ambtshalve bekend dat [eiser] op 18 maart 2020 tegen dit arrest beroep in cassatie heeft ingesteld.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen.

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.4, waarin het hof het volgende heeft geoordeeld:

“Aan [eiser] is een naheffingsaanslag Mrb opgelegd over de periode van 22 maart 2014 tot en met 2 juni 2016 met dagtekening 21 juni 2016. [eiser] heeft tegen die aanslag bezwaar gemaakt op 22 juli 2016. [eiser] stelt dat dat bezwaar op grond van artikel 25 van de Leidraad Invordering 2008 (Leidraad) als een verzoek om uitstel van betaling had te gelden en de Ontvanger om die reden geen beslag had mogen leggen. Die stelling gaat niet op. Ingevolge artikel 25.2.2 van de Leidraad heeft, zoals de Ontvanger terecht aanvoert, alleen een gemotiveerd bezwaarschrift te gelden als een verzoek om uitstel. In het namens [eiser] ingediende bezwaar (door hem overgelegd als productie 10 bij memorie van grieven) wordt verklaard dat hij zich niet kan verenigen met de bestreden beslissing “op nader aan te voeren gronden van bezwaar”. Dit niet gemotiveerde bezwaarschrift kan niet als uitstelverzoek worden aangemerkt en kan daarom ook niet in de weg staan aan de door de Ontvanger genomen invorderingsmaatregelen. Grief 1 slaagt niet.”

2.2

Het onderdeel klaagt in de eerste plaats11 dat het bestreden oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe wordt, samengevat, aangevoerd dat een redelijke uitleg van het begrip ‘gemotiveerd bezwaarschrift’ in de zin van artikel 25.2.2 Leidraad Invordering 2008 “een bezwaarschrift is dat volgens fiscaalrechtelijke maatstaven een ontvankelijk bezwaarschrift is, want – voldoende – gemotiveerd in de zin van art. 6:5 lid 1 Awb.” Volgens de klacht blijkt uit de belastingrechtspraak dat een bezwaar al heel snel een gemotiveerd bezwaarschrift is in de zin van art. 6:5 lid 1 Awb. Dat een belastingplichtige het bezwaar nader wil motiveren of nadere gronden voor de motivering wil aandragen, betekent niet dat het bezwaarschrift niet al (voldoende) gemotiveerd is in de zin van art. 6:5 lid 1 Awb.12

2.3

Volgens het onderdeel heeft het hof daarnaast13, zakelijk weergegeven, het bezwaarschrift selectief geciteerd en andere relevante onderdelen niet geciteerd. Zo heeft het hof wel de volgende zinsnede geciteerd:

“Cliënt kan zich niet verenigen met de bestreden beslissing op nader aan te voeren gronden van bezwaar.” (‘nader’ is onderstreept in de procesinleiding)

Niet geciteerd is evenwel de vierde en vijfde alinea14 van het bezwaarschrift, waarin, aldus het onderdeel, “onmiskenbaar een voldoende motivering (de gronden van het bezwaar) is opgenomen”:

“Cliënt is van mening dat de bestreden beslissing is genomen in strijd met de hieraan ten grondslag gelegde wettelijke bepalingen, alsmede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals neergelegd in de Awb, waaronder het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Cliënt is eveneens van mening dat de bestreden beslissing op een onjuiste grondslag berust.

Ik verzoek u mij de stukken toe te sturen die betrekking hebben op de bestreden beslissing alsmede mij een termijn te stellen voor het aanvullen van de gronden van bezwaar. Na ontvangst van de stukken zal ik de gronden van het bezwaar aanvullen alsmede concluderen.”

2.4

Voor de behandeling van deze klachten is zowel (de tekst van) artikel 25.2.2 van de Leidraad Invordering als het partijdebat van belang. Ik geef van beide een korte schets.

