Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:610

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
18/05382
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1423
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Poging tot diefstal met geweld. 1. Schending art. 342.2 Sv? CAG: Bewezenverklaring houdt o.m. in dat verdachte het slachtoffer achterna is gelopen. Bewijsvoering bevat naast aangifte slachtoffer o.m. p-v met relaas van opgenomen camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte bewust dezelfde weg als het slachtoffer heeft afgelegd. Geen sprake van situatie a.b.i. art. 342.2 Sv. 2. KLacht over gebruik enkelvoudige fotoconfrontatie. CAG: Niet gezegd kan worden dat het dossier zeer sterke indicaties bevat dat het bij de fotoconfrontatie verkregen bewijs onrechtmatig is verkregen. Die onrechtmatigheid vloeit evenmin rechtstreeks voort uit de gebezigde bewijsmiddelen. Hof hoefde daarom niet ambtshalve te onderzoeken of dat bewijs

rechtmatig is verkregen. 3. Mocht Hof in zijn bewijsvoering in het nadeel van verdachte meenemen dat hij een ongeloofwaardige verklaring over zijn aanwezigheid had ingebracht? CAG: Ja, het door verdachte achtervolgen van het slachtoffer is een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het tenlastegelegde. Geen schending art. 6 EVRM. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05382

Zitting 16 juni 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 11 december 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens “poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en één dag, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder de voorwaarden zoals omschreven in het bestreden arrest, en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan volgen. Meer in het bijzonder is niet voldaan aan het bewijsminimum als bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv, nu het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan uitsluitend is aangenomen op de verklaring van de aangeefster, terwijl de door haar gereleveerde feiten en omstandigheden onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Voorts heeft het hof de verklaring van de verdachte over zijn aanwezigheid in de buurt van het bewezenverklaarde feit als ongeloofwaardig bestempeld en die omstandigheid betrokken in de bewijsvoering, waarmee het hof ten onrechte van de verdachte een geloofwaardig (ontlastend) weerwoord heeft verlangd, nu ‘s hofs vaststellingen nog niet met zich meebrengen dat van hem daarvoor een ontzenuwende verklaring mocht worden verlangd. Ten slotte is de bewezenverklaring blijkens de toelichting op het middel ontoereikend gemotiveerd omdat in deze zaak de enkelvoudige fotoconfrontatie het enige, rechtstreekse bewijsmiddel is dat de verdachte tot dader maakt, terwijl het hof zijn keuze voor het gebruik van de enkelvoudige fotoconfrontatie voor het bewijs niet (ambtshalve) heeft gemotiveerd.

3.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

"hij op 04 januari 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een handtas, toebehorende aan [slachtoffer] tegen die [slachtoffer] , welke poging tot diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

- die [slachtoffer] achterna is gelopen en

- die [slachtoffer] (vervolgens) onverhoeds in de billen heeft geknepen en

- die [slachtoffer] (vervolgens) onverhoeds heeft betast (onder haar rok) in haar kruis en

- (vervolgens) onverhoeds de handtas van die [slachtoffer] heeft vastgegrepen en

- (vervolgens) die handtas van die [slachtoffer] heeft vastgehouden,

terwijl die uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

3.3.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota is aldaar namens de verdachte uitvoerig aangevoerd dat en waarom het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor een bewezenverklaring. De bewezenverklaring berust op de volgende promis-achtige bewijsoverweging, waarbij het hof tevens is ingegaan op het door de verdediging gevoerde verweer1:

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitnota integrale vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft zij - kort samengevat - aangevoerd dat de aangifte geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Ook zijn er volgens de raadsvrouw vraagtekens te stellen bij de betrouwbaarheid van het door aangeefster opgegeven signalement van de dader.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen2 in onderling verband en samenhang bezien stelt het hof het navolgende vast.

Op 4 januari 2016 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van feitelijke aanranding van de eerbaarheid en een poging tot diefstal met geweld op 4 januari 20163.

[slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op de bewuste avond om 19:15 uur naar haar huis liep. In de [a-straat] te [plaats] , vlakbij haar woning, hoorde zij dat iemand achter haar liep.

Vervolgens voelde [slachtoffer] dat iemand in haar billen kneep en dat een hand onder haar rok naar voren gleed in haar kruis. Vanwege de schrik draaide zij zich om en zag een onbekende man tegenover zich staan. De man greep toen naar haar handtas. Daarop heeft [slachtoffer] de man tegen het bovenbeen geschopt en heeft de man de handtas los gelaten. Kort na het incident heeft zij hiervan melding gemaakt via het noodnummer 112. In de 112 melding4 heeft zij de man omschreven als: een donkere man, ongeveer 28-30 jaar oud, met kaal geschoren haar, een halflange donkere jas en een donkerblauwe of zwarte rugzak. In haar aangifte heeft zij het volgende signalement van de man gegeven: 1.70 meter lang, ongeveer 28 jaar oud, getint uiterlijk, half lange jas, donker van kleur en een donkere rugzak.

Op 5 januari 2016 heeft [slachtoffer] aanvullend verklaard5 dat zij op 4 januari 2016 met de Sprinter vanuit Delft naar Den Haag Centraal Station is gereisd en dat zij om 18:45 uur op het station arriveerde. Vervolgens is zij met tram 6 verder gereisd en uitgestapt bij de halte [b-straat] . Zij heeft in die verklaring verder aangegeven dat zij dacht dat de man een Pakistaans uiterlijk had6.

HTM en Pro Rail hebben beelden ter beschikking gesteld van de bewuste locaties op station Den Haag Centraal. Op deze beelden is [slachtoffer] te zien en in haar nabijheid is een man te zien die voldoet aan het door haar opgegeven signalement7. Uit deze beelden is ook op te maken dat de verdachte, nadat hij op het station dezelfde route had gelopen als [slachtoffer] , aldaar dezelfde tram 6 heeft genomen8. Uit onderzoek van de OV-kaart van de verdachte blijkt daarbij dat de verdachte vervolgens ook op dezelfde halte als [slachtoffer] is uitgestapt9.

Van voormelde beelden zijn printscreens gemaakt en getoond aan [slachtoffer]10. Zij heeft de man op de beelden voor 100% herkend als degene door wie zij volgens haar verklaring is aangerand en die heeft geprobeerd haar te beroven. [slachtoffer] heeft daarover verklaard de verdachte vooral te herkennen aan de huidskleur, het kale hoofd, de kleding, de donkere jas en de grote donkere rugzak11.

De hiervoor vermelde beelden zijn vervolgens getoond in een aflevering van Team West, een lokale televisiezender, en in een uitzending van een nationale tv-zender met als titel Opsporing Verzocht12.

De verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf op die beelden heeft herkend13 en ook dat hij die dag een donkere rugzak droeg14.

Uit de hierboven uiteengezette feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte die dag vanaf het Centraal Station te Den Haag bewust dezelfde weg (lopend en per tram) heeft afgelegd als aangeefster [slachtoffer] en dat hij degene is geweest die vervolgens geprobeerd heeft haar van haar tas te beroven, waartoe hij haar in haar billen heeft geknepen en haar kruis heeft betast.

Het hof acht hiertoe redengevend dat het door [slachtoffer] kort na het voorval per 112 opgegeven signalement van de verdachte - kaalhoofdig, ongeveer 1.70 meter lang, getinte huidskleur, een halflange donkere jas en een zwarte rugzak - overeenkomen met zowel het door haar in de aangifte opgegeven signalement als de door haar een maand later aangegeven punten van herkenning van de verdachte op de screenshots. Dit in samenhang bezien met de verklaring van de verdachte dat hij zichzelf op de beelden heeft herkend als ook dat hij die dag een zwarte rugzak droeg.

Het hof acht gelet op het voorgaande de door de aangeefster afgelegde verklaringen en herkenning consistent en voldoende betrouwbaar.

