Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:593

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
19/04311
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1789, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Rechtspersonenrecht. Verbodenverklaring en ontbinding van informele vereniging (motorclub) en van twee onzelfstandige support clubs. Miskenning van toepasselijkheid van strafrechtelijk bewijsrecht en onjuiste toepassing van art. 149 Rv? Support clubs ten onrechte niet aangemerkt als zelfstandige informele verenigingen? Verbod en ontbinding noodzakelijk en proportioneel? Uitvoerbaarheid bij voorraad van verbodenverklaring?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2021/5 met annotatie van Bieman, I. den, Kuilen, E. van der
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04311

Zitting 12 juni 2020

CONCLUSIE

B.F. Assink

In de zaak

1. Satudarah Motorcycle Club

2. Saudarah

3. Supportcrew 999

4. Yellow Snakes MC

tegen

Openbaar Ministerie (Landelijk Parket)

Deze zaak heeft betrekking op, kort gezegd, het verzoek van het openbaar ministerie (hierna: het OM) tot het op grond van art. 2:20 lid 1 BW verboden verklaren en ontbinden van de informele vereniging Satudarah Motorcycle Club (hierna: Satudarah). De rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) heeft Satudarah, daaronder begrepen de chapters (lokale afdelingen) en twee van de drie supportclubs (Saudarah en Supportcrew 999), bij beschikking van 18 juni 2018, uitvoerbaar bij voorraad, verboden verklaard en ontbonden vanwege de werkzaamheid van Satudarah in strijd met de openbare orde. Yellow Snakes MC (hierna: Yellow Snakes), ook een van die supportclubs, valt blijkens die beschikking niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah, nu het verzoek van het OM alleen op Satudarah ziet en Yellow Snakes geen onderdeel is van Satudarah. Het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) heeft bij beschikking van 18 juni 2019, samengevat, de beschikking van de rechtbank in stand gelaten met uitzondering van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring. Door zowel Satudarah, Saudarah en Supportcrew 999 (in het verzoekschrift tot cassatie tezamen in enkelvoud ‘Satudarah’ genoemd, wat ik hierna ter zake ook doe) en Yellow Snakes als het OM is cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking van het hof. In het (principale) cassatieberoep van Satudarah en Yellow Snakes speelt onder meer de vraag of in een civielrechtelijke procedure op grond van art. 2:20 lid 1 BW strafrechtelijk bewijsrecht zou moeten worden toegepast, omdat sprake zou zijn van vervolging in de zin van art. 6 lid 1 EVRM (‘criminal charge’). In het (incidentele) cassatieberoep van het OM wordt het oordeel van het hof over het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de verbodenverklaring van Satudarah aan de orde gesteld. M.i. houdt de beschikking van het hof stand in zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep.

1. De feiten en het procesverloop1

1.1 De informele vereniging Satudarah is een motorclub die in 1990 in Moordrecht is opgericht. Satudarah kent lokale afdelingen, zogenoemde ‘chapters’. Naast de chapters zijn er ook de zogenoemde ‘supportclubs’: Saudarah, Supportcrew 999 en Yellow Snakes (hierna gezamenlijk ook: de supportclubs).

In eerste aanleg

1.2 Bij verzoekschrift van 29 september 2017 heeft het OM verzocht Satudarah, daaronder begrepen de supportclubs, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, verboden te verklaren en te ontbinden op grond van art. 2:20 BW.

1.3 Het OM voert aan dat Satudarah een informele vereniging is waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, als bedoeld in art. 2:30 lid 1 BW. De chapters en de supportclubs zijn volgens het OM onzelfstandige, van Satudarah deel uitmakende, onderdelen. De werkzaamheid van Satudarah is volgens het OM in strijd met de openbare orde.

1.4 Satudarah (in eerste aanleg enig verweerster) heeft een verweerschrift ingediend. Satudarah betwist niet dat zij een informele vereniging is en evenmin dat de chapters onderdeel vormen van de vereniging. Satudarah heeft wel weersproken dat de supportclubs onderdeel zijn van de vereniging waartegen het verzoek van het OM is gericht.

1.5 Bij de rechtbank heeft op 8 mei 2018 een mondelinge behandeling van het verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah plaatsgevonden, waar het OM het woord heeft gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen en tijdens zijn pleidooi (delen van) de documentaire One Blood2 heeft vertoond, en tevens de advocaten van Satudarah het woord hebben gevoerd. De rechtbank heeft beslist, conform de wens van de advocaten van Satudarah en ondanks het bezwaar daartegen van de zijde van het OM, dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet op 16 mei 2018. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.6 Tijdens de mondelinge behandeling op 16 mei 2018 hebben de advocaten van Satudarah het woord gevoerd en hebben vertegenwoordigers van het OM op het betoog van de advocaten van Satudarah gereageerd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.7 Bij beschikking van 18 juni 2018 heeft de rechtbank Satudarah, uitvoerbaar bij voorraad, verboden verklaard en ontbonden. De rechtbank heeft verstaan dat deze verbodenverklaring en ontbinding ook Saudarah en Supportcrew 999 omvat, maar niet Yellow Snakes. De rechtbank heeft de zaak aangehouden ter benoeming van een vereffenaar en het meer of anders verzochte afgewezen.3 De rechtbank heeft, samengevat, het volgende aan die beslissing ten grondslag gelegd:

- De rechtbank benadrukt dat de vrijheid van vereniging een grondrecht is dat gewaarborgd is in art. 8 Gw en art. 11 EVRM en dat uitsluitend kan worden beperkt bij wet in formele zin, mits de beperking geschiedt in het belang van de openbare orde. (rov. 2.5)

- Art. 2:20 BW is zo’n ‘wet’. Het begrip ‘openbare orde’ is niet scherp omlijnd. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis4 en de rechtspraak van de Hoge Raad5 neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat niet snel sprake zal zijn van strijd met de openbare orde en dat art. 2:20 BW met grote terughoudendheid dient te worden toegepast. Louter uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag is onvoldoende; er moet sprake zijn van een aantasting van de als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel die, indien op grote schaal toegepast, ontwrichtend zou kunnen zijn voor onze samenleving. (rov. 2.6)

- Bij de toepassing van art. 2:20 BW zal de rechter aan de hand van het voorliggende geval moeten controleren of de nationale wetgever niet te veel ruimte heeft genomen bij het beperken van de vrijheid van vereniging en dus of de ‘ondergrens’ die art. 11 EVRM trekt, wordt gerespecteerd. (rov. 2.7)

- De rechtbank volgt Satudarah niet in haar betoog dat toetsing van art. 2:20 BW aan art. 8 Gw mogelijk zou moeten zijn. Of het Nederlandse recht meer bescherming biedt dan het EVRM moet worden beoordeeld naar het (nationale) recht zoals het is. Daartoe behoort nu eenmaal het toetsingsverbod van art. 120 Gw. De rechter kan art. 2:20 BW daarom niet toetsen aan de Grondwet. Naar het oordeel van de rechtbank kan hierover redelijkerwijs geen twijfel bestaan, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het stellen van een prejudiciële vraag over (het met art. 11 EVRM corresponderende) art. 52 lid 3 Handvest van grondrechten van de Europese Unie. (rov. 2.8-2-9)

- Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 2:20 BW6 overweegt de rechtbank dat Satudarah er ten onrechte aan voorbij ziet dat de minister nadrukkelijk ruimte heeft willen geven aan rechtsontwikkeling en dus voor toepassing van art. 2:20 BW in gevallen die hem wellicht toen niet direct voor ogen stonden, mits de benadrukte terughoudendheid maar in acht wordt genomen. (rov. 2.10)

- Bij de beoordeling van de vraag of de werkzaamheid van Satudarah in strijd is met de openbare orde moet de rechtbank zich baseren op door het OM gestelde feiten. Het OM heeft in zijn verzoekschrift onder meer gewezen op structurele betrokkenheid van Satudarah bij (georganiseerde) criminaliteit, het beperken van de mogelijkheid om als lid van de vereniging te bedanken en het tegenwerken van justitieel onderzoek. Waar het OM zich beroept op strafrechtelijke veroordelingen (op tegenspraak) leveren deze volgens de rechtbank dwingend bewijs op van de daarin vastgestelde gedragingen, ook tegenover derden. Voor andere feiten waarop het OM zich beroept, geldt op grond van het hier toepasselijke ‘gewone’ bewijsrecht dat gestelde feiten die niet (voldoende gemotiveerd) zijn weersproken in beginsel als vaststaand moeten worden beschouwd (art. 284 jo. 149 Rv). De rechtbank overweegt dat gezien de omvang van het aantal strafrechtelijke onderzoeken dat het OM noemt in het verzoekschrift in redelijkheid van Satudarah niet verlangd kan worden dat alle genoemde gedragingen die zijn toegeschreven aan (oud-)Satudarah-leden van een gemotiveerde betwisting worden voorzien. Satudarah had naar het oordeel van de rechtbank wel ten minste tegen een aantal evident zwaarwegende gedragingen verweer naar voren kunnen brengen. Satudarah heeft, op enkele uitzonderingen na, volstaan met een algemene, niet-inhoudelijk gemotiveerde, betwisting. Onder deze omstandigheden beschouwt de rechtbank het door het OM in het verzoekschrift gestelde als onvoldoende gemotiveerd weersproken en dus tegenover Satudarah vaststaand. (rov. 2.11-2.14)

- De rechtbank gaat vervolgens na of hetgeen het OM aanvoert tot de conclusie leidt dat de werkzaamheid van Satudarah in strijd is met de openbare orde. De rechtbank geeft een thematische weergave van de door het OM gestelde betrokkenheid van (oud-)leden van Satudarah bij strafrechtelijke onderzoeken met betrekking tot strijd met rivaliserende motorclubs, (dreigen met) geweld tegen andere motorclubs, (dreigen met) geweld tegen andere personen, verdovende middelen, wapens, afpersing en overige misdrijven. In het verzoekschrift is verder uitgebreid ingegaan op het verschijnsel ‘bad standing’ en bevinden zich verschillende verklaringen van (oud-)leden van Satudarah die erop neerkomen dat zij uit angst voor represailles geen verklaringen willen afleggen over activiteiten van de vereniging. Uit het verzoekschrift blijken verschillende gedragingen waarmee justitieel optreden opzettelijk wordt bemoeilijkt. De rechtbank oordeelt dat deze gedragingen van leden van Satudarah een wezenlijke aantasting vormen van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. De veelvuldige en voortdurende inbreuken van leden van Satudarah op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen de samenleving ontwrichten. (rov. 2.15-2.20)

- De rechtbank oordeelt dat de geconstateerde inbreuken op de openbare orde door de leden van Satudarah kunnen worden toegerekend aan Satudarah, in die zin dat geoordeeld moet worden dat de werkzaamheid van Satudarah in strijd is met de openbare orde en sprake is van (dreigende) ontwrichting van de samenleving. Die conclusie wordt in het bijzonder gerechtvaardigd door de betrokkenheid bij strafbare gedragingen van bestuurders/leidinggevenden van Satudarah, door deze zelf te begaan of hieraan leiding te geven, door het door bestuurders/leidinggevenden scheppen van een klimaat waarin het plegen van strafbare feiten als respectabel handelen in verenigingsverband wordt ervaren en aldus de drempel tot het plegen van strafbare feiten wordt verlaagd, alsmede door het plegen van strafbare feiten door leden van Satudarah waarbij zij duidelijk het belang van Satudarah beogen te dienen. (rov. 2.21-2.33)

- De rechtbank acht verbodenverklaring van Satudarah, alle omstandigheden in aanmerking genomen, passend en proportioneel. Dat het OM niet een vervolging op grond van art. 140 lid 1 Sr heeft ingesteld, neemt, na alle, waaronder ook bestuursrechtelijke, acties die wel zijn ondernomen, niet weg dat aan het vereiste van subsidiariteit is voldaan. Bovendien wijst het OM er volgens de rechtbank terecht op dat verbodenverklaring op grond van art. 2:20 BW hem steun kan bieden bij strafrechtelijk optreden, gelet op het bepaalde in art. 140 lid 2 Sr. De rechtbank volgt Satudarah niet in haar betoog dat een verbodenverklaring geen zoden aan de dijk zet, omdat haar leden eenvoudig onder een andere naam de activiteit van de vereniging voort kunnen zetten. Dat brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, waarbij de rechtbank in het midden laat of het voortzetten van zekere activiteiten van Satudarah onder een andere naam na verbodenverklaring evenzeer onder de werking van de verbodenverklaring valt. (rov. 2.34-2.35)

- Het OM heeft aangevoerd dat Satudarah één rechtspersoon (een informele vereniging als bedoeld in art. 2:30 lid 1 BW) is, waarvan de chapters en de supportclubs onzelfstandige, van de vereniging deel uitmakende, onderdelen zijn. Ter onderbouwing van het standpunt dat sprake is van één rechtspersoon heeft het OM in het bijzonder verwezen naar het gebruik van uniforme kleding, de presentatie op door Satudarah onderhouden websites, gezamenlijk uitgevoerde activiteiten, de hiërarchische structuur (waarbij bestuursleden op nationaal niveau een bepalende invloed hebben op het beleid van de verschillende chapters), de interne regels, en de verplichting tot afdracht van contributie door chapters aan de landelijke vereniging. Satudarah betwist niet dat zij een informele vereniging is en evenmin dat de chapters onderdeel vormen van de vereniging. De rechtbank is daar dan ook van uitgegaan. (rov. 2.3-2.4) Satudarah heeft in haar verweerschrift wel betoogd dat een uit te spreken verbod geen betrekking kan hebben op de supportclubs, omdat zij geen deel uitmaken van Satudarah. De rechtbank volgt met betrekking tot de positie van de supportclubs het betoog van het OM, maar niet ten aanzien van Yellow Snakes. Niet is gebleken dat Satudarah een ledenadministratie bijhoudt ten aanzien van Yellow Snakes (wel ten aanzien van Saudarah en Supportcrew 999). Verder presenteert Yellow Snakes zich (anders dan Saudarah en Supportcrew 999) op internet met een eigen webadres. In de presentatie op de website van Yellow Snakes blijkt niet van een zo nauwe verwevenheid met Satudarah dat zij als een onderdeel van Satudarah is te beschouwen. Voor de zelfstandigheid van Yellow Snakes pleit volgens de rechtbank verder dat in tijdens een doorzoeking van een clubhuis van Satudarah in beslag genomen administratie nauwelijks verwijzingen naar Yellow Snakes zijn te vinden (wel veel naar Saudarah en Supportcrew 999). Voorts wijst de omstandigheid dat in een getuigenverklaring valt te lezen dat leden van Satudarah personen die betrokken zijn bij Yellow Snakes “overhalen” om lid te worden van Satudarah, volgens de rechtbank ook erop dat Yellow Snakes een van Satudarah losstaande entiteit is. Uit lesmateriaal van Yellow Snakes kan ook worden opgemaakt dat deze organisatie zich als een “autonome club” ziet. Tot slot wijst de rechtbank nog op de verklaring van een hooggeplaatst bestuurslid van Satudarah dat Yellow Snakes geen financiële afdrachten doet en geen verantwoording schuldig is aan Satudarah. Anders dan voor Saudarah en Supportcrew 999 heeft een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah geen gevolgen voor Yellow Snakes. (rov. 2.36-2.38)

- De rechtbank gaat over tot verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah, nu geoordeeld is dat de werkzaamheid van Satudarah in strijd is met de openbare orde. De rechtbank zal ten behoeve van de vereffening een vereffenaar benoemen. De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van het verzoek van het OM dat het vereffeningssaldo van een verboden verklaarde rechtspersoon aan de Staat toevalt, gelet op de op dit punt duidelijke tekst van de wet (art. 2:23b lid 1 BW) en het ontbreken van enig aanknopingspunt in de wetsgeschiedenis voor de door het OM voorgestane afwijking van de wettelijke regeling. (rov. 2.39-2.40 en het dictum)

- De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad brengt niet met zich dat het instellen van hoger beroep (en cassatie) onmogelijk wordt.7 Alleen al het feit dat het hier gaat om een beschikking die een inbreuk maakt op een grondrecht, rechtvaardigt volgens de rechtbank dat de ten tijde van de ontbinding zittende bestuurders de (beperkte) bevoegdheid behouden tegen de verbodenverklaring en ontbinding in rechte op te komen. Het bepaalde in art. 245 Rv is in een dergelijk geval niet onverkort van toepassing voor zover bestuurders geen misbruik maken van hun (beperkte) bevoegdheid. De uitkomst van de procedure biedt volgens de rechtbank geen basis voor een proceskostenveroordeling ten laste van het OM, als verzocht door Satudarah. (rov. 2.41-2.42 en het dictum)

1.8 Bij beschikking van 28 augustus 2018 heeft de rechtbank mr. H. Dulack, advocaat te Utrecht, tot vereffenaar benoemd en ook die benoeming uitvoerbaar bij voorraad verklaard.8 Satudarah heeft de rechtbank medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de benoeming van mr. Dulack en mr. Dulack is bereid tot aanvaarding van de benoeming (rov. 2.1). De rechtbank kan niet, voor het geval Satudarah dat mocht bepleiten, terugkomen op haar beslissing de verbodenverklaring en de ontbinding uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (rov. 2.2) en voegt daar nog het volgende aan toe (rov. 2.3):

“Mocht Satudarah het standpunt innemen dat de benoeming van de vereffenaar niet uitvoerbaar bij voorraad kan (of behoort te) worden verklaard, dan overweegt de rechtbank, deels ten overvloede, nog het volgende. De (tekst van de) wet sluit uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en de ontbinding (anders dan voor de enquêteprocedure, artikel 2: 358 lid 1BW) niet uit. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat ten grondslag ligt aan de nu geldende wettekst is slechts overwogen dat niet mag worden verwacht dat de rechter een ontbinding uitvoerbaar bij voorraad verklaart (K 1984/1985, nrs. 5-7, MvA, blz 8, paragraaf 25). Vervolgens is overwogen dat een uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een verbod geen rechtsgevolg zal hebben, gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank las en leest hierin niet dat de wetgever uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissing een rechtspersoon te verbieden en te ontbinden, heeft willen uitsluiten. Een logisch vervolg op de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de beschikking van 18 juni 2018 is dat ook deze beschikking dadelijk uitvoerbaar zal zijn, zodat de vereffenaar met zijn taak kan aanvangen, ongeacht een ingesteld hoger beroep.”

In hoger beroep

1.9 Door Satudarah, Saudarah en Supportcrew 999 (door het hof tezamen in enkelvoud ‘Satudarah’ genoemd (appellanten), wat ik in dit verband aanhoud in lijn met de weergave door het hof) is hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 18 juni 2018. Het hoger beroep van Satudarah heeft zaaknummer 200.245.707/01. Satudarah heeft in haar beroepschrift elf grieven tegen de beschikking aangevoerd en voorts verzocht de door de rechtbank uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en de ontbinding te schorsen. Het OM heeft bij verweerschrift op het verzoek tot schorsing gereageerd, op welk verweerschrift Satudarah per brief heeft gereageerd.

1.10 Bij beschikking van 4 december 2018 in het incident tot schorsing heeft het hof schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah afgewezen en iedere verdere beslissing aangehouden.9 De toets die het hof daarbij heeft aangelegd, is terughoudend.10 Het hof overweegt onder meer dat van een kennelijke misslag met betrekking tot de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah geen sprake is en dat bij de belangenafweging ten aanzien van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissing tot ontbinding geldt dat het hof in het kader van het incident moet uitgaan van de bestreden beslissing van de rechtbank en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en dat de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing moet blijven.

1.11 Het OM heeft bij verweerschrift op het beroepschrift van Satudarah gereageerd. Satudarah heeft bij brief gereageerd op het verweerschrift van het OM, welk stuk moet worden beschouwd als haar pleitnota in hoger beroep.

1.12 Het OM heeft voorts bij beroepschrift (principaal) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 18 juni 2018. Het hoger beroep van het OM heeft zaaknummer 200.246.219/01 (daarin zijn Satudarah, Saudarah en Supportcrew 999, en Yellow Snakes door het hof tezamen in enkelvoud ‘Satudarah’ genoemd (geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep), wat ik in dit verband aanhoud in lijn met de weergave door het hof). Het OM heeft twee grieven tegen de beschikking geformuleerd en toegelicht. Satudarah heeft bij verweerschrift op die grieven gereageerd. In incidenteel hoger beroep is namens Yellow Snakes een grief tegen de beschikking van de rechtbank aangevoerd en toegelicht. Het OM heeft bij verweerschrift op die grief gereageerd. Satudarah heeft bij brief gereageerd op het verweerschrift van het OM in incidenteel hoger beroep, welk stuk moet worden beschouwd als haar pleitnota in hoger beroep.

1.13 Op 15 april 2019 heeft bij het hof een mondelinge behandeling plaatsgevonden in de beide zaken. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.14 Op 18 juni 2019, dus precies een jaar na de beschikking van de rechtbank, heeft het hof uitspraak gedaan in beide zaken genoemd onder 1.9 en 1.12.11 In het hoger beroep ingesteld door Satudarah, de zaak met zaaknummer 200.245.707/01, heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd, doch uitsluitend voor zover de daarin uitgesproken verbodenverklaring van Satudarah uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Voor het overige heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen. In de zaak waarin het OM principaal hoger beroep had ingesteld en in incidenteel hoger beroep namens Yellow Snakes een grief is aangevoerd en toegelicht, de zaak met zaaknummer 200.246.219/01, heeft het hof het beroep in zowel het principale hoger beroep als het incidentele hoger beroep verworpen.

1.15 Het hof zet in rov. 7 eerst het juridische kader in beide zaken uiteen, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 2:20 lid 1 BW en rechtspraak van de Hoge Raad over die bepaling (rov. 7.1-7.11):

“7.1 Op grond van artikel 2:20 lid 1 BW wordt een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, door de rechtbank verboden en ontbonden verklaard. Een dergelijke verbodenverklaring en ontbinding beperkt het door artikel 8 Gw en artikel 11 EVRM beschermde recht van vereniging.

7.2 Het recht van vereniging wordt ook beschermd in artikel 12 Handvest, dat inhoudelijk correspondeert met artikel 11 EVRM. Het Handvest is op grond van artikel 51 lid 1 Handvest van toepassing indien lidstaten het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Het hof zal er in het navolgende veronderstellenderwijs vanuit gaan dat dit het geval is.

7.3 Artikel 8 Gw bepaalt dat het recht op vereniging bij wet kan worden beperkt in het belang van de openbare orde. Het begrip wet betekent hier wet in formele zin. Het begrip openbare orde is niet nader gedefinieerd. In de parlementaire toelichting is over dit begrip onder meer het volgende opgenomen:

“Gezien de grote variatie van mogelijke criminele of anderszins onoirbare doeleinden is een korte opsomming van enkele toegespitste doelcriteria niet toereikend. Handhaving van de bestaande beperkingsgrond («in het belang der openbare orde») lag daarom voor de hand. Het begrip «openbare orde» komt op vele plaatsen in de bestaande wetgeving voor, soms in een zeer ruime soms in een wat engere betekenis. Door toevoeging van de woorden «en de goede zeden» is aangesloten bij de tekst van boek 2 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, welke tekst door de Staten-Generaal is aanvaard. Toegegeven zij, dat de uitdrukking «in het belang van de openbare orde en de goede zeden» zeer ruim is. Ze is echter, anders dan de term «in het algemeen belang», niet alomvattend en zal niet licht tot een verbod van politieke of culturele activiteiten leiden, mits deze activiteiten niet crimineel of anderszins ontoelaatbaar zijn.” (Kamerstukken II 1975-1976,13 872, nr. 7).

7.4 Artikel 11 lid 2 EVRM bepaalt dat de uitoefening van het recht op vrijheid van vereniging aan geen andere beperkingen mag worden onderworpen dan die, welke bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het begrip “wet” in artikel 11 EVRM heeft een andere betekenis dan in artikel 8 Gw. In artikel 11 EVRM gaat het om een materieel wetsbegrip, hetgeen betekent dat ook bij lagere regelgeving dan een wet in formele zin beperkingen kunnen worden aangebracht op het in artikel 11 EVRM neergelegde recht op vereniging.

7.5 Artikel 11 EVRM beschermt niet alleen de zogenaamde positieve verenigingsvrijheid (het recht om zich te verenigen), maar ook de negatieve verenigingsvrijheid (het recht om niet (langer) deel uit te maken van een vereniging).

7.6 In zijn beschikking van 26 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1124 (Hells Angels Northcoast Harlingen)) oordeelde de Hoge Raad dat vanwege het fundamentele karakter van het recht van vereniging in een democratische rechtstaat, slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen aan het verbieden van een rechtspersoon. Voor een verbodenverklaring moet het om meer gaan dan uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag. De verbodenverklaring dient te worden gezien als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten. Dat criterium is door de Hoge Raad herhaald in zijn beschikking van 18 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:948 (Martijn)).

7.7 In de parlementaire toelichting is met betrekking tot de reikwijdte van artikel 2:20 BW onder meer het volgende opgenomen (Kamerstukken II, 1984-1985, 17 476, nrs. 5-7, p. 3):

“8. Hiermee wordt in mijn ogen de kern geraakt van wat met de verbodsgrond wordt beoogd. Slechts handelingen die inbreuk maken op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel, kunnen het verbod van een vereniging of andere rechtspersoon rechtvaardigen: ongerechtvaardigde aantasting van de vrijheid van anderen of van de menselijke waardigheid. Gebruik van geweld of bedreiging daarmee tegen het openbare gezag of tegen degenen met wier opvattingen men het, al dan niet op goede gronden, oneens is, valt eronder, evenals rassendiscriminatie en andere verboden discriminatie. Evenzo het heulen met een mogendheid waarvan valt te verwachten dat zij een geboden kans om ons volk te onderdrukken zou grijpen, het weerstreven van onherroepelijke rechterlijke uitspraken of onrechtmatige benadeling van anderen als middel om het bestaan van de rechtspersoon te rekken. Het stelselmatig niet afdragen van premies en frauderen valt daaronder. Ten slotte behoren als strijdig met de openbare orde en de goede zeden te worden aangemerkt uitlatingen zoals het aanzetten tot haat en uitingen die verboden discriminatie inhouden of een mensonterend streven zoals het in de literatuur gegeven voorbeeld van een pleidooi om het doden van bepaalde volksgroepen straffeloos te maken. Al deze voorbeelden hebben gemeen dat zij een aantasting inhouden van de als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel die, indien op grote schaal toegepast, ontwrichtend zou blijken voor de samenleving.”

7.8 Bij de behandeling van het wetsvoorstel op 22 september 1986 (Handelingen, pagina 21) heeft de toenmalige minister Korthals Altes opgemerkt:

“Strijd met de openbare orde is er pas (...) wanneer de grondslagen van onze rechtsstaat in het geding zijn. (…) Aldus verstaan, heeft de verbodsgrond geen nadere toespitsing nodig. Van de rechter mag een enge uitleg worden verwacht."

7.9 Het begrip werkzaamheid is als volgt toegelicht (Kamerstukken II, 1984-1985, 17 476, nrs. 5-7, p. 9-10):

“Het woord werkzaamheid is in zijn gewone betekenis gebruikt en omvat dus die daden die de rechtspersoon stelt en de woorden die hij spreekt en schrijft, ongeacht op welke wijze blijkt dat die zijn gesteld, gesproken of geschreven in het kader van de organisatie met rechtspersoonlijkheid. Daartoe behoren de middelen waarmee hij zijn doel nastreeft, maar ook bij voorbeeld het stelselmatig niet afdragen van premies. De enkele overtreding van een of meer verboden stempelt een rechtspersoon nog niet tot ongeoorloofd. Dergelijke overtredingen moeten zijn geworden tot een schakel in de werkwijze om als werkzaamheid te worden aangemerkt en bovendien zo ernstig zijn, dat die werkzaamheid binnen de termen van artikel 15 valt.”

En (Kamerstukken II, 1985-1986, 17 476, nr. 12, p. 4):

“‘13. Met deze leden meen ik dat een enkele losse, niet symptomatische handeling te weinig is om als werkzaamheid te gelden. Ik reken tot de werkzaamheid niet alleen handelingen die een rechtspersoon op grond van de eigen doelstelling verricht, maar ook het verdere optreden met uitzondering van misstappen die buiten het patroon van het gehele optreden vallen. Een onderscheid tussen hoofd- en nevenwerkzaamheid zou ik in dit verband niet willen maken en lijkt hier zelfs zonder belang.”

7.10 De Hoge Raad overwoog in de reeds genoemde beschikking van 26 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1124 (Hells Angels Northcoast Harlingen)) ten aanzien van de uitleg van het begrip werkzaamheid dat onvoldoende is dat de rechtspersoon van gedragingen van derden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden, geen of onvoldoende afstand heeft genomen. Wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden, waaronder “members” zelf, niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, kunnen die gedragingen aan de rechtspersoon slechts als eigen werkzaamheid worden toegerekend indien bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven.

7.11. Binnen dit kader oordeelt het hof als volgt.” [curs. in origineel, A-G]

1.16 Het hof overweegt onder meer als volgt in de zaak met zaaknummer 200.245.707/01.

“(…)

Legaliteitsbeginsel; het begrip "openbare orde ” te onbepaald?


10.1 Satudarah heeft aangevoerd dat het begrip openbare orde in artikel 2:20 BW te onbepaald is. Zij voert daartoe onder meer aan dat artikel 8 Gw een beperking van het recht op vereniging slechts toelaat bij wet in formele zin. Door het onbepaalde karakter van het begrip openbare orde, wordt de toelaatbaarheid van de beperking van het recht op vereniging nu feitelijk door de rechter vastgesteld. Het hof deelt die conclusie niet.

10.2 Zoals hierboven reeds is overwogen, kan het hof artikel 2:20 BW niet toetsen aan artikel 8 Gw. Dat laat onverlet dat uit artikel 11 EVRM volgt dat de wet redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn, hetgeen betekent dat de wet met voldoende precisie moet zijn geformuleerd om de burger in staat te stellen zijn gedrag daarop af te stemmen. Die eis gaat niet zover dat de burger met absolute zekerheid moet kunnen vaststellen welke consequenties een bepaald gedrag heeft, omdat de wet immers met veranderende omstandigheden rekening moet kunnen houden. Het komt er bij deze toets mede op aan of de maatregel een voldoende mate van bescherming tegen arbitraire inbreuken door de autoriteiten biedt (onder meer EHRM 14 november 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:1114JUDO04122609), waardoor een zekere vaagheid niet is uitgesloten. Daar komt bij dat landen een zekere margin of appreciation hebben bij de invulling van de beperkingen op artikel 11 EVRM.

10.3 Het hof heeft hierboven geciteerd uit de parlementaire toelichting op artikel 2:20 BW. In die toelichting is een niet-limitatieve opsomming gegeven van gedragingen die in strijd zouden kunnen zijn met de openbare orde. De minister heeft daaraan toegevoegd dat “stolling van de nu heersende opvatting” moet worden voorkomen omdat “de rechtsovertuiging” niet stil staat. Afhankelijk van een zich voordoende situatie zal moeten worden beoordeeld of er sprake is van strijd met de openbare orde. Uit de toelichting volgt bovendien dat van een verbod van een vereniging slechts sprake kan zijn indien het gevaar van ontwrichting van de maatschappij dreigt en (dus) dat de bepaling met de nodige terughoudendheid moet worden toegepast.

10.4 Uit de toelichting op de bepaling en de uitleg die daarna door de Hoge Raad in de reeds genoemde beschikkingen inzake Hells Angels en Martijn is gegeven, volgt naar het oordeel van het hof in voldoende mate onder welke omstandigheden sprake is van strijd met de openbare orde en een verbod van een vereniging aan de orde kan zijn. In de beschikking in de zaak Martijn overwoog de Hoge Raad in dit verband (achter 3.7) dat artikel 2:20 BW een wetsbepaling is “die met voldoende precisie is geformuleerd en voldoende basis biedt om willekeur te voorkomen”. Dat betrokkenheid bij strafbare feiten - die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd en waartegen in hoger beroep geen (inhoudelijke) grief is gericht - in strijd komt met de openbare orde, is bovendien voor een ieder kenbaar en te verwachten. Reeds daarom kan in dit concrete geval niet worden geoordeeld dat het begrip “openbare orde” te onbepaald is.

10.5 Satudarah heeft zich ter onderbouwing van haar standpunt beroepen op het rapport “Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs” van J. Koornstra, B. Roorda, M. Vols en J.G. Brouwer. Anders dan Satudarah stelt is op de door haar aangewezen vindplaatsen in dat rapport niet de conclusie getrokken dat artikel 2:20 BW te onbepaald en daarom in strijd met artikel 11 EVRM is. Weliswaar is ten aanzien van het bepaalde in artikel 140, lid 2 Sr de vraag opgeworpen of deze bepaling in strijd is met het lex certa-beginsel, maar dat is niet doorslaggevend voor een beoordeling van artikel 2:20 BW. Indien onduidelijk is wat na een verbod als “voortzetting” wordt gezien (pagina 10 pleitnota), betekent dat immers niet dat het begrip “openbare orde” in artikel 2:20 BW te onbepaald is.

Bewijslastverdeling

11.1 Op grond van artikel 284 Rv is de negende afdeling van de tweede titel van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en dus het bewijsrecht van overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Dat dit laatste het geval is, hebben partijen niet aangevoerd en voor die conclusie bestaat ook geen grond. Dit betekent niet alleen dat op het OM de bewijslast rust van de feiten die zij ten grondslag heeft gelegd aan haar verzoek, maar ook dat het OM zich op grond van artikel 152 Rv in beginsel op alle bewijsmiddelen mag beroepen, en dat de beoordeling van die bewijsmiddelen aan de rechter is overgelaten. Voor zover de door het OM gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist, hebben die feiten op grond van artikel 149 Rv ook voor het hof als vaststaand te gelden.