Leidraad Invordering 2008 15

2.5

In het ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift van [eiser] - 22 juli 2016 - geldende16 artikel 25.2.2 Leidraad Invordering 2008 is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

“Als de belastingschuldige een gemotiveerd bezwaarschrift tegen een belastingaanslag indient, merkt de ontvanger het bezwaarschrift aan als een verzoek om uitstel van betaling. Dit geldt echter uitsluitend als de belastingschuldige in het bezwaarschrift tevens het bestreden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag vermeldt.” (onderstrepingen, A-G).

2.6

Het woord ‘gemotiveerd’ in de eerste volzin, is bij Wijziging Leidraad Invordering 2008 van 8 oktober 2008 ingevoegd.17 Deze invoeging strekte ertoe om het uitstelbeleid in verband met bezwaar tegen de aanslag te verduidelijken. Een bezwaarschrift moet niet alleen het bestreden bedrag en een berekening van dat bedrag bevatten maar ook anderszins gemotiveerd zijn om als verzoek om uitstel van betaling te kwalificeren, aldus de toelichting.

Het woord ‘tevens’ in de tweede volzin, is in 2009 ingevoegd.18 Deze wijziging is niet afzonderlijk toegelicht.

2.7

Artikel 25.2.2 van de Leidraad Invordering 2008 stelt dus twee eisen aan een bezwaarschrift om te kunnen gelden als verzoek om uitstel van betaling.

Partijdebat in hoger beroep

2.8

[eiser] heeft zijn eerste grief gericht tegen rov. 4.3 van het vonnis, waarin de rechtbank de vordering tot afgifte van de auto heeft beoordeeld.

De grief luidt als volgt:

“Schending van het recht althans onjuiste toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, doordat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen in r.o. 4.3 dat "inmiddels op de auto een ander executoriaal beslag rust, thans ter verkrijging van betaling van de naheffingsaanslag MRB" en dat niet, althans onvoldoende, in aanmerking is genomen dat een bezwaarschrift tegen die naheffingsaanslag tevens kwalificeerde als een (verleend) verzoek om uitstel van betaling totdat onherroepelijk daarop is beslist. Dat oordeel is onjuist althans zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk.”19

In de toelichting op deze grief20 heeft [eiser] eerst de tekst van artikel 25.2.2 Leidraad Invordering 2008 vermeld en is hij daarna ingegaan op het in de tweede volzin bepaalde omtrent het bedrag van de aanslag en de berekening van het bedrag. Dienaangaande heeft [eiser] , samengevat, aangevoerd dat in het bezwaarschrift van 22 juli 2016 expliciet het bedrag van € 2.665 is vermeld en voorts dat een berekening ontbreekt omdat de berekening ook niet is vermeld op de beschikking, hetgeen onderdeel van het bezwaar is waarbij expliciet een beroep is gedaan op het motiveringsbeginsel.

[eiser] heeft niet aangevoerd dat en waarom sprake is van een gemotiveerd bezwaarschrift als bedoeld in de eerste volzin.

2.9

De Ontvanger heeft daarop gewezen in zijn memorie van antwoord en primair21 aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat het bezwaarschrift niet kwalificeert als een verzoek om uitstel van betaling omdat het niet is gemotiveerd, nu het een bezwaar betreft op nader aan te voeren gronden. Alleen een gemotiveerd bezwaarschrift geldt als een verzoek om uitstel van betaling, aldus de Ontvanger onder verwijzing naar artikel 25.2.2 Leidraad Invordering 2008.22

2.10

Het hof heeft klaarblijkelijk gerespondeerd op het partijdebat met zijn overwegingen dat de stelling van [eiser] (dat het bezwaar op grond van artikel 25.2.2 Leidraad Invordering had te gelden als een verzoek om uitstel van betaling) niet opgaat, dat – zoals de Ontvanger (volgens het hof) terecht aanvoert – alleen een gemotiveerd bezwaarschrift heeft te gelden als een verzoek om uitstel en dat daarvan in de onderhavige zaak geen sprake is.

2.11

In cassatie wordt voor het eerst gesteld dat het bezwaarschrift wel is gemotiveerd, waarbij wordt gewezen op hetgeen in de vierde en vijfde alinea van het bezwaarschrift is vermeld (hierboven onder 2.3 aangehaald).

