Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:606

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
18/04539
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1320
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Mensenhandel. Art. 250a (oud) Sr, art. 273a (oud) Sr en art 273f Sr. Middelen over de vraag of de verdachte "misbruik" maakte van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht op de vrouw met wie hij jarenlang een relatie had en over de bewijsvoering van het vereiste opzet op "misbruik" en "oogmerk van uitbuiting". Middel over de vraag of het hof i.h.k.v. de promis-werkwijze "zo nauwkeurig mogelijk" heeft verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend. Conclusie strekt tot verwerping ex art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04539

Zitting 16 juni 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 28 september 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens onder 1, 2 en 3 telkens “mensenhandel”, veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.1 Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en ten behoeve van de slachtoffers telkens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven.

2. Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. De eerste twee middelen richten zich tegen de bewezenverklaring van twee tenlastegelegde feiten waarvan aangeefster [aangeefster] het slachtoffer is geworden. Voordat ik beide middelen achtereenvolgens bespreek, schets ik eerst de hoofdlijnen van de aan die bewezenverklaring ten grondslag liggende feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de bewijsvoering.

4. De verdachte heeft [aangeefster] ontmoet toen zij hoogzwanger was van een man met wie ze geen relatie had, geen huis had en “de weg kwijt” was. De verdachte heeft haar geholpen met een huisje en haar gezegd dat er maar één manier was om haar schulden te betalen en dat was om in de prostitutie te gaan werken. Vervolgens heeft [aangeefster] jarenlang als prostituee gewerkt, waarbij de verdachte haar altijd heeft weggebracht en opgehaald. [aangeefster] moest al haar verdiensten aan de verdachte afdragen. [aangeefster] leefde van een uitkering. Van de opbrengsten van de werkzaamheden van [aangeefster] heeft de verdachte onder meer een chalet gekocht. De verdachte heeft de opbrengsten van het werk van [aangeefster] vooral voor zichzelf en zijn kinderen gebruikt. De verdachte sliep ongeveer een keer per week bij [aangeefster] . Als de verdachte met [aangeefster] op vakantie was geweest, moest zij sparen voor de volgende vakantie, van haar uitkering en van het geld dat ze wel eens van hem kreeg, zoals een bedrag van € 100,-. Van “het geld dat uiteindelijk overbleef”, waarop in de schriftuur wordt gewezen, was nauwelijks iets voor [aangeefster] . Toen de uitkeringsfraude van [aangeefster] was ontdekt, heeft de verdachte de schuld van [aangeefster] , zijnde € 30.900,-, aan de sociale dienst betaald. Verder heeft de verdachte toen zijn handen van [aangeefster] afgetrokken. [aangeefster] moest het bedrag aan de verdachte terugbetalen. De overeenkomst van geldlenig tussen de verdachte en [aangeefster] houdt in dat zij hem een bedrag van € 30.900,- is verschuldigd en dient te worden afgelost in 206 termijnen van € 150,-. [aangeefster] wist niet dat de verdachte het chalet met de opbrengst van haar werkzaamheden heeft gekocht en de opbrengst van het chalet heeft gebruikt om de schuld aan de sociale dienst te betalen.

5. Het eerste middel komt met twee klachten op tegen de bewijsvoering van het onder 1 bewezenverklaarde feit. De eerste klacht houdt in dat het hof een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel “misbruik” in art. 250a (oud) Sr en heeft miskend dat in die bepaling het “oogmerk van uitbuiting” als impliciet bestanddeel besloten ligt. De tweede klacht ziet op de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde en houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte “zich bewust is geweest van de relevante omstandigheden van de aangeefster waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien […] en evenmin dat hij het oogmerk had op uitbuiting van aangeefster”. Aangevoerd wordt dat het feit dat de verdachte en [aangeefster] gedurende meer dan twintig jaren een stabiele relatie hebben gehad, erop wijst dat er geen “uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht” was. Bovendien heeft de verdachte het “geld beheerd dat de aangeefster als kostwinner verdiende met haar werk als prostituee, teneinde haar te helpen om haar schulden weg te werken.” Beide argumenten waarmee het middel wordt onderbouwd, plaats ik in het kader van de rechtsklacht omdat de relatie en de financiële verhoudingen uit de bewijsvoering naar voren komen zodat de bewijsvoering in zoverre niet tekort kan schieten.

6. Het hof heeft onder 1 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“‘hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 in Nederland,
sub 6, een vrouw genaamd [aangeefster] , door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen

immers heeft verdachte,

- telkens (een deel van) het door die [aangeefster] in de prostitutie verdiende geld aan hem verdachte laten afstaan en

- die [aangeefster] naar klanten en/of werkplekken gebracht en ook weer opgehaald en bepaald in welke stad die [aangeefster] kon gaan werken en

- tegen die [aangeefster] gezegd dat ze moest doorwerken om een vakantie en/of andere onkosten te kunnen betalen en

- die [aangeefster] gekleineerd

- psychisch overwicht op de 20 jaar jongere [aangeefster] en

- die [aangeefster] geïntimideerd en/of door zijn dominante gedrag en/of stemverheffing haar angst ingeboezemd en

- die [aangeefster] dwingend en dominant zijn wil opgelegd”.

7. Ten behoeve van de rechtsklacht geef ik eerst de inhoud weer van de toepasselijke wetttelijke bepaling en de context daarvan.

8. Ten tijde van het bewezenverklaarde feit, luidde art. 250a, eerste lid aanhef en onder 6°, (oud) Sr als volgt:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
[…]
6° degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen.”