11.2 Het betoog van Satudarah dat op grond van de enkele betwisting van de door het OM gestelde feiten de bewijslast bij het OM had behoren te komen liggen miskent dat die bewijslast daar al rust. Bij de door Satudarah gesuggereerde omkering van de bewijslast heeft zij dus geen belang. De stelling dat het OM zich slechts mag beroepen op onherroepelijke strafrechtelijke uitspraken miskent het open stelsel van bewijsmiddelen dat uit artikel 152 Rv volgt.

11.3 In het licht hiervan staat het het OM vrij zich te beroepen op de door haar in het geding gebrachte processen-verbaal met bijlagen, ook wanneer die betrekking hebben op feiten die niet tot een in kracht van gewijsde gegaan en op tegenspraak gewezen vonnis van de Nederlandse strafrechter hebben geleid. Indien er sprake is van een in kracht van gewijsde gegaan en op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert dit vonnis wel dwingend bewijs op van dit feit.

11.4 In de door het OM aan haar verzoekschrift gehechte bijlagen, zijn een groot aantal feiten, incidenten en meldingen opgesomd. Het OM heeft niet ten aanzien van al die feiten, incidenten en meldingen aangegeven waarom die relevant zijn en welk van haar stellingen daarmee wordt onderbouwd. Wel heeft zij in haar pleitnota in eerste aanleg een aantal feiten naar voren gebracht waarop het standpunt van het OM mede is gebaseerd. Satudarah heeft, op zichzelf begrijpelijk, opgemerkt dat die strategie het haar moeilijk maakt op alle feiten in het dossier te reageren. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen immers mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994, 686).

11.5 Hier staat echter tegenover dat de rechtbank achter 2.16 e.v. van de bestreden beschikking gecategoriseerd per onderwerp een groot aantal gebeurtenissen uit die bijlagen bij het verzoekschrift heeft gedestilleerd die zij als onderbouwing van het verzoek heeft beschouwd en die zij als onvoldoende weersproken heeft vastgesteld. Tegen die vaststelling is geen grief gericht. In ieder geval na de bestreden beschikking had het voor Satudarah duidelijk moeten zijn welke delen van de bijlagen bij het verzoekschrift relevant waren voor de beoordeling door de rechtbank en van haar had dan ook mogen worden verwacht in haar beroepschrift in ieder geval op die feiten in te gaan. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft geen enkele van de gebeurtenissen die door de rechtbank zijn vastgesteld, weersproken. Dat zij daartoe aan de hand van de stukken niet in staat was, en waarom niet, heeft Satudarah niet (voldoende gemotiveerd) aangevoerd. Het enkele gegeven dat Satudarah geen toegang heeft tot de justitiële documentatiesystemen is daarvoor niet voldoende; de weergave van de feiten door het OM bevat voldoende aanknopingspunten om op zijn minst zodanig verweer te voeren dat de stellingen van het OM in twijfel zouden moeten worden getrokken en het OM met nader bewijs zou dienen te worden belast. Nu tegen de vaststelling van de feiten en omstandigheden die door de rechtbank achter 2.16 van de bestreden beschikking aan haar oordeel ten grondslag zijn gelegd geen grief is gericht en die feiten en omstandigheden ook overigens door Satudarah niet gemotiveerd zijn weersproken, moet het hof uitgaan van de juistheid van hetgeen door de rechtbank is vastgesteld. Voor een verzwaring van de bewijslast van het OM is bij gebreke van elke inhoudelijke betwisting van de feiten door Satudarah, geen reden.

11.6 Satudarah heeft aangevoerd dat een hoge bewijslat moet worden gehanteerd “vanwege het risico van misbruik van de signaalwaarde die uit kan gaan van een groepssymboliek, zoals bij verzoeksters, door niet-groepsleden die hiermee proberen te profiteren van de reputatie van de groep waarvan zij zelf geen deel uitmaken” (pagina 15 beroepschrift en pagina 54-55 verweerschrift). Satudarah heeft dat risico evenwel niet gemotiveerd betrokken op een of meer van de door de rechtbank vastgestelde feiten, zodat dit risico, wat daar verder ook van zij, niet tot een andere conclusie kan leiden.

De chapters als onderdeel van de vereniging

12.1 Het verzoek van het OM is gericht tegen de “informele vereniging zijnde de Satudarah Motorcycleclub (ook wel naar buiten tredend als 'Black and Yellow Nation’)” en de door het OM genoemde Supportcrew 999, Saudarah en Yellow Snakes. In de aanhef van het verzoekschrift zijn de chapters niet afzonderlijk genoemd. In randnummer 3.1 van het verzoekschrift heeft het OM als conclusie van haar stellingen weergegeven dat “Satudarah, met alle eronder vallende chapters en de supportclubs (...) een informele vereniging is.” In randnummer 3.4 van het verzoekschrift stelt het OM in dit verband dat de chapters “onlosmakelijk onderdeel van het overkoepelende Satudarah MC” zijn en ook in de pleitnota in eerste aanleg is het OM daarvan uitgegaan (randnummers 8 en 9). Onmiskenbaar had het verzoek van het OM dus ook betrekking op de verschillende chapters.

12.2 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat Satudarah niet betwist dat zij een informele vereniging is “en evenmin dat de chapters onderdeel vormen van de vereniging” (2.4 van de bestreden beschikking). De door de rechtbank uitgesproken verbodenverklaring en ontbinding kan in het licht van deze overweging dan ook niet anders worden begrepen dan dat zij ook betrekking had op de individuele chapters als onderdeel van één en dezelfde informele vereniging. Dat de rechtbank niet heeft overwogen dat de chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn doet hier niet aan af. Een discussie daarover is in eerste aanleg - anders kennelijk dan in de door Satudarah aangehaalde zaak over de vereniging Bandidos - niet gevoerd, en voor de rechtbank was er dus geen aanleiding het woord “onzelfstandig” aan haar beoordeling toe te voegen.

12.3 Anders dan Satudarah in haar pleitnota betoogt, had zij, indien zij het met dit oordeel van de rechtbank niet eens was, daartegen uiterlijk in haar beroepschrift een grief moeten richten. Nu zij dit niet heeft gedaan, en zich geen van de uitzonderingen op deze regel voordoet, heeft voor het hof als uitgangspunt te gelden dat de chapters onderdeel uitmaken van Satudarah en dat een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah dus ook de chapters treft.

Strijd met de openbare orde

13. Satudarah heeft, als gezegd, geen grief gericht tegen de door de rechtbank achter 2.16 vastgestelde feiten. Tot die feiten behoort een groot aantal strafbare feiten. Leden van Satudarah zijn onder meer veroordeeld voor mishandeling, medeplegen van poging tot moord, doodslag, poging tot zware mishandeling, Opiumwet-delicten, het bezit van (zware) wapens, heling en betrokkenheid bij een gewapende overval. De rechtbank heeft voorts overwogen (achter 2.19). dat justitieel optreden door Satudarah wordt bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt en dat een groot aantal leden van Satudarah gedurende een reeks van jaren betrokken is bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen, waarvan veelal derden het slachtoffer zijn. De rechtbank overwoog dat de gedragingen door hun frequentie en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als Satudarah uitgaat, uitstraling naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers heeft en dat de gedragingen van leden van Satudarah een wezenlijke aantasting vormen van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. De rechtbank voegde daaraan toe dat deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde de samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten (2.20). Nu noch tegen de feitelijke vaststelling door de rechtbank, noch tegen deze conclusie een grief is gericht, gaat ook het hof ervan uit dat de (strafbare) gedragingen van leden van Satudarah een inbreuk maken op de openbare orde en de samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten. Het hof onderschrijft dat oordeel overigens ook en maakt dat waar nodig tot het zijne. Het hof tekent daarbij aan dat grief 8 wel is gericht tegen de overweging “Duidelijk is dat hierdoor justitieel optreden opzettelijk wordt bemoeilijkt, zo niet onmogelijk gemaakt” achter 2.19, maar die grief is blijkens de toelichting slechts gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de zwijgplicht van leden van Satudarah. Die zwijgplicht is voor het oordeel over de strijd met de openbare orde niet van doorslaggevend belang. De overige door de rechtbank vastgestelde feiten zijn reeds voldoende voor de conclusie dat sprake is van strijd met de openbare orde.

(…)

Is er sprake van een werkzaamheid in strijd met de openbare orde?

15.1 De rechtbank heeft achter 2.23 e.v. van de bestreden beschikking een aantal voorbeelden aangehaald van feiten waaraan zij de conclusie heeft verbonden dat het bestuur van Satudarah zelf leiding geeft aan het (strafbare) handelen van leden in strijd met de openbare orde en zij heeft daaraan de conclusie verbonden dat sprake is van werkzaamheid van de vereniging. Satudarah heeft ook de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan dit oordeel van de rechtbank niet weersproken. Ook heeft Satudarah geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank (achter 2.31 ) dat Satudarah als organisatie de voorwaarden schept voor een klimaat waarin voor leden de drempel tot het plegen van strafbare feiten wordt verlaagd.

15.2 Anders dan Satudarah in grief 10 aanvoert, heeft de rechtbank zich niet beperkt tot het opnemen van gedragingen van individuele leden van Satudarah, maar heeft zij op goede gronden geoordeeld dat die gedragingen door de betrokkenheid van bestuursleden, de hiërarchische cultuur binnen Satudarah en het feit dat de gedragingen voor een belangrijk deel binnen het kader van Satudarah als vereniging zijn verricht, aan Satudarah moeten worden toegerekend.

15.3 Het is juist dat voor het aannemen van werkzaamheid van een vereniging onvoldoende is dat de rechtspersoon van gedragingen van derden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden, geen of onvoldoende afstand heeft genomen. Uit de door de rechtbank weergegeven en door Satudarah niet weersproken feiten volgt evenwel de betrokkenheid van (nationale) bestuursleden van Satudarah bij die feiten. Ook het bestaan van “code rood”, wat blijkens het vonnis betekent dat leden van Satudarah geacht worden zich met wapens naar het clubhuis te begeven en daar te horen krijgen waar en waarvoor deze gebruikt moeten worden, duidt op betrokkenheid van Satudarah als vereniging. Voor de wapensmokkel naar Duitsland door een nationale bestuurder van Satudarah ten behoeve van een nieuw op te richten chapter in Duitsland geldt datzelfde. Ook dat is een omstandigheid die duidt op de betrokkenheid van de vereniging Satudarah als zodanig en niet slechts op de betrokkenheid van een individueel lid. Ook de door de rechtbank (achter 2.32) aangehaalde confrontaties van motorclubs waarbij Satudarah was betrokken, waren geen acties van individuele leden, maar van de vereniging.

15.4 het hof onderschrijft zodoende de conclusie van de rechtbank dat er sprake is van werkzaamheid van de vereniging.

Verbodenverklaring en ontbinding noodzakelijk?

16.1 Een verbodenverklaring is slechts aanvaardbaar indien zij kan worden aangemerkt als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die de samenleving ontwrichten en kunnen ontwrichten. In deze toets liggen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit besloten.

16.2 Uit de door de rechtbank aangehaalde feiten blijkt dat er binnen Satudarah een hiërarchische structuur bestaat met eigen normen en regels waaraan de geldende wetten en de belangen van derden ondergeschikt zijn gemaakt. Het in stand houden van een dergelijke cultuur, waarbij geweld wordt aangemoedigd en het plegen van strafbare feiten wordt gestimuleerd en gerespecteerd, is zoals hierboven al is overwogen, in strijd met de openbare orde en kan ontwrichtend werken voor de samenleving. Dat laatste is in het bijzonder het geval indien het geweld in de openbare ruimte wordt gepleegd waarbij derden ongewild toeschouwer en/of toevallig slachtoffer van het geweld zijn. De door de rechtbank aangehaalde confrontaties met rivaliserende motorclubs ontregelen de openbare orde en kunnen door de dreiging met geweld of het daadwerkelijk toegepaste geweld ontwrichtend op de samenleving werken. Ook overigens kan de cultuur waarin geweld en het plegen van strafbare feiten tot aanzien leidt ertoe leiden dat dit geweld in de openbare ruimte wordt toegepast en dus tot ontwrichting van de samenleving leidt.

16.3 Onvoldoende weersproken is dat het OM tegen individuele leden van Satudarah strafrechtelijk optreedt. Dat strafrechtelijk optreden heeft er evenwel niet toe geleid dat de binnen Satudarah bestaande cultuur waarin criminele activiteiten worden aangemoedigd, is veranderd en heeft er evenmin aan in de weg gestaan dat Satudarah de door de rechtbank vastgestelde werkzaamheid in strijd met de openbare orde heeft ontwikkeld en heeft laten voortbestaan. Het hof onderschrijft daarom de conclusie van het OM dat het strafrechtelijk optreden alleen niet voldoende is om die werkzaamheid te beëindigen. Een verbodenverklaring en een ontbinding van Satudarah is daarom proportioneel en noodzakelijk om die werkzaamheid te beëindigen.

16.4 Het hof deelt niet de visie van Satudarah dat een verbod in het geheel geen gevolgen heeft. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen zal een verbod en ontbinding ertoe leiden dat Satudarah ophoudt te bestaan, zodat aan haar naam, logo’s en spreuken een einde komt en dat het vermogen wordt geliquideerd. De werving van nieuwe leden komt ten einde en ook de dreiging van geweld tussen Satudarah en andere motorclubs. Satudarah zal dus uit het straatbeeld verdwijnen. Het OM heeft daarbij onvoldoende weersproken aangevoerd dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen na de beschikking van de rechtbank. Ook in zoverre kan dus niet worden gezegd dat een verbodenverklaring en een ontbinding geen effect hebben. Grief 6 faalt daarom.

16.5 Satudarah heeft in haar pleitnota aangevoerd dat een verbodenverklaring vanwege de “handhavingsproblematiek” niet aan het noodzakelijkheidscriterium voldoet. Het hof deelt dat oordeel niet. De vraag of een verbodenverklaring strafrechtelijk gehandhaafd zal worden, ligt in dit geding niet voor. Het is aan de strafrechter om in de toekomst te beoordelen of een bepaalde handeling heeft te gelden als een voortzetting van een verboden verklaarde vereniging. Op voorhand kan niet worden gezegd dat het bepaalde in artikel 140 lid 2 Sr daarvoor geen grondslag kan bieden.

(…)

Uitvoerbaarheid bij voorraad

18.1 De vraag of een verbodenverklaring en ontbinding uitvoerbaar bij voorraad mag worden verklaard is in het arrest in het incident al aan de orde geweest. De toets die in een schorsingsincident wordt aangelegd is echter een andere dan de toets die thans moet worden aangelegd.

18.2 Ten aanzien van de uitvoerbaarheid bij voorraad moet een onderscheid worden gemaakt tussen de ontbinding enerzijds en de verbodenverklaring anderzijds. Ten aanzien van de ontbinding is noch in de wet noch in de toelichting uitgesloten dat die uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, terwijl het OM voldoende heeft onderbouwd dat er een belang bij die uitvoerbaarheid bij voorraad bestaat. De rechtbank heeft daarom de ontbinding op goede gronden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

18.3 Ten aanzien van de verbodenverklaring is in de parlementaire toelichting opgemerkt (Kamerstukken II, 1984-1985, 17 476, nrs. 5-7) dat een uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen rechtsgevolg zal hebben. Het hof ziet dit rechtsgevolg ook niet, aangezien het enige gevolg van een verbodenverklaring is dat artikel 140 lid 2 Sr. kan worden toegepast, en daarvan eerst sprake kan zijn indien de verbodenverklaring onherroepelijk is. Hoewel Satudarah dus ook niet is geschaad door het feit dat de beschikking van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is er geen reden die uitvoerbaarverklaring bij voorraad te handhaven. De bestreden beschikking zal in zoverre worden vernietigd.” [curs. en onderstreping in origineel, A-G]

1.17 Vervolgens overweegt het hof onder meer als volgt in de zaak met zaaknummer 200.246.219/01.

“20.1 Het OM stelt in de eerste plaats de vraag aan de orde of Yellow Snakes als onderdeel van Satudarah moet worden beschouwd, zodat de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah ook Yello[w] Snakes treft.

20.2 Zoals het OM in haar verzoekschrift in eerste aanleg ook heeft onderkend (achter 3.6) presenteert met name Yellow Snakes zich als een zelfstandige vereniging. Yellow Snakes heeft weersproken te zijn opgericht door Satudarah. Ook heeft zij aangevoerd dat haar leden, anders dan de leden van andere supportclubs, zelfstandig bepalen of zij al dan niet deelnemen aan “sociale activiteiten” die door Satudarah worden geregisseerd. Bovendien heeft zij weersproken dat contributie aan Satudarah wordt betaald en heeft zij aangegeven dat er nog meer zelfstandige clubs deel uitmaken van de “Black and Yellow Nation”.

20.3 Het OM heeft op deze betwistingen en de daaraan ten grondslag gelegde feiten tijdens het pleidooi niet gereageerd. Het hof heeft bij die stand van zaken onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat Yellow Snakes onderdeel uitmaakt van Satudarah. Grief I faalt daarom.

20.4 Met grief II betoogt het OM dat een eventueel batig saldo na vereffening aan de Staat moet worden uitgekeerd omdat een andersluidende opvatting ertoe zou kunnen leiden dat de betrokkenen baten ontvangen die afkomstig zijn uit en/of te relateren zijn aan een verboden 'werkzaamheid. Het hof verwerpt dat betoog omdat de wet geen grondslag biedt voor een uitkering van de eventuele baten aan de Staat.

20.5 In het incidenteel appel voert Yellow Snakes aan dat de rechtbank ten onrechte niet ten gunste van haar een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Die grief faalt omdat niet is gebleken dat Yellow Snakes ten behoeve van haar verweer kosten heeft gemaakt.

20.6 Zowel in het principaal appel als in het incidenteel appel faalt dus het beroep. Het hof ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een kostenveroordeling.”

In cassatie

1.18 Satudarah (waaronder Saudarah en Supportcrew 999, zie ook p. 2 hiervoor) en Yellow Snakes hebben bij op 18 september 2019 (derhalve tijdig) bij de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 18 juni 2019. Het OM heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het (principale) cassatieberoep. Bij dat verweerschrift heeft het OM tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen die beschikking van het hof. Satudarah en Yellow Snakes voeren in het incidentele cassatieberoep verweer dat strekt tot verwerping van dat beroep. Partijen hebben, nadat Satudarah en Yellow Snakes daar aanvankelijk wel om hadden verzocht, afgezien van het geven van schriftelijke toelichting. Satudarah en Yellow Snakes hebben de Hoge Raad verzocht recht te doen op het door het OM overgelegde procesdossier.

2 De bespreking van de cassatiemiddelen

Inleidende beschouwingen

2.1

Alvorens over te gaan tot behandeling van de klachten in het principale cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep maak ik enkele preliminaire opmerkingen over art. 2:20 lid 1 BW, mede in verhouding tot art. 140 lid 2 Sr. Ik richt mij daartoe (na een weergave van de thans geldende wetsbepalingen, onder 2.2-2.3) op de wetsgeschiedenis van beide bepalingen (onder 2.4-2.10), ga daarna in op het recente wetsvoorstel Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen12 (onder 2.11-2.16), en betrek tot slot rechtspraak op grond van art. 2:20 lid 1 BW in het kader van de integrale aanpak van zogenoemde ‘Outlaw Motorcycle Gangs’ (hierna: OMG’s) (onder 2.17-2.22).

Andere recente wetgevingsinitiatieven blijven hier verder buiten beschouwing.

Ik wijs in dit verband in de eerste plaats op het initiatiefwetsvoorstel van het lid Azmani tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van de uitzonderingspositie van kerkgenootschappen.13 Dat initiatiefwetsvoorstel is vanwege de gerichtheid op kerkgenootschappen niet relevant voor de onderhavige zaak.

Daarnaast wijs ik op het voornemen van het kabinet om te werken aan een Wet op de politieke partijen, waarin wordt gekozen voor een specifiek wettelijk kader voor een partijverbod.14 Als die wet tot stand komt, ligt het in de rede dat politieke partijen en aanverwante organisaties van het toepassingsbereik van art. 2:20 BW worden uitgesloten.15 Dat voornemen van het kabinet is vanwege de gerichtheid op politieke partijen ook niet relevant voor de onderhavige zaak. In de literatuur wordt bij de categorieën rechtspersonen waarop art. 2:20 BW van toepassing kan zijn, wel onderscheid gemaakt tussen politieke organisaties enerzijds en criminele verbanden en terroristische organisaties anderzijds.16

Tot slot wijs ik op het initiatiefwetsvoorstel van de leden Kuiken, Van Toorenburg, Van Oosten, Van der Graaf en Van der Staaij, houdende regels over het bestuursrechtelijk verbieden van organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden (Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties).17 Dit initiatiefwetsvoorstel heeft evenals de onderhavige zaak betrekking op OMG’s. Het initiatiefwetsvoorstel wil mogelijk maken dat dergelijke OMG’s en andere organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden, bij beschikking van de minister voor Rechtsbescherming verboden kunnen worden als dat noodzakelijk is in het belang van de openbare orde.18 De regering heeft zich op het standpunt gesteld dat beide regelingen - verbodenverklaring en ontbinding ex art. 2:20 BW en de bestuursrechtelijke weg van het initiatiefwetsvoorstel Kuiken c.s. - elkaar niet uitsluiten: “OMG’s en andere organisaties met een cultuur van wetteloosheid vallen weliswaar binnen de reikwijdte van beide regelingen, maar het ligt na een eventuele introductie van de bestuurlijke bevoegdheid in de rede om voor deze organisaties de route van het bestuurlijke verbod te volgen. Dit neemt niet weg dat het het OM vrij staat om op grond van art. 2:20 BW een verbod te verzoeken, ook indien de weg van een bestuurlijk verbod niet is gevolgd.”19

Naar huidig recht

2.2

Het thans geldende art. 2:20 lid 1 BW luidt als volgt:

“Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.”

In cassatie staat vast dat Satudarah een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid als bedoeld in art. 2:26 lid 1 jo. 2:30 lid 1 BW is (zie ook onder 1.1). Een dergelijke zogenoemde ‘informele vereniging’ bezit rechtspersoonlijkheid (zie ook art. 2:3 BW) en valt in zoverre onder de reikwijdte van art. 2:20 lid 1 BW.20

2.3

Het thans geldende art. 140 lid 2 Sr luidt als volgt:

“Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

Verbodenverklaring van een organisatie (rechtspersoon) bij onherroepelijke rechterlijke beslissing in de zin van deze strafrechtelijke bepaling slaat terug op een verbodenverklaring als bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW. Onder organisaties die van rechtswege verboden zijn in de zin van art. 140 lid 2 Sr vallen, kort gezegd, terroristische organisaties als bedoeld in art. 2:20 lid 3 BW (Nederlandse rechtspersonen) en art. 10:123 BW (corporaties die niet Nederlandse rechtspersonen zijn); die bepalingen zijn in de onderhavige zaak niet aan de orde. De verbodenverklaring die het OM op de voet van art. 10:122 BW kan verzoeken met betrekking tot een corporatie die niet een Nederlandse rechtspersoon is, is in deze zaak ook niet aan de orde.21 In cassatie staat vast dat Satudarah een Nederlandse rechtspersoon is (zie ook onder 1.1).

Terzijde merk ik op dat de ausländische Verein Satudarah alsmede zeven plaatselijke chapters (Teilorganisationen) in 2015 in Duitsland zijn verboden.22 Dit verbod is in 2016 door het Bundesverwaltungsgericht in stand gelaten.23 De Duitse beschikking uit 2015 is als bijlage aan het verzoekschrift ex art. 2:20 BW van het OM gehecht. De rechtbank verwijst in de onderhavige zaak ook naar dit Duitse verbod in rov. 2.27 van de beschikking van 18 juni 2018 en overweegt in dat verband onder meer dat “[d]e inhoud van deze [Duitse] beschikking bij[draagt] aan het beeld dat nationale bestuurders van Satudarah in Nederland actief betrokken zijn geweest bij en hebben bijgedragen aan de oprichting van een vereniging die inmiddels in Duitsland wegens haar criminele karakter is verboden.”

Wetsgeschiedenis

2.4

Zowel art. 2:20 lid 1 BW als art. 140 lid 2 Sr vindt zijn oorsprong in de Wet van den 22sten April 1855, tot regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering (hierna: de WVV).24 De WVV was een organieke wet ter uitvoering van art. 10 van de Grondwet van 1848.25

Thorbecke merkte over deze bepaling in de toenmalige Grondwet op: ““Het regt tot vereeniging en vergadering”, schoon in naam erkend, wordt door de toevoeging, “behoudens een wet, de uitoefening daarvan regelende in het belang der openbare orde,” werkeloos. Wat baat de erkenning van een regt in de Grondwet, welks uitoefening afhangt van de wet? Beter dan, eenvoudig te zeggen: het regt van vereeniging wordt door de wet geregeld. Ook eene wet moet opregt zijn, en niet den schijn aannemen iets te geven wat zij inderdaad onthoudt. (…). Wij schenken u een regt; wij zullen u later zeggen, in hoeverre gij er gebruik van moogt maken; dit is eene grootmoedigheid, die niet veel kost; op deze wijze maakt eene Grondwet rijk in regten, en blijft de begiftigde zoo arm als te voren.”26

De WVV bepaalde dat de vereniging strijdig met de openbare orde verboden is (art. 2 WVV). Dat verbod gold ‘van rechtswege’.27 In art. 3 WVV werd invulling gegeven aan strijd met de openbare orde: “Met de openbare orde wordt strijdig geacht elke vereeniging, welke tot doel heeft: 1°. ongehoorzaamheid aan of overtreding van de wet of eene wettelijke verordening; 2°. aanranding of bederf der goede zeden; 3°. stoornis in de uitoefening der regten, van wie het ook zij”. In 1971 is aan die opsomming toegevoegd: “het bedrijven, in stand houden of bevorderen van discriminatie van mensen wegens hun ras.”28 De WVV bevatte in art. 4 de strafbaarstelling van deelneming aan een verboden vereniging: “De deelneming aan eene verbodene vereeniging, voor zoover die niet reeds door de strafwet is beteugeld, wordt gestraft voor de oprigters of bestuurders met gevangenisstraf van een tot zes maanden en geldboete van vijftig tot twee honderd gulden, gezamenlijk of afzonderlijk, en voor de overige deelgenooten met gevangenisstraf van drie dagen tot twee maanden en boete van vijf tot honderd gulden, gezamenlijk of afzonderlijk.” Deze strafbaarstelling is in 1886 overgegaan naar art. 140 lid 2 Sr.29

De WVV kende voorts al een rol voor het OM.30 Voor de oprichting van een vereniging was geen machtiging van de overheid nodig (art. 1 WVV). Om als rechtspersoon te worden erkend, was echter wel vereist dat de statuten of reglementen van de vereniging van overheidswege werden goedgekeurd, welke goedkeuring kon worden geweigerd op gronden ontleend aan het algemeen belang (art. 5-7 WVV), het zogenoemde ‘preventieve overheidstoezicht’.31 In art. 10 WVV was bepaald: “De afwijking van goedgekeurde statuten geeft aan het openbaar ministerie de bevoegdheid om bij den burgerlijken regter de vervallen-verklaring der vereeniging van hare hoedanigheid van regstpersoon te vorderen. De regter, de vervallen-verklaring uitsprekende, kan aan de vereeniging, niettegenstaande hooger beroep of voorziening in cassatie, de bevoegdheid tot het plegen van burgerlijke handelingen bij voorraad ontzeggen. De verevening der zaken eener van hare regtspersoonlijkheid vervallen verklaarde vereeniging geschiedt onder toezigt des regters, die de vervallen-verklaring uitsprak, op de wijze en met inachtneming der vormen omtrent onbeheerde nalatenschappen vastgesteld.” En art. 11 WVV luidde: “Nadat door den benoemden curator de roerende en onroerende goederen der vereeniging verkocht en de schulden betaald zijn, wordt het batig slot, zoo er een is, aan hen, welke op het oogenblik der vervallen-verklaring leden der vereeniging zijn, of aan hunne regthebbenden, elk voor het aandeel, dat zij in de vereeniging hebben, uitgekeerd.” In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WVV wordt door de toenmalige minister van Justitie Donker Cortius over de twee laatstgenoemde bepalingen opgemerkt:32

“Het vonnis van vervallen-verklaring in het algemene bij voorraad uitvoerbaar te laten schijnt onraadzaam. In hooger beroep kan de vervallen-verklaring, door den eersten regter uitgesproken, vernietigd worden, en hoe dan te herstellen, wat overeenkomstig art. 10 [van het wetsontwerp, in de WVV is dat uiteindelijk art. 11 geworden, A-G] reeds, krachtens het bij voorraad executabel verklaarde vonnis in eersten aanleg, mogt verrigt zyn? Dit bezwaar bestaat niet, wanneer, gelijk art. 9 tweede lid [van het wetsontwerp, in de WVV is dat uiteindelijk art. 10 lid 2 geworden, A-G] medebrengt, de bij voorraad uitvoerbaarverklaring zich niet verder uitstrekt dan tot het voorloopig verbod om verdere burgerlijke handelingen als regtspersoon te plegen, in afwachting van hetgeen de regter in hooger beroep of cassatie omtrent de vervallen-verklaring in het algemeen beslissen zal. De in dien zin voorgestelde bepaling is geheel facultatief voor den regter; maar er kunnen gevallen zich opdoen, dat de openbare orde een dadelijk werkenden maatregel vordert, die, het blijvend bestaan der regtspersoonlijkheid uitsluitend afhankelijk latende van den hoogeren regter, hare werking naar buiten en de daaruit te wachten nadeelen of gevaren oogenblikkelijk stuit. De verevening van de zaken der vereeniging kan in geen geval geschieden dan nadat de vervallen-verklaring in kracht van gewijsde gegaan is. Na de vervallen-verklaring der regtspersoonlijkheid blijft overigens de vereeniging desniettemin als zoodanig bestaan, immers voor zooverre zij niet strijdt met artt. 2 en 3 der wet, in welk geval het art. 4 op hare leden toepasselijk zou worden.”

De WVV maakte dus een duidelijk onderscheid tussen civielrechtelijke en strafrechtelijke gevolgen van een verboden vereniging in de zin van art. 2-3 WVV. De strafrechter diende in het kader van de strafvervolging ter zake van aanvankelijk art. 4 WVV en later art. 140 lid 2 Sr, in iedere strafzaak te bepalen of sprake was van een vereniging in strijd met de openbare orde als bedoeld in art. 2-3 WVV. Tot civielrechtelijke gevolgen leidde dat in beginsel niet. Voor een vereniging met rechtspersoonlijkheid kon het OM bij de burgerlijke rechter vervallenverklaring van de rechtspersoonlijkheid vorderen op de voet van art. 10 WVV, wat op grond van het derde lid leidde tot “verevening”. De wetgever ging ervan uit dat gelet op de strafrechtelijke sanctie een verboden vereniging “in den regel niet zal worden voortgezet”, maar hield rekening met de mogelijkheid dat de vereniging (na vervallenverklaring in de zin van art. 10 WVV niet langer zijnde een rechtspersoon) “onverhoopt ook na de uitspraak [wordt] voortgezet”, waarna het OM (opnieuw) stafrechtelijk kon optreden.33

2.5

In de jaren ’30 van de vorige eeuw ontstond de behoefte aan een meer effectieve regeling van de verboden vereniging.34 De toenmalige minister van Justitie Goseling merkt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging en aanvulling van de WVV op:35

“Dat juist de vrijheid een overeenkomstige verantwoordelijkheid met zich moet brengen, is een waarheid, die wellicht in den laatsten tijd meer algemeen en scherper wordt ingezien. Behoud van het groote goed der burgerlijke vrijheid eischt inscherping van de verantwoordelijkheid door middel van doelmatige sancties tegen degenen, die de vrijheid misbruiken tot schade van het algemeen welzijn. Deze gedachte van het repressieve toezicht ligt ook ten grondslag aan de wet van 1855, met name aan de regeling, vervat in de artikelen, 2, 3 en 10. Zij heeft echter in het bestaande onvoldoende uitwerking gevonden. Het mag wellicht worden beschouwd als een niet-verwerpelijk gevolg van de “geestelijke verwarring in de wereld, waaraan ook ons volk niet geheel ontkomt”, dat de behoefte aan een beter sluitende en meer effectieve regeling in dit tijdsgewricht krachtiger wordt gevoeld. Daardoor is echter de voorgestelde voorziening geenszins tot een crisismaatregel gestempeld. Het is op zichzelf reeds niet verwonderlijk, dat er aanleiding is na meer dan 80 jaren de materie nader te bezien. Ook in het algemeen kan echter de druk van bepaalde omstandigheden zeer wel leiden tot een terugkeer naar gezonde gedachten, dan wel tot betere uitwerking daarvan in de wetgeving.” [curs. in origineel, A-G]

Als gebreken in de WVV worden door de minister aangemerkt:36


“De sanctie was oorspronkelijk vervat in artikel 4 der wet van 1855; zij is thans neergelegd in artikel 140 Wetboek van Strafrecht, dat deelneming aan een verboden vereniging met straf bedreigt. Die individueele sanctie mist echter de onontbeerlijke collectieve werking, omdat (…) het verboden karakter der vereeniging slechts incidenteel in de loop van een strafgeding tegen een bepaalden verdachte kan worden vastgesteld. (…)
Naast de leemte, dat alleen op incidenteele wijze het verboden karakter van een vereeniging thans kan worden vastgesteld, vertoont de tegenwoordige regeling deze lacune, dat de feitelijke afwijking van de aanvankelijk toegelaten werkzaamheid eener vereeniging slechts collectief gevolg kan hebben met betrekking tot het bezit der rechtspersoonlijkheid. Dit gevolg, dat geregeld is in de artikelen 10 en 11 der bestaande wet, kan van belang zijn, doch het is slechts van beperkte werking. De laatstbedoelde voorziening wordt door het ontwerp niet aangetast. Echter zal krachtens de regeling, zooals die wordt voorgesteld, het algemeene onderzoek omtrent het verboden karakter van een vereeniging gevolgen kunnen hebben voor elke vereeniging, ongeacht het bezit van rechtspersoonlijkheid. Het is duidelijk, dat een vereeniging in strijd met de openbare orde haar gevaarlijk karakter niet verliest door het verlies van rechtspersoonlijkheid. Het vastgestelde gevaar ligt in de organisatie, in de werkzaamheid in groepsverband (…).” [curs. in origineel, A-G]

Aan de WVV werd in 1939 een nieuw artikel 4 toegevoegd waarin onder meer werd bepaald: “De burgerlijke rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, verklaren, dat eene vereeniging verboden is, als strijdig met de openbare orde. (…) Zoodra de verklaring in kracht van gewijsde is gegaan, geldt de vereeniging als bij de wet verboden.”37 Daarmee werd vooral de eerstgenoemde leemte opgelost. In de memorie van toelichting wordt uitdrukkelijk opgemerkt:38

“Artikel 4 houdt geen nieuwe regeling in ten aanzien van de burgerlijk-rechtelijke gevolgen van overtreding van de artikelen 2 en 3 van de wet. Dit is een andere materie, welke voor vereenigingen met en zonder rechtspersoonlijkheid verschillend ligt en welke trouwens reeds in een aantal bestaande artikelen, waaraan in dit ontwerp beter niet wordt geroerd, is geregeld: men zie de artikelen 10 en 11 van de onderhavige wet (…).”