[eiser] heeft een en ander niet bij het hof gesteld (en vermeldt in de procesinleiding dan ook geen vindplaatsen van dergelijke stellingen in zijn memorie van grieven).

Er is dus in cassatie sprake van een novum, en wel een – ontoelaatbaar - feitelijk novum.23

2.12

Voor zover het onderdeel de klacht zou inhouden dat het hof de genoemde alinea’s zelf bij zijn beoordeling had moeten betrekken, wijs ik erop dat in het civiele procesrecht de regel geldt dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept.24

2.13

Gelet op het voorgaande treffen de klachten van onderdeel 1 geen doel, nu het oordeel van het hof in rov. 5.4 niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en – in het licht van het debat tussen partijen in hoger beroep – ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd.

2.14

Onderdeel 2, dat twee klachten bevat (hierna aangeduid als: subonderdelen 1 en 2), is gericht tegen rov. 6.2, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

“Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [eiser] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Ontvanger zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.952

- salaris advocaat € 1.074 (1 punt x tarief II)”

2.15

Subonderdeel 1 klaagt dat het oordeel in strijd is met art. 237 en 239 Rv en de Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) nu het in rekening gebrachte griffierecht aan de Ontvanger te hoog is vastgesteld.

Daartoe wordt in de eerste plaats, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat uit het bedrag van € 1.952,- kan worden afgeleid dat het hof de zaak kennelijk heeft gekenmerkt als een zaak van bepaalde waarde tussen de € 12.500 en € 100.000,-.25 Dat bedrag is te hoog omdat het om een zaak van onbepaalde waarde gaat. Weliswaar heeft de Ontvanger het griffierecht niet bestreden (art. 29 Wgbz), maar die omstandigheid mag niet ten koste gaan van [eiser] , aldus het subonderdeel. Dat het hier een zaak van onbepaalde waarde betreft, volgt uit de aard van de vorderingen (opheffing van het beslag en teruggave van de auto en daarnaast schadevergoeding op te maken bij staat, waarbij geen bedrag is genoemd), terwijl het hof ook geen bedrag aan schade in de zin van art. 14 Wgbz heeft begroot. Volgens het subonderdeel is het onbegrijpelijk hoe het hof ertoe is gekomen dat sprake is van een zaak van bepaalde waarde van meer dan € 12.500, dan wel heeft het hof de Wgbz onjuist toegepast.

2.16

Laatstgenoemde rechtsklacht faalt omdat de begroting door de rechter van de kosten van het geding, ook voor zover het het griffierecht betreft, een feitelijke beslissing betreft. Dergelijke beslissingen behoeven geen zelfstandige motivering26, tenzij sprake is van een vergissing.27

2.17

Met betrekking tot de motiveringsklacht dient het volgende tot uitgangspunt.

2.18

In zijn arresten van 2 juni 2017 en 6 december 2019 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat (i) op grond van art. 10 lid 1 Wgbz de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding; (ii) de hoogte van het griffierecht volgens art. 3 lid 5 Wgbz wordt bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij die wet is gevoegd; (iii) dat in die tabel onderscheid wordt gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag en (iv) deze regeling erop is gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak.28

2.19

In cassatie brengt het voorgaande mee, aldus de Hoge Raad, dat voor de berekening van het griffierecht in een bij dagvaarding aangebrachte zaak moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het beroep is gericht, had te beslissen, ook indien niet de betaling van een geldsom is gevorderd.29

2.20

In het arrest van 2 juni 2017 heeft de Hoge Raad verder overwogen dat in het geval dat in een dagvaarding meerdere vorderingen worden ingesteld, de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van het totale beloop of de totale waarde van de gecumuleerde vorderingen. Dit betekent dat in een geval van samenloop van een vordering met een beloop van een bepaald bedrag en een vordering van onbepaalde waarde, het griffierecht dient te worden begroot op basis van eerstgenoemde vordering (rov. 2.2.3).