9. Art. 250a, eerste lid onder 6°, (oud) Sr is de opvolger van art. 250ter (oud) Sr en de voorganger van art. 273a (oud) Sr en het huidige art. 273f Sr. Op de verhouding van art. 250a, eerste lid aanhef en onder 6°, (oud) Sr tot art. 250ter (oud) Sr ga ik zo dadelijk in.

10. De weg naar art. 273f Sr is van belang omdat de verdachte eveneens is vervolgd en door het hof onder 2 is veroordeeld wegens overtreding van art. 273a (oud) Sr en art. 273f Sr. Het gaat daarbij om vergelijkbare gedragingen als die ten grondslag liggen aan feit 1 maar dan voor de periode dat art. 273a (oud) Sr en art. 273f Sr van toepassing zijn. Art. 250a, eerste lid onder 6°, (oud), Sr is met ingang van 1 januari 2005 vervallen. De inhoud ervan is toen geïncorporeerd in een nieuwe algemene bepaling inzake mensenhandel, te weten art. 273a (oud) Sr.2 De tenlastelegging van feit 2 is toegesneden op art. 273a (oud) Sr en art. 273f Sr en het feit is ook begaan tegen [aangeefster]

.

11. Terwijl art. 250a (oud) Sr kort gezegd betrekking had op “seksuele uitbuiting gerichte mensenhandel”, kreeg art. 273a (oud) betrekking op “alle vormen van mensenhandel” waarin “waar nodig rekening [kan] worden gehouden met op seksuele uitbuiting gerichte mensenhandel”.3 Op een enkel inhoudelijk verschil tussen de inhoud van art. 250a, eerste lid onderdeel 6° (oud), Sr en art. 273a, eerste lid onderdeel 1° en 9°, (oud) Sr kom ik nog terug.4 Met ingang van 1 september 2006 is art. 273a vernummerd tot art. 273f Sr.5

12. De verhouding van art. 250a (oud) Sr tot zijn voorganger art. 250ter (oud) Sr is van belang voor de uitleg van het bestanddeel “misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht”.6 Art. 250ter (oud) Sr bevatte de strafbaarstelling van “mensenhandel” die is opgegaan in art. 250a (oud) Sr. Ook art. 250ter (oud) Sr bevatte het bestanddeel “misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht”.

13. Art. 250ter, eerste lid onderdeel 1° (oud) Sr luidde als volgt:

“Als schuldig aan mensenhandel wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:

degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding tot prostitutie brengt, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander daardoor in de prostitutie belandt”.

14. Net als art. 250a (oud) Sr was art. 250ter (oud) Sr gericht op mensenhandel die bestaat uit een uitbuitingssituatie. De uitbuitingssituatie komt naar voren in de parlementaire voorbereiding van art. 250ter (oud) Sr die betrekking heeft op het “misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht”. De memorie van toelichting houdt daarover het volgende in:

“Zoals reeds […] is uiteengezet, wordt «misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht» verondersteld, indien de prostitué(e) in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituté(e) in Nederland pleegt te verkeren.
[…]
Voorts wordt door deze objectivering van het bestanddeel misbruik justitieel optreden in het geldend recht mogelijk gemaakt tegen personen die, gebruik makend van een uitbuitingssituatie, iemand in de prostitutie brengen dan wel gebruikmakend van een uitbuitingssituatie enige handeling ondernemen met het oogmerk iemand in de prostitutie te brengen. Onder de toepassing van het nu voorgestelde artikel 250ter Sr. zullen bovendien ook diegenen vallen die gebruik makend van een uitbuitingssituatie enige handeling ondernemen waarvan zij weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat de ander daardoor in de prostitutie belandt.”7

15. En verder:

“Indien hier te lande een volwassen onafhankelijk persoon die geheel vrijwillig en onder zodanige omstandigheden dat een bewuste keuze mogelijk was, heeft besloten zich te prostitueren, bij voorbeeld door een souteneur of een exploitant van een seksinrichting in de prostitutie is gebracht, gaat het openbaar ministerie niet tot strafvervolging over. In de nu in het eerste lid van artikel 250ter Sr. voorgestelde delictsomschrijving van mensenhandel vormt het gebruikmaken van enigerlei vorm van dwang of een ander ongeoorloofd middel een bestanddeel van dit misdrijf. De in dit verband verboden gedragingen, bestaande in het aanwenden van dwang door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, het misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, beïnvloeden de wil waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. De omstandigheid dat het slachtoffer reeds eerder bij prostitutie betrokken was, vormt op zich geen aanwijzing inzake vrijwilligheid.
Misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht kan veelal uit de omstandigheden worden afgeleid.”8

16. Met betrekking tot “misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht” houdt de memorie van antwoord het volgende in:

“Het woord «uitbuitingssituatie» […] wordt in de memorie van toelichting gebruikt ter verduidelijking van het begrip «misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht» in die bepaling. In die memorie wordt gesteld dat van een zodanige uitbuitingssituatie sprake is indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan schulden, aangegaan om de reis naar Nederland te betalen. De afbetalingsverplichting kan van dien aard zijn dat de zich prostituerende gedwongen is zich te blijven prostitueren. Meer in het algemeen kan worden gesteld dat het niet kunnen beschikken over eigen financiële middelen als een uitbuitingssituatie moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat de prostitué(e) niet kan beschikken over haar paspoort of dat haar visum is verlopen, brengt de betrokkene eveneens in de hier bedoelde afhankelijke situatie.”9