In de memorie van antwoord is in dit verband nog toegevoegd:39

“In het ontwerp is met opzet afgezien van een nieuwe regeling van de civielrechtelijke gevolgen van het verboden karakter van vereenigingen. Voor vereenigingen zonder rechtspersoonlijkheid bestaat aan zoodanige regeling ook practisch geen behoefte, daar deze vereenigingen civielrechtelijk geen afgescheiden vermogen bezitten. Voor de vereenigingen met rechtspersoonlijkheid zijn in de wetgeving reeds verschillende regelingen aanwezig: men zie de artikelen 10 en 11 van de wet van 1855, artikel 37b van het Wetboek van Koophandel, enz.; (...). Voor wat in het bijzonder de verhouding tusschen het nieuwe artikel 4 en de bestaande artikelen 10 en 11 van de wet van 1855 betreft, stelt de ondergeteekende zich voor, dat het openbaar ministerie, in gevallen dat een vereeniging met rechtspersoonlijkheid werkelijk een vermogen van eenig belang bezit, hetzij gelijktijdig met de vordering ingevolge artikel 4 een vordering ingevolge artikel 10 zal instellen, hetzij zoodanige vordering zal laten volgen, zoodra de uitspraak, waarbij de vereeniging verboden verklaard wordt, in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. Artikel 10 kan in beide gevallen worden toegepast, daar een vereeniging, welke verboden verklaard wordt of reeds verboden verklaard is, tevens van de vastgestelde statuten moet zijn afgeweken. Liquidatie van een verboden-verklaarde vereeniging overeenkomstig een van de boven vermelde wettelijke regelingen is zonder twijfel geoorloofd (…). Voor alle volledigheid zij overigens opgemerkt, dat op dit punt door het ontwerp niets verandert: ook op het oogenblik worden vereenigingen, die verboden karakter bezaten of verkregen, overeenkomstig de vermelde wettelijke regelingen, of ondershands, geliquideerd.” [curs. in origineel, A-G]

2.6

Bij gelegenheid van de Wet tot vaststelling van de hoofstukken 2, 3, 4 en 5 van de Invoeringswet Boek 2 nieuw BW in 1976 kwamen de art. 1-14 WVV te vervallen.40 De verbodenverklaring van art. 4 WVV kreeg geen plek in Boek 2 BW, in plaats daarvan werd gekozen voor een procedure tot ontbinding:41

“[I]n het nieuwe artikel 2.1.10a [wordt] voorgesteld te bepalen dat een verboden rechtspersoon op vordering van het openbaar ministerie kan worden ontbonden (…).

De wijziging brengt mede dat een enkele uitspraak tot verboden-verklaring van een rechtspersoon geen privaatrechtelijke betekenis meer heeft, en dan ook niet meer gevraagd kan worden. Hierbij zij ten overvloede nog opgemerkt dat ook voor de toepassing van het strafrecht (artikel 140 Wetboek van Strafrecht) aan de mogelijkheid van een dergelijke uitspraak geen behoefte bestaat.” [curs. in origineel, A-G]

De regeling in art. 2:15 en 2:16 BW luidde in 1976 als volgt:

Art. 2:15 BW:


“Een rechtspersoon is verboden, wanneer haar doel of werkzaamheid in strijd is met de openbare orde of de goede zeden.”


Art. 2:16 BW:


“1. De rechtbank kan een verboden rechtspersoon op vordering van het openbaar ministerie ontbinden.

2. (…).”

Het toenmalige art. 140 lid 2 Sr luidde:

“Deelneming aan een andere rechtspersoon die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de ten hoogste zeshonderd gulden.”

Aanvankelijk werd de ontbindingsprocedure zonder verbodenverklaring in de literatuur gezien als “[e]en gelukkige oplossing waarmede ook de gevolgen van ’s rechters beslissing duidelijk zijn komen vast te liggen.”42 Ik wijs ook op Eskes:43

“Het is van belang hierbij op te merken dat de ontbinding inderdaad een substituut kan zijn van de (vroegere) verboden-verklaring. De laatstgenoemde rechterlijke uitspraak had tot doel een einde te maken aan het voortbestaan, de werkzaamheden en de invloed van de verboden vereniging. In de praktijk werd dit doel bereikt door de in artikel 140, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen strafbedreiging tegen (verdere) deelneming aan de verboden vereniging. Het nieuwe geïntroduceerde instrument van de ontbinding realiseert het genoemde doel evenzo, zij het op andere wijze. De ontbinding bewerkstelligt immers de volledige eliminatie uit het rechts- en maatschappelijk verkeer van de vereniging-rechtspersoon.”

2.7

Bij de ontbindingsprocedure tegen de vereniging de Nederlandse Volks-Unie (hierna: de NVU), een politieke partij, bleek echter dat de regeling tot eigenaardige resultaten kon leiden. De rechtbank kwam in het lichaam van de uitspraak tot het oordeel dat de NVU kwalificeerde als een verboden vereniging.44 Ondanks het aangenomen verboden karakter van de NVU wees de rechtbank echter de vordering tot ontbinding af, omdat die in de gegeven omstandigheden elke betekenis mistte.45 Volgens de rechtbank bracht het door haar geconstateerde verboden karakter van de NVU wel met zich dat strafrechtelijke vervolging van deelnemers kon plaatsvinden op grond van art. 140 Sr en dat deelneming aan de verkiezingen aan de NVU kon worden ontzegd.46 In cassatie overwoog de Hoge Raad dat, anders dan de rechtbank had overwogen, het oordeel over het verboden karakter van de NVU rechtens geen consequenties heeft; de strafrechter, het centraal stembureau of de Kiesraad zijn daaraan niet gebonden.47 Maeijer stelde in zijn noot onder het arrest van de Hoge Raad dat “[n]iet voor niets in 1939 in art. 4 Wet Vereniging en Vergadering 1855 de mogelijkheid [is] geopend tot het doen van een (…) declaratoire uitspraak met algemeen en permanent karakter” en vroeg zich vervolgens af: “Hebben wij deze mogelijkheid bij de indiening van Boek 2 BW in 1976 niet al te gemakkelijk losgelaten?”48

2.8

Het voorgaande vormde begin jaren ’80 van de vorige eeuw aanleiding tot het wetsvoorstel Wijziging van enige bepalingen over verboden rechtspersonen. In de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel merkt de toenmalige minister van Justitie De Ruiter op:49

“In zijn noten wijst Maeijer op de bezwaren van de nieuwe regeling, vergeleken bij de oude. Deze zijn dat de verbodenverklaring is vervallen en dat de rechter de vrijheid heeft om niet te ontbinden. Voorgesteld wordt nu deze bezwaren weg te nemen, het eerste door de verbodenverklaring weer in de wet op te nemen. Artikel 15 wordt zo gewijzigd, dat de rechter een rechtspersoon op vordering van het openbaar ministerie verboden verklaart. Deze verklaring heeft een rechtens bindend karakter, zoals tussen 1939 en 1976. De verbodenverklaring wordt beperkt tot het geval van werkzaamheid in strijd met de openbare orde of de goede zeden. Wanneer slechts de doelomschrijving van een rechtspersoon in strijd is met de openbare orde of de goede zeden, maar de werkzaamheid van de rechtspersoon daarmee niet in strijd is, zal de rechter de rechtspersoon wel kunnen ontbinden, maar niet verboden kunnen verklaren. Wanneer de rechter evenwel vaststelt, dat de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde of de goede zeden, mag hij de verbodenverklaring en ontbinding niet achterwege laten. Op deze wijze wordt ook het tweede bezwaar ondervangen dat aan de bestaande wet blijkt te kleven.”

Het wetsvoorstel leidde tot de samenvoeging van art. 2:15 en 2:16 BW tot een nieuw art. 2:15 BW, waarvan het eerste lid in 1988 als volgt kwam te luiden:50

“Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde wordt door de rechtbank op vordering van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.”

Hoewel dit niet blijkt uit de wettekst, werd het karakter van de verbodenverklaring gewijzigd van een vaststellende (declaratoire) betekenis naar een rechtscheppende (constitutieve) betekenis. Dat wil zeggen dat de verboden verklaarde rechtspersoon “voor de toekomst als verboden zal gelden en niet (…) dat de rechtspersoon al sinds enige tijd een verboden karakter heeft.”51 Deze wijziging strookt met het pleidooi van Elzinga, die erop wees dat in het bijzonder voor politieke partijen een constitutieve verbodenverklaring de voorkeur verdient, omdat in dat geval door niemand op de verbodenverklaring kan worden geanticipeerd.52 Elzinga heeft daarnaast voorgesteld om “in het bijzonder voor politieke partijen invoering van een constitutieve verbodenverklaring nader uit te werken door mogelijkheden tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad en andere voorlopige maatregelen niet toe te staan.”53 Dit laatste voorstel van Elzinga is niet overgenomen:54

“Dat de rechter ontbinding zal uitspreken met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, mag niet worden verwacht, omdat ontbinding een onherroepelijke ingreep is. Daarom wordt deze mogelijkheid hier noch elders in boek 2 BW uitgesloten in de ontbindingsbepalingen. Over de vraag of een verbodenverklaring bij voorraad uitvoerbaar kan worden verklaard, kan men aarzelen. Nu een verbodenverklaring slechts strafrechtelijke gevolgen heeft en artikel 140, lid 2, zoals nu gewijzigd voorgesteld, die gevolgen slechts verbindt aan een onherroepelijke verbodenverklaring, zal een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, als de rechter die al zou uitspreken, geen rechtsgevolg hebben.”55

Elzinga zag als bezwaar dat “[a]nderen dan de rechter vast [zouden] kunnen stellen dat de rechtspersoon verboden is en deze rechtspersoon faciliteiten onthouden, zoals het niet ter beschikking stellen van vergaderruimte etc. Op het eerste gezicht lijkt een dergelijke constructie aantrekkelijk en democratisch. In plaats van het OM met zijn opportuniteitsbeginsel kunnen bevolking en overheidsinstanties zelf uitmaken op welke wijze ze een ‘verboden vereniging’ tegemoet treden, de politieke partij kan zich via de rechter tegen dit handelen verweren. In het bijzonder voor politieke partijen is een dergelijk regime echter zeer bezwaarlijk, vooral indien door anderen dan de rechter op een verbodenverklaring wordt vooruitgelopen tijdens de voorbereiding van verkiezingen. Een beroep van de getroffen partij op de rechter mist ieder effect indien de uitspraak eerst na de verkiezing kracht van gewijsde krijgt. De facto wordt een politieke vereniging in een dergelijke situatie geconfronteerd met een vorm van oneigenlijke rechtstoepassing die veelal niet tijdig kan worden gecorrigeerd.”56 De minister stelde daar tegenover het uitgangspunt dat het iedere burger die vergaderruimte heeft, vrij staat die te verhuren aan wie hij wil, onder de voorwaarde dat hij daarbij niet strafbaar mag discrimineren. Het betoog van Elzinga gaat volgens de minister ten onrechte uit van de gedachte dat voor een weigering om zaalruimte te verhuren, een bijzondere reden nodig zou zijn, zoals de wetsbepaling dat een rechtspersoon met werkzaamheid in strijd met de openbare orde verboden is.57

2.9

Bij het rechtscheppende karakter van de verbodenverklaring sluit de gewijzigde regeling van art. 140 lid 2 Sr aan. Niet langer was strafbaar de deelneming aan een verboden rechtspersoon, maar de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een rechtspersoon die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard. Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde rechtspersoon is dus pas strafbaar op grond van art. 140 lid 2 Sr als de uitspraak van de civiele rechter in kracht van gewijsde is gegaan.58 Uitvoerbaarverklaring bij voorraad door de civiele rechter heeft niet het effect dat daardoor de strafbaarheid van art. 140 lid 2 Sr intreedt.59 Aan de strafrechter komt in geval van strafvervolging op de voet van art. 140 lid 2 Sr geen oordeel (meer) toe over het verboden karakter van de rechtspersoon.60 In feite is sprake van een misdrijf tegen het openbaar gezag; het gaat om ongehoorzaamheid aan een rechterlijke uitspraak.61 Voordat op grond van art. 140 lid 2 Sr kan worden opgetreden, kan ook reeds op grond van art. 140 lid 1 Sr worden opgetreden.62 Art. 140 lid 1 Sr betreft de strafbaarstelling van de deelnemingshandeling van de verdachte, in welk kader de strafrechter ook moet vaststellen dat sprake is van een organisatie in de zin van art. 140 lid 1 Sr en dat die organisatie het oogmerk heeft misdrijven te begaan.

2.10

Na 1988 hebben nog enkele beperkte wetswijzigingen van art. 2:20 BW plaatsgevonden.

Zo vond in 1992 in verband met de invoering van het nieuw BW omnummering plaats van art. 2:15 BW naar het huidige art. 2:20 BW.63 In 2002 vond een aanpassing plaats van art. 2:20 BW in verband met de herziening van het burgerlijk procesrecht, waarbij “op vordering van het OM” in art. 2:20 BW werd vervangen door “op verzoek van het OM”.64 In 2007 vonden wetswijzigingen plaats met het oog op de bestrijding van internationaal terrorisme, waarbij o.a. art. 2:20 lid 3 BW werd ingevoerd (zie ook onder 2.3).65

Wetsvoorstel ter verruiming van mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen

2.11

Van de historische achtergrond van het huidige art. 2:20 BW (en art. 140 lid 2 Sr) stap ik nu over naar het wetsvoorstel tot Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen.66

Dit wetsvoorstel is thans nog niet in werking getreden en lopende procedures op grond van art. 2:20 BW zullen ook niet worden geraakt door het wetsvoorstel.67 Een, overigens niet-volledige, bespreking van enkele elementen uit het wetsvoorstel komt mij niettemin dienstig voor, omdat die voorgestelde wetswijzigingen licht kunnen werpen op onderwerpen die in de onderhavige zaak aan de orde zijn. Anticipatie op nieuwe wetgeving is in de onderhavige zaak niet aan de orde. In deze zaak wordt het wettelijke kader zoals dat thans geldt (zie onder 2.2-2.3) tot uitgangspunt genomen.

2.12

Ik wijs in de eerste plaats op het voorstel om “strijd met de openbare orde” als bedoeld in art. 2:20 BW in de wettekst zelf te verduidelijken. De WVV bevatte vanaf de invoering in 1855 een dergelijke verduidelijking in art. 3 (zie onder 2.4), en daar is in 1971 nog een grond aan toegevoegd (zie ook onder 2.4). Bij het overhevelen naar Boek 2 BW in 1976 werd niet langer voorzien in een nadere inhoudelijke omschrijving in de wet zelf (zie onder 2.6). Ondanks aansporingen daartoe heeft de wetgever in 1988 (zie ook onder 2.8) bewust afgezien van het opnemen van een opsomming van werkzaamheden die strijd kunnen opleveren met de openbare orde.68 De huidige minister voor Rechtsbescherming erkent in de memorie van toelichting dat het openbare orde-begrip een “dynamisch vangnetbegrip” is waarvoor flexibiliteit in de toepassing van groot belang blijft, maar komt nu toch met een voorstel tot verduidelijking in de wettekst. Naast verduidelijking acht de regering het wenselijk dat eerder dan thans het geval is, toegekomen kan worden aan het verboden verklaren en ontbinden van rechtspersonen. Daarom worden enkele activiteiten en doelstellingen vermoed in strijd te zijn met de openbare orde. Eén daarvan is geweld, waaronder strafbare geweldspleging in meerdere vormen valt, daaronder begrepen het doelbewust uitlokken, bevorderen of daadwerkelijk gebruik van geweld. De onderhavige zaak wordt door de minister onder deze categorie geschaard.69 De minister merkt in dit verband verder op dat:

“(…) als zodanig ook niet-strafbare feiten kunnen leiden tot een verbod onder artikel 2:20 BW; dat is ook nu al het geval en dit wetsvoorstel brengt daarin geen verandering.”70 “[E]en strafrechtelijke veroordeling voor een van de genoemde feiten [kan] onderdeel uitmaken van de onderbouwing van het verzoek. Een dergelijke veroordeling is echter niet noodzakelijk; de civiele rechter zal een zelfstandige afweging dienen te maken of voldoende bewijs is geleverd van de genoemde gedragingen. De kwalificatie van dat gedrag door een eventueel later volgende uitspraak van een strafrechter doet niet af aan die beoordeling. (…) Overeenkomstig de jurisprudentie van het EHRM zal niet voldoende zijn dat er slechts een theoretische mogelijkheid bestaat dat een handeling of opvatting leidt of kan leiden tot aantasting van de menselijke waardigheid, geweld, haat of discriminatie. Steeds zal duidelijk moeten zijn dat er tenminste een reëel en ernstig risico bestaat dat dit gevaar zich zal verwezenlijken. Aan de andere kant zou te ver gaan om te eisen dat steeds sprake moet zijn van daadwerkelijk gepleegde strafbare feiten voordat kan worden ingegrepen. Bij een reële dreiging kan niet van de Staat worden verwacht dat hij stil blijft zitten, ook al is er nog geen sprake van een strafbaar feit.”71

2.13

Daarnaast is relevant dat de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel erop wijst dat in recente jurisprudentie aan het licht is gekomen dat de gevolgen van een verbodenverklaring te onduidelijk zijn, zeker in de periode dat deze nog door een hogere rechter kan worden beoordeeld.72 Het OM heeft gepleit voor schrapping van het woord “onherroepelijk” in art. 140 lid 2 Sr, zodat eerder strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen een verboden verklaarde rechtspersoon. Als alternatief heeft het OM voorgesteld om strafrechtelijke handhaving mogelijk te maken als de verbodenverklaring in eerste aanleg uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.73 De minister merkt hierover - m.i. met recht - op dat:

“[h]et de regering (…) te ver [gaat] om de strafbaarheid (…) in algemene zin te verbinden aan een verbodenverklaring die nog niet onherroepelijk is geworden. Dat kan in de door het OM genoemde periode van één tot drie jaar voor hoger beroep en cassatie tot allerlei vanuit rechtsstatelijke optiek onwenselijke consequenties leiden als iemand wordt vervolgd of is veroordeeld voor voortzetting van de activiteiten van een verboden verklaarde rechtspersoon, terwijl die verbodenverklaring achteraf onterecht blijkt. Datzelfde geldt voor de invoering van strafbaarheid ingeval de verbodenverklaring in eerste aanleg uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.”74

2.14

Het wetsvoorstel kiest daarom een andere richting. Voorgesteld wordt om de mogelijkheid van een rechterlijk bevel om bepaalde maatregelen te nemen of gedragingen na te laten op te nemen in een nieuw art. 2:20 lid 5 BW, waarbij de verbodenverklaring en de bevelen op grond van een nieuw art. 2:20 lid 6 BW uitvoerbaar bij voorraad zijn:75

“5. Bij de verbodenverklaring kan de rechter de betrokken rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken in het belang van de openbare orde bevelen om bepaalde maatregelen te nemen of gedragingen na te laten, uiterlijk totdat over de verboden verklaring onherroepelijk is beslist.

6. De verbodenverklaring en de daarbij gegeven bevelen zijn uitvoerbaar bij voorraad. Het instellen van een rechtsmiddel schorst de werking niet.”

Deze voorgestelde bepalingen worden in de memorie van toelichting als volgt toegelicht:76

“In het voorgaande ligt besloten dat er alleen in exceptionele en ernstige omstandigheden sprake zal zijn van een verbodenverklaring van een rechtspersoon. Als daarvan eenmaal sprake is, dan moet een rechtspersoon haar activiteiten niet nog vele jaren ongestoord kunnen voortzetten omdat er hoger beroep c.q. cassatie is ingesteld. Daarom rechtvaardigt de verbodenverklaring per se uitvoerbaarheid bij voorraad. Een specifiek verzoek van het OM of een nadere discretionaire afweging door de rechter is daarvoor niet nodig.

Omdat naar aanleiding van recente rechtspraak hierover wellicht twijfel zou kunnen bestaan, wordt de uitvoerbaar bij voorraad verklaring nu uitdrukkelijk voorzien in het nieuwe artikel 2:20 lid 6 BW. Wetssystematisch wordt daarmee aangesloten bij artikel 10:122 lid 2 BW, dat aan de verklaring voor recht dat een buitenlandse organisatie in strijd met de Nederlandse openbare orde handelt onmiddellijk effect en werking erga omnes toekent. Tevens wordt hiermee verduidelijkt dat de artikel 2:20 BW-procedure er niet een is waarvan “de aard van de zaak” zich tegen uitvoerbaarheid bij voorraad verzet, in de zin van artikel 233 lid 1 Rv.
Omdat de ontbinding ingevolge artikel 2:20 BW na een verbodenverklaring een onherroepelijke ingreep betekent, die niet terug is te draaien na een andersluidend oordeel in hoger beroep of cassatie, ziet de nu voorziene uitvoerbaarheid bij voorraad niet op de ontbinding, maar alleen op de verbodenverklaring. (…)”

Ik zie hier een parallel met art. 10 lid 2 WVV (oud) en de toelichting daarop, aangehaald onder 2.4.

Door de Raad van State is opgemerkt dat de vraag rijst wat de praktische betekenis zal zijn van de voorgestelde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring, nu het voorstel geen verandering brengt in de onherroepelijkheidseis van art. 140 lid 2 Sr en in de toelichting geen duidelijkheid wordt verschaft over de eventuele andere (strafrechtelijke of andersoortige) rechtsgevolgen van uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring.77 De minister antwoordt in zijn nader rapport:78

“Pas na een onherroepelijke verboden verklaring is de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie strafbaar [in de zin van art. 140 lid 2 Sr, A-G]. Dat neemt niet weg dat de verbodenverklaring die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard ook direct effect sorteert. Dat is het geval binnen het privaatrecht, maar als gevolg van het voorstel ook binnen het strafrecht. Het voorstel voegt immers de mogelijkheid toe van het rechterlijk bevel om bepaalde maatregelen te nemen of gedragingen na te laten (artikel 2:20 lid 5 BW). Het rechterlijk bevel is een ordemaatregel gedurende de artikel 2:20-procedure, die uit zijn aard direct effect dient te sorteren. Het niet naleven van een dergelijk bevel wordt strafbaar op grond van art. 184a lid 2 Sr. De verwevenheid van de bevelen en de verbodenverklaring, maakt dat ook de verbodenverklaring direct dient te werken. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad is ook daarom aangewezen.”

Ik versta de minister zo dat naar huidig recht de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een verbodenverklaring geen (strafrechtelijk of andersoortig) rechtsgevolg heeft (zie ook onder 2.8) en dat dit met het wetsvoorstel zal veranderen, als uiteengezet door de minister (verwijzend naar het privaatrecht en het strafrecht). Die laatste, beoogde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring moet (dus) begrepen worden in de sleutel van de rechterlijke bevelen in de zin van het voorgestelde art. 2:20 lid 5 BW, die ook uitvoerbaar bij voorraad zijn (art. 2:20 lid 6 BW).

2.15

Handelen in strijd met een dergelijk bevel ex art. 2:20 lid 5 BW wordt volgens het wetsvoorstel strafbaar gesteld in het nieuw voorgestelde art. 184a lid 2 Sr:79

“2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een bevel, bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

Deze voorgestelde bepaling maakt deel uit van Titel VIII Sr, Misdrijven tegen het openbaar gezag (vgl. onder 2.9, waar werd opgemerkt dat art. 140 lid 2 Sr in feite ook een misdrijf tegen het openbaar gezag betreft).
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt opgemerkt dat met het bevel:

“wordt tegemoet gekomen aan de behoefte, geuit door het OM, om al in een vroeg stadium na een verbodenverklaring strafrechtelijk te kunnen optreden, om zo de deelneming aan een verboden rechtspersoon effectiever te kunnen bestrijden. De strafbaarheid is zo gekoppeld aan een zelfstandig gegeven rechterlijk bevel, waarvan het niet naleven strafbaar is. Wordt de verbodenverklaring van de rechtspersoon in hoger beroep alsnog vernietigd, dan heeft dit geen gevolgen voor de strafbaarheid van de overtreding van het zelfstandig gegeven rechterlijk bevel.”80

En bij de artikelsgewijze toelichting voorts:81

“Gedacht kan worden aan samenscholings- of gebiedsverboden, een meldplicht, onthouden van promotieactiviteiten, het staken van websites, het nalaten om in het openbaar zichtbaar bepaalde symbolen te dragen of deze anderszins te gebruiken of een verbod op te treden als feitelijk bestuurder van een rechtspersoon. Dergelijke (orde)maatregelen zijn tijdelijk en gelden uiterlijk totdat bij gewijsde over de verbodenverklaring is beslist. Zowel bij de vraag of c.q. welke (voorlopige) maatregelen geboden zijn als bij de vraag wat hun geldingsduur zou moeten zijn heeft de rechter een maximale discretionaire bevoegdheid. Maatwerk wordt daarmee het devies. Dat impliceert overigens geen carte blanche voor de rechter, omdat de eventuele voorlopige maatregelen moeten zijn ingegeven en worden gerechtvaardigd door het belang van de openbare orde.”

Dit onderdeel van het wetsvoorstel lijkt mede geïnspireerd te zijn door het Duitse recht.

Zo bevat art. 9 Vereinsgesetz (hierna: VereinsG) een zogenoemd ‘Kennzeichenverbot’.82 Op grond van art. 9 lid 1 VereinsG is het niet toegestaan Kennzeichen van de verboden vereniging in het openbaar, tijdens een bijeenkomst of in geschriften, op geluids- of beelddragers, etc. te gebruiken. Lid 2 van de bepaling verstaat onder dergelijke Kennzeichen in het bijzonder vlaggen, emblemen, uniformen, leuzen en begroetingsvormen. Lid 3 van de bepaling verklaart het eerste lid van overeenkomstige toepassing op Kennzeichen van een verboden vereniging die op in wezen gelijke wijze worden gebruikt door andere, niet verboden, Teilorganisationen of zelfstandige verenigingen. Overtreding van het Kennzeichenverbot is op grond van art. 20 lid 1 VereinsG strafbaar gesteld met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete, voor zover de gedragingen niet strafbaar zijn gesteld in het Strafgesetzbuch (hierna: StGB). Art. 86a StGB bevat het equivalent van het Kennzeichenverbot uit het VereinsG, dat op grond van deze strafrechtelijke bepaling strafbaar is gesteld met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of een geldboete. Voor toepassing van art. 86a StGB is een onherroepelijk (unanfechtbar) verbodsbesluit vereist, terwijl art. 20 VereinsG eerder kan worden toegepast, bij een uitvoerbaar (vollziehbar) verbod.83 Het StGB bevat bovendien niet een bepaling vergelijkbaar met art. 9 lid 3 VereinsG.84 De Bundestag heeft in 2017 besloten tot aanpassing van het VereinsG. Aan art. 9 lid 3 VereinsG is toegevoegd:85

“Ein Kennzeichen eines verbotenen Vereins wird insbesondere dann in im Wesentlichen gleicher Form verwendet, wenn bei ähnlichen äuβerem Gesamterscheinungsbild das Kennzeichen des verbotenen Vereins oder Teile desselben mit einer anderen Orts- oder Regionalbezeichnung versehen wird.”

Daarnaast heeft deze wetswijziging meegebracht dat overtreding van art. 9 lid 3 VereinsG strafbaar is gesteld in art. 20 lid 1 VereinsG en daarmee dus eerder kan worden gehandhaafd.

Naast de strafbaarstelling van schending van een rechterlijk bevel in art. 184a Sr bevat het wetsvoorstel ook een verhoging van de straf op voortzetting van de werkzaamheden van verboden rechtspersonen op grond van art. 140 lid 2 Sr. In het wetsvoorstel wordt de strafmaat verhoogd van gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie naar gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie. In de artikelsgewijze toelichting wordt hierover opgemerkt:86

“Deze verhoging van de strafmaat maakt duidelijk dat de voortzetting van werkzaamheden van een verboden rechtspersoon niet wordt geaccepteerd. De verhoogde strafmaat sluit tevens aan bij de wens om voorlopige hechtenis en de inzet van opsporingsmiddelen mogelijk te maken, door toevoeging van artikel 140, lid 2, Sr aan artikel 67 Sv.”

2.16

In het wetsvoorstel wordt over de rol van het OM opgemerkt:87

“Er is bewust van afgezien om de kring van vorderingsgerechtigden te verruimen. Het procesmonopolie blijft exclusief bij het OM als onafhankelijk vertegenwoordiger van het algemeen belang. Vanwege het civielrechtelijke karakter van de verbodenverklaring staat tegen een besluit van het OM om geen verzoek ex art. 2:20 BW in te dienen, geen artikel 12 Sv-procedure open. Het OM maakt de afweging om 2:20 BW (…) al dan niet in te zetten in alle onafhankelijkheid. Vanuit waarborgoptiek is, ten slotte, de rechterlijke toets van belang; dit vormt de belangrijkste rechtsstatelijke correctiefactor tegen onnodig gebruik van de artikel 2:20 BW-procedure.”

De mogelijkheid een verzoek te doen ex art. 2:20 BW behoort tot de niet-strafrechtelijke bevoegdheden van het OM.88 Bij het onderbouwen van een verzoek ex art. 2:20 BW kan het OM zich mede baseren op gegevens die zijn vergaard in het kader van strafrechtelijk en ander optreden ter zake van strafbare feiten. In dat kader wordt in de literatuur wel gesproken van ‘overheveling’ van gegevens bij wisseling van de soort taak van het OM.89 Het gaat daarbij niet altijd om openbare gegevens en die gegevens hoeven ook niet steeds in het kader van strafrechtelijke veroordelingen onherroepelijk vastgestelde feiten te zijn. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om informatie die door het OM is verkregen in lopende strafrechtelijke onderzoeken, processen-verbaal van politie, etc. In de literatuur wordt wel opgemerkt dat de mogelijkheden tot overheveling niet altijd duidelijk zijn en dat het de vraag is of de civiele rechter de rechtmatigheid van de gegevensvergaring kan beoordelen.90

Rechtspraak over art. 2:20 lid 1 BW met betrekking tot OMG’s

2.17

Ik ga tot slot van deze inleidende beschouwing in op de rechtspraak over art. 2:20 lid 1 BW met betrekking tot OMG’s. Deze rechtspraak komt voort uit een zogenoemde ‘geïntegreerde aanpak’ van OMG’s, die de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie Opstelten in 2012 heeft aangekondigd. De minister constateerde dat “een gedegen, grondige strafrechtelijke aanpak in dit kader noodzakelijk is” en dat het OM daarbij “uiteraard alert is op informatie die eventueel in een artikel 2:20 lid 1 BW procedure een rol zou kunnen spelen.”91 Naast strafrechtelijk en civielrechtelijk optreden, wijst de minister voorts op het inzetten van bestuurlijke en fiscale instrumenten: “Aldus wordt nadrukkelijk ingezet op zowel een werkwijze van snelle klappen op korte termijn, als op het opwerpen van drempels die effect op de langere termijn sorteren.”92 Verzoeken van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW vergen een langere adem. De minister merkt daarover in zijn brief aan de Tweede Kamer op: “Voor een succesvolle procedure is vooral nodig dat er voldoende bewijs is. Daarbij zijn de bewijslasten erg zwaar.”93

In de brief van de minister wordt in het kader van strafrechtelijke onderzoeken die informatie kunnen opleveren voor een art. 2:20 BW-procedure gesproken van “een stapsgewijze werkwijze”.94 Hier kan een parallel getrokken worden met de zogenoemde ‘escalatieladder’, die recent door de Staatscommissie parlementair stelsel is geformuleerd met betrekking tot het verbieden van politieke partijen.95 Een partijverbod vormt de hoogste trede (stap 3) op deze ladder, welke maatregel wordt voorafgegaan door strafrechtelijke vervolging van voorlieden van de partij (stap 1) en eventuele bestuurlijke maatregelen, zoals tijdelijke stopzetting van financiering of subsidiëring van overheidswege of het onthouden van faciliteiten (stap 2). Een vergelijkbare drietrapsraket kan ook worden ontwaard in het optreden tegen OMG’s zoals Satudarah. Tegen voorlieden van Satudarah is veelvuldig strafrechtelijk opgetreden.96 Daarnaast bestaat tegen Satudarah ook een strafrechtelijke verdenking als een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven in de zin van art. 140 lid 1 Sr. Dit strafrechtelijke onderzoek staat bekend onder de naam 26Largo.97 Tegen Satudarah zijn daarnaast verschillende bestuurlijke maatregelen genomen, zoals een verbod op last van de burgemeester tot het houden van een motortocht, bestuurlijke sluiting van clubhuizen, stopgesprekken, gebiedsontzeggingen, colorverboden, etc.98 Het zal duidelijk zijn dat de verschillende stappen op elkaar (kunnen) inwerken, wat m.i. ook tot uitdrukking wordt gebracht met de ‘geïntegreerde aanpak’.