2.21

Het voorgaande geldt natuurlijk ook in hoger beroep.

2.22

In deze zaak heeft de rechtbank [eiser] in de proceskosten van de Ontvanger veroordeeld en daarbij het griffierecht aan de zijde van de Ontvanger begroot op een bedrag van € 619,-. Dit bedrag komt overeen met het destijds geldende griffierecht voor zaken met betrekking tot een vordering van onbepaalde waarde.

In hoger beroep heeft [eiser] echter zijn eis vermeerderd, waarbij hij (onder meer) heeft gevorderd dat de Ontvanger wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot van de schade van € 15.000,- (het petitum van de memorie van grieven onder F., hierboven onder 1.9 geciteerd).

2.23

Voor de vaststelling van het griffierecht is de waarde van de vordering bepalend en is niet van betekenis in hoeverre een vordering daadwerkelijk wordt toegewezen.30

2.24

Gelet op de in hoger beroep vermeerderde eis tot een bedrag van € 15.000,- (als voorschot) en op de hierboven onder 2.20 vermelde regel dat in een geval van samenloop van een vordering met een beloop van een bepaald bedrag en een vordering van onbepaalde waarde het griffierecht dient te worden begroot op basis van eerstgenoemde vordering, is het niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 6.2 voor het griffierecht de categorie heeft genomen voor zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van meer dan € 12.500,- en niet meer dan € 100.000,-.

Dat het bij wege van eisvermeerdering gevorderde bedrag van € 15.000,- niet is gespecificeerd, zoals in par. 2.2 van de repliek van [eiser] naar voren wordt gebracht, is niet ter zake doende. Het is gevorderd.

De motiveringsklacht faalt derhalve.

2.25

Subonderdeel 1 voert als tweede argument aan31 dat het hof heeft miskend dat de Ontvanger volgens de rechtspraak van de Hoge Raad32 moet worden beschouwd als een natuurlijk persoon (in functionele hoedanigheid aangewezen). Dit betekent dat voor het in rekening brengen van griffierecht ook de tabellen voor natuurlijke personen moeten worden toegepast, en niet, zoals in deze zaak, het tarief van een rechtspersoon.

2.26

Bij wet van 7 maart 201333 is de tabel, die als bijlage bij de Wgbz is gevoegd, gewijzigd. Een van de wijzigingen betrof een terminologische verbetering door niet langer te verwijzen naar een griffierecht voor rechtspersonen (naast een griffierecht voor natuurlijke personen en een griffierecht voor onvermogenden), maar in plaats daarvan naar een griffierecht voor niet-natuurlijke personen (Artikel I onder N). Deze verbetering is in de memorie van toelichting34 als volgt toegelicht:

“Met de voorgestelde wijziging van rechtspersonen in niet-natuurlijke personen wordt het probleem verholpen dat de tabel voor vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en maatschappen geen duidelijkheid verschaft over het door hen verschuldigde griffierecht, aangezien zij zonder rechtspersoonlijkheid niet als rechtspersonen zijn aan te merken en evenmin als natuurlijke personen. Helder is nu dat zij het griffierecht voor niet-rechtspersonen, in de desbetreffende zaakscategorie, verschuldigd zijn. Dit komt bovendien overeen met de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 8 juli 2011 (LJN:BQ2800).35

2.27

In de zaak die leidde tot het in de toelichting genoemde arrest van 8 juli 201136 was een maatschap in verzet gekomen tegen de beslissing van de griffier van de Hoge Raad om voor het griffierecht het tarief voor rechtspersonen toe te passen. De Hoge Raad oordeelde dat het verzet ongegrond was en overwoog daartoe het volgende:

“2.4. (…) Juist is dat een maatschap geen rechtspersoon is, doch evenmin staat ter discussie dat zij niet als een natuurlijke persoon kan worden beschouwd. In een dergelijk geval moet een keuze worden gemaakt die bij gebrek aan nadere toelichting vooral bepaald wordt door een redelijke wetstoepassing in overeenstemming met doel en strekking van de wet. Het begrip natuurlijke personen leent zich aanzienlijk minder voor een ruime uitleg dan het begrip rechtspersoon. Kennelijk is de strekking van de wet dat voor natuurlijke personen, zoals dit begrip in het rechtsverkeer pleegt te worden verstaan, het lage tarief geldt en voor alle andere procespartijen, die zijn samengevoegd onder de minder gelukkige benaming rechtspersonen, het hoge tarief van toepassing is. Daarom moet worden aangenomen dat een maatschap het hoge tarief is verschuldigd. Deze uitleg strookt overigens met de in de praktijk niet omstreden toepassing van de voorheen geldende soortgelijke regelgeving op dit vlak. Aldus is van strijd met het legaliteits- dan wel (naar kennelijk is bedoeld:) wetmatigheidsbeginsel geen sprake.”

2.28

Uit het voorgaande volgt dat als een procespartij geen rechtspersoon is en ook niet kan worden beschouwd als een natuurlijke persoon, deze bij de vaststelling van het griffierecht dient te worden aangemerkt als een niet-natuurlijke persoon.

De Ontvanger is een orgaan, niet zijnde een natuurlijk persoon of een rechtspersoon, en heeft op grond van art. 3 lid 2 Invorderingswet 1990 procesbevoegdheid in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak als zodanig.37

De Ontvanger dient dus voor het griffierecht te worden aangemerkt als een niet-natuurlijke persoon. De omstandigheid dat de Hoge Raad in het B./Ontvanger-arrest38 heeft geoordeeld dat de Ontvanger voor de toepassing van de regels voor de betekening van exploten heeft te gelden als een in functionele hoedanigheid aangewezen natuurlijke persoon, brengt niet mee dat de Ontvanger voor de toepassing van de Wgbz ook als een natuurlijke persoon moet worden beschouwd.

Het tweede argument gaat mitsdien eveneens niet op.

2.29

De klacht dat het oordeel van het hof in strijd is met art. 237 en 239 Rv wordt niet gesubstantieerd en kan daardoor onbehandeld blijven.

Subonderdeel 1 faalt daarmee in zijn geheel.

2.30

Subonderdeel 2 klaagt dat het oordeel van het hof niet in stand kan blijven omdat bij de vaststelling van het salaris van de advocaat van de Ontvanger het liquidatietarief II (voor zaken met een geldswaarde van € 10.000,- tot € 20.000,-) is toegepast in plaats van het toepasselijke tarief I, zodat sprake is van een kennelijke misslag.39

2.31

Het subonderdeel bouwt voort op de klachten van subonderdeel 1 en deelt dan ook in het lot daarvan.

2.32

Uit het voorgaande volgt dat alle onderdelen falen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 mei 2017, rov. 2.1 t/m 2.5, van welke feiten ook het hof is uitgegaan (zie rov. 3 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 april 2019, hierna: het bestreden arrest). De feiten zijn enigszins verkort weergegeven.

2 Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 mei 2017, rov. 1.1 en 1.2. Zie voor het procesverloop in hoger beroep het bestreden arrest, rov. 2.1 en 2.2.