17. En verder:

“Ten aanzien van meerderjarigen geldt dat vrijwilligheid ontbreekt, indien de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van zijn of haar relatie met de exploitant. Dit is niet anders indien de relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan.”10

18. Voor de uitleg van art. 250a, eerste lid onderdeel 6°, Sr is niet alleen de parlementaire voorbereiding van art. 250ter (oud) van belang die betrekking heeft op het misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. Van bijzondere betekenis is dat onderdeel 6° bij nota van wijziging in het eerste lid van art. 250a Sr is ingevoegd. De nota van wijziging heeft als opschrift: “Nota van wijziging inzake het strafbaar stellen van onvrijwillige afdracht van uit prostitutie afkomstige gelden”.11

19. De wijziging is in de nota naar aanleiding van het verslag, als volgt toegelicht:

“In zijn advies over het aanvankelijke wetsvoorstel heeft het openbaar ministerie erop gewezen dat het aanvankelijk voorgestelde artikel 250a, waarin onder meer de onvrijwillige afdracht van de opbrengst van seksuele handelingen was strafbaar gesteld, nauwelijks toegevoegde waarde heeft ten opzichte van het huidige artikel 250ter. Zij wezen er verder op dat het bewijs van die onvrijwillige afdracht lastig zou zijn. Zij wezen er ook op dat het aanvankelijk voorgestelde artikel 250a niet leek te stroken met de doelstelling van het wetsvoorstel blijkens de memorie van toelichting, namelijk het tegengaan van exploitatie van onvrijwillige prostitutie.

Ik ben er bij de redactie van het voorgestelde artikel 250a vanuit gegaan dat deze bepaling voldoende reikwijdte heeft om alle strafwaardige vormen van exploitatie van prostitutie tegen te gaan. Het gaat nu om beantwoording van de vraag of het feitencomplex – onvrijwillige afdracht van de opbrengst van seksuele handelingen – zich kan voordoen los van de reeds in artikel 250a, eerste lid, onderdelen 1° en 4°, strafbaar gestelde feitencomplexen. Of anders gezegd, is denkbaar dat er sprake is van een situatie waarbij een prostituee wordt gedwongen tot de afgifte van de opbrengst van seksuele handelingen zonder dat er sprake is van onvrijwillige prostitutie. Ik kan die vraag niet met absolute stelligheid ontkennen. Het is niet uitgesloten dat strafrechtelijk optreden op basis van artikel 250a achterwege zou moeten blijven tegen feiten die naar mijn mening strafwaardig zijn. Dat risico wil ik uitsluiten. Weliswaar kan tegen onvrijwillige afdracht waarbij geweld of bedreiging van geweld wordt gebruikt, worden opgetreden op basis van artikel 317 Sr. (afpersing), maar in die bepaling ontbreken de elementen misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misleiding. Ook is optreden mogelijk op basis van artikel 284 Sr. (dwang), maar in die bepaling is de strafbedreiging aanzienlijk lager dan in het voorgestelde artikel 250a. Daarom stel ik voor om in artikel 250a een nieuw onderdeel 6° in te voegen waarin de onvrijwillige afdracht van uit prostitutie afkomstig gelden alsnog strafbaar wordt gesteld.”12

20. Met betrekking tot het bewezenverklaarde misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overzicht, is verder nog de volgende overweging van het hof van belang:

“Aangeefster [aangeefster] heeft jarenlang in de prostitutie gewerkt en had in dezelfde periode een (soort van) relatie met verdachte. [aangeefster] heeft verklaard dat zij van een uitkering leefde en dat zij al haar verdiensten uit de prostitutie aan verdachte gaf. Aangeefster dit deed omdat verdachte dat wilde en hij een overwicht op haar had. Hij kon verbaal dwingend zijn en aangeefster was in een tijd dat het erg slecht met haar ging in de invloedsfeer van verdachte geraakt. Behalve aangeefster, had verdachte meer mensen in zijn invloedsfeer die niet goed in staat waren om voor zich zelf op te komen.

De verklaring van aangeefster dat zij haar geld afstond aan verdachte wordt voldoende ondersteund door ander bewijsmateriaal. Er zijn twee getuigen die gezien hebben dat verdachte het geld van aangeefster innam. Verdachte had een uitkering, maar leefde in weelde. Dat aangeefster niets over haar geld te zeggen had, blijkt (ook) uit het feit dat het chalet dat [betrokkene 1] op naam had, door aangeefster was betaald, maar feitelijk van verdachte was. Toen het chalet in 2010 werd verkocht voor € 60.000,- ging het geld naar verdachte en aangeefster kreeg er niets van. Toen aangeefster ruim € 30.000,- aan de sociale dienst moest terug betalen, had zij dit niet. Verdachte kon wel over een dergelijk bedrag beschikken en betaalde de schuld. Daarbij liet hij schriftelijk vastleggen dat aangeefster hem dit geld in maandelijkse termijnen van € 150,- terug moest betalen, hetgeen ook geschiedde. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof ook erkend dat [aangeefster] hem terug moest betalen.