Dit geldt temeer nu de verdachte hiertegenover slechts als verklaring heeft ingebracht - kort gezegd - dat hij op de bewuste dag in zijn eentje met de trein vanuit Delft naar Den Haag Centraal Station is gereisd, omdat hij in alle rust wilde nadenken over een probleem. Vanaf het station is hij naar zijn zeggen in een willekeurige tram gestapt om enkele haltes later uit te stappen. Vervolgens is ter hoogte van de [b-straat] een rustige woonwijk ingelopen. Even later, nadat hij één of twee sigaretten had gerookt en een oplossing voor zijn probleem had bedacht, is hij weer in de tram gestapt in de richting van Den Haag Centraal Station, aldus de - verdachte.

Het hof acht deze verklaring in het licht van het bovenstaande en gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen ongeloofwaardig.

Het verweer faalt derhalve.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierboven in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.”

3.4.

Het middel klaagt allereerst dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv omdat de verlangde steun voor de voor het bewijs gebruikte, door de aangeefster [slachtoffer] – en door het hof aangenomen - gereleveerde feiten en omstandigheden, ontbreekt. Volgens de steller van het middel behelst het steunbewijs niet meer dan dat de verdachte op station Den Haag Centraal naar dezelfde tram is gelopen als de aangeefster, dat hij dezelfde tram als zij heeft genomen en dat ze bij dezelfde halte zijn uitgestapt en dat de verdachte, een donkere man, op dat moment een donkere rugzak droeg. Niet is vastgesteld dat de verdachte rond het tijdstip van het incident ook in of rondom de [a-straat] aanwezig was, in welke straat de verdachte volgens de aangeefster haar heeft proberen te beroven. De aanwezigheid van de verdachte bij de tramhalte is onvoldoende om als steunbewijs te kunnen worden gebruikt, nu dat niet voldoende in de buurt is van de plaats delict.15 Dat de aangeefster de verdachte op die beelden heeft herkend, levert geen steunbewijs voor haar verklaringen op, nu dat dezelfde bron blijft, aldus de steller van het middel.

3.5.

Ik stel het volgende voorop. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.16 Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.17

3.6.

In de bewijsvoering van het hof kunnen de volgende bewijsmiddelen worden onderscheiden. 1. De aangifte, waarin de aangeefster verklaart dat zij op 4 januari 2016 om 19:15 uur in de [a-straat] te [plaats] van achteren in haar billen werd geknepen en in haar kruis werd betast door een man die vervolgens haar handtas probeerde te grijpen. In haar aangifte geeft zij het volgende signalement van de man: 1.70 meter lang, ongeveer 28 jaar oud, getint uiterlijk, half lange jas, donker van kleur en een donkere rugzak.

2. De 112 melding, waarin de aangeefster de man heeft omschreven als een donkere man, ongeveer 28-30 jaar oud, “met kaal geschoren haar”18, een halflange donkere jas en een donkerblauwe of zwarte rugzak.

3. De verklaring van 5 januari 2016 van de aangeefster, inhoudende dat zij op 4 januari 2016 met de Sprinter vanuit Delft naar Den Haag Centraal Station is gereisd en dat zij om 18:45 uur op het station arriveerde, dat zij met tram 6 verder is gereisd en is uitgestapt bij de halte [b-straat] en dat zij dacht dat de man een Pakistaans uiterlijk had.

4. De camerabeelden van HTM en Pro Rail van station Den Haag Centraal, ten aanzien waarvan door de politie in processen-verbaal van bevindingen is gerelateerd wat daarop is te zien, en welke beelden ook door het hof zijn bekeken. Op deze beelden is de aangeefster te zien vanaf het moment waarop zij uitstapt uit de trein tot en met het moment waarop zij instapt in tram 6, met steeds in haar directe nabijheid een man die voldoet aan het door haar opgegeven signalement, en waarop is te zien dat deze man, nadat hij uit dezelfde trein is gestapt als de aangeefster, in dezelfde tram stapt als de aangeefster.