3 Zie het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 mei 2017, rov. 3.1.

4 Zie het petitum van de memorie van grieven van 30 april 2018.

5 De procesinleiding is op 18 juli 2019 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.

6 De procesdossiers in deze zaak stemmen niet geheel overeen. Productie 4 bij de verzetdagvaarding bevat één pagina minder in het A-dossier dan in het B-dossier (zie voor de verzetdagvaarding: processtuknummer 1 in zowel het A-dossier als B-dossier). De conclusie van antwoord in het A-dossier bevat onderstrepingen aangebracht met een pen en de volgorde van de pagina’s van productie 5 komen niet in beide dossiers overeen (zie voor de conclusie van antwoord: processtuknummer 2 in zowel het A-dossier als in het B-dossier). Het B-dossier bevat vóór de conclusie van repliek nog een begeleidende brief van Bouwman advocaten aan Van Doorne Advocaten van 7 september 2016 en een B3-formulier en in het B-dossier lijken de tabbladen voor de producties niet de goede volgorde aan te houden (processtuknummer 3 in het B-dossier). Het B-dossier bevat vóór de conclusie van dupliek een B3-formulier (processtuknummer 4 in het B-dossier). In het B-dossier zit een ondertekend exemplaar van de pleitnotities van mr. Kools en in het A-dossier zijn de pleitnotities niet ondertekend (zie voor de pleitnotities: processtuknummer 5 in zowel het A-dossier als het B-dossier). In het A-dossier mist de laatste (derde) pagina van de appeldagvaarding en het A-dossier bevat nog een ‘Bericht rechtsbijstandverlener declaratieverzoek’ en dat laatste bevat het B-dossier niet (zie voor de appeldagvaarding: processtuknummer 7 in zowel het A-dossier als het B-dossier). Het B-dossier bevat vóór de memorie van grieven/tevens akte houdende vermeerdering van eis een H-formulier (zie voor de memorie van grieven/tevens akte houdende vermeerdering van eis: processtuknummer 8 in zowel het A-dossier als het B-dossier). Verdere verschillen tussen beide dossiers t.a.v. de memorie van grieven/tevens akte houdende vermeerdering van eis zijn: in het A-dossier zit geen pagina met als kop ‘1. INLEIDING’ en in het B-dossier wel; in het A-dossier lijkt de een-na-laatste pagina van de memorie te missen (het B-dossier bevat nog een pagina met daarop grief 8 en een hoofdstuk 4 over bewijs); het B-dossier lijkt de voorbladen van producties 6 (welke productie een extra pagina lijkt te bevatten t.o.v. het A-dossier) en 13 te missen; het A-dossier lijkt het voorblad van productie 7 te missen; het A-dossier bevat na de memorie van grieven/tevens akte houdende vermeerdering van eis onder processtuknummer 8 tevens de memorie van antwoord, terwijl die memorie van antwoord ook als processtuknummer 9 is opgenomen in het A-dossier. De volgorde van de pagina’s van productie 9 van de memorie van antwoord komen niet in beide dossiers overeen (zie voor de memorie van antwoord: processtuknummer 9 in zowel het A-dossier als het B-dossier). Het A-dossier vermeldt in de inventarislijst nog (enkele) cassatiestukken en verwijst daarvoor naar het digitale dossier van de Hoge Raad, maar het originele exploot betekening oproepingsbericht ex artikel 112 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is wel in het A-dossier opgenomen. Het B-dossier vermeldt in het inventarisoverzicht alle cassatiestukken en daarin zijn de cassatiestukken ook opgenomen met uitzondering van de nota van repliek (processtuknummer 15 in het B-dossier).

7 Zie de s.t. van de Ontvanger, onder 1.2.

8 Zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 24 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:11205, rov. 5.1.

9 Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 15 maart 2017, zaaknummer/rolnummer: C/08/191283 /HA ZA 16-404 (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl).

10 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, 24 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:11205.

11 Zie de procesinleiding, p. 5.

12 Daarbij wordt op p. 6 van de procesinleiding verwezen naar M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer, 2007, p. 410 en 411 en S.C.W. Douma, R.J. Koopman, E.A.G. van der Ouderaa en J. Wortel, Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer, 2017, p. 317.

13 Zie de procesinleiding, p. 6.

14 In de procesinleiding wordt op p. 6-7 abusievelijk verwezen naar de tweede en derde alinea.

15 Zie het Besluit van 12 juni 2008, Stcrt. 2008/122.

16 De tekst van artikel 25.2.2 is voor het laatst gewijzigd in Stcrt. 2016, 69107 en geldt per 1 januari 2017.

17 Stcrt. 2008/205 onder F.

18 Wijziging Leidraad Invordering 2008 van 11 februari 2009, Stcrt. 2009/38 onder E.

19 Memorie van grieven/tevens akte houdende vermeerdering van eis, onder 3.1.

20 Memorie van grieven/tevens akte houdende vermeerdering van eis, onder 3.2.

21 Subsidiair (onder 3.8) heeft de Ontvanger gesteld dat hij gedurende de behandeling van een verzoek om uitstel van betaling niet behoeft te handelen alsof het verzoek is toegewezen als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad (vgl. art. 25.1.1 Leidraad).