De situatie waarin iemand werkt en al zijn geld afstaat aan een ander, waarbij die ander bepaalt wat er met het geld gebeurt en degene is die er (vooral) van profiteert, duidt op een situatie van uitbuiting. Toen aangeefster een relatie met verdachte had, heeft zij een (groot) aantal jaren in de prostitutie gewerkt. Hoewel zij degene was die veel geld verdiende, was verdachte degene die zich het geld toe-eigende. Verdachte heeft zich het geld van aangeefster kunnen toe-eigenen vanwege het overwicht dat hij op haar had. Door zichzelf ten koste van aangeefster flink te verrijken, heeft hij misbruik gemaakt van dat overwicht. Derhalve acht het hof bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt het onder 1 ten laste gelegde voor zover dit ziet op overtreding van artikel 250a (oud) lid 1 sub 6 en het onder 2 ten laste gelegde voor zover dit ziet op overtreding van artikel 273a (oud) lid 1 sub 9 en artikel 273f lid 1 sub 9.”

21. Dan kom ik nu toe aan de inhoudelijke bespreking van het middel. Ik begin met de rechtsklacht dat het hof een onjuiste uitleg zou hebben gegeven aan het bestanddeel “misbruik” in art. 250a (oud) Sr. Aangevoerd wordt dat het feit dat de verdachte en [aangeefster] gedurende meer dan twintig jaren een stabiele relatie hebben gehad, erop wijst dat er geen “uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht” was. Bovendien heeft de verdachte het “geld beheerd dat [ [aangeefster] ] als kostwinner verdiende met haar werk als prostituee, teneinde haar te helpen om haar schulden weg te werken.” De klacht gaat uit van de veronderstelling dat het hebben van een relatie en het (in dat kader) beheren van de financiën geen misbruik als bedoeld in art. 250a (oud) Sr zou kunnen opleveren. Die veronderstelling is niet nader onderbouwd en miskent de realiteit dat ook in het kader van een relatie uitbuiting kan plaatsvinden zoals de bewijsvoering duidelijk maakt.

22. Uit de bewijsvoering blijkt onder meer dat [aangeefster] niet over de opbrengsten van haar werkzaamheden als prostituee kon beschikken, maar dat de verdachte over de door [aangeefster] verworven financiële middelen beschikte en dat [aangeefster] – niettegenstaande de aanzienlijke opbrengsten van haar werkzaamheden – met de verdachte een langdurige afbetalingsverplichting was aangegaan voor een bedrag van € 30.900,-, terwijl de verdachte dat bedrag voor haar had betaald van de opbrengst van een chalet dat hij had gekocht van het geld dat [aangeefster] had verdiend. De verdachte had [aangeefster] financieel in zijn macht. Wat in de schriftuur wordt aangemerkt als “haar zoveel mogelijk” steunen “o.a. door haar naar haar werk te brengen en weer op te halen”, vormde juist een onderdeel van de uitbuitingssituatie omdat de verdachte daarmee in feite bepaalde wat [aangeefster] moest doen. Aan het misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht doet niet af dat [aangeefster] ook heeft meegedeeld in een deel van haar eigen opbrengsten omdat dit een miniem deel van die opbrengsten betrof en de verdachte bepaalde in hoeverre hij haar dat gunde.

23. In zoverre faalt de klacht dat het hof een onjuiste uitleg zou hebben gegeven aan het bestanddeel “misbruik” in art. 250a (oud) Sr.

24. De rechtsklacht dat het hof heeft miskend dat in art. 250a (oud) Sr het “oogmerk van uitbuiting” als impliciet bestanddeel besloten ligt, faalt eveneens. Uit de parlementaire voorbereiding van art. 250a, eerste lid onder 6°, Sr blijkt dat deze bepaling ertoe strekte ook het profiteren van vrijwillige prostitutie tegen te gaan die niet als seksuele uitbuiting kan worden aangemerkt.13 Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte [aangeefster] financieel heeft uitgebuit.

25. De motiveringsklacht houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte “zich bewust is geweest van de relevante omstandigheden van de aangeefster waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien […] en evenmin dat hij het oogmerk had op uitbuiting van aangeefster”.

26. Ter ondersteuning van deze motiveringsklacht wordt een beroep gedaan op HR 27 oktober 2009 waarin het volgende werd overwogen:

“In lijn met de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis en voormeld arrest geldt ook onder art. 273a (oud) Sr dat voor het bewijs van door 'misbruik' handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling.

Opmerking verdient dat naast dit opzetvereiste een ander, zwaarder opzetvereiste geldt ten aanzien van de uitbuiting, namelijk in de vorm van het oogmerk van uitbuiting.”14

27. Voor zover erover wordt geklaagd dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte “het oogmerk had op uitbuiting van aangeefster” wordt eraan voorbij gegaan dat het oogmerk op uitbuiting niet als voorwaarde was gesteld in art. 250a (oud) Sr. De voorwaarde is opgenomen in art. 273a (oud) Sr op welke bepaling de laatste volzin van de hierboven weergegeven overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 27 oktober 2009 betrekking heeft.15 In zoverre stelt de motiveringsklacht een eis die de wet niet kent.

28. De klacht dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte “zich bewust is geweest van de relevante omstandigheden van de aangeefster waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien” stuit af op de bewijsvoering waarvan ik de hoofdlijnen hierboven onder randnummer 4 heb weergegeven. De verdachte heeft de uitbuitingssituatie zelf opgezet, geleid en in stand gehouden.