5. Onderzoek van de OV-kaart van de verdachte, waaruit blijkt daarbij dat hij dezelfde trein en tram heeft genomen als de aangeefster en bij dezelfde tramhalte is uitgestapt.

6. De enkelvoudige fotoconfrontatie met de camerabeelden van HTM en Pro Rail, waarbij de aangeefster de man op de beelden voor 100% herkent als degene door wie zij volgens haar verklaring is aangerand en die heeft geprobeerd haar te beroven, en waarbij zij verklaart de verdachte vooral te herkennen aan de huidskleur, het kale hoofd, de kleding, de donkere jas en de grote donkere rugzak.

7. De herkenning van de verdachte van zichzelf op de camerabeelden van HTM en Pro Rail, tijdens een televisie-uitzending van het programma Opsporing Verzocht.

3.7.

Gelet op het voorgaande heeft het hof een belangrijk deel van de bewezenverklaring doen steunen op de verklaring van aangeefster, maar voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde onderdeel dat de verdachte “die [slachtoffer] achterna is gelopen” gebruik gemaakt van andere bewijsmiddelen, waaronder met name de processen-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden van HTM en Pro Rail van Station Den Haag Centraal en het proces-verbaal van bevindingen betreffende de OV-gegevens van de verdachte. Uit die bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte op 4 januari 2016 vanaf het Centraal Station te Den Haag bewust dezelfde weg (lopend en per tram) heeft afgelegd als aangeefster [slachtoffer] . Daarmee is in het onderhavige geval – anders dan de steller van het middel betoogt − geen sprake van een situatie als bedoeld in art. 342, tweede lid Sv en mist het middel in zoverre feitelijke grondslag.

3.8.

Hetzelfde geldt voor de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat in deze zaak de enkelvoudige fotoconfrontatie het enige, rechtstreekse bewijsmiddel is dat de verdachte tot dader maakt, terwijl het hof zijn keuze voor het gebruik van de enkelvoudige fotoconfrontatie voor het bewijs niet (ambtshalve) heeft gemotiveerd. Ook deze klacht mist gelet op de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen feitelijke grondslag, nu het hof daaruit heeft afgeleid dat de verdachte de aangeefster bewust heeft gevolgd en de enkelvoudige fotoconfrontatie daarmee niet het enige, rechtstreekse bewijsmiddel is dat de verdachte tot dader maakt.

3.9.

Voor zover het middel klaagt over het gebruik van resultaten van de enkelvoudige fotoconfrontatie voor het bewijs en de verdere noodzaak tot motivering daarvan, geldt het navolgende.

3.10.

De steller van het middel wijst er terecht op dat aan het gebruik van de enkelvoudige fotoconfrontatie als opsporingsindicatie, en vervolgens als bewijsmiddel, veel haken en ogen zitten. In literatuur zijn veel opvattingen over de enkelvoudige fotoconfrontatie te vinden die erop neerkomen dat bij het gebruik van deze confrontatie grote voorzichtigheid is geboden19, en dat de betrouwbaarheid van een herkenning bij een enkelvoudige confrontatie uiterst zwak is.20 In het algemeen verdienen meerkeuze confrontaties dan ook de voorkeur boven enkelvoudige confrontaties. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waaronder een meervoudige herkenningsconfrontatie niet of niet tijdig te organiseren valt en genoegen moet worden genomen met een enkelvoudige confrontatie.21 De resultaten van rechtmatige enkelvoudige confrontaties kunnen volgens de Hoge Raad echter voor het bewijs worden gebruikt, ongeacht de voorkeur voor meervoudige confrontaties en ongeacht het belang van de confrontatie in het geheel van de bewijsvoering.22

3.11.