Strafrechtelijk en bestuursrechtelijk optreden vormen in dit model de ‘opmaat’ naar een eventueel verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding op grond van art. 2:20 lid 1 BW. Voor toepassing van art. 2:20 lid 1 BW is echter niet noodzakelijk dat daaraan een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling vooraf is gegaan (zie ook onder 2.12).99 Wanneer een rechtspersoon door de rechtbank op grond van art. 2:20 lid 1 BW verboden verklaard en ontbonden wordt, kan dat, als die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, opnieuw aanleiding geven tot strafrechtelijk optreden op grond van art. 140 lid 2 Sr, als de werkzaamheid van de verboden verklaarde rechtspersoon wordt voortgezet. Tegen een verboden verklaarde rechtspersoon kan ook bestuursrechtelijk worden opgetreden. Voor bestuursrechtelijke handhaving van een verbodenverklaring op de voet van art. 2:20 BW bestaan geen met art. 140 lid 2 Sr vergelijkbare wettelijke grondslagen (zie ook onder 2.14). Een onherroepelijke rechterlijke beslissing op de voet van art. 2:20 lid 1 BW of uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking op grond van art. 2:20 lid 1 BW is niet maatgevend voor het bestuursrechtelijk (kunnen) optreden; dat vereist een andere wettelijke grondslag dan zo’n verbodenverklaring op de voet van art. 2:20 BW, die daarbij uiteraard wel als reden of grondslag mede van betekenis kan zijn.100 In de praktijk wordt wel aangenomen dat “het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verbod voor het bestuur ‘al per direct een (extra) reden en onderbouwing is’ om instrumenten in te zetten die zijn beschreven in documenten over de landelijke integrale aanpak van OMGs.”101

In de literatuur wordt m.i. terecht verdedigd dat ook bij bestuursrechtelijke handhaving terughoudendheid moet worden betracht zolang een verbodenverklaring nog niet onherroepelijk is: “Een verklaring uitvoerbaar bij voorraad van de verbodenverklaring of de verklaring voor recht verandert niets aan de mogelijkheid dat zij nog kunnen worden teruggefloten.”102 Die terughoudendheid is uiteraard met name geboden bij bestuursrechtelijk optreden waarvan de gevolgen niet of moeilijk zijn terug te draaien, zoals ook het geval is bij ontbinding van de rechtspersoon (zie ook onder 2.8).

2.18

De in 2012 ingezette geïntegreerde aanpak heeft geleid tot verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW van de als informele verenigingen georganiseerde OMG’s Bandidos Motorcycle Club,103 Catervarius Netherlands,104 Satudarah Motorcycle Club (waarover deze procedure in cassatie handelt), Hells Angels Motorcycle Club Holland105 en No Surrender (Motorcycle Club)106. Tegen de (informele) vereniging Caloh Wagoh Main Triad (Motorcycle Club) is een verzoek van het OM op grond van art. 2:20 lid 1 BW aanhangig bij de rechtbank Midden-Nederland.107 In de periode voorafgaand aan de geïntegreerde aanpak zijn verzoeken van het OM tot het verboden verklaren en ontbinden van enkele plaatselijke afdelingen (chapters) van de Hells Angels afgewezen.108

2.19

Toegespitst op de onderhavige zaak licht ik drie relevante elementen uit de Bandidos-zaak uit, mede onder verwijzing naar procedures tegen andere OMG’s.

2.20

Het hof heeft in de Bandidos-zaak tot uitgangspunt genomen:109

“4.7 Dit [de vrijheid van vereniging van art. 8 Gw en art. 11 EVRM, A-G] betekent dat hoge eisen moeten worden gesteld aan verzoeken op grond van de artikelen 2:20 en 10:122 BW en de motivering en onderbouwing daarvan. Uit de motivering en onderbouwing van de verzoeken moet blijken dat sprake is van een rechtspersoon of corporatie zoals in de artikelen 2:20 en 10:122 BW bedoeld. Ook moet in voldoende mate vaststaan dat sprake is van gedragingen die een daadwerkelijke aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten en die aan de desbetreffende rechtspersoon of corporatie kunnen worden toegerekend.”


De Hoge Raad bevestigt dat uitgangspunt van het hof in zijn beschikking.110 De overweging van de Hoge Raad dat “hoge eisen moeten worden gesteld aan een verzoek” van het OM “en de motivering en onderbouwing daarvan” is in de Bandidos-zaak toegespitst op een verzoek op de voet van art. 10:122 BW en op het stellen, en zo nodig, onderbouwen dat sprake is van een ‘corporatie’ in de zin van art. 10:117 onder a BW. Die hoge eisen gelden mutatis mutandis ook met betrekking tot een verzoek op de voet van art. 2:20 lid 1 BW voor de stelplicht van het OM dat sprake is van een rechtspersoon.111 Die hoge eisen gelden bovendien niet alleen voor het element ‘rechtspersoon’ in art. 2:20 lid 1 BW, maar ook voor het element dat ‘de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde’. Voor dat laatste element wijs ik op de Hells Angels-beschikking van de Hoge Raad:112

“3.6 (...) Wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden, zoals members of binnen- of buitenlandse zusterorganisaties, zelf niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, kunnen die gedragingen aan de rechtspersoon slechts als eigen "werkzaamheid" worden toegerekend indien bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven. Het oordeel van het hof komt erop neer dat in dit opzicht niet voldoende is komen vast te staan en dat het Openbaar Ministerie zijn verzoek in dit opzicht ook onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Het hof is daarom tot de slotsom gekomen (in rov. 31) dat de gewraakte feiten en omstandigheden betreffende de werkzaamheid van de stichting en de vereniging, voor zover zij zijn komen vast te staan, voor een deel wel kunnen worden aangemerkt als maatschappelijk ongewenst gedrag en mogelijk ook als strafbare feiten, maar niet als een zodanig ernstige inbreuk op de openbare orde dat een verbodenverklaring en ontbinding van een of beide rechtspersonen gerechtvaardigd is. Anders gezegd is naar het oordeel van het hof niet gebleken van een werkzaamheid waarvan de ongestoorde voortzetting en navolging in een democratische rechtsstaat niet kan worden geduld op straffe van ontwrichting, en daarom is voor de ingrijpende maatregel van verbodenverklaring en ontbinding van de rechtspersonen van de Harlinger Hells Angels geen plaats.”

Uit de Hells Angels-beschikking van het hof blijkt reeds (dat werd in die zaak in cassatie ook niet bestreden) dat ondanks de hoge eisen die gesteld worden aan de stelplicht en bewijslast van het OM, bij de beoordeling van een verzoek ex art. 2:20 lid 1 BW van belang is of “met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de gestelde feiten zich inderdaad hebben voorgedaan.”113 Wanneer de werkzaamheid in strijd met de openbare orde van de rechtspersoon betrekking heeft op strafbare feiten, is in het kader van de beoordeling van het verzoek ex art. 2:20 lid 1 BW niet doorslaggevend dat (nog) geen sprake is van strafrechtelijke veroordeling of vervolging of dat een strafzaak met een sepot of vrijspraak is geëindigd: “Deze feiten kunnen wel meewegen wanneer met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de gestelde feiten zich inderdaad hebben voorgedaan.”114 In de literatuur is in dit verband opgemerkt: “Zie hier een voorbeeld par excellence van het verschil in bewijswaardering in burgerlijke en strafzaken” [curs. in origineel, A-G].115 Ik kom op dit element uit de Bandidos-zaak terug bij de bespreking van klacht 1 van het principale cassatieberoep.

2.21

In de Bandidos-zaak heeft de Hoge Raad voorts over de reikwijdte van een verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW het volgende vooropgesteld:116

“3.4.1 De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel (art. 2:26 lid 1 BW). Als de statuten van een vereniging zijn opgenomen in een notariële akte is sprake van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, ook wel een formele vereniging genoemd. Als een vereniging niet beschikt over statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, is sprake van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd. Uit art. 2:26 lid 1 BW en de toelichting daarop volgt dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel. Dit veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende taken vervullen ten behoeve van het zelfstandige lichaam, dat er ledeninspraak is, dat gelden worden ingezameld of contributie wordt geheven, dat een bankrekening wordt aangehouden op naam van het zelfstandige lichaam of dat er een gemeenschappelijke kas is. Opmerking verdient nog dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat aan het bestaan van een informele vereniging niet te zware eisen moeten worden gesteld.

3.4.2

Zowel een formele als een informele vereniging kan afdelingen hebben waarbinnen leden van de vereniging bijvoorbeeld geografisch of functioneel zijn ingedeeld. Voor het antwoord op de vraag of een vereniging afdelingen heeft, komt onder meer betekenis toe aan de statuten of reglementen van die vereniging. Het is mogelijk dat een afdeling van een vereniging ook zelf rechtspersoonlijkheid heeft. Zo kan een afdeling op haar beurt een formele of informele vereniging zijn.

3.4.3

Als een vereniging op de voet van art. 2:20 lid 1 BW wordt verboden, strekt dat verbod zich niet uit tot de afdelingen van de vereniging die zelf als rechtspersoon moeten worden aangemerkt. Hiervoor is het volgende redengevend.

Art. 2:20 lid 1 BW moet worden uitgelegd in het licht van de in de Grondwet en het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting. Met de toewijzing van een op de voet van art. 2:20 lid 1 BW gedaan verzoek wordt immers een ernstige inbreuk gemaakt op deze vrijheden, waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. Dit betekent dat art. 2:20 lid 1 BW strikt moet worden uitgelegd (vergelijk hetgeen hiervoor in 3.2.6 met betrekking tot art. 10:122 lid 1 BW is overwogen).

Art. 2:20 lid 1 BW, dat uitdrukkelijk bepaalt dat ‘een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde’ op verzoek van het OM verboden wordt verklaard en wordt ontbonden, dient daarom aldus te worden uitgelegd dat toewijzing van dat verzoek tot gevolg heeft dat uitsluitend de rechtspersoon ten aanzien van wie het verzoek is gedaan, verboden wordt verklaard en wordt ontbonden. Toewijzing van een dergelijk verzoek heeft dus niet tot gevolg dat daarmee tevens een andere rechtspersoon wordt verboden. Dat zou zich ook niet verdragen met het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht van die andere rechtspersoon om zich in rechte te kunnen verdedigen tegen een verzoek van het OM dat mede rechtsgevolg kan hebben voor zijn eigen voortbestaan.

3.4.4

Het voorgaande laat onverlet dat het een andere rechtspersoon - waaronder begrepen de afdeling die zelf als rechtspersoon moet worden aangemerkt - niet vrijstaat om de werkzaamheid van de verboden rechtspersoon voort te zetten.”117 [voetnootverwijzingen niet overgenomen, A-G]

De Hoge Raad overweegt na deze vooropstelling dat het hof heeft geoordeeld dat de lokale Nederlandse chapters zijn aan te merken als informele verenigingen en dat het hof daartoe redengevend heeft geacht, na te hebben overwogen dat zowel de lokale chapters als hun leden (tevens) lid zijn van de informele vereniging BMC Holland (tegen welke rechtspersoon het verzoek ex art. 2:20 BW was gericht), dat de lokale chapters zelf een bestendige organisatie met leden vormen, beschikken over een eigen bestuur, een eigen naam, eigen leden, eigen vergaderingen, een eigen contributieverplichting en eigen onderscheidingstekens op de kleding en zich naar buiten toe als zelfstandige eenheid presenteren. Dit oordeel van het hof is volgens de Hoge Raad feitelijk, en voldoende begrijpelijk gemotiveerd.118 Nu de lokale Nederlandse chapters naar het oordeel van het hof zijn aan te merken als rechtspersonen, heeft het hof volgens de Hoge Raad in het midden kunnen laten of de lokale Nederlandse chapters ook afdelingen zijn van BMC Holland.119
Uit de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad blijkt dat de vraag of sprake is van een afdeling van een (formele of informele) vereniging is te onderscheiden van de vraag of die (eventuele) afdeling zelf weer is aan te merken als een rechtspersoon. In rov. 3.4.1 van de beschikking gaat de Hoge Raad in op de vereisten voor het bestaan van een informele vereniging. Vereiste daarvoor is dat er “een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel”. Of een organisatorisch verband een informele vereniging is, hangt volgens de Hoge Raad af van de omstandigheden van het geval. A-G Vlas gaat er in zijn conclusie voor de beschikking, in navolging van de literatuur, van uit dat het bestaan van een afdelingsverhouding een relevante omstandigheid is bij het beoordelen van de vraag of de afdeling is aan te merken als een informele vereniging met eigen rechtspersoonlijkheid.120 Om als afdeling van een informele vereniging aangemerkt te kunnen worden als rechtspersoon, zal aan de vereisten voor het bestaan van een informele vereniging getoetst moeten worden. De omstandigheid dat sprake is van een afdeling brengt aanvullende vereisten met zich:121

“On[ze]s inziens dient men geen vereniging aan te nemen wanneer het bestuur van de afdeling geen vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft, de algemene vergadering niet het recht heeft om tot ontbinding te besluiten en de afdeling geen eigen regeling kent omtrent toelating van leden en beëindiging van het lidmaatschap.” [voetnootverwijzing niet overgenomen, A-G]

Omdat het hof in de Bandidos-zaak in het midden heeft kunnen laten of de chapters konden worden aangemerkt als afdelingen van BMC Holland, is de Hoge Raad niet nader op deze aanvullende vereisten voor het kunnen aanmerken van een afdeling als rechtspersoon (informele vereniging) ingegaan. De onderhavige zaak verschilt in zoverre van de Bandidos-zaak, omdat het hof in de onderhavige zaak, in navolging van de rechtbank, feitelijk heeft vastgesteld dat de chapters lokale afdelingen zijn van Satudarah (zie ook onder 1.1). Het hof kon er in de onderhavige zaak (rov. 12.1 t/m 12.3), in navolging van de rechtbank (rov. 2.2-2.4), ook van uitgaan dat bij Satudarah sprake is van één rechtspersoon, de informele vereniging Satudarah, waarvan onder meer deel uitmaken de chapters (die dus geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten).122 Ik kom op dit punt terug bij de bespreking van klacht 2 van het principale cassatieberoep.

2.22

Een ander relevant onderwerp dat in de Bandidos-zaak aan de orde is geweest is de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW. Het hof heeft daarover in die zaak overwogen:123

“De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor zover het de verbodenverklaring en ontbinding van BMC Holland betreft. Volgens de wetgeschiedenis van artikel 2:20 BW is het eigenlijk niet de bedoeling van de wetgever geweest dat de rechter een beschikking waarin een verbodenverklaring en ontbinding wordt uitgesproken uitvoerbaar bij voorraad verklaart (Kamerstukken II 17476, nr. 5-7, p. 8). Ontbinding is een onherroepelijke ingreep en artikel 140 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht verbindt ook alleen gevolgen aan een onherroepelijke verbodenverklaring. Nu tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen bezwaar is gericht, moet het hof deze beslissing evenwel eerbiedigen.”

In cassatie werd in die zaak een klacht gericht tegen rov. 4.35, die inhield dat het oordeel van het hof dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een beschikking waarin de rechter een verbodenverklaring en ontbinding uitspreekt niet mogelijk is, onjuist is. A-G Vlas concludeerde dat de klacht bij gebrek aan belang diende te falen, omdat het hof de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in stand had gelaten nu daartegen geen grief was gericht.124 De Hoge Raad heeft die klacht met toepassing van art. 81 lid 1 RO verworpen.125

In art. 2:20 BW-procedures tegen andere OMG’s wordt uiteenlopend beslist over uitvoerbaarverklaring bij voorraad.126 Zo verklaart de rechtbank Noord-Nederland de beschikking tot verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender, in navolging van het hof in de Bandidos-zaak, niet uitvoerbaar bij voorraad.127 De rechtbank Midden-Nederland heeft de beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding van de Hells Angels in Nederland uitvoerbaar bij voorraad verklaard.128 Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in incident in hoger beroep schorsing van de werking van de (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) beschikking van de rechtbank bevolen. Het hof heeft aan die incidentele beslissing ten grondslag gelegd:129

“dat het belang van HAMC Holland, HAMC en HAM Corporation (en de andere belanghebbenden) bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het hoger beroep is beslist zwaarder weegt dan het belang van het OM dat de bestreden beschikking werking heeft en ten uitvoer kan worden gelegd hangende het hoger beroep.”

In de literatuur is erop gewezen dat in het wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen wordt voorgesteld een einde te maken aan deze discussie inter curias.130 Ik kom hierop terug bij de bespreking van het incidentele cassatieberoep.

In het principale cassatieberoep

2.23

Het principale cassatiemiddel valt uiteen in vijf klachten (genummerd 1 t/m 5). Klacht 1 is nader uitgewerkt in drie “onderdelen” (geletterd A t/m C) en klacht 4 is nader uitgewerkt in twee “onderdelen” (geletterd A en B). De overige klachten (2, 3 en 5) bevatten geen uitwerking in “onderdelen”.

Klacht 1: Toepasselijke bewijsrechtelijke regels

2.24

Onderdeel A klaagt, samengevat, allereerst dat het hof in rov. 11.1 rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor de conclusie dat op grond van art. 284 Rv de aard van de zaak zich in de onderhavige verzoekschriftprocedure verzet tegen overeenkomstige toepassing van de negende afdeling van de tweede titel van Rv inzake bewijs. Het onderdeel voert daartoe aan dat in deze zaak, ongeacht de, op basis van voluntaire jurisdictie, inbedding in het Nederlandse burgerlijke procesrecht, onmiskenbaar sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM, zodat in plaats van het Nederlandse civiele bewijsrecht het Nederlandse strafrechtelijke bewijsrecht met alle daarbij behorende waarborgen voor een eerlijke procedure moet worden toegepast. Dat hier, onmiskenbaar, sprake is van een ‘criminal charge’ blijkt volgens het onderdeel daaruit, dat het door de wetgever beoogde - door de rechter verplicht vast te stellen - rechtsgevolg van de rechterlijke vaststelling dat de werkzaamheid van een rechtspersoon in strijd is met de openbare orde, verbodenverklaring en ontbinding door de rechter is, gevolgd door vereffening van het vermogen van de desbetreffende rechtspersoon. Het subonderdeel wijst er verder op, samengevat, dat het verzoek van het OM en daarmee van de overheid ex art. 2:20 BW ertoe dient de volledige verwijdering uit het rechts- en maatschappelijk verkeer van die rechtspersoon te bewerkstelligen.131 Volledige verwijdering van overheidswege uit het rechts- en maatschappelijk verkeer zou bij een natuurlijke persoon neerkomen op het van overheidswege doden of toch ten minste op het permanent geïsoleerd opsluiten van die persoon, hetgeen beide naar Nederlands recht niet is toegestaan. Dat een dergelijke verwijdering als “straf(bedreiging)” moet worden bezien, wordt volgens het onderdeel duidelijk indien men zich beseft dat een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde persoon, hoe beperkt wellicht ook, vanuit detentie als uitgangspunt kan blijven deelnemen aan dat verkeer, en dat diens vermogen “niet (om reden van de detentie)” wordt vereffend. Dat uit een dergelijke verwijdering van een rechtspersoon in letterlijke zin des woords geen bloed vloeit, maakt die verwijdering “dan ook niet minder ingrijpend en bestraffend van aard”. Het andersluidende oordeel van het hof zou gelet daarop onjuist zijn, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd nu uit niets wat het hof heeft overwogen blijkt dat het verzoek van het OM tot zo’n verwijdering van Satudarah en Yellow Snakes “niet als “criminal charge” moet of kan worden bezien”.

Omdat het strafrechtelijke bewijsstelsel, met al zijn waarborgen voor de verwerende partij, dient te worden toegepast, kunnen ook rov. 10.4, 11.1, 11.2, 11.3, 11.4, 11.5 en 13 van het hof niet in stand blijven, aldus het vervolg van het onderdeel (p. 6-7 van het verzoekschrift tot cassatie). Samengevat voert het onderdeel daartoe verder aan (“Immers”, etc.) dat op grond van art. 6 lid 3 EVRM degene die zich heeft te verweren tegen een ‘criminal charge’, hier Satudarah en Yellow Snakes, recht heeft op de waarborgen die (hier) het Nederlandse strafrechtelijke bewijsrecht biedt. Tevens heeft diegene recht op onder meer verstrekking van het volledige, tegen die persoon van overheidswege opgebouwde dossier. Het hof had volgens het onderdeel moeten beslissen dat het OM het integrale dossier aan Satudarah had behoren te verstrekken, op straffe van afwijzing van het verzoek, hetgeen het hof ten onrechte niet heeft gedaan. Evenmin kans als juist worden aanvaard de kennelijke rechtsopvatting van het hof dat het de rechter in zaken als deze vrij staat het gepresenteerde bewijs op civielrechtelijke wijze te waarderen, en dat de rechter een niet afdoende weersproken stelling als juist moet aanvaarden. Op grond van het voorgaande menen Satudarah en Yellow Snakes dat, hoewel zij zich kunnen vinden in de uitkomst van het door het hof in rov. 11.4 weergegeven betoog (dat de rechtbank met juistheid slechts let op de feiten waarop het OM ter ondersteuning van zijn standpunt een beroep heeft gedaan), deze overweging van het hof “ten principale rechtens onjuist is” vanwege de door het hof aangehaalde civielrechtelijke achtergrond van dit oordeel. De hiervoor opgesomde rechtsoverwegingen zijn althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat het OM aan Satudarah en Yellow Snakes het integrale tegen Satudarah opgebouwde dossier, tot in de kleinste details, ter beschikking heeft gesteld.

2.25

Ik maak eerst een opmerking over de wijze waarop art. 2:20 BW is ingebed in het Nederlandse burgerlijke procesrecht “op basis van voluntaire jurisdictie”. De procedure op grond van art. 2:20 BW betreft een verzoekschriftprocedure (zie ook onder 2.10). Op grond van art. 284 Rv is het bewijsrecht in dagvaardingsprocedures (de negende afdeling van de tweede titel van Rv) van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Met voluntaire jurisdictie (of ‘oneigenlijke rechtspraak’) wordt in dit verband gedoeld op civiele procedures die niet primair ‘twistgedingen’ zijn, maar waarin vanuit een ordenende functie wel een rechterlijke beslissing is vereist.132 Van oudsher geldt voor ‘twistgedingen’ de dagvaardingsprocedure en voor ‘oneigenlijke rechtspraak’ de verzoekschriftprocedure. Dit onderscheid is echter niet (meer) scherp. Onderkend moet worden dat verzoekschriftprocedures ook een zeker contentieus karakter (kunnen) hebben, wat m.i. ook het geval is bij toepassing van art. 2:20 BW. Bij contentieuze verzoekschriftprocedures is het minder vanzelfsprekend dan bij voluntaire verzoekschriftprocedures dat de aard van de zaak zich verzet tegen toepasselijkheid van de bewijsregels uit (per definitie contentieuze) dagvaardingsprocedures.133

Ik noem twee voorbeelden uit Boek 2 BW van rechtspraak over art. 284 Rv. De aard van de tweede fase van de enquêteprocedure (2:355 BW), waarin de wetgever spoed geboden acht, brengt mee dat de ondernemingskamer niet gehouden is in te gaan op een aanbod tot bewijslevering.134 De aard van de procedure tot ontslag van een stichtingsbestuurder (art. 2:298 BW) verzet zich niet tegen toepassing van de algemene regels van bewijsrecht.135


In 1965 oordeelde de Hoge Raad nog dat het ‘vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen’ in de zin van art 6 lid 1 EVRM slechts betrekking heeft op (contentieuze) twistgedingen.136 Inmiddels wordt ervan uitgegaan dat ook voluntaire civiele procedures onder het bereik van art. 6 EVRM vallen.137

2.26

Onderdeel A faalt.

In het onderdeel wordt niet geklaagd over art. 6 EVRM ten aanzien van het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen. Volgens het onderdeel is onmiskenbaar sprake van vervolging (‘criminal charge’, of ‘accusation en matière pénale’) in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. Laatstgenoemd begrip wordt door het EHRM autonoom uitgelegd.138 Ook rechtspersonen kunnen zich beroepen op art. 6 EVRM.139 Alvorens in Straatsburg geklaagd kan worden over schending van een verdragsbepaling, geldt dat ten minste in substantie (‘in substance’) voor de nationale rechter een beroep op die verdragsbepaling moet zijn gedaan (art. 35 EVRM).140 In de onderhavige zaak wordt in het onderdeel niet verwezen naar vindplaatsen in feitelijke instanties waar uitdrukkelijk dan wel ‘in substance’ een beroep wordt gedaan op het ‘criminal charge’-karakter van verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW en schending van uit het EVRM voortvloeiende waarborgen die verband houden met het gestelde ‘criminal charge’-karakter. Wanneer aangenomen moet worden dat sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, gelden in beginsel de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM en de minimumwaarborgen van art. 6 lid 3 EVRM.

In het beroepschrift zijdens Satudarah wordt in de toelichting bij grief 4 onder meer opgemerkt:141

“De kern van het verweer van verzoeksters zag (…) op de structurele ongelijkheid tussen het Openbaar Ministerie en verzoeksters die in belangrijke mate bestaat uit het feit dat het Openbaar Ministerie kan putten uit tal van niet voor het publiek toegankelijke informatiesystemen. Verzoeksters kunnen dat niet, waardoor het Openbaar Ministerie van alles kan roepen voorzien van fragmentarisch gepresenteerd bewijsmateriaal, terwijl verzoeksters niet uit informatiebronnen van het Openbaar Ministerie kunnen putten om daar het ontlastende bewijsmateriaal tegen in te brengen.”

In het beroepschrift wordt aldaar in dit verband verwezen naar hoofdstuk 4 van het verweerschrift zijdens Satudarah in eerste aanleg, waarin onder meer is opgemerkt:142

“Ik realiseer mij terdege dat de strafrechtelijke bewijsvraag normaliter anders wordt ingekleurd dan de civielrechtelijke bewijsvraag, maar ik meen dat er veel voor te zeggen valt, gezien het feit dat het gaat om de beperking van zwaarwegende grond- en verdragsrechten, voor de beoordeling van de vraag of sprake is van werkzaamheden ‘in strijd met de openbare orde’ en ‘werkzaamheden van de rechtspersoon’ zoveel mogelijk wordt vastgehouden aan het strafrechtelijke beginsel van onschuldpresumptie. Weliswaar heeft het hof in de Hells-Angels Northcoast zaak overwogen dat dit beginsel voor het hier toepasselijk deel van het civiele recht niet doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of de gestelde feiten mogen worden betrokken bij de beoordeling of de werkzaamheid van de desbetreffende rechtspersoon dient te leiden tot verbodenverklaring en ontbinding van die rechtspersoon. Deze vraag dient immers uitsluitend te worden beantwoord aan de hand van het in artikel 2:20 lid 1 BW opgenomen criterium: strijd met de openbare orde. Wel is van belang aldus het hof of met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de gestelde feiten zich inderdaad hebben voorgedaan. Daartoe biedt een onherroepelijke strafrechtelijke uitspraak op tegenspraak de beste waarborgen. Hierbij wordt dan ook verzocht slechts die gegevens uit onherroepelijk strafrechtelijke uitspraken mee te nemen in uw beslissingsmodel.
(…)
Naar mijn stellige overtuiging is in de onderhavige verzoekschriftprocedure sprake van een (…) structurele onevenwichtigheid tussen enerzijds verzoeker, het machtige Openbaar Ministerie met een ‘onbeperkte’ hoeveelheid aan financiële middelen, een bataljon aan juristen en toegang tot alle niet-publiekelijk toegankelijke politiële en justitiële informatiesystemen, waaruit door het Openbaar Ministerie naar willekeur fragmentarisch informatie is geplukt en in deze procedure is ingebracht en anderzijds verweerders, waarvan bezwaarlijk kan worden verlangd dat zij de fragmentarisch gepresenteerde informatie waarin individuele (oud)members en niet-members voorkomen, gemotiveerder betwisten. Verweerders hebben immers geen onbeperkte financiële middelen en kunnen niet met een bataljon daartoe gekwalificeerde mensen grasduinen in politiële en justitiële informatiesystemen, teneinde daaruit gefragmenteerd informatie te presenteren ter weerlegging van de door het Openbaar Ministerie aan haar stelplicht verbonden feiten.
(…)
Gezien het voorgaande wordt dan ook verzocht de eenvoudige betwisting van alle strafbare feiten die niet zijn geresulteerd in een onherroepelijke veroordeling op tegenspraak door de strafrechter, welke betwisting bij deze plaatsvindt, als voldoende gemotiveerd aan te merken en het Openbaar Ministerie met de bewijslast aangaande die feiten te confronteren. Daarmee nivelleert u enigszins de structurele onevenwichtigheid tussen het Openbaar Ministerie en verweerders en doet u recht aan de rechtsbescherming die het zwaarwegende grond- en verdragsrecht tot vereniging verdient. Zoals gezegd, het gaat immers om de zwaarwegende beperking van het verenigingsrecht. Daarbij moet grote terughoudendheid worden betracht.”

Een beroep op art. 6 EVRM in verband met het ‘criminal charge’-karakter van de verbodenverklaring en ontbinding kan ik hierin bezwaarlijk lezen.
In EHRM-rechtspraak wordt bovendien onderkend dat er verschillende gradaties zijn in ‘criminal charges’, wat in een concreet geval met zich kan brengen dat niet zonder meer alle daarbij behorende waarborgen van toepassing zijn:143

“Notwithstanding the consideration that a certain gravity attaches to criminal proceedings, which are concerned with the allocation of criminal responsibility and the imposition of a punitive and deterrent sanction, it is self-evident that there are criminal cases which do not carry any significant stigma. There are clearly “criminal charges” of different weight. What is more, the autonomous interpretation adopted by the Convention institutions of the notion of a “criminal charge” by applying the Engel criteria have underpinned a gradual broadening of the criminal head to cases not strictly belonging to the traditional categories of the criminal law, for example administrative penalties (…), prison disciplinary proceedings (…), customs law (…), competition law and penalties imposed by a court with jurisdiction in financial matters (…). Tax surcharges differ from the hard core of criminal law; consequently the criminal-head guarantees will not necessarily apply with their full stringency.” [curs. in origineel, A-G]

De door het onderdeel voorgestane consequentie van kort gezegd het eventuele ‘criminal charge’-karakter van art. 2:20 lid 1 BW, erop neerkomend dat “in plaats van het Nederlandse civiele bewijsrecht, het Nederlandse strafrechtelijke bewijsrecht met alle daarbij behorende waarborgen voor een eerlijke procedure, moet worden toegepast”, volgt dus niet zonder meer uit de EHRM-rechtspraak. In de aangehaalde rechtsoverweging noemt het EHRM voorbeelden van rechtsgebieden die niet tot de ‘hard core of criminal law’ behoren, zoals bestuursrecht en fiscaal recht. Het civiele recht wordt overigens niet genoemd. Er kan geen twijfel over bestaan dat dit evenmin behoort tot de ‘hard core of criminal law’. Ter illustratie verwijs ik naar een uitspraak van het EHRM waarin is beslist dat een bestuursverbod op grond van de Engelse Company Directors Disqualification Act 1986 niet kon worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM:144

“The criteria for ascertaining whether a "criminal charge" has been determined are the domestic classification of the "offence", the nature of the "offence", and the nature and degree of severity of the potential and actual penalty (…). In the present case, the proceedings were classified as civil in domestic law, the disqualification of directors is a matter which is regulatory rather than criminal, and the “penalty” is neither a fine nor a prison sentence, but rather a prohibition on acting as a company director without the leave of the court. Whilst a great deal was undoubtedly at stake for the applicants, it cannot be said that what is inherently a regulatory matter can thereby become a “criminal charge” within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention. Thus, none of these criteria indicates that the applicant was charged with a "criminal offence", and the Court considers that the proceedings in the present case did not determine a criminal charge within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention (…).”

Naar Nederlands recht kan het OM op grond van art. 106a Fw ook verzoeken om een civielrechtelijk bestuursverbod.145 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid van een civielrechtelijk bestuursverbod (Wet civielrechtelijk bestuursverbod) is ook stilgestaan bij de vraag of het bestuursverbod moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. De minister heeft die vraag, onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde EHRM-rechtspraak, ontkennend beantwoord.146 Dat het civielrechtelijke bestuursverbod in de zin van art. 106a Fw geen ‘criminal charge’ is in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, wordt bevestigd in de rechtspraak.147
De mogelijkheid voor het OM om op grond van art. 106a Fw een civielrechtelijk bestuursverbod te verzoeken, sluit aan bij het civielrechtelijke instrumentarium van het OM in het civiele rechtspersonenrecht, waaronder art. 2:20 BW.148 Uit de genoemde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel inzake het civielrechtelijke bestuursverbod blijkt dat het doel van het civielrechtelijke bestuursverbod is “om faillissementsfraude en onregelmatigheden in of rondom een faillissement effectiever te kunnen bestrijden en om te voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten via allerlei omwegen en met nieuwe rechtspersonen ongehinderd kunnen voortzetten.”149 De bevoegdheid aan het OM is gegeven in het algemeen belang:150

“Daarnaast krijgt het openbaar ministerie de zelfstandige bevoegdheid om een civielrechtelijk bestuursverbod te vorderen. Deze bevoegdheid is bedoeld om te worden ingezet in die specifieke gevallen waarin het algemeen belang in het geding is. (…) Het is aan het OM zelf om te beoordelen of de toegekende bevoegdheden al dan niet ingezet moeten worden. Evenmin wordt afbreuk gedaan aan het opportuniteitsbeginsel in strafzaken. Ten slotte zij nog opgemerkt dat belanghebbenden het OM niet via de weg van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv) kunnen dwingen om een civielrechtelijk bestuursverbod te vorderen. Die procedure heeft immers betrekking op de vervolging van strafbare feiten, en daarvan is bij een vordering op grond van artikel 106a FW geen sprake.”