29. Het middel faalt in alle onderdelen.

30. Het tweede middel komt met twee klachten op tegen de bewijsvoering van het onder 2 bewezenverklaarde feit. De eerste (rechts)klacht houdt in dat het hof een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel “misbruik” in art. 273a (oud) Sr en art. 273f Sr en dat het hof heeft miskend “dat in artikel 273a Sr (oud) en in artikel 273f Sr het ‘oogmerk van uitbuiting’ als impliciet delictsbestanddeel besloten lag/ligt”. Aangevoerd wordt dat het bewezenverklaarde misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting doordat het hof onweersproken heeft gelaten dat de verdachte het “geld beheerde dat de aangeefster als kostwinner verdiende met haar werk als prostituee, teneinde haar te helpen om haar schulden weg te werken.” Als ik het goed begrijp, komt dit erop neer dat de verdachte [aangeefster] niet heeft uitgebuit maar dat hij haar juist heeft geholpen. De tweede klacht houdt in dat de motivering van beide bestanddelen tekort schiet waardoor de bewezenverklaring onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat specifieke bewijsmiddelen ontbreken voor de uitbuitingssituatie tussen 1 januari 2005 en 31 december 2006 terwijl de bewijsvoering overwegend zou berusten op verklaringen van [aangeefster] .

31. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 te Nederland,

A) een ander te weten [aangeefster] , door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie

- heeft bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [aangeefster] , seksuele handelingen met een derde (sub 9°)

immers heeft verdachte,

- telkens (een deel van) het door die [aangeefster] in de prostitutie verdiende geld aan hem verdachte laten afstaan en

- die [aangeefster] naar klanten en/of werkplekken gebracht en ook weer opgehaald en bepaald in welke stad die [aangeefster] kon gaan werken en

- tegen die [aangeefster] gezegd dat ze moest doorwerken om een vakantie en/of andere onkosten te kunnen betalen en

- psychisch overwicht op de 20 jaar jongere [aangeefster] en

- die [aangeefster] geïntimideerd en/of door zijn dominante gedrag en/of stemverheffing haar angst ingeboezemd en

- die [aangeefster] dwingend en dominant zijn wil opgelegd.”

32. De tenlastelegging is toegesneden op art. 273a, eerste lid onderdeel 1° en 9° (oud), Sr en art. 273f, eerste lid onderdeel 1° en 9°, Sr.

33. Het op 1 januari 2005 in werking getreden art. 273a, eerste lid onderdeel 1° en 9°, en tweede lid (oud), Sr luidde als volgt:

“1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

1°.degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;

[…]

9°.degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde of van de verwijdering van diens organen.
2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.”

34. Op 1 september 2006 is art. 273a (oud) Sr vernummerd tot art. 273f Sr. Het is in de ten laste gelegde en bewezen verklaarde periode inhoudelijk niet gewijzigd.16

35. Ik begin met de rechtsklacht dat het hof heeft miskend “dat in artikel 273a Sr (oud) en in artikel 273f Sr het ‘oogmerk van uitbuiting’ als impliciet delictsbestanddeel besloten lag/ligt”. Gelet op de bewezenverklaarde feiten zal daarbij zijn gedoeld op art. 273a, eerste lid aanhef en onder 9° (oud), Sr en op art. 273f, eerste lid aanhef en onder 9°, Sr. Voor de beoordeling van deze klacht wijs ik op HR 16 oktober 2018 waarin is overwogen dat “uitbuiting” moet worden aangemerkt als impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 9°, Sr.17 Dit brengt mee, zo overwoog de Hoge Raad verder in hetzelfde arrest, dat de daar bedoelde “gedragingen van degene die een ander dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen als in die bepaling bedoeld, eerst dan als 'mensenhandel' kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat is voldaan aan voormelde voorwaarde dat die gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.”18

36. Uit de bewijsvoering waarvan ik de hoofdlijnen hierboven in randnummer 4 heb geschetst, volgt dat de verdachte [aangeefster] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie van [aangeefster] , heeft gedwongen hem te bevoordelen uit de opbrengsten van de seksuele handelingen van [aangeefster] met een derde onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. In zoverre faalt deze klacht. Daarmee is ook weerlegd dat de verdachte [aangeefster] niet heeft uitgebuit maar juist heeft geholpen zodat het oordeel van het hof geen blijk geeft van een verkeerde uitleg van het bewezenverklaarde misbruik. Ook de daartegen gericht klacht faalt. In zoverre merk ik ten overvloede op dat het hof niet, zoals in de schriftuur wordt aangevoerd, onweersproken heeft gelaten dat de verdachte het “geld beheerde dat de aangeefster als kostwinner verdiende met haar werk als prostituee, teneinde haar te helpen om haar schulden weg te werken.” Uit de bewijsvoering volgt namelijk dat de verdachte met het beheren van het door [aangeefster] verdiende geld niet [aangeefster] hielp, maar zichzelf.

37. Uit de bewijsvoering volgt eveneens dat de verdachte de als uitbuiting te kwalificeren situatie heeft gecreëerd zodat ook de motiveringsklacht faalt dat het oogmerk van uitbuiting en het vereiste opzet van de verdachte op het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en de kwetsbare positie van [aangeefster] niet uit de bewijsvoering kan volgen. Met betrekking tot het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiende overwicht en de kwetsbare positie van [aangeefster] wijs ik op getuigenverklaringen waaruit blijkt dat de verdachte “altijd van die simpele zielen om zich heen” heeft, dat [aangeefster] “zwak” was en daarom het door haar verdiende geld “gewoon” aan de verdachte gaf, en dat de verdachte een “leuke babbel” heeft en dat “meisjes die een beetje instabiel zijn” daarop vallen.