Onrechtmatigheid van bewijsgaring met betrekking tot verklaringen van personen inhoudende herkenning van een verdachte als betrokken bij een strafbaar feit doet zich voor indien de gang van zaken bij de confrontatie onverenigbaar is met een eerlijke procesvoering. Hiervan kan sprake zijn indien de bij die confrontatie gevolgde werkwijze strekt tot beïnvloeding van die personen met het oog op de door hen af te leggen verklaring. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien bij een zogenaamde Oslo-confrontatie de verdachte de enige is die ook maar enigszins voldoet aan de tevoren door de omtrent diens herkenning ondervraagde persoon gegeven beschrijving van de dader. Indien ter terechtzitting met een beroep op concrete feiten en omstandigheden het verweer wordt gevoerd dat de bewijsgaring onrechtmatig was, dient de rechter daarop bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing te geven.23 De enkele aangevoerde omstandigheid dat aan de getuige slechts één foto, namelijk die van de verdachte, is getoond, is niet voldoende om als een beroep op dergelijke “concrete feiten en omstandigheden” te kunnen worden aangemerkt.24 Indien niet wordt aangevoerd dat en waarom een getuigenconfrontatie onbetrouwbaar is, is er in beginsel geen bezwaar die voor het bewijs te gebruiken.25 Ik wijs verder op de aan HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1759, NJ 2008/179 m.nt. Buruma voorafgaande conclusie van mijn oud-ambtgenoot Machielse. Deze conclusie bevat een uitvoerig overzicht van de jurisprudentie van de Hoge Raad tot dan toe, waaruit naar voren komt dat de Hoge Raad de feitenrechter zeer veel ruimte heeft gegeven om de resultaten van confrontaties te gebruiken, ook als de keuzeprocedure ernstige gebreken lijkt te vertonen.26

3.12.

De rechter mag er kortom van uitgaan dat het bewijs, ook wanneer dat is verkregen via een enkelvoudige fotoconfrontatie, rechtmatig is verkregen. De Hoge Raad heeft meermalen geoordeeld dat de rechter niet ambtshalve hoeft te onderzoeken of het bewijs rechtmatig is verkregen, dat een onderzoek daarnaar pas nodig is als een desbetreffend verweer is gevoerd27 of als het dossier zeer sterke indicaties bevat dat het bewijs onrechtmatig is verkregen28 en vooral als die onrechtmatigheid rechtstreeks lijkt voort te vloeien uit de bewijsmiddelen die in de bestreden uitspraak zijn opgenomen.29 Dit laatste is vooral van belang met het oog op de cassatiecontrole in verstekzaken waarin immers ter terechtzitting geen verweer is gevoerd.30

3.13.

Nu – in cassatie – niet gezegd kan worden dat het dossier in de onderhavige zaak zeer sterke indicaties bevat dat het bij de fotoconfrontatie verkregen bewijs onrechtmatig is verkregen en die onrechtmatigheid evenmin rechtstreeks voortvloeit uit de gebezigde bewijsmiddelen, meen ik dat het hof niet ambtshalve hoefde te onderzoeken of dat bewijs rechtmatig is verkregen. De klacht over het gebruik van de enkelvoudige fotoconfrontatie als bewijsmiddel faalt daarmee.

3.14.

Voor de klacht over de het ontbreken van een motivering voor dit gebruik, is de bekende vooropstelling inzake het motiveren van de bewijsbeslissing van belang; ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die — behoudens bijzondere gevallen — geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.31 Het hof heeft zijn oordeel dat de resultaten van de fotoconfrontatie bruikbaar waren voor het bewijs, niet nader hoeven te motiveren. Het middel faalt ook in zoverre.

3.15.

Het middel bevat tot slot nog de klacht dat het hof in zijn bewijsvoering niet in het nadeel van de verdachte had mogen meenemen dat de verdachte tegenover het door het hof gebezigde bewijs een ongeloofwaardige verklaring over zijn aanwezigheid had ingebracht. Het bewijs tegen de verdachte is volgens de steller van het middel niet zo sterk redengevend dat door het hof een die redengevendheid ontzenuwende verklaring over zijn handelen mocht worden verlangd en dus c.q. althans een ongeloofwaardig geachte verklaring van de verdachte dienaangaande mocht worden betrokken in de bewijsvoering (in de zin dat de verklaringen van [slachtoffer] (dus) betrouwbaar waren). Daarmee heeft het hof art. 6 EVRM geschonden, aldus de steller van het middel.