Het civielrechtelijke karakter van art. 2:20 BW verschilt in zoverre niet van art. 106a Fw (zie ook onder 2.16). In die memorie van toelichting bij het wetsvoorstel inzake het civielrechtelijke bestuursverbod wordt in dat verband nog opgemerkt dat het bij instrumenten zoals art. 2:20 BW gaat om herstel of toezicht achteraf (‘repressief’) en het civielrechtelijke bestuursverbod toekomstgericht en preventief van aard is.151 Art. 2:20 BW kan inderdaad beschouwd worden als een vorm van repressief toezicht (zie onder 2.5). Dat zegt echter niks over het ‘sanctie’-karakter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. In de wetgeschiedenis van de WVV wordt in dit verband treffend gesproken over de individuele (strafrechtelijke) sanctie van art. 4 WVV (en later art. 140 lid 2 Sr) en het collectieve (civielrechtelijke) gevolg van art. 10 WVV (de vervallenverklaring van rechtspersoonlijkheid, die zich naar huidig recht laat vertalen als ontbinding) (zie onder 2.4-2.5).

2.27

Voor zover het onderdeel niet reeds op het voorgaande afstuit, wat m.i. het geval is, bezie ik nog nader, gericht op de onderhavige zaak, de door het EHRM in de Engel-uitspraak ontwikkelde criteria voor de vraag of sprake is van vervolging in de zin van art. 6 lid 1 EVRM.152 In de eerste plaats is van belang of de procedure in het nationale recht als ‘strafrechtelijk’ wordt gekwalificeerd. In de onderhavige zaak wordt niet aan die voorwaarde voldaan. Art. 2:20 BW is een civielrechtelijke procedure. Dit wordt in het onderdeel ook niet betwist. Dan komt toetsing aan de twee volgende Engel-criteria in beeld: de aard van de ‘overtreding’ en de aard en zwaarte van de ‘straf’:153

“The first matter to be ascertained is whether or not the text defining the offence in issue belongs, according to the legal system of the respondent State, to criminal law; next, the nature of the offence and, finally, the nature and degree of severity of the penalty that the person concerned risked incurring must be examined, having regard to the object and purpose of Art. 6, to the ordinary meaning of the terms of that Article and to the laws of the Contracting States.”

Het tweede en derde criterium voor vervolging worden in de rechtspraak van het EHRM in beginsel alternatief toegepast. Als aan een van deze criteria wordt voldaan, is dus in beginsel sprake van vervolging in de zin van art. 6 lid 1 EVRM.154 Het EHRM let bij het tweede criterium, de aard van de overtreding, vooral op het punitieve of afschrikwekkende karakter van de sanctie die aan de overtreding is verbonden.155 In het onderdeel wordt daarop ook een beroep gedaan door te wijzen op het rechtsgevolg van verbodenverklaring en ontbinding, hetgeen volgens het onderdeel de volledige verwijdering uit het rechts- en maatschappelijk verkeer van die rechtspersoon bewerkstelligt, als reactie op beweerdelijk rechtens verwijtbare gedragingen. Bij de aard en zwaarte van de straf gaat het vaak om boetes, maar ook vrijheidsstraffen zijn denkbaar.156 In het onderdeel wordt gesteld dat de volledige verwijdering uit het rechts- en maatschappelijk verkeer van de rechtspersoon moet worden beschouwd als het van overheidswege doden van die persoon althans het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. M.i. worden hiermee in het onderdeel de aard van de ‘overtreding’ en de aard en zwaarte van de ‘straf’ miskend, en brengen (hoe dan ook) dat tweede en derde criterium evenmin mee dat hier sprake is van vervolging in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. Daartoe wijs ik op het volgende.

De regeling van art. 2:20 lid 1 BW, op basis waarvan een rechtspersoon wiens werkzaamheid in strijd is met de openbare orde door de rechtbank in een civielrechtelijke procedure op verzoek van het OM wordt verboden verklaard en ontbonden, is, kort gezegd, gericht op het belang van de openbare orde bij bescherming daarvan tegen zo’n werkzaamheid; toepassing daarvan beperkt het door art. 8 Gw en art. 11 EVRM beschermde recht van vereniging, dat in zoverre dan, bij afweging van alle betrokken rechten en belangen, moet wijken voor en in het belang van de openbare orde (vgl. rov. 7.1-7.10 van het hof, in cassatie onbestreden).157 Voor een dergelijk ingrijpen door de civiele rechter, wat steeds dat belang van de openbare orde dient en (niettegenstaande de hoge drempel, zie onder 2.20-2.21) de regeling doeltreffend maakt ter bescherming van de openbare orde tegen zo’n werkzaamheid, hoeft bijvoorbeeld geen sprake te zijn van criminele activiteiten of een eerder uitgesproken veroordeling op grond van art. 140 lid 1 Sr (zie onder 2.12; vgl. ook rov. 7.3 en 9.4 van het hof, in cassatie onbestreden). Het gaat bij een dergelijk ingrijpen door de civiele rechter om een vaststelling van rechtscheppende (constitutieve) aard (de verbodenverklaring werkt naar de toekomst toe), in het wettelijk systeem gecombineerd met ontbinding van de rechtspersoon op basis van het civiele rechtspersonenrecht (Boek 2 BW), waarbij: de verbodenverklaring van de rechtspersoon op zichzelf geen civielrechtelijk effect heeft (en pas strafrechtelijk effect kan hebben als aan de voorwaarden van art. 140 lid 2 Sr is voldaan), voor het civiele recht slechts de ontbinding van de rechtspersoon relevant is, en zulk ingrijpen als zodanig geen strafbaarheid oplevert (zie onder 2.8). Van een ‘sanctie’-karakter als waarop het onderdeel doelt, kan hier, gelet op dit een en ander, m.i. dan ook niet worden gesproken.158 Dat het voortzetten van de werkzaamheid van de onherroepelijk verboden verklaarde (en ontbonden) rechtspersoon strafbaar is gesteld, is juist, maar staat daar los van. Strafvervolging op de voet van art. 140 lid 2 Sr, dat betrekking heeft op de periode ná een verbodenverklaring en ontbinding (zie ook, in cassatie onbestreden, rov. 9.2 van het hof), is m.i. wél een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. Die bepaling is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (vergelijk het eerste Engel-criterium) en het daarin vervatte delict wordt bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie (vergelijk het tweede en derde Engel-criterium). In geval van strafvervolging op grond van art. 140 lid 2 Sr komt de strafrechter geen oordeel meer toe over de (onherroepelijke) rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW.159 Strafbaarheid in de zin van art. 140 lid 2 Sr staat met die rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding echter nog niet vast, zoals gezegd. Die strafbaarheid kan pas ontstaan wanneer die rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding, nadat die onherroepelijk is geworden, niet wordt gehoorzaamd en de verboden verklaarde werkzaamheid van de (ontbonden) rechtspersoon wordt voortgezet160 (zie ook onder 2.9). De delictsomschrijving als vervat in art. 140 lid 2 Sr is dan ook niet het verrichten van een werkzaamheid in strijd met de openbare orde, zoals art. 2:20 lid 1 BW is geformuleerd, maar deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard op de voet van art. 2:20 lid 1 BW.

Het onderdeel miskent, mede gelet op het voorgaande, ook het karakter van de (in het wettelijk systeem met verbodenverklaring gepaard gaande) rechterlijke ontbinding van de rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW. Ontbinding heeft tot gevolg dat de rechtspersoon uitsluitend nog voortbestaat ten behoeve van de vereffening, ervan uitgaande dat de rechtspersoon op het tijdstip van de ontbinding baten heeft (art. 2:19 lid 1 onder f, lid 4 en lid 6 BW). Dit gevolg treedt ook in bij andere civielrechtelijke gronden voor ontbinding van de rechtspersoon dan art. 2:20 lid 1 BW gelet op art. 2:19 lid 1 BW, in welk verband bijvoorbeeld kan worden gewezen op rechterlijke ontbinding van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 2 BW, art. 2:21 BW of art. 2:356 onder f BW. Dit is een algemene figuur in het civiele rechtspersonenrecht (Boek 2 BW), die niet specifiek is bedoeld als een ‘sanctie’ in voornoemde zin; ook niet in het kader van art. 2:20 lid 1 BW, zoals hiervoor uiteengezet.161 De vereffenaar draagt hetgeen na voldoening van de schuldeisers van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon is overgebleven, in verhouding tot ieders recht over aan hen die op grond van de statuten daartoe zijn gerechtigd, of anders, in het geval van een vereniging, aan de leden (en in het geval van een vennootschap aan de aandeelhouders). Wanneer geen ander recht heeft op het overschot, wordt dat saldo uitgekeerd aan de Staat, die het zoveel mogelijk overeenkomstig het doel van de rechtspersoon besteedt (art. 2:23b lid 1 BW). In het onderhavige geval brengt dit met zich dat het eventuele batige saldo van Satudarah in beginsel toekomt aan de leden (zie ook de in cassatie onbestreden rov. 20.4 van het hof).162 Ook dat wijst op het niet-strafrechtelijke karakter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM van de procedure op grond van art. 2:20 lid 1 BW.

Daarmee is overigens niet gezegd dat als het eventuele batige saldo aan de Staat zou moeten worden uitgekeerd, daarmee zou vaststaan dat sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM.163 In het wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (zie ook onder 2.17-2.22) wordt voorgesteld de rechter de bevoegdheid te geven om ambtshalve of op verzoek van het OM te bepalen dat het batige saldo wordt uitgekeerd aan de Staat.164 Volgens de toelichting op deze voorgestelde wijziging van art. 2:23b BW ligt de algemene regeling voor vereffening na een verbodenverklaring op grond van strijd met de openbare orde niet voor de hand.165 Het batige saldo komt in het voorstel echter niet van rechtswege aan de Staat toe.166 Een verband met het bereik van art. 6 lid 1 EVRM als gevolg van deze wetswijziging wordt in (de toelichting op) het wetsvoorstel niet gelegd.

Dat het ingrijpende karakter van (rechterlijke) ontbinding van een rechtspersoon, wat - in geval van vereffening van zijn vermogen; na het eindigen daarvan, gelet op art. 2:19 lid 6 BW167 - leidt tot het ophouden te bestaan van die rechtspersoon en in die zin tot ‘de volledige verwijdering van de rechtspersoon uit het rechts- en maatschappelijk verkeer’ (zie ook onder 2.6), niet maakt dat hier sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, blijkt ook uit een EHRM-zaak met betrekking tot de ontbinding van een Franse supportersclub van voetbalvereniging Paris Saint Germain, waarin het EHRM, overigens zonder dat expliciet aan de Engel-criteria werd getoetst, heeft overwogen dat de desbetreffende bestuursrechtelijke maatregel (die m.i. niet onvergelijkbaar is met verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 BW) niet als ‘vervolging’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM kan worden aangemerkt:168

“La Cour constate d’emblée que le volet pénal de l’article 6 n’est pas applicable en l’espèce puisque la procédure ne porte pas sur une « accusation en matière pénale ».”

In de literatuur wordt mede naar aanleiding van deze EHRM-uitspraak opgemerkt:169“Mits het dossier voldoende onderbouwd is met meerdere gewelddadige incidenten, die onweersproken blijven, kunnen de nationale instanties overgaan tot (verbod en) ontbinding, zonder daarmee in strijd te handelen met het EVRM.”170

Ik wijs erop dat in de wetsgeschiedenis met betrekking tot art. 2:20 lid 1 BW ook geen aanknopingspunten te vinden zijn voor afwijking van het civiele bewijsrecht, wat voor de hand gelegen had als in de zienswijze van de wetgever voor een dergelijke afwijking wel aanleiding zou hebben bestaan. Integendeel. In het recente wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen wordt bijvoorbeeld nog eens bevestigd dat een strafrechtelijke veroordeling onderdeel kan uitmaken van de onderbouwing van het verzoek, maar niet noodzakelijk is, en dat de civiele rechter een zelfstandige afweging dient te maken of voldoende bewijs is geleverd voor de genoemde gedragingen (zie onder 2.12). Over de rol van het OM wordt daarin onder meer opgemerkt dat het procesmonopolie exclusief bij het OM blijft als onafhankelijk vertegenwoordiger van het algemeen belang, dat vanwege het civielrechtelijke karakter van de verbodenverklaring tegen een besluit van het OM om geen verzoek ex art. 2:20 BW in te dienen geen artikel 12 Sv-procedure openstaat, dat het OM de afweging om 2:20 BW al dan niet in te zetten in alle onafhankelijkheid maakt, en dat vanuit waarborgoptiek de rechterlijke toets van belang is; dit vormt de belangrijkste rechtsstatelijke correctiefactor tegen onnodig gebruik van de art. 2:20 BW-procedure (zie onder 2.16, wat ook aansluit bij de onder 2.26 genoemde en geciteerde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel inzake het civielrechtelijke bestuursverbod, waaruit mede blijkt “dat belanghebbenden het OM niet via de weg van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv) kunnen dwingen om een civielrechtelijk bestuursverbod te vorderen. Die procedure heeft immers betrekking op de vervolging van strafbare feiten, en daarvan is bij een vordering op grond van artikel 106a FW geen sprake”). Ik heb in de rechtspraak (zie onder 2.18) en de literatuur (zie onder 2.26-2.27) ook geen bron aangetroffen waarin art. 2:20 lid 1 BW in verband wordt gebracht met een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. Het onderdeel wijst trouwens evenmin op dergelijke aanknopingspunten of bronnen, wat ook te denken geeft.

Het voorgaande brengt (te meer) met zich dat het onderdeel faalt. Anders dan het voorstaat, houdt een verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW (ook) in deze zaak geen ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM in en volgt daaruit dus niet dat het hof in rov. 11.1 t/m 11.5 en rov. 13 ten onrechte is uitgegaan van de toepassing van het civiele bewijsrecht. Het hof was, mede gelet op het gevoerde partijdebat, ook niet gehouden tot een nadere motivering van het (impliciete, veronderstelde) rechtsoordeel dat hier geen sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, welk rechtsoordeel zich overigens ook niet laat bestrijden met een motiveringsklacht. Voor zover het onderdeel nog een andere motiveringsklacht bevat, geldt tegen deze achtergrond dat die evenmin kan slagen, nu de ‘criminal charge’-premisse daarvan onjuist is (vgl. de laatste alinea op p. 7 van het verzoekschrift tot cassatie).

Hierop stuit het onderdeel hoe dan ook af.171

2.28

Onderdeel B klaagt dat door in rov. 11.1 (en rov. 11.5, slot) te overwegen dat voor zover de door het OM gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist die feiten op grond van art. 149 Rv ook voor het hof als vaststaand hebben te gelden, het hof ten onrechte niet heeft onderkend dat die rechtsregel geen of onvoldoende bestaansrecht heeft “tegen de achtergrond” van de voornoemde voluntaire jurisdictie, dan wel het rechterlijke inlichtingenbevel van art. 22 Rv, de waarheidsplicht van art. 21 Rv en de bewijsrechtelijke betekenis van partijverklaringen op de inlichtingencomparitie in de zin van art. 88 lid 4 Rv.172 Het hof kon, volgens het onderdeel, “hierom” niet uitgaan van de door het OM beweerde strafbare feiten en strafrechtelijke veroordelingen, althans niet zonder (nader) bewijs daarvan van het OM te verlangen en te verkrijgen.

2.29

Onderdeel B faalt.

Dit onderdeel van de klacht lijkt (in tegenstelling tot het vorige onderdeel, A) uit te gaan van de toepassing van het civiele bewijsrecht. Ik begrijp het deel van de klacht dat art. 149 Rv in de onderhavige zaak “tegen de achtergrond van de voornoemde voluntaire jurisdictie” geen of onvoldoende bestaansrecht heeft zo, dat een beroep wordt gedaan op art. 284 lid 1 Rv, in die zin dat de aard van de zaak zich tegen overeenkomstige toepassing van art. 149 Rv zou verzetten. Het hof heeft hierover in rov. 11.1 overwogen dat partijen niet hebben aangevoerd dat de aard van de zaak zich verzet tegen overeenkomstige toepassing van de negende afdeling van de tweede titel van Rv, waaronder dus art. 149 Rv (dat kan met deze rechtsklacht niet worden bestreden), en dat voor de conclusie dat de aard van de zaak zich tegen overeenkomstige toepassing verzet ook geen grond bestaat. Het onderdeel maakt niet duidelijk waarom de achtergrond van de voluntaire jurisdictie maakt dat het hof niet, althans niet zonder (nader) bewijs daarvan van het OM te verkrijgen, kon uitgaan van de door het OM beweerde strafbare feiten en strafrechtelijke veroordelingen. Voor zover het onderdeel bedoelt - “voornoemde” duidt daarop - daarvoor terug te grijpen op onderdeel A, deelt de klacht in het lot van dat onderdeel. Dat sprake zou zijn van voluntaire jurisdictie, brengt niet zonder meer met zich dat de aard van de zaak zich tegen toepassing van art. 149 Rv zou verzetten (zie onder 2.25).

Het onderdeel doet daarnaast een beroep op het rechterlijke inlichtingenbevel van art. 22 Rv, de waarheidsplicht van art. 21 Rv en de bewijsrechtelijke betekenis van partijverklaringen op de inlichtingencomparitie van art. 88 lid 4 Rv. Ook tegen deze achtergrond kon het hof volgens het onderdeel op grond van art. 149 Rv niet, althans zonder (nader) bewijs daarvan van het OM te verkrijgen, uitgaan van de door het OM beweerde strafbare feiten en strafrechtelijke veroordelingen, wederom zonder uiteen te zetten waarom dat zo zou zijn. De enige toelichting die het onderdeel verschaft, betreft, als gezegd, een verwijzing naar “(Asser Procesrecht, Asser 3 2013, nummer 102)”. In het door het onderdeel aangehaalde randnummer (102) van dit door Asser bewerkte Asser-deel inzake Bewijs uit 2013 wordt de vraag aan de orde gesteld of art. 149 Rv, in het licht van de ontwikkelingen die het civiele proces, met name door de wetswijziging van 2002, heeft doorgemaakt, nog bestaansrecht heeft:173

“De Bock signaleert bijvoorbeeld dat uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat is nagedacht over de vraag of de invoering van de waarheidsplicht in 2002 (art. 21 Rv) niet tot een gedeeltelijke herijking van deze vorm van processuele partijautonomie noopt. Men kan inderdaad betwijfelen of de wetgever wel voldoende heeft doordacht hoe de regel zich verhoudt tot de toen geïntroduceerde nog grotere bedrijvigheid van de rechter, niet alleen op het terrein van het case management maar meer in het bijzonder ook als het gaat om de verzameling van feitenmateriaal, zoals het rechterlijke inlichtingenbevel van art. 22 Rv, gekoppeld aan de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv, en de bewijsrechtelijke betekenis van partijverklaringen op de inlichtingencomparitie (art. 88 lid 4 Rv). De verplichting van de rechter om niet (voldoende) betwiste feiten als vaststaand te beschouwen heeft eigenlijk geen normatieve waarde in het licht van de vrijheid van een partij om later in de procedure of in appel een aanvankelijk niet-betwist feit dat door de wederpartij was gesteld, alsnog te betwisten - al of niet daartoe uitgelokt door vragen van de rechter of diens beslissingen. Telt men daarbij op dat de actieve rechter tijdens de comparitie na antwoord vragen kan stellen ten aanzien van niet-betwiste feiten en de aldus van partijen verkregen informatie kan gebruiken voor zijn beslissing, en neemt men bovendien in aanmerking dat de rechter meer dan vroeger de grenzen van de rechtsstrijd, ook op het vlak van de rechtsfeiten, aan de orde mag stellen, zoals uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt, dan kan de partijautonomie nauwelijks meer als dragende grond fungeren voor een zo strikte regel als die van artikel 149 Rv, die de zoektocht naar de materiële waarheid in principe belemmert.

De Bock heeft de regel onderzocht vanuit het thema van de waarheidsvinding en komt tot kritische conclusies. Zij bepleit een bevoegdheid van de rechter tot aanvulling van de feiten en zelfs de rechtsfeiten. Hier overheerst duidelijk het rechterlijk perspectief en dan de meer activistische variant. Waarbij valt op te merken dat heel wat rechters in hun dagelijks werk art. 149 Rv simpelweg toepassen, zonder zelf veel te gaan avonturieren met de feiten, behalve als ze dat zelf nodig vinden om op een verantwoorde manier recht te kunnen doen.

In het licht van de zojuist genoemde ontwikkeling van de rechterlijke activiteit in het civiele proces, kan worden gezegd dat er voor de partijautonomie in dit verband alleen nog ruimte is op het terrein waar partijen het echt eens zijn over de feiten en de ene partij de door de andere partij gestelde feiten uitdrukkelijk erkent - de gerechtelijke erkentenis van art. 154 Rv - en waar partijen een werkelijkheid tussen hen in een bewijsovereenkomst of vaststellingsovereenkomst hebben vastgelegd. Daar moet de rechter terugtreden, temeer omdat partijen in die gevallen tot grote hoogte aan elkaars woord zijn gebonden. Maar voor het overige kan de regel van art. 149 Rv wel gemist worden en is er alles voor te zeggen om de rechter hier, zoals eerder is bepleit, dezelfde bevoegdheid te geven als in verstekzaken, uiteraard met inachtneming van hetgeen de goede procesorde in verband met de processuele rechten en belangen van de wederpartij en het belang van een doelmatige en voortvarende rechtspleging eist, en aldus aan te sluiten bij de realiteit van vandaag.” [curs. in origineel, voetnoten niet overgenomen, A-G]

Ondanks deze vraag, gaat Asser er in deze aangehaalde passage, en ook in de daaraan voorafgaande randnummers,174 van uit dat art. 149 Rv naar huidig recht geldt. Een argument waarom de aard van de onderhavige zaak zich tegen toepassing van art. 149 Rv verzet, kan ik daarin dan ook niet ontwaren.175

Ik merk verder nog het volgende op over de werking van de regel van art. 149 lid 1 Rv, die inhoudt dat feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of niet voldoende zijn betwist door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat; daarover gaat onderdeel C). De stelplicht ligt in de onderhavige zaak bij het OM. Het OM moet stellen, en zo nodig onderbouwen, dat sprake is van een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW. Aan de motivering en onderbouwing van het verzoek moeten hoge eisen worden gesteld (zie ook onder 2.20).176 Het OM heeft daartoe een uitgebreid verzoekschrift ingediend met daaraan gehechte processen-verbaal, waarin onder meer een groot aantal feiten, incidenten en meldingen is opgesomd (zie hierover ook, in zoverre in cassatie onbestreden rov. 11.3, 11.4, 11.5 van het hof). Ik voeg daar aan toe dat het OM, gelet op de mogelijkheid om politiegegevens over te hevelen (zie onder 2.16), ook goed geëquipeerd is om aan die hoge eisen van motivering en onderbouwing te voldoen. Hierbij geldt dat in het algemeen dat stellen niet is bewijzen.177 Het is aan de rechter om te beoordelen of de gestelde feiten al dan niet voldoende zijn betwist. Die uitgebreide motivering en onderbouwing van het verzoek maken het voor Satudarah lastig om op alle gestelde feiten in het dossier te reageren (vgl. rov. 11.4 van het hof). Het hof heeft echter ook onderkend dat de rechtbank in rov. 2.16 e.v. van de beschikking in eerste aanleg een groot aantal gebeurtenissen uit de bijlagen bij het verzoekschrift heeft gedestilleerd die zij als onderbouwing van het verzoek heeft beschouwd; Satudarah heeft geen enkele van die door de rechtbank vastgestelde gebeurtenissen weersproken, terwijl zij ook niet (voldoende gemotiveerd) heeft aangevoerd dat en waarom zij daartoe niet in staat was; tegen die vaststellingen van de rechtbank is door Satudarah ook geen grief gericht (rov. 11.5 van het hof).178 Tegen die achtergrond heeft het hof art. 149 lid 1 Rv toegepast, door uit te gaan van de juistheid van hetgeen door de rechtbank is vastgesteld, en heeft het hof geen aanleiding gezien voor een verzwaring van de bewijslast van het OM.179 Bij gebreke van elke inhoudelijke betwisting van de feiten door Satudarah, en mede gelet op de hoge eisen die worden gesteld aan de motivering en onderbouwing van het verzoek door het OM, acht ik dat een terecht oordeel. Het hof heeft in rov. 11.4 en 11.5 de processuele rechten en belangen van Satudarah daarbij uitdrukkelijk meegewogen. Bovendien speelt, gelet op het grote aantal feiten, incidenten en meldingen dat wordt genoemd in het verzoekschrift (rov. 11.4 van het hof) en waarvan de rechtbank een groot aantal in haar beschikking heeft opgenomen en als onderbouwing van het verzoek heeft beschouwd, die zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet door Satudarah zijn betwist (rov. 11.5 van het hof), niet het ‘gevaar’ van toepassing van art. 149 Rv dat recht zou worden gesproken op basis van een feitensubstraat dat niet (helemaal) overeenstemt met de werkelijkheid.180 Tot een nadere motivering was het hof hier overigens niet gehouden.

Hierop stuit het onderdeel af.

2.30

Onderdeel C klaagt dat het hof in rov. 11.1 (en rov. 11.5 slot) eraan voorbij heeft gezien dat art. 149 lid 1, tweede volzin, Rv bepaalt dat feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, de rechter als vaststaand moet beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat, zodat geoordeeld moet worden dat de weergave door het hof van de kennelijk bedoelde rechtsregel niet volledig is. Volgens het onderdeel is onmiskenbaar sprake van stellingen die leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat, waarbij het, samengevat: erop wijst dat verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 BW “niet iets is waarover partijen contractuele afspraken kunnen maken, althans geen afspraken die tegen eenieder in te roepen zijn, zoals een rechterlijk oordeel in zaken als deze wel tegen eenieder werkt”; en herhaalt wat het hof overweegt in rov. 11.3, slotzin. Daarbij komt volgens het onderdeel dat het een Nederlandse burgerlijke rechter niet vrijstaat te concluderen dat (bij gebreke van voldoende tegenspraak) sprake is van een strafbaar feit, omdat dit, samengevat, is voorbehouden aan de strafrechter. Nu, kort gezegd, het ervoor moet worden gehouden dat het hof voorbij heeft gezien aan die bevoegdheid, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het gepresenteerde bewijs in samenhang met het verweer daarop. Indien het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, heeft het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke dan wel onvoldoende gemotiveerde wijze, geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid bewijs te verlangen van de door het OM gestelde, strafrechtelijke feiten althans strafrechtelijke veroordelingen. Dat het hof geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid bewijs te verlangen is rechtens onjuist, omdat het verboden verklaren en ontbinden van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 BW met terughoudendheid dient te geschieden, met welke te betrachten terughoudendheid niet te verenigen is dat een gesteld strafbaar feit dan wel strafrechtelijke veroordeling die aan de verzochte verbodenverklaring en ontbinding ten grondslag is gelegd, niet door overlegging van de desbetreffende strafrechtelijke veroordeling maar door een op de wet gebaseerd bewijsvermoeden bewezen wordt geacht. Dat het hof geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, is onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de argumenten die Satudarah en Yellow Snakes in de toelichting op hun grief 4 met name hebben aangevoerd181 en die het hof onvoldoende heeft besproken. Op grond van het voorgaande kunnen de in het onderdeel onder a t/m f weergeven oordelen van het hof in rov. 10.4, 11.2, 11.3, 11.4 en 11.5 en 13 niet in stand blijven. Immers, nu het burgerlijke open stelsel van bewijsmiddelen niet met zich brengt dat de burgerlijke rechter kan of mag vaststellen dat sprake is van strafbare feiten als de burgerlijke rechter daarvoor niet kan teruggrijpen op een beslissing daartoe van de strafrechter, heeft het hof niet kunnen vaststellen dat sprake is van de door de rechtbank vastgestelde strafbare feiten en strafrechtelijke veroordelingen. Daarop laat het onderdeel nog volgen dat de uit rov. 11.5 geciteerde overwegingen rechtens onjuist zijn, omdat zij berusten op de onjuiste rechtsopvatting dat (afdoende) betwisting door Satudarah en Yellow Snakes het hof tot de slotsom had kunnen brengen dat geen sprake is van de door de rechtbank vastgestelde strafbare feiten en strafrechtelijke veroordelingen (nu, samengevat, het voeren van een dergelijk verweer dus alleen zin heeft ten overstaan van de strafrechter, na het hebben kunnen kennisnemen van het integrale dossier), en dat die opgesomde overwegingen van het hof onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat het hof die opgesomde argumenten onvoldoende heeft besproken.

2.31

Ook onderdeel C faalt.
Dit onderdeel beroept zich op het slot van art. 149 lid 1 Rv, waaruit volgt dat de rechter bevoegd is van feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist niettemin bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Het is op zichzelf denkbaar dat verbodenverklaring en ontbinding van een rechtspersoon door de rechter op grond van art. 2:20 lid 1 BW een rechtsgevolg is dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.182 Ook als daarvan wordt uitgegaan, loopt het onderdeel vast.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag waar het klaagt dat het hof aan deze uitzondering in art. 149 lid 1, slot Rv voorbij heeft gezien. In de slotzin van rov. 11.1 verwijst het hof weliswaar niet met zoveel woorden naar deze uitzondering, al volgt uit het daaraan voorafgaande reeds dat het hof op grond van art. 284 Rv de negende afdeling van de tweede titel van Rv “en dus het bewijsrecht” hier van overeenkomstige toepassing is, met inbegrip van art. 149 lid 1 Rv als geheel. Mede uit de slotzin van rov. 11.5 blijkt echter dat het hof deze uitzondering wel onder ogen heeft gezien, waar het overweegt: “Voor een verzwaring van de bewijslast van het OM is bij gebreke van elke inhoudelijke betwisting van de feiten door Satudarah, geen reden.”

Verder wijs ik erop dat, waar behoudens de genoemde uitzondering in art. 149 lid 1, slot Rv sprake is van een verplichting van de rechter om niet of niet voldoende betwiste feiten als vaststaand te beschouwen, de bevoegdheid van de rechter op grond van die uitzondering om bewijs te verlangen van feiten die zouden leiden tot rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan, niet meebrengt dat hij daartoe ook verplicht is: het is, zoals art. 149 Rv ook duidelijk maakt, een bevoegdheid.183 De slotzin van rov. 11.5 begrijp ik aldus dat het hof in het onderhavige geval geen reden heeft gezien om gebruik te maken van deze, door het hof dus onderkende, bevoegdheid (door nader bewijs te vragen, in de vorm van overlegging van strafrechtelijke veroordelingen van het OM), hetgeen het hof vrij stond, anders dan het onderdeel wil.

Ik breng daarbij in herinnering dat in het kader van art. 2:20 lid 1 BW een dergelijke strafrechtelijke veroordeling niet noodzakelijk is en de civiele rechter een zelfstandige afweging dient te maken of voldoende bewijs is geleverd van de genoemde gedragingen, en dat de strafrechtelijke kwalificatie door een eventueel later volgende uitspraak van een strafrechter niet afdoet aan die beoordeling van de civiele rechter (zie onder 2.12). Ik breng daarbij ook in herinnering hetgeen het hof overigens overweegt in rov. 11.5, waarvan deel uitmaakt hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en door Satudarah niet is betwist, waaronder (de dwingende bewijskracht van) de door de rechtbank in rov. 2.16 genoemde onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen op tegenspraak door de Nederlandse strafrechter.184 Dat, kort gezegd, alleen de strafrechter naar Nederlands recht kan vaststellen of sprake is van een strafbaar feit en een daartoe strafbare persoon, is door het hof, mede gelet op rov. 11.3, 11.5 en 13, (dus) ook niet miskend, anders dan het onderdeel aanvoert.185 Voor zover het onderdeel daarbij uitgaat van een ander oordeel ter zake van het hof (zie p. 11 van het verzoekschrift tot cassatie), mist het ook feitelijke grondslag. De stelling dat, kort gezegd, met (de te betrachten terughoudendheid bij) het verboden verklaren en ontbinden van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW “niet te verenigen” is dat een gesteld strafbaar feit dat dan wel strafrechtelijke veroordeling die daaraan ten grondslag is gelegd “niet door overlegging van de desbetreffende strafrechtelijke veroordeling maar wel door een op de wet gebaseerd bewijsvermoeden bewezen wordt geacht”, berust op een onjuiste rechtsopvatting en leidt gelet op het voorgaande hoe dan ook in dit geval niet tot de slotsom dat het hof aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.186

Kort en goed: het oordeel van het hof in rov. 11.1 en 11.5, slotzin getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting als bedoeld in het onderdeel, en de bestrijding door het onderdeel (op p. 10-11 van het verzoekschrift tot cassatie) van de weergegeven overwegingen van het hof in rov. 10.4, 11.2, 11.3, 11.4, 11.5 en 13 mist daarmee eveneens doel.