38. Ook faalt de motiveringsklacht dat de meeste onderdelen van de bewijsvoering een specifieke aanduiding missen van de periode waarop zij betrekking hebben. Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte [aangeefster] jarenlang heeft uitgebuit. De verklaringen van [aangeefster] die voor de bewijsvoering zijn gebruikt vinden op onderdelen steun in de verklaringen van zes met naam genoemde getuigen die het hof voor de bewijsvoering heeft gebruikt. De klacht dat wat “uiteindelijk overblijft” de verklaringen van [aangeefster] zijn, mist daarom feitelijke grondslag.

39. Het middel faalt in alle onderdelen.

40. Het derde middel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 3 waarvan aangever [aangever] het slachtoffer is geworden. Allereerst wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte de aangever door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en door misbruik te maken van diens kwetsbare positie heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid, en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van de aangever, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de uitleg en reikwijdte van de delictsbestanddelen van artikel 273a (oud) Sr, artikel 273f (oud) Sr en artikel 273f Sr. Met een beroep op wat de raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren heeft gebracht, wordt in cassatie aangevoerd dat de verdachte [aangever] heeft geholpen nadat [aangever] door alcoholmisbruik en schulden ernstig in de problemen was geraakt. De verdachte heeft [aangever] onderdak gegeven en hem af en toe (en later met een wat grotere regelmaat) klusjes laten doen, waardoor [aangever] weer meer zelfvertrouwen kreeg en zijn verleden (met alcoholmisbruik en schulden) achter zich kon laten. Juist door te werken, zag [aangever] kans de draad van zijn bestaan weer op te pakken. Verder wordt geklaagd dat uit de bewezenverklaring onbegrijpelijk is, omdat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte “de intentie had om de aangever uit te buiten en dat [de verdachte] zich bewust was van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op de aangever of van diens kwetsbare positie, en dat hij met die wetenschap misbruik heeft gemaakt van de aangever door hem te laten werken en uit die ‘uitbuiting’ opzettelijk voordeel te trekken.”

41. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 juni 2014 in Nederland

A) een ander te weten [aangever] , door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie

- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid (sub 4°) en

B) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die ander te weten [aangever] , (sub 6°),

immers heeft verdachte,

- die [aangever] in zijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] laten wonen en

- telkens verbouwingswerkzaamheden en/of schilderwerkzaamheden voor die [aangever] geregeld en

- die [aangever] lange dagen laten werken van 13 uren per dag en / of 6 dagen per week en

- tegen die [aangever] gezegd dat hij veel te langzaam werkt en / of die [aangever] uit zijn bed gehaald en / of geslagen

- telkens het door die [aangever] verdiende geld aan hem laten afstaan en

- telkens de bankpas van die [aangever] in zijn bezit gehad waardoor die [aangever] niet over zijn eigen geld kon beschikken en

- tegen die [aangever] gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij zijn mond moet houden en dat hij verdachte de baas is en dat hij moet doen wat verdachte zegt en

- die [aangever] volledig van hem afhankelijk gemaakt en
- met gebruikmaking van zijn psychische overwicht op die [aangever] een situatie doen ontstaan waarbij die [aangever] zich niet aan de hem opgedragen werkzaamheden kon onttrekken en

- die [aangever] geïntimideerd en/of door zijn dominante gedrag en stemverheffing die [aangever] angst ingeboezemd en

- die [aangever] uitgescholden en/of onder druk gezet en / of hem gekleineerd en

- tegen die [aangever] gezegd ‘ik ben de baas en jij doet wat ik zeg, ik ben de baas en ik blijf ook de baas.”

42. De tenlastelegging is toegesneden op art. 273a, eerste lid aanhef en onder 1°, 4° en 6° (oud), Sr en art. 273f, eerste lid aanhef en onder 1°, 4° en 6°, Sr. Art. 273a (oud) Sr is met ingang van 1 september 2006 ongewijzigd vernummerd tot art. 273f Sr. Gedurende de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode is art. 273f Sr weliswaar gewijzigd,19 maar de wijzigingen hadden geen betrekking op de voor de onderhavige zaak relevante onderdelen. De inhoud ervan luidde gedurende de bewezenverklaarde periode voor zover van belang als volgt:

“1.Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste [..] jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:
[…]

1°. degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;
[…]

4°. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt;
[…]
6°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander”.

43. Met betrekking tot het bewijs van “uitbuiting” heeft het hof het volgende overwogen:

“Om tot een bewezenverklaring van artikel 273f lid 1 sub 4 van het Wetboek van Strafrecht te komen dient bewezen te worden dat sprake was van uitbuiting. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van die bepaling, is volgens de Hoge Raad niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd (zie onder meer Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR: 2009:BI7099).

Uit de boven weergegeven verklaringen blijkt dat [aangever] in opdracht van verdachte jarenlang vele klussen heeft uitgevoerd, zonder dat hij daarvoor een (passende) vergoeding kreeg. [aangever] maakte lange dagen en werkte zes dagen per week. Hij kreeg van verdachte (voor hem en zijn huisgenoot) slechts € 30,- zakgeld per week. [aangever] moest ook van verdachte werken als hij niet wilde of daartoe vanwege vermoeidheid of ziekte niet goed in staat was. Verdachte profiteerde van de werkzaamheden van [aangever] omdat verdachte geld of producten (vlees) ontving voor klussen die [aangever] uitvoerde, de woningen van verdachte meer waard werden door de verbeteringen die [aangever] aanbracht, dan wel verdachte goede sier maakte bij zijn vriendinnen waarvan de woningen door [aangever] werden verbouwd.