3.16.

Ik stel het volgende voorop. Wanneer het bewijs ‘schreeuwt’ om een verklaring, maar de verdachte nalaat een (aannemelijke) verklaring te geven en de enige conclusie die daaruit met gezond verstand kan worden getrokken, is dat de verdachte het dus wel moet hebben gedaan, kan het uitblijven van een verklaring in de beoordeling van het bewijs worden betrokken.32 De rechtspraak van de Hoge Raad sluit bij deze Straatsburgse jurisprudentie aan. De rechter mag in zijn bewijsoverwegingen betrekken dat de verdachte voor omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het tenlastegelegde, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.33

3.17.

Volgens de steller van het middel ‘schreeuwt’ het bewijs tegen de verdachte in de onderhavige zaak niet om een dergelijke verklaring. De steller van het middel doet daarbij een beroep op de EHRM-zaken Telfner tegen Oostenrijk34 en Krumpholz tegen Oostenrijk35. In de uitspraak van het EHRM in de zaak Telfner wordt in lijn met de zaak Murray tegen V.K. ingegaan op het geval waarin de feitenrechter gevolgtrekkingen verbindt aan het stilzwijgen van de verdachte in het licht van het beschikbare bewijsmateriaal.36 Met de auto die op naam stond van de moeder van Telfner had een aanrijding plaatsgevonden. Nadat zijn moeder had verklaard dat zij de auto op het betreffende moment niet had bestuurd en de auto geregeld door haar familieleden werd gebruikt, wilde Telfner niet verklaren of hij die auto toen had bestuurd.37 In de zaak Telfner overwoog het EHRM dat het beschikbare “bewijsmateriaal” niet om uitleg van de verdachte riep. Ook in de zaak Krumpholz was volgens het hof nog ruimte voor alternatieve scenario’s die ook zonder een verklaring van de verdachte niet zonder meer ongeloofwaardig dan wel onwaarschijnlijk waren. Het ging in deze zaken telkens om de vraag of de verdachte bij het strafbare feit betrokken was.

3.18.

In de onderhavige zaak valt uit het beschikbare bewijsmateriaal, in het bijzonder uit de voor het bewijs gebruikte processen-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden en de OV-gegevens van de verdachte, af te leiden dat de verdachte de aangeefster heeft achtervolgd. Daarmee is mijns inziens sprake van omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het tenlastegelegde. Het hof mocht daarom in het nadeel van de verdachte bij de bewijsvoering (in het bijzonder bij zijn oordeel dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn) betrekken dat de door de verdachte afgelegde verklaring waarom hij de route had afgelegd die hij heeft afgelegd, in het licht van de bewijsvoering ongeloofwaardig is.38 Door dat te doen heeft het hof niet de in art. 6 EVRM neergelegde onschuldpresumptie geschonden. Het middel faalt ook in zoverre.

3.19.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met overname van de door het hof bezigde voetnoten.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's betreffen dit de pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016003913 van de politie Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd p. 01 t/m 114).

3 Proces-verbaal van aangifte PL1500-2016003913-1, p. 6 en 7.

4 Zoals weergegeven in het proces-verbaal in raadkamer van de rechtbank Den Haag d.d. 31 oktober 2017, p. 2 en 3 (behandeling bezwaarschrift tegen de dagvaarding).

5 Proces-verbaal van verhoor aangeefster PL1500-2016003913-3, p. 10.

6 Ibidem, p. 11.

7 Proces-verbaal van bevindingen PL1500-2016003913-7, p. 19 t/m 24, eigen waarneming van het hof van de printscreens op p. 19 t/m 24 en proces-verbaal van bevindingen PL1500-2016003913-8, p. 29 en 24.