Onbegrijpelijk is het bestreden oordeel van het hof overigens ook niet. Het onderdeel beroept zich daartoe op de volgende argumenten uit het beroepschrift van Satudarah,187 als weergegeven onder a t/m c, die het hof onvoldoende zou hebben besproken:

“De rechtbank is bedolven onder ordners met allerlei veronderstelde strafbare feiten die onderbouwd worden met fragmentarische bewijsmiddelen bestaande uit her en der een telefoontap, her en der een enkele verklaring en her en der anonieme (CIE-)informatie en slechts incidenteel met samenvattingen van strafrechtelijke uitspraken, waarvan de bronbestanden overigens telkens ontbreken” [p. 9 van het verzoekschrift tot cassatie onder a, A-G]

“Het is onbegrijpelijk dat de rechtbank op dit punt niet kritischer is geweest. De rechtbank heeft in de beschikking immers terecht overwogen dat het openbaar ministerie strafrechtelijk al voldoende heeft geprobeerd om de strafbare gedragingen te stoppen. Indien en voor zover dat daadwerkelijk het geval is, was het voor het openbaar ministerie een koud kunstje geweest vonnissen c.q. arresten te verstrekken van een aantal evident zwaarwegende strafbare feiten en had het openbaar ministerie zich niet hoeven verlaten op het presenteren van ordners vol met fragmentarische bewijsmiddelen.” [p. 9 van het verzoekschrift tot cassatie onder b, A-G]

“Voor het overige is de rechtbank in het geheel niet ingegaan op het verweer strekkende tot een ingreep in de bewijslastverdeling en het hanteren van een hoge bewijslat op de andere aangevoerde gronden dan de structurele onevenwichtigheid tussen het Openbaar Ministerie en verzoeksters. Verzoeksters hebben immers tevens betoogd dat een hoge bewijslat gehanteerd dient te worden vanwege het in het geding zijnde gewichtige recht van vrijheid tot vereniging (…).” [p. 9 van het verzoekschrift tot cassatie onder c, A-G]

Het onderdeel ziet eraan voorbij (ook op p. 11 van het verzoekschrift tot cassatie) dat het hof in rov. 11.1 t/m 11.5 afdoende op deze argumenten heeft gereageerd. Het argument onder a heeft het hof navolgbaar onderkend in rov. 11.4 en gepareerd in rov. 11.5, door vast te stellen dat de rechtbank in rov. 2.16 e.v. gecategoriseerd per onderwerp een groot aantal gebeurtenissen uit de bijlagen bij het verzoekschrift heeft gedestilleerd die zij als onderbouwing van het verzoek heeft beschouwd. Van fragmentarisch gepresenteerde bewijsmiddelen was aldus geen sprake. Het argument onder b wordt door het hof ook op begrijpelijke wijze in rov. 11.5 gepareerd. Nu elke inhoudelijke betwisting van de feiten door Satudarah ontbreekt, heeft het hof geen aanleiding gezien tot het (alsnog) verlangen van overlegging van de bedoelde “vonnissen c.q. arresten (…) van een aantal evident zwaarwegende strafbare feiten”. Op het argument onder c, met betrekking tot een ingreep in de bewijslastverdeling, is het hof afdoende ingegaan in rov. 11.2. Voor een verzwaring van de bewijslast heeft het hof blijkens rov. 11.5, slotzin, begrijpelijkerwijs, mede bij gebreke van elke inhoudende betwisting van de feiten door Satudarah, geen reden gezien. Dat Satudarah geen toegang had tot (de bronbestanden in) de justitiële documentatiesystemen doet er niet aan af dat zij op zijn minst zodanig verweer had kunnen voeren, wat zij heeft nagelaten, dat de stellingen van het OM in twijfel zouden moeten worden getrokken en het OM met nader bewijs zou dienen te worden belast.

Hierop stuit het onderdeel af.

Klacht 2: chapters

2.32

Met deze klacht komt het cassatiemiddel op tegen rov. 12.1 t/m 12.3 van de beschikking van het hof. Deze overwegingen zijn volgens de klacht onbegrijpelijk, omdat, zoals zijdens Satudarah is gesteld op p. 2 van de pleitnota in hoger beroep (zie onder 2.34 hierna), de afzonderlijke chapters buiten het bereik van deze verbodsprocedure vallen nu het OM in het verzoekschrift niet specifiek heeft gevraagd om verbodenverklaring en ontbinding van de afzonderlijke chapters, alsmede omdat, zoals zijdens Satudarah is aangevoerd op p. 4 van die pleitnota (zie ook onder 2.34 hierna), de afzonderlijke chapters geen onzelfstandig onderdeel van Satudarah zijn, maar in zichzelf een bestendige organisatie met leden vormen zodat de chapters moeten worden aangemerkt als zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid, terwijl het hof niet heeft vastgesteld dat het OM deze stellingen (afdoende) heeft weerlegd.

2.33

Bij de behandeling van deze klacht stel ik voorop dat deze klacht uitsluitend ziet op de chapters en niet tevens op de supportclubs. Met betrekking tot de supportclubs staat vast dat Saudarah en Supportcrew 999 wel onder de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah vallen, en Yellow Snakes niet. De rechtbank heeft in rov. 2.37-2.38 geoordeeld dat Saudarah en Supportcrew 999 “onzelfstandige onderdelen” zijn van de informele vereniging Satudarah en door de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah worden getroffen. Saudarah en Supportcrew 999 bezitten dus naar het oordeel van de rechtbank geen eigen rechtspersoonlijkheid. In hoger beroep overweegt het hof ten aanzien van Saudarah en Supportcrew 999:

“17.2 (…) [H]et gaat erom of de support clubs deel uitmaken van Satudarah en daarom ook door een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah worden getroffen. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat de ledenadministratie van Saudarah en Supportcrew 999 door Satudarah wordt bijgehouden. Het OM heeft in eerste aanleg aangevoerd dat Satudarah naar buiten toe kenbaar maakt dat deze supportclubs nauw verbonden zijn met Satudarah, dat zij worden opgezet en ontbonden vanuit (het bestuur van) Satudarah, dat nieuwe leden van de supportclubs zich bij Satudarah moeten aanmelden, dat de supportclubs de clubkleuren van de “Black and Yellow Nation” gebruiken, dat zij de faciliteiten van Satudarah gebruiken, dat de leden van de support clubs contributie aan Satudarah voldoen en dat zij kunnen doorstromen naar Satudarah. Noch in hoofdstuk 13 van het verweerschrift in eerste aanleg, noch in hoger beroep heeft Satudarah deze feitelijke omstandigheden gemotiveerd weersproken. Die feitelijke omstandigheden duiden er op dat de supportclubs Saudarah en Supportcrew 999 onderdeel uitmaken van Satudarah en geen zelfstandige positie innemen. Zij worden dus ook geraakt door een verbodenverklaring en een ontbinding van Satudarah. (…)”

Het cassatieberoep van Satudarah en Yellow Snakes is niet gericht tegen deze overweging van het hof. In cassatie staat dus vast dat Saudarah en Supportcrew 999 geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten en als onderdeel van Satudarah door de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah worden getroffen.
Yellow Snakes is naar het oordeel van de rechtbank een van Satudarah “losstaande entiteit” (met eigen rechtspersoonlijkheid) die niet wordt getroffen door verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah, waarop het verzoek van het OM zich uitsluitend richt (rov. 2.37). In hoger beroep overweegt het hof over de positie van Yellow Snakes:

“20.2 Zoals het OM in haar verzoekschrift in eerste aanleg ook heeft onderkend (achter 3.6) presenteert met name Yellow Snakes zich als een zelfstandige vereniging. Yellow Snakes heeft weersproken te zijn opgericht door Satudarah. Ook heeft zij aangevoerd dat haar leden, anders dan de leden van andere supportclubs, zelfstandig bepalen of zij al dan niet deelnemen aan “sociale activiteiten” die door Satudarah worden geregisseerd. Bovendien heeft zij weersproken dat contributie aan Satudarah wordt betaald en heeft zij aangegeven dat er nog meer zelfstandige clubs deel uitmaken van de “Black and Yellow Nation”.

20.3

Het OM heeft op deze betwistingen en de daaraan ten grondslag gelegde feiten tijdens het pleidooi niet gereageerd. Het hof heeft bij die stand van zaken onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat Yellow Snakes onderdeel uitmaakt van Satudarah. (…).”

Dit oordeel wordt in het incidentele cassatieberoep van het OM niet bestreden. Vanwege het feitelijke karakter van het oordeel dat Yellow Snakes niet onder de reikwijdte van de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah valt, heeft het OM op dit punt ook geen incidenteel cassatieberoep ingesteld.188

2.34

De klacht beroept zich op de volgende preliminaire opmerking189 uit de reactie zijdens Satudarah naar aanleiding van het verweerschrift van het OM in hoger beroep.190 Door het hof wordt dit stuk aangeduid als de “pleitnota” van Satudarah in hoger beroep (zie rov. 1 en onder 1.11).


“In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de rechtbank heeft vastgesteld dat:
[volgt weergave van rov. 2.4 van de beschikking van de rechtbank, A-G].
De rechtbank heeft weliswaar aangenomen dat de chapters onderdeel uitmaken van Satudarah, maar heeft, in tegenstelling tot hetgeen het openbaar ministerie in het verzoekschrift heeft gesteld, namelijk dat de afzonderlijke chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn, nadrukkelijk niet vastgesteld dat de afzonderlijke chapters onzelfstandig onderdeel uitmaken van Satudarah. De vraag of daarvan sprake is, zal dan ook zelfstandig door uw hof moeten worden beantwoord, ongeacht of dienaangaande door verzoeksters een of meerdere grieven zijn aangevoerd.
Voor verzoeksters bestond er geen enkele noodzaak te grieven tegen de voorgeciteerde overweging van de rechtbank, omdat de afzonderlijke chapters buiten het bereik van deze verbodsprocedure vallen. Het openbaar ministerie heeft namelijk in het verzoekschrift niet specifiek gevraagd om een verbodenverklaring en ontbinding van de afzonderlijke chapters. Het openbaar ministerie heeft slechts gevraagd om een verbodenverklaring van ‘Satudarah Motorcycleclub’, de informele vereniging die zich onder die naam naar buiten toe heeft gepresenteerd als landelijke vereniging. Datzelfde heeft het openbaar ministerie gedaan in de procedure waarin zij hebben verzocht om verbodenverklaring en ontbinding van ‘Bandidos Motorcycleclub Holland’, eveneens de informele vereniging die zich onder die naar buiten heeft gepresenteerd als landelijke vereniging. In de Bandidos-zaak oordeelde het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vervolgens omtrent de vraag hoe ver het door het openbaar ministerie gevraagde en door het hof toegewezen verbod nu reikt het navolgende:
[volgt weergave van rov. 4.31-4.34 uit de Bandidos-beschikking van het hof191, A-G]
Het voorgeciteerde is in de onderhavige zaak een-op-een van toepassing. De afzonderlijke chapters zijn immers geen onzelfstandig onderdeel van Satudarah MC, maar vormen eveneens in zichzelf een bestendige organisatie met leden, reden waarom de chapters moeten worden aangemerkt als zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid. De afzonderlijke chapters van Satudarah MC hebben immers - evenals de chapters van Bandidos MC - een eigen bestuur (president, vice-president, secretary, treasurer, sergeant at arms, roadcaptain, etc.), een eigen naam, eigen leden, eigen vergaderingen, een eigen contributieverplichting en eigen onderscheidingstekens op de kleding en presenteren zich eveneens naar buiten toe als zelfstandige eenheid.” [voetnootverwijzingen naar het verzoekschrift ex art. 2:20 BW niet overgenomen, A-G]

2.35

Met deze preliminaire opmerking reageert Satudarah op het verweerschrift zijdens het OM, waarin wordt vooropgesteld:192

“dat Satudarah tegen een groot aantal vaststellingen en overwegingen van de rechtbank geen grieven heeft ingediend. Zo grieft Satudarah niet tegen de overweging van de rechtbank dat Satudarah als een informele vereniging kan worden aangemerkt en dat de chapters daar onderdeel van uitmaken. Ook bij de rechtbank heeft Satudarah zich overigens niet verweerd tegen de stelling dat zij een informele vereniging is en dat de chapters daar onderdeel van zijn. Het Openbaar Ministerie gaat er dan ook vanuit dat Satudarah zich in de betreffende vaststellingen en overwegingen kan vinden en dat uw Hof deze als vaststaand aanneemt.”

2.36

Aan de motivering en onderbouwing van een verzoek ex art. 2:20 BW moeten, in het licht van de verenigingsvrijheid, als gezegd hoge eisen worden gesteld (zie onder 2.20). Uit de aanhef en het petitum van het verzoekschrift blijkt dat het verzoek van het OM is gericht tegen de “informele vereniging zijnde de Satudarah Motorcycleclub (ook wel naar buiten tredend als ‘Black and Yellow Nation’)”, van welke rechtspersoon de supportclubs onderdeel uitmaken (vgl. het hof in rov. 12.1). In met name hoofdstuk 3 van dit verzoekschrift ex art. 2:20 BW wordt door het OM onderbouwd dat Satudarah met alle eronder vallende chapters en supportclubs dient te worden aangemerkt als een informele vereniging.193 Over de chapters als onderdeel van Satudarah stelt het OM in het verzoekschrift onder meer:194

“De chapters zijn onlosmakelijk onderdeel van het overkoepelende Satudarah MC. De chapters kunnen alleen worden opgezet met toestemming van het centrale bestuur van Satudarah en worden (o.a. voor wat betreft beleid en regelgeving) vanuit dit bestuur aangestuurd (zie § 3.10 van dit verzoekschrift). Elk chapter draagt de naam ‘Satudarah MC’ gevolgd door de naam van het chapter, waarbij vaak wordt gerefereerd aan de vestigingsplaats. Alle leden van de chapters worden intern gezien en naar buiten gepresenteerd als leden van Satudarah. In § 4.101 van dit verzoekschrift wordt de gerechtelijke uitspraak van 4 november 2016 toegelicht, waarin de hoogste Duitse bestuursrechter bevestigde dat het Duitse chapter ‘Satudarah MC Tigatanah’ niet onafhankelijk was maar viel onder het overkoepelende Satudarah MC en - net als de overige zes in Duitsland actieve chapters - terecht werd geschaard onder de werkingssfeer van het nationale verbod op Satudarah MC.” [voetnootverwijzingen niet overgenomen, A-G]

2.37

Uit rov. 2.3 van de beschikking van de rechtbank blijkt dat de rechtbank het verzoekschrift van het OM aldus heeft opgevat dat het OM heeft aangevoerd dat sprake is “van één rechtspersoon”, de informele vereniging Satudarah, waarvan de chapters en de supportclubs “onzelfstandige, dat wil zeggen van de informele vereniging Satudarah deel uitmakende, onderdelen zijn”. Uit de reactie van Satudarah onder 2.34 maak ik op dat Satudarah ook heeft begrepen dat “het openbaar ministerie in het verzoekschrift heeft gesteld, (…) dat de afzonderlijke chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn.” In rov. 2.3 somt de rechtbank verder op wat het OM, ter onderbouwing van het standpunt dat sprake is van één rechtspersoon, in het bijzonder naar voren heeft gebracht: het gebruik van uniforme clubkleding;195 de presentatie op door Satudarah onderhouden websites;196 gezamenlijk uitgevoerde activiteiten;197 de hiërarchische structuur (waarbij bestuursleden op nationaal niveau een bepalende invloed hebben op het beleid van de verschillende chapters);198 en de interne regels en de verplichting tot afdracht van contributie door chapters aan de landelijke vereniging.199 In rov. 2.4 van de beschikking in eerste aanleg overweegt de rechtbank vervolgens dat, anders dan met betrekking tot de positie van de supportclubs (zie rov. 2.36-2.38), “Satudarah [niet] betwist dat zij een informele vereniging is en evenmin dat de chapters onderdeel vormen van de vereniging”. De rechtbank is er dan ook van uitgegaan dat de chapters onder de reikwijdte van de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah vallen. Dat is een feitelijk, en gelet op hetgeen het OM daartoe in het verzoekschrift heeft aangevoerd, voldoende begrijpelijk gemotiveerd oordeel van de rechtbank. Hierbij acht ik ook van belang dat de rechtbank de chapters heeft aangemerkt als “lokale afdelingen” van Satudarah (rov. 2.2). De afdelingsverhouding brengt m.i. aanvullende vereisten met zich voor het kunnen aannemen van rechtspersoonlijkheid van de afdelingen (zie onder 2.21).

2.38

In hoger beroep staat vast dat Satudarah geen grief heeft gericht tegen rov. 2.2-2.4 van de beschikking in eerste aanleg (zie ook de weergave door het hof van de grieven in rov. 4). Voor de opvatting daaromtrent van Satudarah, als vervat in haar pleitnota in hoger beroep, verwijs ik naar het - voor zich sprekende - citaat onder 2.34. Het hof overweegt dat, mede gelet op het verzoekschrift in randnummers 3.1 en 3.4, het verzoek van het OM onmiskenbaar ook betrekking had op de verschillende chapters. Zie rov. 12.1, waarin het hof tevens wijst op randnummers 8 en 9 van de pleitnota van het OM in eerste aanleg. Volgens het hof kan de door de rechtbank uitgesproken verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah, in het licht van de overweging van de rechtbank in rov. 2.4 dat Satudarah niet betwist dat zij een informele vereniging is “en evenmin dat de chapters onderdeel vormen van de vereniging”, niet anders worden begrepen dan dat zij ook betrekking had op de individuele chapters als onderdeel van één en dezelfde informele vereniging. Dat de rechtbank “niet heeft overwogen dat de chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn” [curs. in het origineel, A-G], doet daaraan volgens het hof niet af. Een discussie daarover is in eerste aanleg - anders kennelijk dan in de Bandidos-zaak - niet gevoerd, en voor de rechtbank was er dus geen aanleiding het woord “onzelfstandig” aan haar beoordeling toe te voegen. Zie rov. 12.2. Anders dan Satudarah in haar pleitnota in hoger beroep betoogt, had zij, indien zij het met dit oordeel van de rechtbank niet een was, daartegen uiterlijk in haar beroepschrift een grief moeten richten. Nu zij dit niet heeft gedaan, en zich geen van de uitzonderingen op deze regel (de twee-conclusie-regel) voordoen, heeft voor het hof als uitgangspunt te gelden dat de chapters onderdeel uitmaken van Satudarah en dat verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah dus ook de chapters treft. Zie rov. 12.3. Het hof gaat daarmee ervan uit, in navolging van de rechtbank, dat de chapters geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten (zie ook onder 2.21).

2.39

Tegen deze achtergrond bezie ik de klacht, die faalt.

In rov. 12.1 heeft het hof, onder verwijzing naar het verzoekschrift en de pleitnota van het OM in eerste aanleg, overwogen dat het verzoek van het OM onmiskenbaar dus ook betrekking had op de verschillende chapters, wat tevens laat zien dat het hof dus heeft onderzocht of dat verzoek ook daarop betrekking had. Die aan het hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken is feitelijk en niet onbegrijpelijk in het licht van de door het hof gegeven motivering (als weergegeven onder 2.38), waaruit onder meer blijkt dat het verzoek van het OM ziet op Satudarah als informele vereniging “met alle eronder vallende chapters en de supportclubs” (de chapters zijn “onlosmakelijk onderdeel van het overkoepelende Satudarah MC”), strokend met de erkenning door Satudarah in de pleitnota in hoger beroep (als geciteerd onder 2.34) dat “het openbaar ministerie in het verzoekschrift heeft gesteld (…) dat de afzonderlijke chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn”. Dit wordt niet anders door hetgeen de klacht aanvoert onder verwijzing naar de stelling op p. 2 van die pleitnota van Satudarah in hoger beroep als weergegeven onder 2.32, waarop het hof ook respondeert met rov. 12.1. Het daar aangevoerde ziet eraan voorbij dat er geen gehoudenheid was voor het hof tot een nadere motivering dan reeds gegeven in rov. 12.1 ter beantwoording van de daar voorliggende kernvraag (dus of het verzoek van het OM ook betrekking had op de verschillende chapters), omdat door het OM niet nog specifieker dan gedaan is verzocht om verbodenverklaring en ontbinding ook van die chapters (zoals in wezen door Satudarah met die stelling op p. 2 van die pleitnota ten grondslag gelegd aan haar ontkennende beantwoording van die vraag). Dit wordt evenmin anders door hetgeen de klacht aanvoert onder verwijzing naar de stelling op p. 4 van die pleitnota van Satudarah in hoger beroep als weergegeven onder 2.32, wat kennelijk betrekking heeft op hetgeen het hof overweegt in rov. 12.2-12.3 (niet op rov. 12.1),200 waarmee het hof, indirect, ook respondeert op die stelling. Daartoe wend ik mij nu.

De rechtbank heeft het standpunt van het OM in rov. 2.3 aldus opgevat “dat van één rechtspersoon sprake is” (de informele vereniging Satudarah), waarvan onder meer de chapters “onzelfstandige, dat wil zeggen van de informele vereniging Satudarah deel uitmakende, onderdelen zijn.” Rov. 2.4 van de rechtbank kan m.i. niet anders worden begrepen dan dat Satudarah dit standpunt van het OM niet heeft betwist. “[D]at de chapters onderdeel vormen van de vereniging”, hetgeen volgens de rechtbank in rov. 2.4 door Satudarah niet is betwist, en waarvan de rechtbank blijkens die rov. 2.4 dan ook zal uitgaan, is niets anders dan het standpunt van het OM, door de rechtbank weergegeven in rov. 2.3, “dat van één rechtspersoon sprake is” waarvan onder meer de chapters “onzelfstandige, dat wil zeggen van de informele vereniging Satudarah deel uit makende, onderdelen zijn” (zie ook onder 2.37). Dat brengt het hof m.i. op begrijpelijke wijze tot uitdrukking in rov. 12.2, waar het overweegt dat de door de rechtbank uitgesproken verbodenverklaring en ontbinding in het licht van rov. 2.4 van haar beschikking niet anders kan worden begrepen dan dat zij ook betrekking had “op de individuele chapters als onderdeel van één en dezelfde informele vereniging”, en dat daaraan niet afdoet dat de rechtbank “niet heeft overwogen dat de chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn” [curs. in het origineel, A-G] nu een discussie daarover in eerste aanleg - anders kennelijk dan in de Bandidos-zaak - niet is gevoerd en er voor de rechtbank dus geen aanleiding was het woord “onzelfstandig” aan haar beoordeling toe te voegen.201 Dit wordt niet anders door hetgeen de klacht aanvoert onder verwijzing naar de stelling op p. 4 van die pleitnota van Satudarah in hoger beroep als weergegeven onder 2.32, erop neerkomend dat de afzonderlijke chapters geen onzelfstandig onderdeel van Satudarah zijn, maar in zichzelf een bestendige organisatie met leden vormen zodat de chapters moeten worden aangemerkt als zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid. Niet alleen laat die stelling de door het hof in rov. 12.2 aan de beschikking in eerste aanleg gegeven uitleg onverlet. Het in de klacht aangevoerde ziet ook eraan voorbij dat er geen gehoudenheid was voor het hof tot een nadere motivering vanwege die stelling, nu blijkens rov. 12.2 de premisse van die stelling (dat de rechtbank “nadrukkelijk niet [heeft] vastgesteld dat de afzonderlijke chapters onzelfstandig onderdeel uitmaken van Satudarah” en dat de vraag of daarvan sprake is “dan ook zelfstandig door uw hof [zal] moeten worden beantwoord, ongeacht of dienaangaande door verzoeksters een of meerdere grieven zijn aangevoerd”) niet opgaat, en blijkens rov. 12.3 voor het hof als uitgangspunt te gelden heeft dat de chapters aldus onderdeel uitmaken van Satudarah (wat insluit dat zij geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten) en een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah dus ook de chapters treft, nu Satudarah niet conform de twee-conclusie-regel in haar beroepschrift een grief heeft gericht tegen voornoemd oordeel van de rechtbank en geen van de uitzonderingen op deze regel zich voordoet. Daarbij wijs ik volledigheidshalve erop dat door Satudarah en Yellow Snakes niet (ook) wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat zij in haar beroepschrift geen grief heeft gericht tegen voornoemd oordeel van de rechtbank, dat de twee-conclusie-regel hier toepassing vindt en/of dat zich in dit geval geen van de uitzonderingen op deze regel voordoet,202 zodat in cassatie van die oordelen kan worden uitgegaan.203

Hierop stuit de klacht af.

Klacht 3: voortbouwklacht

2.40

Deze klacht bouwt voort op klacht 1. Op grond van wat in klacht 1 is aangevoerd, kunnen rov. 15.2 t/m 15.4 van de beschikking van het hof niet, althans deels, geen stand houden omdat zij rechtens onjuist althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn.

2.41

Deze voortbouwklacht faalt. De klacht deelt in het lot van klacht 1. Zie onder 2.24-2.31.

Klacht 4: proportionaliteit en noodzakelijkheid

2.42

Onderdeel A klaagt dat het hof zijn oordeel in rov. 16.3, dat het de conclusie van het OM onderschrijft dat het strafrechtelijke optreden alleen niet voldoende is om de door het hof in rov. 16.2 beschreven werkzaamheid van Satudarah in strijd met de openbare orde te beëindigen en dat een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah daarom proportioneel en noodzakelijk is om die werkzaamheid te beëindigen, onvoldoende is gemotiveerd. Volgens het onderdeel blijkt uit niets van wat het hof heeft overwogen dat als gevolg van de verbodenverklaring en ontbinding de door het hof in rov. 16.2 aangehaalde feiten uit de beschikking van de rechtbank met betrekking tot de werkzaamheid van Satudarah niet meer zullen plaatsvinden. Het hof kon zich hierom volgens het onderdeel niet zonder nadere toelichting, zoals het heeft gedaan in rov. 16.5, onttrekken aan beantwoording van de vraag of verbodenverklaring van Satudarah vanwege de “handhavingsproblematiek” niet aan het noodzakelijkheidscriterium voldoet, met als argument dat de vraag of een verbodenverklaring strafrechtelijk zal worden gehandhaafd in dit geding niet voorligt. Dat dit oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is, is volgens het onderdeel eens te meer zo doordat het hof onvoldoende is ingegaan op de argumenten die Satudarah in de toelichting op haar grief 6 heeft bijgebracht. Volgens het onderdeel heeft het hof in rov. 16.4 niet op voldoende gemotiveerde wijze besproken dat het volgens de wetsgeschiedenis mogelijk is onder de naam Satudarah samen te komen, colours te dragen, in colonne in het verkeer te rijden en vergaderingen te houden, mits dat maar niet gepaard gaat met enige verstoring van de openbare orde.

2.43

Onderdeel B klaagt dat het hof, door in rov. 16.4 te overwegen dat het OM onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen na de beschikking van de rechtbank, zodat ook in zoverre niet kan worden gezegd dat een verbodenverklaring en ontbinding geen effect hebben, een onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven. Het onderdeel is onderbouwd met elf verweren (geletterd a t/m k) die zijn ontleend aan hetgeen Satudarah in haar pleitnota in hoger beroep in reactie op het verweer in het hoger beroep van het OM op grief 6 heeft aangevoerd.204 Deze verweren zijn volgens het onderdeel relevant, omdat zij elk voor zich en zeker in hun onderlinge samenhang gezien de door het hof aangehaalde stellingen van het OM weerleggen, althans belangrijk nuanceren. Het hof was daarom tot het bespreken van elk van deze verweren gehouden, wat het hof heeft nagelaten, aldus het onderdeel.

2.44

Bij de behandeling van deze twee onderdelen stel ik voorop dat het hof in rov. 16.1 t/m 16.5 mede is ingegaan op de vraag of verbodenverklaring en ontbinding kan worden gezien als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die de samenleving ontwrichten en kunnen ontwrichten, in welke toets de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit besloten liggen (rov. 16.1). Deze toets, die mede voortvloeit uit art. 11 lid 2 EVRM (zie ook rov. 7.4 van het hof), lijkt te zijn ontleend aan de Martijn-beschikking van de Hoge Raad (zie ook rov. 7.6 van het hof).205 In eerste aanleg heeft de rechtbank eveneens getoetst of de verbodenverklaring en ontbinding voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit (rov. 2.34-2.35). De rechtbank respondeerde hiermee kennelijk op hoofdstuk 12 (p. 80-94) van het verweerschrift zijdens Satudarah. Met grief 6 van haar beroepschrift komt Satudarah op tegen rov. 2.35 van de rechtbank. Deze grief wordt onder meer als volgt toegelicht:206

“Met een aantal volzinnen gespeend van iedere onderbouwing met verwijzing naar wetgeving, wetsgeschiedenis, literatuur en jurisprudentie en wetenschappelijke publicaties gaat de rechtbank hier lijnrecht in tegen het uitvoerig onderbouwde verweer van verzoeksters boordevol verwijzingen naar voetnoten, waaruit klip en klaar en onmiskenbaar blijkt dat een verbodenverklaring geen enkel effect, althans niet het beoogde, effect heeft. Na een verbodenverklaring is het volgens de wetsgeschiedenis immers nog gewoon mogelijk onder de naam Satudarah samen te komen, colours te dragen, in colonne in het verkeer te rijden, vergaderingen te houden, mits dat maar niet gepaard gaat met enige verstoring van de openbare orde. Dit betekent dat voor strafrechtelijk optreden op grond van art. 140 lid 2 Sr altijd een bijkomstige ordeverstorende handeling nodig zal zijn. Tegen dergelijke ordeverstorende handelingen kunnen de autoriteiten ook zonder verbodenverklaring conform art. 2:20 BW ingrijpen. Het bestaande strafrecht, bestuursrecht en eventuele APV-bepalingen bieden daartoe voldoende munitie. Daarmee heeft een verbodenverklaring geen enkele meerwaarde.”

Het OM heeft deze grief in zijn verweerschrift gemotiveerd bestreden.207 Vervolgens heeft Satudarah nog gereageerd in haar pleitnota (p. 25-33) en het OM in zijn pleitnota (p. 15-18).

2.45

Onderdeel A faalt.

In rov. 16.1 t/m 16.5 komt het hof, in navolging van de rechtbank, tot de conclusie dat verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah proportioneel en noodzakelijk is om de werkzaamheid van Satudarah in strijd met de openbare orde (waarover rov. 16.2) te beëindigen. Het hof neemt hier m.i. terecht het civielrechtelijke karakter van een verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW tot uitgangspunt.

In rov. 16.3 komt dat civielrechtelijke karakter tot uiting in, kort gezegd, het oordeel dat het hof de conclusie van het OM onderschrijft dat strafrechtelijk optreden alleen niet voldoende is om die werkzaamheid van Satudarah in strijd met de openbare orde te beëindigen. Dit oordeel sluit overigens aan bij de geïntegreerde aanpak van OMG’s (zie onder 2.17-2.18). Volgens het hof is onvoldoende weersproken dat het OM tegen individuele leden van Satudarah optreedt. Nu dat strafrechtelijke optreden er evenwel niet toe heeft geleid dat de binnen Satudarah bestaande cultuur (waarin criminele activiteiten worden aangemoedigd) is veranderd, en er evenmin aan in de weg heeft gestaan dat Satudarah de door de rechtbank vastgestelde werkzaamheid in strijd met de openbare orde heeft ontwikkeld en heeft laten voortbestaan, is een civielrechtelijke procedure tot verbodenverklaring en ontbinding gestart om dit te redresseren (vgl. ook de escalatieladder onder 2.17). In rov. 16.4 komt dat civielrechtelijke karakter tot uiting in het oordeel dat het hof niet de visie van Satudarah deelt dat een verbod in het geheel geen gevolgen heeft, nu, zoals de rechtbank volgens het hof terecht heeft overwogen, toewijzing van het verzoek ertoe leidt dat Satudarah ophoudt te bestaan, zodat aan haar naam, logo’s en spreuken een einde komt, dat het vermogen wordt geliquideerd, en dat werving van nieuwe leden en de dreiging van geweld tussen Satudarah en andere motorclubs ten einde komt. “Satudarah zal dus uit het straatbeeld verdwijnen”, aldus het hof. Daaraan voegt het hof nog toe dat het OM daarbij onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen na de beschikking van de rechtbank, en dat ook in zoverre dus niet kan worden gezegd dat een verbodenverklaring en ontbinding geen effect heeft. In het oordeel van het hof ligt dus onder meer besloten dat toewijzing van het verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah in ieder geval leidt tot het civielrechtelijke effect van ontbinding van de rechtspersoon (de informele vereniging Satudarah) met de in rov. 16.4 uiteengezette gevolgen, welk effect niet langs strafrechtelijke of bestuursrechtelijke weg kan worden bereikt. In rov. 16.5 komt dat civielrechtelijke karakter tot uiting in het oordeel van het hof dat de vraag of een verbodenverklaring strafrechtelijk gehandhaafd zal worden in dit geding niet voorligt en het aan de strafrechter is in de toekomst te beoordelen of sprake is van voortzetting van de werkzaamheid van een verboden vereniging als bedoeld in art. 140 lid 2 Sr. Ik wijs in dat verband ook op hetgeen het hof in rov. 9.1 t/m 9.6 heeft overwogen over de relatie tussen art. 2:20 BW en art. 140 Sr. Deze overwegingen worden in cassatie niet bestreden. Zo overweegt het hof in rov. 9.2 onder meer dat art. 140 lid 2 Sr geen invloed heeft op de vraag wanneer een rechtspersoon verboden verklaard en ontbonden moet worden, en dat art. 140 lid 2 Sr immers betrekking heeft op de periode na een verbodenverklaring en ontbinding (zie ook onder 2.27).