Gelet op de lange periode waarin [aangever] voor verdachte heeft gewerkt, de lange werkdagen en werkweken, de omstandigheid dat [aangever] hiervoor niet of nauwelijks kreeg betaald en het feit dat [aangever] ook moest werken als hij te moe of ziek was, staat vast dat [aangever] door verdachte werd uitgebuit.

Verdachte kon [aangever] zo lang uitbuiten, omdat verdachte [aangever] volledig domineerde. Dat dit het geval was, had te maken met de verschillende karakters van verdachte (dominant) en [aangever] (volgzaam en onderdanig), maar ook met de omstandigheid dat verdachte het leven van [aangever] beheerste en controleerde. Hij regelde immers de financiën en huisvesting van [aangever] . [aangever] had niet de beschikking over een eigen bankpas. [aangever] woonde en deed meestal zijn klussen in [plaats] , waar ook verdachte woonde met zijn vriendinnen en andere personen die tot de vertrouwelingen van verdachte behoorden. Ook als verdachte er niet was, werd [aangever] in de gaten gehouden. [aangever] is uiteindelijk in 2014 weggelopen. Een eerdere poging was mislukt, omdat verdachte hem had weten te vinden.”

44. Uit de feiten zoals die hier in de bewijsoverweging zijn vastgesteld, blijkt al dat de verdachte zich bewust was van zijn uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en zijn kwetsbare positie, omdat de [aangever] van de verdachte ook moest werken als [aangever] dat niet wilde of daartoe vanwege vermoeidheid of ziekte niet goed in staat was. Dit worden verder ondersteund door het feit dat [aangever] is weggelopen, maar de verdachte hem heeft weten te vinden. Daaruit volgt dat [aangever] onvrijwillig voor de verdachte werkte en dat de verdachte dit ook wist. Ook volgt uit de hier weergegeven bewijsoverweging dat de verdachte zich ervan bewust moet zijn geweest, en zich ook ervan bewust was, dat hij misbruik maakte van [aangever] , namelijk door hem lange werkdagen en lange werkweken te laten maken waarvoor [aangever] nauwelijks betaald kreeg. Uit de bewijsvoering blijkt bijvoorbeeld dat [aangever] soms dagen van 13 uur maakte, van maandag tot en met zaterdag. De € 30 zakgeld die [aangever] voor zijn werkzaamheden ontving van de verdachte, en waarvan hij met zijn huisgenoot moest leven, komt niet in de buurt van het in Nederland geldende minimumloon (als referentiekader van de “in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven”) wat de verdachte ook moet hebben geweten. Daarmee acht ik de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde niet onbegrijpelijk.

45. Dan resteert de klacht dat het oordeel van het hof, dat de verdachte de aangever door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en door misbruik te maken van diens kwetsbare positie heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid, en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van de aangever, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de uitleg en reikwijdte van de delictsbestanddelen van artikel 273a (oud) Sr en artikel 273f Sr. Met een beroep op wat ter terechtzitting van het hof door de raadsman naar voren is gebracht, wordt in de schriftuur aangevoerd dat de verdachte [aangever] heeft geholpen nadat [aangever] door alcoholmisbruik en schulden ernstig in de problemen was geraakt. De verdachte heeft [aangever] onderdak gegeven en hem af en toe (en later met een wat grotere regelmaat) klusjes laten doen, waardoor [aangever] weer meer zelfvertrouwen kreeg en zijn verleden (met alcoholmisbruik en schulden) achter zich kon laten. Juist door te werken, zag [aangever] kans de draad van zijn bestaan weer op te pakken. Deze klacht berust op de veronderstelling dat de verdachte [aangever] niet heeft uitgebuit maar juist heeft geholpen en dat het hof daarom het bestanddeel “misbruik” verkeerd heeft uitgelegd. Uit de bewijsvoering volgt echter dat de verdachte geen weldoener van [aangever] was, maar van hem heeft geprofiteerd en dat het “af en toe” en “later met een wat grotere regelmaat” klusjes laten doen een “understatement” is. Met het laten werken van [aangever] hielp de verdachte zichzelf financieel. Dat arbeid adelt, doet aan de uitbuiting niets af. Het oordeel van het hof geeft daarom dan ook geen blijk van een verkeerde uitleg van het bewezenverklaarde misbruik. Ook de daartegen gericht klacht faalt.

46. Het middel faalt in alle onderdelen.

47. Het vierde middel komt op tegen de zogenoemde promis-motiveringswijze die onvoldoende precies zou zijn omdat het hof verwijst naar in totaal meer dan 250 pagina’s processen-verbaal. Het gaat er vooral om “dat de bewijsmotivering een zoekplaatje is die het vrijwel onmogelijk maakt het bewijsoordeel te toetsen.”

48. Alvorens deze klacht te bespreken, sta ik eerst kort stil bij een andere klacht die in het middel naar voren wordt gebracht. Aangevoerd wordt dat de verdachte er “grote moeite mee” heeft dat het hof zich bij de beoordeling van het bewijsmateriaal zich “nagenoeg volledig heeft gebaseerd op de verklaringen die door de aangevers zijn afgelegd” terwijl volgens de verdachte “meer dan voldoende aanleiding was om die verklaringen kritisch te beoordelen en om met name ook acht te slaan op verklaringen van anderen die duidelijk een ander licht op de zaak werpen.” Deze klacht stuit af op de vrijheid bij de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal die de rechter heeft die over de feiten oordeelt.20 Het feit dat de rechtbank het beschikbare bewijsmateriaal anders heeft gewaardeerd, behoort niet tot de gevallen waarin die beslissing nader moet worden gemotiveerd.21

49. Aan de door het hof gevolgde werkwijze, waarbij de redengevende inhoud van een bewijsmiddel zakelijk wordt samengevat, heeft de Hoge Raad als voorwaarde gesteld “dat de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend, zo nauwkeurig is dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd.”22 Aangevoerd wordt dat het hof dit in de onderhavige zaak onvoldoende nauwkeurig heeft gedaan door – kort gezegd – in de voetnoten te verwijzen naar meer dan 250 pagina’s processen-verbaal.