22 Memorie van antwoord, onder 3.6. De Ontvanger verwijst in de memorie van antwoord naar productie 2 bij de conclusie van repliek. Het bezwaarschrift van 22 juli 2016 is tevens overgelegd als productie 10 bij de memorie van grieven/tevens akte houdende vermeerdering van eis.

23 Zie over feitelijke grondslag en nova W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, par. 4.5.2 en 6.5.4; Asser-Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/203 en 207 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in Van der Wiel (red), Cassatie 2019/53-56. Zie voorts par. 1.7 van de repliek van [eiser] , waarin wordt gesteld dat het beroep van de Ontvanger op het ontbreken van belang op de grond van toepasselijkheid van artikel 25.1.1 Leidraad Invordering, een feitelijk onderzoek vergt waarvoor in cassatie geen plaats is.

24 Zie HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147, rov. 3.3.2, met verwijzing naar 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814, HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686) en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810, NJ 1999/342.

25 Procesinleiding, onder 2.1. Zo ook de Ontvanger, zie zijn s.t., onder 4.5.

26 HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571 (Lindeboom/Beusmans), rov. 3.3. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/195 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/316.

27 HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571 (Lindeboom/Beusmans), rov. 3.4; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/195, met verwijzing naar o.m. HR 22 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0692 NJ 1990/251 m.nt. R.A. Morzer Bruyns. Zie verder J.H. van Dam-Lely, T&C Rv, art. 239, aant. 2.a (actueel t/m 01-01-2020) en J.A. Möhlmann, Sdu Commentaar Burgerlijkprocesrecht, art. 239 Rv, aant. C (publicatiedatum 30 juli 2014, beiden met verwijzing naar HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4004, NJ 2002/197 en HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8327, NJ 2007/595 m.nt. H.J. Snijders.

28 HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014, NJ 2017/240, JBPR 2017/49 m.nt B.F.L.M. Schim en P.E. Ernste en HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1912, NJ 2020/11, JOR 2020/79 m.nt. B.F.L.M. Schim.

29 HR 2 juni 2017, vindplaats vorige voetnoot, rov. 2.2.1 en HR 6 december 2019, vindplaats vorige voetnoot, rov. 2.2.

30 HR 2 juni 2017, vindplaats voetnoot 28, rov. 2.2.4.

31 Procesinleiding onder 2.2.

32 [eiser] verwijst in de procesinleiding, p. 9 en voetnoot 13, (onder meer) naar HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1927, NJ 2016/407 m.nt. J.W. Zwemmer, rov. 3.4.5.

33 Wet van 7 maart 2013 tot wijziging van de Wet van 30 september 2010 tot invoering van een nieuw griffierechtenstelsel in burgerlijke zaken (Reparatiewet griffierechten burgerlijke zaken). Deze wet is in werking getreden op 1 april 2013.

34 Kamerstukken II 2011/12, 33 108, nr. 3, p. 8-9.

35 Zie ook P.P.D. Mathey-Bal, De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/7.2.6.

36 HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2800, NJ 2012/166 m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.

37 Zie N. Jak en C.N.J. Kortmann, ‘Procesbevoegdheid van de overheid in een burgerlijk geding’, NTB 2017/40, par. 2.1 en 2.2. Zie ook Vakstudie Invorderingswet, art. 3 Invorderingswet 1990, aant. 3.2 (actueel t/m 15-04-2020).

38 HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1927, NJ 2016/407 m.nt. J.W. Zwemmer, rov. 3.4.1-3.4.6.

39 [eiser] verwijst hierbij naar het hierboven onder 2.16 genoemde arrest HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8327, NJ 2007/595 m.nt. H.J. Snijders.