Bezien tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof in rov. 16.3, mede gelet op de daarmee in samenhang te lezen rov. 16.4, waarin besloten ligt dat met dat door de verbodenverklaring en ontbinding ophouden te bestaan van de informele vereniging Satudarah logischerwijs evenmin nog langer sprake kan zijn van “de binnen Satudarah bestaande cultuur” en de daarmee gepaard gaande uitingen (waarover rov. 16.3 verwijzend naar de uiteenzetting in rov. 16.2 over haar werkzaamheid in strijd met de openbare orde, waaraan de opsomming onder a t/m e in het onderdeel weer is ontleend), niet ontoereikend gemotiveerd. Voor zover de tegen rov. 16.3 gerichte klacht al feitelijke grondslag heeft (het onderdeel gaat op p. 14 van het verzoekschrift tot cassatie, met “Immers”, etc, gevolgd door de opsomming onder a t/m e, voorbij aan het voorgaande), loopt deze op het voorgaande stuk.208 Voor zover het onderdeel in het vervolg voortbouwt op deze klacht tegen rov. 16.3 (zie de tweede alinea op p. 14 van het verzoekschrift tot cassatie, beginnend met “Het gerechtshof kon zich hierom niet of niet zonder nadere toelichting”, etc.), deelt deze in het lot daarvan. Met betrekking tot rov. 16.5 wijs ik volledigheidshalve erop dat het hof daarin, gelet ook op hetgeen het daaraan voorafgaand al heeft overwogen in rov. 16.1-16.4 (waarover hiervoor), niet nader dan het deed hoefde in te gaan op de strafrechtelijke handhavingsproblematiek van een civielrechtelijke verbodenverklaring. Het hof heeft daar m.i. zo kunnen oordelen dat het niet meegaat in de stelling van Satudarah dat zo’n verbodenverklaring vanwege die handhavingsproblematiek niet voldoet aan het bij art. 2:20 lid 1 BW toe te passen noodzakelijkheidscriterium (vgl. rov. 16.1), nu de vraag of zo’n verbodenverklaring in de toekomst strafrechtelijk gehandhaafd zal worden dus onderscheiden moet worden van de hier voorliggende (voor)vraag of thans aanleiding bestaat tot zo’n civielrechtelijke verbodenverklaring (die eerste vraag “ligt in dit geding niet voor”) en bezien moet worden in het kader van art. 140 lid 2 Sr, waarbij geldt dat de strafrechter daarover gaat (het is aan die rechter “om in de toekomst te beoordelen of een bepaalde handeling heeft te gelden als een voortzetting van een verboden verklaarde vereniging”) en dat die bepaling daarvoor grondslag kan bieden in aangewezen gevallen (op voorhand “kan niet worden gezegd” dat die bepaling “daarvoor geen grondslag kan bieden”).209 Tot een nadere motivering was het hof ook hier niet gehouden.210 Voor zover het onderdeel nog klaagt over de behandeling door het hof van “de argumenten die Satudarah in de toelichting [op] haar grief 6 heeft bijgebracht”, in welk verband het onderdeel wijst op rov. 16.4 van het hof, merk ik het volgende op.

Het onderdeel wijst hier, in de twee laatste alinea’s op p. 14 van het verzoekschrift tot cassatie, alleen op het argument van Satudarah dat “na een verbodenverklaring het volgens de wetsgeschiedenis mogelijk is onder de naam Satudarah samen te komen, colours te dragen, in colonne in het verkeer te rijden en vergaderingen te houden, mits dat maar niet gepaard gaat met enige verstoring van de openbare orde”. Daarmee wordt kennelijk - het onderdeel verwijst niet naar een specifieke vindplaats in de gedingstukken - gedoeld op de volgende opmerking van de minister van Justitie Korthals Altes in 1988:211

“Wel voorziet de wet op grond van artikel 140, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht in vervolging, wanneer na een definitieve verbodenverklaring, de werkzaamheid wordt voortgezet. Dat leek mij een goed sluitstuk. Wanneer een verboden groepering voortgaat op een wijze die niet strijdig is met de openbare orde, zie ik geen reden om artikel 140, tweede lid toe te passen. Als alleen de politieke werkzaamheid wordt voortgezet en niet bij voorbeeld de discriminatie, dan wordt daarmee de werkzaamheid geoorloofd, want er is dan geen voortzetting meer van de ongeoorloofde werkzaamheid.”

Het hof heeft afdoende gereageerd op dit argument in rov. 16.4 (met de uiteenzetting over hetgeen waartoe een verbod en ontbinding van Satudarah allemaal zal leiden, in het licht ook van “de binnen Satudarah bestaande cultuur” waarover rov. 16.2-16.3) in verbinding met rov. 16.5 (met de uiteenzetting over de strafrechter aan wie het is om in de toekomst te beoordelen of een bepaalde handeling heeft te gelden als een voortzetting van een verboden verklaarde vereniging, waarbij art. 140 lid 2 Sr grondslag kan bieden voor strafrechtelijke handhaving ter zake). Tot een nadere motivering was het hof ook hier niet gehouden. In de pleitnota van Satudarah in hoger beroep wordt voorts nog verwezen naar het volgende citaat van de minister bij de behandeling van het wetsvoorstel 17476 in de Tweede Kamer:212

“Wat wordt nu bereikt met het verbieden van dergelijke groeperingen? Eigenlijk, lijkt mij, niets of zeer weinig. De losse samenhang zal na het verbod verhinderen dat het bewijs wordt geleverd dat de leden de werkzaamheid van de ontbonden groepering voortzetten. Dat bewijs is niet te leveren. Om artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht in stelling te kunnen brengen zou dit middel dus ondeugdelijk zijn. Als het een langlopende organisatie is, zoals Onkruit zo langzamerhand wel is, zouden de leden, nadat een verbod na lang procederen in kracht van gewijsde is gegaan, alleen maar de naam behoeven te veranderen - bij voorbeeld de 't' in een 'd' - om te laten zien dat zij toch niet vergaan. Voor dat geringe resultaat is een geding tot aan de Hoge Raad niet alleen een te zwaar middel, maar ook - nu moet ik voorzichtig worden - boter aan de galg.
Effectiever is in dergelijke gevallen vervolging van de leden die betrapt worden op het begaan van een misdrijf, vanwege het begaan van dat misdrijf. Als de groep stelselmatig misdrijven pleegt, is ook vervolging uit hoofde van het eerste lid van het desbetreffende artikel van het Wetboek van Strafrecht mogelijk. Deze aanpak lijkt mij doeltreffender en daarom ook aantrekkelijker dan het bewerkstelligen van een verboden-verklaring, wat waarschijnlijk jaren zal slepen en tot weinig of niets leidt. Daarom heb ik daaraan eigenlijk geen behoefte.”

Aan dit citaat van de minister gaat vooraf de volgende, niet door Satudarah geciteerde passage:

“Is er nu een leemte in de wet in die zin dat niets wordt geregeld met betrekking tot het verbieden van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid? Mijns inziens niet. Daarbij speelt een rol dat de rechter deze categorie beperkt houdt. Waaruit bestaat die categorie en wat zou het betekenen als zo'n groepering werd ontbonden? De categorie bestaat vooral uit kortstondige organisaties, eendagsvliegen, die niet nauwer samenhangen dan een gelegenheidscombinatie ook al treedt die onverplicht jegens de deelnemers gedurende langere tijd als zodanig op. Er zijn ook groepen die op de rand van de wet voortleven, zoals bij voorbeeld de in de literatuur vermelde groep Onkruit en wellicht ook het Dierenbevrijdingsfront, die hun kracht zoeken in losse samenhang om aan de verboden-verklaring te ontkomen en waarschijnlijk ook - zo voeg ik eraan toe - om opsporing niet te eenvoudig te maken. Of ze daarin slagen is de vraag, want er is wel degelijk sprake van organisatie, althans van organisatietalent, terwijl er ook sprake lijkt te zijn van interne discipline. Een zekere bestendigheid is zo langzamerhand ook wel buiten kijf.”

De minister heeft hier dus het oog op de beperkte effectiviteit van het verboden verklaren en ontbinden van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid.213 In de onderhavige zaak is sprake van een rechtspersoon (Satudarah), in de vorm van een informele vereniging (zie ook onder 1.1). Hierop hoefde het hof dan ook niet nader in te gaan. Overigens staat het een andere rechtspersoon, met bijvoorbeeld een andere naam, niet vrij om de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon voort te zetten.214

Hierop stuit het onderdeel af.

2.46

Onderdeel B faalt ook.

Het onderdeel komt slechts op tegen het laatste gedeelte van rov. 16.4, vijfde en zesde zin, waarin het hof overweegt dat het OM onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen na de beschikking van de rechtbank en ook in zoverre dus niet kan worden gezegd dat een verbodenverklaring en een ontbinding geen effect hebben. Het hof heeft daarvoor reeds overwogen dat niet gezegd kan worden dat verbodenverklaring en ontbinding in het geheel geen gevolgen heeft, omdat die ertoe leiden dat Satudarah ophoudt te bestaan, met alle gevolgen van dien (zie rov. 16.4, tweede t/m vierde zin). Dat oordeel is zelfstandig dragend en wordt in cassatie niet met succes bestreden.

Hierop stuit het onderdeel reeds af.

2.47

Ten overvloede wijs ik op het volgende. Het OM heeft in zijn verweerschrift het volgende aangevoerd:215

“Daargelaten de vraag of een civiel verbod pas kan worden toegewezen als duidelijke effecten worden voorspeld - het Openbaar Ministerie meent dat Satudarah hier een onterechte eis stelt -, is van belang om op te merken dat de stelling van Satudarah kan worden weerlegd aan de hand van feiten die de afgelopen maanden door opsporingsdiensten zijn verzameld en geregistreerd. Dat het civiele verbod geen effect kan worden ontzegd blijkt uit de aanvulling bestuurlijke maatregelen die aan dit verweer is gehecht. Ook is geconstateerd dat sinds het civiele verbod van Satudarah beduidend minder incidenten zijn geregistreerd.”216 [voetnoten niet overgenomen in citaat, A-G]

Voor de stelling dat sinds de verbodenverklaring van Satudarah beduidend minder incidenten zijn geregistreerd, verwijst het OM naar de 2e aanvulling bij het verzoekschrift, die bij het verweerschrift is gevoegd. In deze aanvulling bij het verzoekschrift stelt het OM onder meer:217

“Sinds de uitspraak in eerste aanleg inzake het verzoekschrift voor een civiel verbod van Satudarah (…) lijkt er in ieder geval in de politieadministratie sprake van een terugloop in het aantal incidenten waarbij Satudarah leden zijn betrokken. (…) De incidentcodes zijn op twee manieren bevraagd, namelijk aan de hand van een ledenlijst en aan de hand van trefwoorden (zoekvraag of query). Met de ledenlijst wordt bedoeld alle personen, waarvan bij de politie bekend is geraakt zij lid zijn (of zijn geweest) van de Satudarah en/of haar supportclubs. De “ledenlijst” bevat ongeveer 900 personen. (…) Lang niet elke registratie is opgenomen in de (…) weergegeven feitoverzichten. Daaraan liggen uiteenlopende redenen ten grondslag. Bijvoorbeeld een te gering feit of het ontbreken van bevestiging van het lidmaatschap. Maar ook kan het Satudarah lid slachtoffer zijn geweest in plaats van dader. Verder kan het voorkomen dat een registratie bijvoorbeeld is opgemaakt onder de incidentcode van drugs, terwijl ook sprake was van afpersing of geweld. Echter door dezelfde parameters (incidentcodes en periode) te gebruiken bij zowel de analyse vóór als na het civiele verbod, ontstaat er in de vergelijking wel een reëel beeld. Dit beeld bevestig[t] de indruk dat er beduidend minder incidenten plaatsvinden met Satudarah (ex-)leden dan voorheen.
Verder zijn er signalen bij de politie binnengekomen dat leden van de Satudarah de motorclub onder een andere naam voortzetten.”

De verweren die in onderdeel B onder a t/m d en onder k worden genoemd, hebben betrekking op bestuursrechtelijke maatregelen en niet op afname van het aantal geregistreerde incidenten in de politieadministratie. Aan deze verweren kon het hof dus op begrijpelijke wijze voorbijgaan in rov. 16.4, bij de overweging dat het OM onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen na de beschikking van de rechtbank. De verweren die in onderdeel B onder e t/m j worden genoemd, hebben wel betrekking op de afname van het aantal geregistreerde incidenten in de politieadministratie. Deze verweren zijn kennelijk - in het onderdeel wordt niet een precieze vindplaats van de afzonderlijke verweren vermeld - ontleend aan p. 30-31 van de pleitnota van Satudarah in hoger beroep:218

“Opgemerkt moet worden dat het door de officieren van justitie beschreven onderzoekje in de politiesystemen wel erg beperkt van opzet is. Het bestrijkt slechts een vergelijking van twee periodes van vijftien maanden. Uit een dergelijk beperkte opzet kan bezwaarlijk een valide statistische conclusie worden afgeleid [verweer onder e, A-G]. Bovendien zijn in het onderzoek ook ex-leden van Satudarah meegenomen, wiens gedragingen natuurlijk niets zeggen over het huidige Satudarah [verweer onder f, A-G]. Daarnaast is het natuurlijk de vraag hoe criminaliteit wordt gerubriceerd. Waar dat voor de verbodenverklaring bij een Satudarah-lid met een hesje onder de rubriek Satudarah werd weggeschreven, zal dat na de verbodenverklaring bij een Satudarah-lid zonder hesje ongetwijfeld niet het geval zijn [verweer onder g, A-G]. Daarbij moet worden opgemerkt dat de politie geen volledige ledenlijst van de club heeft [verweer onder h, A-G]. Tot slot moet worden opgemerkt dat het openbaar ministerie zelf relateert dat (ex)leden van Satudarah de motorclub onder verschillende andere namen voortzetten. In het onderzoek naar incidenten van Satudarah-leden is slechts gezocht op de zoektermen met Satudarah daarin. Dan komen in de zoekresultaten natuurlijk niet de namen van de leden die zijn voortgegaan in een nieuwe motorclub (bijv. ‘Darahbaru MC’, ‘Singa19’ en ‘13th Original Maluku’) naar voren, hetgeen ook weer een vertekenend beeld geeft [verweer onder i, A-G]. maar misschien nog wel belangrijker: de door het openbaar ministerie voorgespiegelde daling van incidenten waarbij Satudarah-leden zouden zijn betrokken, kan evengoed worden verklaard door het strafrechtelijk optreden. In het verweerschrift in hoger beroep vermeld het openbaar ministerie immers: ‘Anderzijds laten de resultaten over de eerste helft van 2017 een stijging zien in het aantal straffen dat is opgelegd in een aantal grote onderzoeken met OMG-leden (lange termijneffect).’ Die straffen en de latere executie daarvan, zouden ook de voorgespiegelde daling tot gevolg kunnen hebben [verweer onder j, A-G].” [curs. in origineel, voetnoten niet overgenomen, A-G]

Het feitelijke oordeel van het hof dat Satudarah hiermee de stelling van het OM dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen, onvoldoende heeft weersproken, acht ik niet onbegrijpelijk. Het verweer onder e mist reeds feitelijke grondslag. Noch uit de hiervoor weergegeven stellingen van het OM noch uit rov. 16.4 van het hof blijkt dat is geconcludeerd dat de afname van het aantal geregistreerde incidenten tussen beide onderzochte periodes “statistisch valide” is. Dat het onderzoek aan beperkingen onderhevig is, waarover in de verweren onder f t/m i wordt geklaagd, blijkt reeds uit hetgeen het OM daarover zelf in de 2de aanvulling bij het verzoekschrift op p. 4-5 heeft opgemerkt. Satudarah verwijst in haar pleitnota in hoger beroep naar die beperkingen (voetnoten 56-59). In dat licht bezien, is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geconcludeerd dat de conclusie van het OM onvoldoende is weersproken door Satudarah. Over het verweer onder j merk ik nog op dat het hof dat verweer ook heeft onderkend in rov. 16.3. In rov. 16.3 ligt besloten dat het strafrechtelijke optreden tegen individuele leden van Satudarah naar het oordeel van het hof mogelijk heeft bijgedragen aan de afname van het aantal incidenten, maar niet heeft geleid tot een voldoende afname van aantal incidenten (niet voldoende is om die werkzaamheid te beëindigen). Nu bovendien dit verweer is gestoeld op de door het OM genoemde “resultaten over de eerste helft van 2017” die een stijging laten zien in het aantal straffen dat is opgelegd “in een aantal grote onderzoeken met OMG-leden” (dus ruim vóór de beschikking van de rechtbank van 18 juni 2018, en niet specifiek gericht op Satudarah) en de niet nader onderbouwde suggestie dat “die straffen en de latere executie daarvan de voorgespiegelde daling [ook] tot gevolg [zouden] kunnen hebben”, is het, gelet ook op het onderbouwde standpunt van het OM als hiervoor weergeven, ook niet onbegrijpelijk dat het hof dat standpunt met het verweer onder j evenmin voldoende weersproken heeft geacht. Gelet op het voorgaande wordt de uitkomst niet anders als (twee of meer van) de verweren onder a t/m k in onderlinge samenhang worden bezien: ook dat noopte het hof logischerwijs niet tot een nadere motivering.

Hierop stuit het onderdeel hoe dan ook af.

Klacht 5: proceskosten Yellow Snakes

2.48

Het hof heeft volgens deze klacht in rov. 20.5 onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, overwogen dat de grief in het incidenteel hoger beroep van Yellow Snakes dat de rechtbank ten onrechte niet ten gunste van haar een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken faalt, omdat niet is gebleken dat Yellow Snakes ten behoeve van haar verweer kosten heeft gemaakt. De klacht wijst erop dat ten behoeve van Yellow Snakes in het verweerschrift hoofdstuk 13 is aangemaakt ter bespreking van de positie van Yellow Snakes, dat haar advocaat tijdens de mondelinge behandeling van 8 mei 2018 het woord over die positie heeft gevoerd en dat de rechtbank de inspanningen van Yellow Snakes op dit punt in rov. 2.36 van haar beschikking in eerste aanleg heeft opgemerkt. Volgens de klacht moet het voor het hof onmiskenbaar zijn geweest dat ter verdediging van de positie van Yellow Snakes separaat kosten zijn gemaakt die tot een proceskostenveroordeling ten gunste van haar behoren te leiden, zodat het hof de desbetreffende grief gegrond had behoren te achten.

2.49

De klacht faalt.

Het hof heeft in rov. 20.5 overwogen dat de grief dat de rechtbank ten onrechte niet ten gunste van Yellow Snakes een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken faalt, omdat niet is gebleken dat Yellow Snakes ten behoeve van haar verweer kosten heeft gemaakt. In rov. 20.6 overweegt het hof dat in zowel het principale hoger beroep als het incidentele hoger beroep het beroep dus faalt en dat het hof geen aanleiding ziet voor het uitspreken van een kostenveroordeling. Deze overweging wordt in cassatie niet bestreden. In cassatie is slechts aan de orde of de motivering van het hof in rov. 20.5 - de reden die het hof geeft waarom volgens hem de grief dat de rechtbank ten onrechte niet ten gunste van Yellow Snakes een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken faalt - voldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

De rechtbank heeft in rov. 2.36 overwogen dat Satudarah in haar verweerschrift betoogt dat een uit te spreken verbod geen betrekking kan hebben op de supportclubs, omdat zij geen deel uitmaken van Satudarah. Het verweerschrift zijdens Satudarah van 23 april 2018 bevat een hoofdstuk 13 met de titel “Eveneens supportclubs verbieden en ontbinden?”, waarin de vraag wordt gesteld of bij een eventuele verbodenverklaring van Satudarah de supportclubs (dus Saudarah, Supportcrew 999 en Yellow Snakes) “in het kielzog [van Satudarah] meegetrokken moeten worden”. Deze vraag wordt in dat hoofdstuk, onder verwijzing naar een passage uit de wetsgeschiedenis inzake de NVU (zie ook onder 2.7),219 ontkennend beantwoord. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 8 mei 2018 hebben de advocaten van Satudarah, blijkens het proces-verbaal, naar voren gebracht dat “Yellow Snakes een zelfstandige vereniging [is]. Ook voor die vereniging treden de advocaten in deze zaak op”.220 De rechtbank heeft in rov. 2.42 geoordeeld dat de uitkomst van de procedure geen basis biedt voor een proceskostenveroordeling ten laste van het OM, als verzocht door Satudarah. Daartegen is de grief namens Yellow Snakes in het incidentele hoger beroep (waarop het hof ook in rov. 20.5 doelt) gericht:221

“Met deze beslissing heeft de rechtbank miskend dat ook namens de overige verenigingen waaronder Yellow Snakes is gevraagd om een proceskostenveroordeling. Nu het verzoek tot verbodenverklaring van Yellow Snakes door de rechtbank is afgewezen, was een proceskostenveroordeling op zijn plaats. In dit kader wordt verwezen naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 18 december 2018 waarin het hof het verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding van Bandidos MC Holland heeft toegewezen, terwijl het verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding van Bandidos MC Internationaal is afgewezen. Het hof kwam daarmee tot een proceskostenveroordeling ten laste van het openbaar ministerie ten aanzien van de kosten van Bandidos Internationaal.”

Dat brengt mij weer bij rov. 20.5 van het hof.

Het in de klacht aangevoerde maakt m.i. niet dat rov. 20.5, waarin het hof als reden noemt voor het falen van de namens Yellow Snakes aangevoerde grief met betrekking tot het niet uitspreken van een proceskostenveroordeling ten gunste van Yellow Snakes dat niet is gebleken dat Yellow Snakes ten behoeve van haar verweer kosten heeft gemaakt, onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. In de eerste plaats verdient opmerking dat hetgeen de klacht aanvoert, in de onderhavige grief niet te lezen valt. Daarbij komt dat uit de gedingstukken blijkt dat het desbetreffende hoofdstuk 13 in het 100 pagina’s tellende verweerschrift in eerste aanleg het verweerschrift van Satudarah betreft (door de rechtbank als de verweerster aangemerkt), dat dit hoofdstuk 13 slechts anderhalve pagina A4 beslaat (op p. 94-96) waarvan meer dan de helft bestaat uit het hiervoor genoemde citaat uit de wetsgeschiedenis, dat daarin door Satudarah bovendien ook niet specifiek wordt ingegaan op Yellow Snakes (maar op de supportclubs, waaronder dus ook Saudarah en Supportcrew 999), dat de rechtbank in rov. 2.36 wijst op hetgeen “Satudarah in haar verweerschrift [betoogt]”, en dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 8 mei 2018 verder ook niet meer blijkt dan de blote stelling dat Yellow Snakes een zelfstandige vereniging is, naast vijf andere door de advocaten van Satudarah naar voren gebrachte punten. Gelet hierop was het, anders dan de klacht kennelijk wil, voor het hof bij de beoordeling van de onderhavige grief niet “onmiskenbaar” dat Yellow Snakes ten behoeve van haar verweer kosten heeft gemaakt die tot een proceskostenveroordeling ten gunste van Yellow Snakes behoren te leiden, zodat het hof de onderhavige grief gegrond had moeten achten. De proceskostenveroordeling die het hof in de Bandidos-zaak heeft uitgesproken, waarnaar in de onderhavige grief slechts generiek is verwezen en waarvan ik de dragende overweging hier voor de volledigheid integraal weergeef, doet, gelet op het voorgaande, evenmin af aan de juistheid en begrijpelijkheid van het onderhavige oordeel van het hof in rov. 20.5, reeds omdat daarin een andere situatie voorlag dan waarover het hof in de Bandidos-zaak ter zake te oordelen had (zoals ook onderstaand citaat laat zien):222


“Voor een veroordeling van het OM tot betaling van de kosten van de procedure bij de rechtbank en bij het hof in de zaak tegen BMC Internationaal is wel een reden. Het OM is in die procedure namelijk in het ongelijk gesteld, gelet op wat BMC Europe (met BMC Sittard) in die zaak als verweer heeft gevoerd. BMC Sittard en BMC Europe hebben samen één beroepschrift ingediend, waarvoor zij samen € 726,-- griffierecht hebben betaald. Het hof zal het bedrag aan griffierechtkosten in het principaal hoger beroep aan de kant van BMC Europe vaststellen op de helft van dat bedrag. Over de kosten van het salaris van de advocaat merkt het hof het volgende op. Het hof berekent het salaris van de advocaat volgens een vast tarief (het zogenoemde liquidatietarief). Het salaris van de advocaat van BMC Europe voor de procedure bij de rechtbank zal het hof vaststellen op de kosten van het verweerschrift van BMC Europe en de helft van de kosten van de twee zittingen bij de rechtbank. Het salaris van de advocaat van BMC Europe voor het principaal hoger beroep zal het hof vaststellen op de helft van de advocaatsalariskosten van BMC Sittard en BMC Europe samen die zijn gemaakt voor het beroepschrift en het bijwonen van de zitting bij het hof. De kosten voor de procedure bij het hof in het incidenteel hoger beroep aan de kant van BMC Europe zal het hof vaststellen op nihil (dat betekent: niets).”

Hierop stuit de klacht af.

In het incidentele cassatieberoep

2.50

Het incidentele cassatiemiddel komt op tegen rov. 18.2 en 18.3 van het hof en valt uiteen in twee onderdelen (genummerd 7.2 en 7.3).

2.51

Onder 7.2 klaagt het middel dat rov. 18.2 en 18.3 van het hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting voor zover daarin het oordeel besloten ligt dat een verbodenverklaring niet reeds direct na het uitspreken daarvan “werking heeft c.q. effect sorteert”. Dat een verbodenverklaring ingevolge art. 140 lid 2 Sr pas strafrechtelijk kan worden gehandhaafd nadat de uitspraak waarin zij is vervat onherroepelijk is, betekent niet dat de verbodenverklaring voordien nog geen werking heeft of effect sorteert. Een andere opvatting zou volgens het middel tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat de desbetreffende rechtspersoon (goeddeels) onbelemmerd voort kan gaan met een werkzaamheid waarvan reeds door de rechter is geoordeeld dat die in strijd is met de openbare orde. Dat de wetgever heeft gevonden dat daaraan nog geen strafrechtelijke consequenties moeten worden verbonden zolang de uitspraak niet onherroepelijk is, neemt volgens het middel niet weg dat een verbodenverklaring reeds voordien een basis kan - en moet kunnen - bieden voor onmiddellijk optreden, zowel civielrechtelijk (door uitvoering te geven aan de beslissing tot ontbinding, wat het hof blijkens rov. 18.2 niet heeft miskend) als bestuursrechtelijk (bijvoorbeeld door de (publiekelijke) samenkomst van leden van de verboden verklaarde club en/of specifieke activiteiten te verbieden of te verhinderen).223

2.52

Onder 7.3 klaagt het middel dat indien zou moeten worden aangenomen dat “voor de werking c.q. het effect van de verbodenverklaring” als bedoeld onder 7.2 vereist is dat de verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daarbij dus wel degelijk belang kan bestaan en die uitvoerbaarverklaring bij voorraad dus wel degelijk rechtsgevolg kan hebben, hetgeen het hof heeft miskend.224

2.53

De onderdelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, falen.

In cassatie is met het voorgaande door het OM uitsluitend het oordeel van het hof over de vernietiging van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring van art. 2:20 lid 1 BW aan de orde gesteld. Het middel gaat er, met het hof (rov. 18.2), van uit dat de rechtbank de ontbinding op goede gronden uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.225 Ten overvloede merk ik op dat blijkens de wetsgeschiedenis ontbinding een onherroepelijke ingreep betekent, die niet terug is te draaien na een andersluidend oordeel in hoger beroep of cassatie, hetgeen het betrachten van terughoudendheid bij het uitvoeren van vereffeningswerkzaamheden in de periode totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, met zich brengt (zie onder 2.8).

Bij de behandeling van de onderdelen stel ik voorop dat verbodenverklaring op de voet van art. 2:20 lid 1 BW een constitutieve betekenis heeft (zie onder 2.8). De verbodenverklaring doet een nieuwe rechtstoestand ontstaan, welke in beginsel eerst met het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak een aanvang neemt; vanaf dat moment wordt het voortzetten van de werkzaamheid van de verboden verklaarde rechtspersoon strafbaar op grond van art. 140 lid 2 Sr. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft een verbodenverklaring “slechts strafrechtelijke gevolgen”, verbindt art. 140 lid 2 Sr die gevolgen “slechts (…) aan een onherroepelijke verbodenverklaring”, en zal een uitvoerbaarverklaring bij voorraad,226 als de rechter die al zou uitspreken, dus “geen rechtsgevolg hebben” (zie onder 2.8).227 Constitutieve uitspraken kunnen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, ook als de desbetreffende wettelijke bepaling, in dit geval art. 2:20 lid 1 BW, daarin niet uitdrukkelijk voorziet.228 Dat zou anders kunnen liggen, als de aard van de beslissing zodanig is dat deze niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW niet is uitgesloten (zie ook onder 2.8).229 De minister voor Rechtsbescherming heeft recent nog eens verduidelijkt dat de “aard van de zaak” zich ook niet tegen uitvoerbaarheid bij voorraad verzet, in de zin van art. 233 lid 1 Rv (zie onder 2.14).230 Daarbij moet hier dus wel het voorgaande worden bedacht.

In rov. 18.2-18.3 zegt het hof ten aanzien van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een verbodenverklaring op de keper beschouwd dat deze moet worden onderscheiden van een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een ontbinding (die “noch in de wet noch in de toelichting” is uitgesloten, en ten aanzien waarvan het OM voldoende heeft onderbouwd dat een belang daarbij bestaat), dat ten aanzien van een verbodenverklaring blijkens de wetsgeschiedenis een uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen rechtsgevolg zal hebben, en dat het hof dit rechtsgevolg ook niet ziet, aangezien het enige gevolg van een verbodenverklaring is dat art. 140 lid 2 Sr kan worden toegepast, waarvan eerst sprake kan zijn indien de verbodenverklaring onherroepelijk is. Tegen die achtergrond komt het hof vervolgens tot de conclusie in rov. 18.3 dat er geen reden is de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring te handhaven (hoewel Satudarah daardoor dus ook niet is geschaad), hetgeen zich, gelet op het voorgaande, aldus laat vertalen dat door het OM onvoldoende is onderbouwd dat er (ook) belang bij die uitvoerbaarverklaring bij voorraad bestaat.231

Voor zover de onderdelen aanvoeren dat dit oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, lopen deze vast op het volgende. Vooropgesteld zij, dat het hof met dit oordeel heeft onderkend dat blijkens de wetsgeschiedenis (zie hiervoor) een verbodenverklaring slechts strafrechtelijke gevolgen heeft, art. 140 lid 2 Sr die gevolgen slechts verbindt aan een onherroepelijke verbodenverklaring, en een uitvoerbaarverklaring bij voorraad ter zake dus geen rechtsgevolg zal hebben. Daaraan zij toegevoegd dat het hof met dit oordeel niet heeft miskend dat ook in de periode voordat de beschikking inhoudende verbodenverklaring van een rechtspersoon in kracht van gewijsde is gegaan bestuursrechtelijk opgetreden kan worden tegen de desbetreffende rechtspersoon als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan,232 waarbij geldt dat binnen het kader van de relevante bestuursrechtelijke grondslag uiteraard ook als reden of onderbouwing mede betekenis zal kunnen toekomen aan zo’n civielrechtelijke verbodenverklaring (in die zin kan zo’n verbodenverklaring dan reeds ‘werking hebben’ of ‘effect sorteren’, waarbij niet op voorhand en in abstracto valt in te zien dat daarvoor “vereist is dat de verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad is verklaard” zodat daarin een hier relevant rechtsgevolg zou schuilgaan),233 maar deze verbodenverklaring toch niet automatisch in bestuursrechtelijke zin een eigenstandige rechtvaardiging voor zulk optreden oplevert en aldus ‘1-op-1’ bestuursrechtelijk doorwerkt, ook niet als de verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad is verklaard234 (ook daarin zie ik dus niet een hier relevant rechtsgevolg van uitvoerbaarverklaring bij voorraad). Zie ook onder 2.17. Voor zover de onderdelen meer of anders lezen in dit oordeel van het hof, missen deze feitelijke grondslag. Hieruit volgt dat hetgeen de onderdelen aan rechtsklachten bevatten, gegeven ook de hier aan het hof toekomende beoordelingsmarge, niet de conclusie rechtvaardigt dat het hof ten onrechte de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring niet heeft gehandhaafd. Ik lees in de onderdelen geen (duidelijke) motiveringsklacht, maar wijs er volledigheidshalve nog op dat het daarin aangevoerde, gelet ook op het voorgaande, evenmin de conclusie rechtvaardigt dat het hof hier tot een nadere motivering gehouden was.

Hierop stuiten de onderdelen af.

Ten overvloede merk ik ook nog op dat bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen235 in zekere zin wel een belang kan ontstaan bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring. In het nieuw voorgestelde art. 2:20 lid 6 BW wordt uitdrukkelijk bepaald dat de verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad is (zie onder 2.14). Dat houdt verband met het nieuw voorgestelde art. 2:20 lid 5 BW, op grond waarvan de civiele rechter de verboden verklaarde rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij de rechtspersoon zijn betrokken in het belang van de openbare orde kan bevelen om bepaalde maatregelen te nemen of gedragingen na te laten; een dergelijk rechterlijk bevel geldt uiterlijk totdat over de verbodenverklaring onherroepelijk is beslist (zie ook onder 2.14). Opzettelijk handelen in strijd met een rechterlijk bevel als bedoeld in art. 2:20 lid 5 BW wordt in het voorgestelde art. 184a lid 2 Sr strafbaar gesteld (zie onder 2.15). De onderhavige zaak wordt niet geraakt door dit wetsvoorstel (zie onder 2.11). Het middel, dat zich als gezegd richt op de mogelijkheid van bestuursrechtelijk optreden (daarop ziet het voorgaande niet; zie onder 2.14-2.15), beroept zich daarop trouwens ook niet.