50. De klacht gaat er aan voorbij dat het hof, bij de zakelijke samenvatting van de redengevende inhoud van een bewijsmiddel, telkens het specifieke paginanummer heeft aangegeven waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend. Als voorbeeld neem ik de verwijzing met de meeste pagina’s, in voetnoot 4 naar “Proces-verbaal van verhoor van [aangeefster] op 27 november 2014, p. 598-666.” Het hof heeft de redengevende inhoud van dit bewijsmiddel als volgt samengevat:

“Verdachte sliep ongeveer één keer in de week bij aangeefster. Zij denkt dat verdachte het druk had met de anderen, want ook daar moest hij een keertje slapen. Toen aangeefster betrapt was (het hof begrijpt: door de sociale dienst) heeft verdachte zich terug getrokken. Toen was het allemaal niks meer (p. 599). In Amsterdam heeft aangeefster goed verdiend, maar er is ook een periode geweest dat het slecht ging. Als ze niets had verdiend, was verdachte kwaad (p. 664). Verdachte heeft aangeefster nooit geslagen, maar hij was wel dwangmatig in zijn praat (het hof begrijpt dat verdachte verbaal dwingend was), (p. 665).”

51. De verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen naar specifieke pagina’s van het proces-verbaal waarnaar wordt verwezen is buitengewoon nauwkeurig.

52. Het middel faalt evident.

53. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

54. In het licht van HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, wijs ik er ambtshalve op dat het hof in de onderhavige zaak telkens vervangende hechtenis heeft verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Sinds 1 januari 2020 heeft de rechter die mogelijkheid niet meer, maar kan hij het dwangmiddel van gijzeling opleggen. Deze verandering in de regels van sanctierecht werkt ten gunste van de verdachte en moet met onmiddellijke ingang worden toegepast. In onderhavig geval dient de bestreden uitspraak ambtshalve te worden vernietigd voor zover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd, onder bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

55. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

56. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het door de OvJ ingestelde hoger beroep was niet gericht tegen de veroordeling van de verdachte wegens onder 4 “gewoontewitwassen”, onder 5 “witwassen”, onder 7 “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en onder 9 “Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”, tot een gevangenisstraf voor de duur van 155 dagen en de verbeurdverklaring van het in beslaggenomen geldbedrag van € 86.830,-.

2 Wet van 9 december 2004 tot uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel, Stb. 2004, 645; i.w.tr. Stb. 2004, 690.

3 Kamerstukken II 2003/04, 29291, nr. 3, p. 13.

4 Zie randnummer 27. Zie voorts: HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941, NJ 2019/272 m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.4.1.

5 Wet computercriminaliteit, Stb. 2006, 300; i.w.tr. Stb. 2006, 301.

6 Vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Y. Buruma, r.o. 2.4.1.

7 Kamerstukken II 1988/89, 21027, nr. 3, p. 3-4.

8 Kamerstukken II 1988/89, 21027, nr. 3, p. 8.

9 Kamerstukken II 1990/91, 21027, nr. 5, p. 3. Deze passage uit de memorie van antwoord heeft strikt genomen betrekking op art. 250bis lid 1 Sr, maar het onderscheid tussen mensenhandel in het ontwerp-artikel 250ter Sr en het misdrijf omschreven in het ontwerp-artikel 250bis “is voor de strafrechtelijke bescherming van het slachtoffer niet van belang”, aldus de memorie van antwoord, p. 2.

10 Kamerstukken II 1990/91, 21027, nr. 5, p. 7.

11 Kamerstukken II 1997/98, 25437, nr. 6.

12 Kamerstukken II 1997/98, 25437, nr. 5, p. 22-23.

13 Vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941, NJ 2019/272 m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.4.1.

14 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Y. Buruma, r.o. 2.5.1.

15 S.M.A. Lestrade, De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland. Een toetsing op basis van internationale en Europese mensenrechten, anti-mensenhandelregelgeving en de grondslagen van het strafrecht (diss. Nijmegen), Wolters Kluwer 2018, p. 52, 74 en 87-88.

16 Wet computercriminaliteit, Stb. 2006, 300; i.w.tr. Stb. 2006, 301.

17 Vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941, NJ 2019/272 m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.4.2.

18 Vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941, NJ 2019/272 m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.4.2.

19 Stb. 2009, 245, i.w.tr. 1 juli 2009, Stb. 2009, 301. Stb. 2013, 84, i.w.tr. 1 april 2013, Stb. 2013, 108. Stb. 2013, 444, i.w.tr. 15 november 2013.

20 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.8.1.

21 Vgl. HR 19 februari 2008, ECLI:NLHR:2008:BC2311, r.o. 3.7 en HR 19 februari 2008, ECLI:NLHR:2008:BC2307, r.o. 3.7.

22 HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387 m.nt. Y. Buruma, r.o. 5.6.1 (Promis I).