8 Proces-verbaal van bevindingen PL1500-2016003913-7, p. 20.

9 Proces-verbaal van bevindingen PL1500-2016003913-20, p. 105 en 106.

10 Proces-verbaal van verhoor aangeefster PL1500-2016003913-11, p. 36 t/m 43.

11 Proces-verbaal van verhoor aangeefster PL1500-2016003913-11, p. 36.

12 Proces-verbaal van bevindingen PL1500-2016003913-15, p. 63 en 64.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte PL1500-2016003913-18, p. 76.

14 Ibidem, p. 82.

15 De steller van het middel merkt hierbij op: “Aanwezigheid van een verdachte in bijvoorbeeld de gemeente, het ziekenhuis, de woning, de camping of het vakantiehuisje is niet, althans niet zonder meer, voldoende geacht in HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3704, NJ 2009/495, HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746, NJ 2009/496 m.nt. Borgers en HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189, NJ 2018/297 m.nt. Rozemond. In HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1493, NJ 2010/514 m.nt. Borgers was de verdachte veel dichter bij het slachtoffer ter plaatse, namelijk naast haar in de trein. Zie ook HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512 m.nt. Borgers waarin verdachte en slachtoffer in hetzelfde asielzoekerscentrum aanwezig waren. Die sterke nabijheid is hier niet vastgesteld”.

16 HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512 m.nt. M.J. Borgers.

17 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 m.nt. M.J. Borgers.

18 Bedoeld zal zijn “met kaalgeschoren hoofd”.

19 Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 368.

20 Vgl. A. van Amelsfoort, Handleiding confrontatie, Den Haag: SDU 2018 p. 101 en 102.

21 Vgl. HR 4 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0478, NJ 1996/633.

22 HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3244. Zie ook de conclusie van mijn oud-ambtgenoot Machielse van 20 maart 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA1759 onder 3.11.

23 HR 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9082, NJ 1993/407 m.nt. Van Veen. Zie ook HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0289, NJ 2010/412.

24 HR 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9082, NJ 1993/407 m.nt. Van Veen.

25 HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9541, NJ 2003/574 en in het bijzonder de conclusie van mijn oud-ambtgenoot Wortel in samenhang met de toepassing van art. 81 RO door de Hoge Raad.

26 Conclusie van 20 maart 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA1759. Zie ook A.E.M. Röttgering, Cassatie in strafzaken. Een rechtsbeschermend perspectief (diss. Tilburg), SDU 2013, p. 273.

27 HR 18 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6236, NJ 1978/365 m.nt. Van Veen.

28 Vgl. HR 28 mei 1985, NJ 1985/876.

29 Vgl. HR 17 mei 1988, NJ 1989/142 m.nt. Corstens.

30 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in Strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 253.

31 HR 17 november 1992, NJ 1993/408 m.nt. Van Veen.

32 Vgl. EHRM 8 februari 1996, ECLI:NL:XX:1996:AC0232, NJ 1996/725 (Murray/V.K.) m.nt. Knigge en de conclusie van mijn oud-ambtgenoot Knigge van 26 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:645 onder 6.3.

33 Zie o.m.: HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584; HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7372; NJ 2012/369; HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2764; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412 m.nt. Rozemond (bij NJ 2016/420) en HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1019.

34 EHRM 20 maart 2001, nr. 33501/96 (Telfner /Oostenrijk).

35 EHRM 18 maart 2010, nr. 13201/05 (Krumpholz/Oostenrijk).

36 EHRM 20 maart 2001, nr. 33501/96, par. 17 (Telfner/Oostenrijk) en EHRM 8 februari 1996, ECLI:NL:XX:1996:AC0232, NJ 1996/725 m.nt. G. Knigge, par. 45-54 (Murray/V.K.).

37 EHRM 20 maart 2001, nr. 33501/96, par. 18 (Telfner/Oostenrijk).

38 Vlg. de conclusie van mijn oud-ambtgenoot Knigge van 9 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:8, onder 3.10. De Hoge Raad oordeelde in zijn op deze conclusie volgend arrest van 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390 dat het middel terecht was voorgesteld omdat de bewezenverklaring niet zonder meer kon worden afgeleid uit de gebezigde bewijsvoering.