Slotsom

2.54

De slotsom is dat, reeds gegeven het voorgaande, alle klachten falen in zowel het principale cassatieberoep236 als het incidentele cassatieberoep.237

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Hetgeen onder 1.1, 1.2, 1.7 (tot noot 3) en 1.8 (tot noot 8) staat vermeld, correspondeert met de feiten waarvan het hof is uitgegaan. Zie Hof Den Haag 18 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1451, JOR 2019/185, AB 2020/80, RO 2019/52, rov. 3. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg verder ook Rb. Den Haag 18 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7183, JOR 2019/51, AB 2019/267, NJF 2019/583, RO 2018/59, rov. 1-2.4 en Rb. Den Haag 28 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10452, NJF 2018/569, rov. 1 en in hoger beroep Hof Den Haag 4 december 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3992, rov. 1 en Hof Den Haag 18 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1451, JOR 2019/185, AB 2020/80, RO 2019/52, rov. 1-2.

2 Deze documentaire van Joost van der Valk en Mags Gavan uit 2015 is beschikbaar via www.2doc.nl/documentaires/series/2doc/2015/juni/satudarah-one-blood.html.

3 Rb. Den Haag 18 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7183, JOR 2019/51, AB 2019/267, NJF 2019/583, RO 2018/59.

4 Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 3: “Slechts handelingen die inbreuk maken op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel kunnen het verbod van een vereniging (…) rechtvaardigen”.

5 HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507.

6 Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 4: “De rechtsovertuiging staat niet stil. Stolling van de nu heersende mening in een opsomming leidt op den duur tot verstarring.”

7 De rechtbank verwijst naar HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, rov. 3.3.2-3.3.4.

8 Rb. Den Haag 28 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10452, NJF 2018/569.

9 Hof Den Haag 4 december 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3992.

10 Vgl. recent HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, RvdW 2020/88.

11 Hof Den Haag 18 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1451, JOR 2019/185, AB 2020/80, RO 2019/52.

12 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 1-3.

13 Kamerstukken II 2016/17, 34465, 1-3.

14 Kamerstukken II 2018/19, 32752, 54 en Kamerstukken I 2018/19, 34430, F.

15 Zie bijv. Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 11 en p. 28. Zie ook de conclusie van A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, onder 2.5, met verdere verwijzingen.

16 Zie ook de conclusie van A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, onder 2.5, met verdere verwijzingen.

17 Kamerstukken II 2018/19, 35079, 1-3.

18 Zie ook de conclusie van A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, onder 3.34, met literatuurverwijzingen in noot 65 aldaar.

19 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 11.

20 Zie over het toepassingsgebied van art. 2:20 BW ook Asser/J.M.M. Maeijer, bewerkt door M.J. Kroeze, De rechtspersoon (2-I*), Deventer: Kluwer 2015, nrs. 377-378.

21 Dat speelde wel in de Bandidos-zaak die heeft geleid tot HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580.

22 Bundesministerium des Innern, Bekanntmachung, 19 januari 2015, Bundesanzeiger AT 24.02.2015 B1.

23 BVerwG 4 november 2016, ECLI:DE:BVerwG:2016:041116U1A5.15.0. Zie hierover ook de conclusie van A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, onder 2.8.

24 Stb. 1855, 32. Zie over deze achtergrond ook A-G Timmerman in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:2379) voor HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, onder 3.3. Zie verder bijv. D.J. Elzinga, ‘De verboden rechtspersoon’, NJB 1982, p. 919-920, J.D.A. den Tonkelaar, ‘De verboden rechtspersoon, een modegevoelig juridisch begrip’, S&V 1987, p. 97-99, A.N. Kesteloo, ‘Verbod op motorclubs: een tussenstand’, TPWS 2018/77, p. 190-192, P.A.M. Mevis, ‘Van revolutionaire woelingen en motorbendes; organisatieverboden als risico voor de democratie en de betekenis en rol van het materiële strafrecht’, in: Democratie: nieuwe ontwikkelingen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2018, p. 221-226, en J. Koornstra e.a., Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs. Een rechtsvergelijkende studie naar de aanpak van onrechtmatige organisaties in rechtsstatelijk perspectief, Onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen in opdracht van Programma Politie & Wetenschap 2019, p. 140-141.

25 Zie hierover bijv. ook Asser/G.J.C. Rensen, Overige rechtspersonen (2-III), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nrs. 2-3. Vgl. het huidige art. 8 Gw: “Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.”

26 Aldus J.R. Thorbecke, Bijdrage tot de herziening der Grondwet, Leiden: P.H. van den Heuvel 1848, p. 16. Zie hierover bijv. ook Den Tonkelaar 1987, p. 98.

27 Zie bijv. Mevis 2018, p. 222.

28 Wet van 18 februari 1971 (Uitvoering VN-Verdrag tegen rassendiscriminatie), Stb. 1971, 96.

29 Zie ook Mevis 2018, p. 222, met verwijzingen.

30 Zie hierover bijv. ook Mevis 2018, p. 222: “Bij gebreke aan andere daartoe aangewezen bestuursorganen en mede omdat bij het OM (tot op de dag van vandaag) ook niet-strafrechtelijke taken en bevoegdheden ter handhaving van het algemeen belang passen, was dit orgaan aangewezen om deze procedure [bedoeld is art. 10 WVV, A-G] te initiëren”.

31 Zie hierover bijv. ook Asser/Rensen 2017, nrs. 3-5.

32 Kamerstukken II 1854/55, IX, 3, p. 65.

33 Kamerstukken II 1937/38, 475, 3, p. 2. Zie ook reeds Kamerstukken II 1854/55, IX, 4, p. 270: “Door eenige leden is, ook met het oog op art. 4, gevraagd, of het wel genoegzaam is de deelneming aan verbodene vereenigingen te straffen en haar de hoedanigheid van regtspersoon te ontnemen. Men meende dat, even als bij een vorig wets-ontwerp, aan den regter ook de bevoegdheid tot ontbinding der vereeniging moest worden verleend. Andere leden achtten die bijvoeging niet noodig. Zij konden niet inzien, dat regtstreeksche ontbinding te pas kon komen van iets wat geen wettig bestaan heeft.”

34 Vgl. Den Tonkelaar 1987, p. 99 die in meer algemene zin opmerkt: “Uit de grepen uit de geschiedenis die ik hier doe, (…) zal blijken, hoezeer de mode van een moment, de angst of verontwaardiging van een tijdperk of de vrees voor ontwrichting van een bepaald type maatschappij bepalend is geweest voor het uitvaardigen van verbodsbepalingen of het incidenteel optreden tegen verenigingen.”

35 Kamerstukken II 1937/38, 475, 3, p. 2. Het door de minister aangehaalde citaat is een verwijzing naar de Troonrede van 1937: “Te midden van de geestelijke verwarring in de wereld, waaraan ook ons volk niet geheel ontkomt, is steeds dringender de eis, dat in wetgeving en bestuur vóór alles Gods wet tot opperste richtsnoer worde genomen.”

36 Kamerstukken II 1937/38, 475, 3, p. 3.

37 Wet van 3 maart 1939, Stb. 1939, 200.

38 Kamerstukken II 1937/38, 475, 3, p. 5. Daarnaast werd verwezen naar met art. 10-11 WVV vergelijkbare bepalingen voor andere rechtspersonen, zoals NV’s en stichtingen. Voor de NV gold bijv. art. 37b WvK (oud). Toepassing van die bepaling leidde in 1933 tot de ontbinding van de N.V. Nederlandse Grondcredietbank, welke vennootschap pandbrieven had uitgegeven zonder dat was gebleken van enige administratie en dekking van die pandbrieven en waar de curator niemand had aangetroffen die de belangen van de vennootschap bleek te behartigen. De werkzaamheid van de N.V. werd in strijd geacht met de goede zeden en de openbare orde. Zie Rb. Amsterdam 28 september 1933, ECLI:NL:RBAMS:1933:108, NJ 1934, p. 1089. Zie hierover ook A-G Timmerman in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:2379) voor HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, onder 3.3. Zie voor een meer recent voorbeeld van toepassing van art. 2:20 lid 1 BW langs deze lijn Rb. Amsterdam 1 november 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY7450, inzake de verbodenverklaring en ontbinding van Euromex Trade B.V. in verband met betrokkenheid bij strafbare feiten, zoals het witwassen van gelden. Strafrechtelijke vervolging van de vennootschap werd in die zaak niet opportuun geacht vanwege het ontbreken van bestuurders. De nadruk ligt dan meer op ontbinding (met civielrechtelijke gevolgen) dan op verbodenverklaring (met eventuele strafrechtelijke gevolgen). Vgl. Mevis 2018, p. 229: “De vraag rijst of hier niet te snel het verbieden van rechtspersonen als een gemakkelijk alternatief voor strafvervolging wordt gebruikt.” M.i. luidt het antwoord op die vraag dus ontkennend.

39 Kamerstukken II 1938/39, 42, 1, p. 6. Zie hierover ook J.A.O. Eskes, ‘Partijverbod en kiesrecht’, NJB 1978, p. 849 (noot 7): “De verbodenverklaring hield dus niet (tevens) een ontbindingsuitspraak in. Iets anders is, dat bij de door de rechter uit te spreken vervallen-verklaring van de rechtspersoonlijkheid (een ander instrument!) blijkens de in artikel 10, lid 3 (oud) WVV dwingend voorgeschreven ‘verevening’ de uitspraak logischerwijs wél de ontbinding van de vereniging meebracht” [curs. in origineel, A-G]. Eskes verwijst naar de andersluidende opvatting in Asser/W.C.L. van der Grinten, Vertegenwoordiging en rechtspersoon (I-II), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1959, p. 272: “De verklaring van de rechter, dat de vereniging verboden is, brengt mede de ontbinding van de vereniging. Het rechtens voortbestaan van de vereniging verdraagt zich immers niet met het wettelijk verboden zijn. De vereffening van het vermogen zal met analogische toepassing van de artt. 10 en 11 van de Wet van 1855 dienen te geschieden.”

40 Wet van 8 april 1976, Stb. 1976, 229. Bij de Wet van 20 april 1988, Stb. 1988, 157 is de resterende WVV geheel ingetrokken.

41 Kamerstukken II 1970/71, 11005, 3, p. 23-34.

42 Aldus W.L. Haardt, ‘Nietigheid, ontbinding en verbodenverklaring van rechtspersonen in het Wetsontwerp 11005’, De NV 1971/72, p. 127.

43 Eskes 1978, p. 847.

44 Rb. Amsterdam 8 maart 1978, ECLI:NL:RBAMS:1978:AC0252, NJ 1978/281, rov. 10: “De Rb. aarzelt niet de NVU als een verboden vereniging te kwalificeren, nu haar aktiviteiten en optreden van een zodanige aan het misdadige grenzende en potentieel gevaarlijke aard zijn gebleken, dat strijd met de in ons land algemeen aanvaarde eisen van openbare orde en goede zeden niet te ontkennen valt.”

45 Rb. Amsterdam 8 maart 1978, ECLI:NL:RBAMS:1978:AC0252, NJ 1978/281, rov. 13 en het dictum: “[D]e NVU [is] zo nauw verbonden met de ‘Stichting tot Steun aan en Toezicht op de Nederlandse Volks-Unie’, (…) dat de rechten en verplichtingen van de vereniging uitsluitend aan deze stichting toekomen. Nu de rechter niet ambtshalve tot ontbinding van de, door de Officier buiten de vordering gehouden, Stichting vermag over te gaan, mist een ontbinding van alleen de NVU met de daarbij voorgeschreven benoeming van een vereffenaar elke betekenis. Ondanks het aangenomen verboden karakter van de NVU moet dus als volgt worden beslist” [volgt afwijzing van de vordering tot ontbinding van de NVU, A-G].

46 Rb. Amsterdam 8 maart 1978, ECLI:NL:RBAMS:1978:AC0252, NJ 1978/281, rov. 10.

47 HR 9 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC0769, NJ 1979/363.

48 J.M.M. Maeijer in nr. 3 bij NJ 1979/363. Zie in gelijke zin ook reeds J.M.M. Maeijer in nr. 1 bij NJ 1978/281.

49 Kamerstukken II 1981/82, 17476, 1-3, p. 4.

50 Wet van 17 maart 1988, Stb. 1988, 104. Het tweede lid correspondeerde met het huidige art. 2:20 lid 2 BW. Een doel in strijd met de openbare orde is in de onderhavige zaak niet aan de orde en laat ik verder buiten beschouwing.

51 Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 13 (alinea 48). Zie hierover bijv. ook P. van Schilfgaarde, ‘Verboden folklore’, WPNR 1988/5889, p. 567 en Kesteloo 2018, p. 191. Zie ook o.a. Asser/Kroeze 2015, nrs. 390-392, die onder meer noteert: “In het systeem van art. 2:20 lid 1 BW is de rechtspersoon verboden, indien hij door de rechter verboden is verklaard. De verbodenverklaring gaat in die gevallen gepaard met de rechterlijke ontbinding van de rechtspersoon.”

52 Zie Elzinga 1982, p. 921.

53 Zie Elzinga 1982, p. 922.

54 Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 8 (alinea 25). De minister reageert hiermee op P. van Schilfgaarde, ‘De verboden rechtspersoon’, WPNR 1982/5633, p. 741: “Hierbij ga ik er van uit, dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad mogelijk is, nu geen uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van artikel 429k lid 2 Rv [onder verwijzing naar Elzinga 1982, A-G]. Het zou echter geen kwaad kunnen wanneer de minister hierover zijn licht deed schijnen.” Zie naast alinea 25 ook p. 11 (alinea 38): “Het is, blijkens alinea 25, niet nodig om een uitzondering te bepalen op artikel 429k Rv., dat in uitvoerbaarverklaring bij voorraad voorziet”, en p. 20 (alinea 82): “Mocht de rechter een verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad verklaren, dan kan dat dus geen strafbaarheid meebrengen.”

55 Zie bijv. ook Asser/Kroeze 2015, nr. 392: “De verbodenverklaring van de rechtspersoon heeft op zichzelf geen civielrechtelijk effect; voor het civiele recht is slechts relevant de ontbinding. In het strafrecht is bepaald dat deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van de rechtspersoon die bij onherroepelijk rechterlijke beslissing verboden is verklaard en deswege is ontbonden, een strafbaar feit is (art. 140 Sr, zoals deze bepaling bij genoemde Wet van 17 maart 1988 is gewijzigd). De koppeling van verbodenverklaring en ontbinding brengt mee dat de verbodenverklaring van een reeds ontbonden rechtspersoon rechtens geen gevolg heeft.”

56 Elzinga 1982, p. 921. Zie ook p. 922: “Het vermoeden dat sprake is van een verboden politieke partij, tot uitdrukking gebracht in een vordering van het OM, kan geen rechtsgrond zijn om aan de politieke partij naamsregistratie of andere faciliteiten zoals zendtijd of subsidie te onthouden.”

57 Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 6 (alinea 17). Zie met betrekking tot de Kieswet ook alinea 18 en 19.

58 Zie hierover bijv. ook Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 4 (alinea 11): “Nu bij nota van wijziging wordt uitgesloten dat een strafvervolging wordt ingesteld tegen iemand die nog niet kon weten of de rechter een bepaalde werkzaamheid als in strijd met de openbare orde zou brandmerken, behoeft aan de verbodsgrond niet meer de eis te worden gesteld van een scherpte in afbakening waaraan strafbepalingen moeten voldoen.” Vgl. over dit voor strafrechtjuristen vanzelfsprekende Bestimmtheitsgebot ook Mevis 2018, p. 233.

59 Zie hierover ook Mevis 2018, p. 235-236.

60 Zie Mevis 2018, p. 239-240.

61 Zie hierover Th.W. van Veen, ‘De verboden vereniging en art. 140 Sr’, NJB 1983, p. 13. Vgl. hierover Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 14-15 (alinea 58). Zie ook de verschillende strafmaten van art. 140 lid 1 en lid 2 Sr: overtreding van art. 140 lid 1 Sr wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, terwijl overtreding van art. 140 lid 2 Sr wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. Zie recent ook A.N. Kesteloo, ‘De strafbare voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie in artikel 140 lid 2 Sr nader beschouwd’, NTS 2020/28, p. 87.

62 Zie ook Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 15: “[D]uidelijk zij, dat de leden van een rechtspersoon, wiens oogmerk gericht was op het plegen van misdrijven, op grond van het eerste lid reeds strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, vóórdat die rechtspersoon bij rechterlijke uitspraak is verboden verklaard en ontbonden.”

63 Wet van 15 november 1989, Stb. 1989, 541 en Wet van 2 april 1991, Stb. 1991, 199.

64 Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 581. Vgl. hierover ook Mevis 2018, p. 236: “Het OM raakte weer iets van zijn ‘eigenheid’ kwijt”.

65 Wet van 20 november 2006, Stb. 2006, 600. Zie over de achtergrond van deze wet ook de conclusie van A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, onder 3.6, met verdere verwijzingen.

66 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 1-3.

67 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 27. Zie hiertoe ook het voorgestelde art. 32a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek in Kamerstukken II 2019/20, 35366, 2, p. 3: “Artikel 20 van Boek 2, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I van de Wet van (XXXX), tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. ...), blijft van toepassing ten aanzien van een procedure bij de civiele rechter waarbij voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel een verzoek bij de rechter is ingediend, een beroep bij het gerechtshof is ingediend of een verzoek bij de Hoge Raad is ingediend.”

68 Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 3-4.

69 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 21 (noot 21).

70 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 14, onder verwijzing naar HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507.

71 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 21, met EHRM-rechtspraakverwijzingen.

72 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 2, onder verwijzing naar Rb. Midden-Nederland 20 december 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6241 en Hof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10865. Zie in gelijke zin Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 8 (met verwijzing naar diezelfde rechtspraak in noot 23 aldaar), over “de mogelijke onduidelijkheid (…) over de vraag of het verbod uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard” en p. 22 (met verwijzing naar diezelfde rechtspraak in noot 57 aldaar): “Omdat naar aanleiding van recente rechtspraak hierover wellicht twijfel zou kunnen bestaan, wordt de uitvoerbaar bij voorraad verklaring nu uitdrukkelijk voorzien in het nieuwe artikel 2:20 lid 6 BW.”

73 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 17.

74 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 17.

75 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 2, p. 2.

76 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 22, t.a.v. ontbinding in noot 58 aldaar onder verwijzing naar Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 8 (alinea 25), weergeven onder 2.8. In de literatuur wordt hieruit afgeleid: “De rechter kan derhalve als het aan de regering ligt ook in de toekomst de ontbinding per direct uitvoerbaar verklaren. Hiervoor moeten dan wel gezien het belang van het verenigingsrecht en de algemene uitgangspunten in ons burgerlijk procesrecht zeer dwingende redenen bestaan.” Aldus J.G. Brouwer & J. Koornstra in nr. 9 bij AB 2020/80.

77 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 4, p. 6, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 8.

78 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 4, p. 6.

79 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 2, p. 2.

80 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 8.

81 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 22.

82 Zie hierover ook Koornstra e.a. 2019, p. 293-295.

83 Zie hierover ook Koornstra e.a. 2019, p. 308-310.

84 Zie hierover ook Koornstra e.a. 2019, p. 305-307.

85 Zweites Gesetz zur Änderung des Vereinsgesetzes van 10 maart 2017, Bundesgesetzblatt 2017, nr. 12, p. 419.

86 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 26.

87 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 7.

88 Boek 2 BW bevat meer van dergelijke bevoegdheden voor het OM: zie, naast art. 2:20 BW, ook art. 2:4 lid 3, 2:19 lid 2, 2:21 lid 4, 2:22a lid 1, 2:23 lid 2 en 5, 2:74 lid 1 en 2, 2:185 lid 1, 2:294 lid 1, 2:295, 2:297 lid 1 en 2, 2:298 lid 1 aanhef en onder b, 2:299, 2:301 lid 1 en 2:345 lid 2 BW. Zie verder bijv. M.E. de Meijer, Het openbaar ministerie in civiele zaken (diss.), Deventer: Kluwer 2003.

89 Zie bijv. Mevis 2018, p. 237-238.

90 Zie hierover ook Mevis 2018, p. 238. Vgl. in de onderhavige zaak bijv. Bijlage 6 bij het verzoekschrift ex art. 2:20 BW (rapportage betreffende informatie van de teams Criminele inlichtingen).

91 Kamerstukken II 2011/12, 29911, 59, p. 4.

92 Kamerstukken II 2011/12, 29911, 59, p. 4. Zie over deze aanpak ook A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2019:1163) in zijn conclusie voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, onder 2.3. Zie over de achtergrond van de integrale aanpak verder ook Koornstra e.a. 2019, p. 114-119.

93 Kamerstukken II 2011/12, 29911, 59, p. 5.

94 Kamerstukken II 2011/12, 29911, 59, p. 4.

95 Staatscommissie parlementair stelsel, Lage drempels, hoge dijken. Democratie en rechtsstaat in balans (eindrapport), opgenomen als bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 34430, 9, p. 222-223.

96 Zie bijv. het vonnis van de rechtbank van 18 juni 2018, rov. 2.23 e.v. Zie over één van de daar genoemde strafzaken - het betrof de veroordeling van een leidinggevende en lid van motorclub Satadurah wegens betrokkenheid bij twee wapentransporten en hennepteelt - ook de recente conclusies van A-G Keulen, ECLI:NL:HR:PHR:2020:333 en ECLI:NL:PHR:2020:334 in de zaken die bij de strafkamer van de Hoge Raad aanhangig zijn onder zaaknummer 19/03112 en 19/03114. Zie verder bijv. ook Bijlage 2 bij het verzoekschrift ex art. 2:20 BW van het OM, onder 2.8.21 (Toename van personen met antecedenten binnen de top van SMC).

97 Zie hierover bijv. ook de Aanvulling op het verzoekschrift ex art. 2:20 BW van het OM, onder 4.4.51 (Bedreigde getuigen in onderzoek 26Largo). Zie in publieke gegevens bijv. de kadertekst bij een interview met de burgemeester van Beverwijk Martijn Smit in Code Geel, editie 4, 21 juni 2018: “De inval in het clubhuis van Satudarah in Beverwijk vond plaats op 29 september 2017 en maakte onderdeel uit van het landelijke strafrechtelijke onderzoek 26Largo. Op deze dag werden gelijktijdig op verschillende plekken in Nederland acties gehouden die waren gericht tegen Satudarah MC. De acties werden gecoördineerd en aangestuurd vanuit de Landelijke Eenheid en het Landelijk Parket. De Landelijke Eenheid bekeek welke locaties bezocht moesten worden en welke mogelijkheden er waren voor het nemen van bestuurlijke maatregelen, inden er overtredingen werden geconstateerd. De bestuurlijke rapportage gaf burgemeester Smit handvatten om direct maatregelen te treffen na afloop van de inval. Nog diezelfde dag diende het Openbaar Ministerie een verzoekschrift in bij de rechtbank Den Haag voor een civiel verbod tegen Satudarah MC. (…).”

98 Zie Bijlage 5 bij het verzoekschrift ex art. 2:20 BW van het OM (Bestuurlijke acties) en de 1ste aanvulling van bijlage 5 (Bestuurlijke acties), opgenomen achter het Verweerschrift met bijlagen zijdens het OM van 25 februari 2019. Zie over dergelijke bestuursrechtelijke maatregelen ook Koornstra e.a. 2019, p. 113-138.

99 Zie ook Mevis 2018, p. 228: “[I]n het ‘escalatiemodel’ van de Staatscommissie is het, gegeven de terughoudendheid die bij de toepassing van art. 2:20 lid 1 BW aangewezen is, laten we zeggen: vreemd en uit een oogpunt van ‘bewijslast’ en ‘stelplicht’ bij het OM contra-indicatief, als de betreffende rechtspersoon nooit zelf door het OM vervolgd en door de strafrechter veroordeeld is voor bepaalde strafbare feiten (als rechtspersoon begaan) die datzelfde OM vervolgens wel aan een concreet verzoek als bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW ten grondslag legt.” En Mevis 2018, p. 234: “Al blijft het omgekeerde ook waar: art. 2:20 lid 1 BW kan ook tot een verbod van een rechtspersoon leiden, zelfs van een politieke partij, zonder dat daaraan enige strafrechtelijke veroordeling, al dan niet ter zake van art. 140 lid 1 Sr, vooraf hoeft te zijn gegaan.”

100 Zie Koornstra e.a. 2019, p. 433-434.

101 Zie Koornstra e.a. 2019, p. 263, met verwijzing naar de ‘Hand-out handhavingsmogelijkheden civiel verbod OMG’ van het Landelijk parket en politie van 21 juni 2018, beschikbaar via https://rsiv.nl/kennisbank/ondermijning/documentatieondermijning/.

102 Zie Koornstra e.a. 2019, p. 250-251.

103 Rb. Midden-Nederland 20 december 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6241, NJF 2018/78, AB 2018/60, JOR 2018/66, JIN 2018/12, RN 2018/17, Hof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10865, NJF 2019/87, AB 2019/528, JOR 2019/52, RO 2019/19 en HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, met conclusie van A-G Vlas, ECLI:NL:PHR:2019:1163.

104 Rb. Midden-Nederland 17 januari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:113, AB 2019/93, JOR 2018/67, JIN 2018/33.

105 Rb. Midden-Nederland 29 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2302, NJF 2019/345, AB 2020/96, RO 2019/56 en Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:658, NJF 2020/100, RO 2020/26.

106 Rb. Noord-Nederland 7 juni 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2445, NJF 2019/358, AB 2020/35, RO 2019/58.

107 Zie www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Midden-Nederland/Nieuws/Paginas/Procedure-OM-tegen-motorclub-Caloh-Wagoh--.aspx en www.om.nl/onderwerpen/motorbendes/civiel-verbod-caloh-wagoh.

108 Rb. Rotterdam 24 november 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AZ2993 en Hof Den Haag 16 augustus 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BB2032; Rb. Haarlem 24 november 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ3072; Rb. Leeuwarden 6 maart 2007, ECLI:NL:RBLEE:2007:AZ9940, NJF 2007/185, JOR 2007/116, Hof Leeuwarden 12 december 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB9782 en HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, RvdW 2009/791, NJ 2009/396, JOR 2009/222, RN 2009/85; Rb. Amsterdam 11 april 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA2747 en ECLI:NL:RBAMS:2007:BA2761, NJF 2007/255, RO 2007/56; Rb. Maastricht 29 mei 2007, ECLI:NL:RBMAA:2007:BA5843, JIN 2007/296 en Hof Den Bosch 25 april 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD0560, NJF 2008/259, JOR 2008/155.
Vgl. over de in noot 103-108 genoemde rechtspraak ook de conclusie van A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, onder 2.3 en de Bijlage bij de nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen, in onopgemaakte vorm beschikbaar via www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/04/06/tk-nnavv-ter-verruiming-van-de-mogelijkheden-tot-het-verbieden-van-rechtspersonen.

109 Hof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10865, rov. 4.7.

110 HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, rov. 3.2.6.

111 Vgl. de conclusie van A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, onder 3.36.

112 HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, rov. 3.6. Het verzoek van het OM op de voet van art. 2:20 lid 1 BW was gericht tegen de Stichting Hells Angels Northcoast Harlingen en de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Rockers Northcoast MC.

113 Hof Leeuwarden 12 december 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB9782, rov. 23.

114 Rb. Noord-Nederland 7 juni 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2445, rov. 3.12, onder verwijzing naar Hof Leeuwarden 12 december 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB9782, rov. 23.

115 Aldus J.G. Brouwer & J. Koornstra in nr. 7 bij AB 2020/35.

116 HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, rov. 3.4.1-3.4.4.

117 In de tweede alinea van rov. 3.4.3 klinkt HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, rov. 3.5-3.10 door, waarover o.a. Asser/Kroeze 2015, nr. 391: “In HR 18 april 2014, NJ 2014/507 (Vereniging Martijn) overweegt de Hoge Raad dat art. 2:20 lid 1 BW moet worden uitgelegd in het licht van art. 7 Gw en art. 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting) resp. art. 8 Gw en art. 11 EVRM (vrijheid van vereniging). De Hoge Raad plaatst de motivering van zijn beslissing over de toepassing van art. 2:20 lid 1 BW in de sleutel van het tweede lid van art. 10 en 11 EVRM. Daaruit vloeit voort dat de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en van vereniging kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties (i) die bij de wet zijn voorzien, en (ii) die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn (iii) in het belang van limitatief omschreven gronden, waaronder de bescherming van de gezondheid of goede zeden of de bescherming van rechten en vrijheden van anderen. De rechter dient terughoudend te toetsen. Zie EHRM 14 januari 2014, 47732/06, EHRC 2014/77 (Association of Victims of Romanian Judges/Roemenië). Niet noodzakelijk is dat de rechtspersoon reeds daadwerkelijk een gevaar vormt voor de openbare orde. Zie EHRM 9 juli 2013, nr. 35943/10 (Vona/Hongarije). De Hoge Raad besloot tot verbodenverklaring en ontbinding van Vereniging Martijn, een vereniging die pedofilie verheerlijkte.”

118 HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, rov. 3.6.2.

119 HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, rov. 3.4.5.

120 A-G Vlas in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, onder 3.38, met verwijzingen.

121 Aldus Dijk/Van der Ploeg, bewerkt door C.H.C Overes, T.J. van der Ploeg & W.J.M. van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 243.

122 Zie ook J.G. Brouwer & J. Koornstra in nrs. 2 en 5-6 bij AB 2020/80, die de beschikking van het hof eveneens zo verstaan dat het hof, net als de rechtbank eerder deed, alleen Yellow Snakes ziet als een van de informele vereniging Satudarah losstaande entiteit (met eigen rechtspersoonlijkheid).

123 Hof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10865, rov. 4.35.

124 A-G Vlas in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797 RvdW 2020/580, onder 3.53.

125 HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, rov. 3.9.

126 Vgl. naar aanleiding van de door de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verbodenverklaring en ontbinding van de vereniging Martijn bijv. ook L.M.H.A.A. Hennekens in nr. 10 bij JBPR 2013/47.

127 Rb. Noord-Nederland 7 juni 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2445, rov. 3.45.

128 Rb. Midden-Nederland 29 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2302, rov. 4.48, onder verwijzing naar Hof Den Haag 4 december 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3992 (in de onderhavige zaak).

129 Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:658, rov. 3.8.

130 Aldus J.G. Brouwer & J. Koornstra in nr. 9 bij AB 2020/80.

131 Het onderdeel verwijst in de derde alinea op p. 5 van het Verzoekschrift tot cassatie naar het Verweerschrift met bijlagen zijdens het OM van 25 februari 2019, onder 2.37: “De gedragingen die een grondslag kunnen vormen voor een verboden verklaring op grond van art. 2:20 BW zijn bovendien van dien aard dat niet, of niet eerst (zelfstandig), volstaan kan worden met het enkel strafrechtelijk vervolgen van personen die deelnemen in een dergelijke rechtspersoon of de organisatie zelf, omdat de betrokken handelingen niet in alle gevallen strafbaar zijn, of omdat vanwege opportuniteitsoverwegingen niet gekozen is voor een tenlastelegging van art. 140 Sr en de werkzaamheden bovendien vervolgens kunnen worden voortgezet. De democratische rechtsstaat moet zich in uiterste gevallen kunnen weren door de rechtspersoon ook daadwerkelijk uit het rechtsverkeer te verwijderen om het voortduren of verwezenlijken van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde te beëindigen en (verder) te voorkomen. Het instrument van de verbodenverklaring en ontbinding is juist om die reden ook verstrekkender dan de toepassing van art. 140 Sr, aangezien de ontbinding die volgt op de verbodenverklaring de volledige verwijdering uit het rechts- en maatschappelijk verkeer van de rechtspersoon bewerkstelligt.” [voetnoot niet overgenomen, A-G]

132 Zie over ‘voluntaire jurisdictie’ bijv. Asser Procesrecht/I. Giesen, Beginselen van burgerlijk procesrecht (1), Deventer: Kluwer 2015, nr. 12 en Asser Procesrecht/A.C. Van Schaik, Eerste aanleg (2), Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 2.1.10.

133 Zie bijv. ook F.J.P. Lock, Commentaar burgerlijk procesrecht, Den Haag: Sdu 2020 (bijgewerkt t/m 30 maart 2020), art. 284 Rv, aant. C.1.2.

134 HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443, rov. 3.9.

135 HR 11 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45, rov. 3.5.2.

136 HR 9 december 1965, ECLI:NL:HR:1965:AC1119, NJ 1966/378.

137 Zie bijv. P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 10), Deventer: Kluwer 2008, nr. 2.3.2.

138 Zie hierover bijv. D.L.F. de Vocht, bijgewerkt door M. Rafik, Sdu Commentaar EVRM – Deel I, Den Haag: Sdu 2020, art. 6 EVRM, aant. C.3 en C.3.1. Zie ook T. Barkhuysen e.a., ‘Right to a fair trial’, in: Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, Antwerpen: Intersentia 2018, p. 523-538.

139 Zie met betrekking tot een ‘criminal charge’ inzake een rechtspersoon bijv. EHRM 9 november 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:1109JUD004630099. Zie verder ook A.J.P. Schild, De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (diss.), Deventer: Kluwer 2012, nr. 2.4, met verwijzingen.

140 Zie hierover bijv. Y. Haeck & C. Burbano Herrera, Sdu Commentaar EVRM – Deel I, Den Haag: Sdu 2020, art. 35 EVRM, aant. C.2.4, met EHRM-rechtspraakverwijzingen. Vgl. hierover met betrekking tot een beroep op art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM ook de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2011:BO0767) voor HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7067, NJ 2011/335, onder 3.17. Zie ook HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7067, NJ 2011/335, rov. 3.12.

141 Hoger beroepschrift alsmede verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zijdens Satudarah van 10 september 2018, p. 13.

142 Verweerschrift zijdens Satudarah van 23 april 2018, p. 50-53, onder verwijzing naar Hof Leeuwarden 12 december 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB9782, rov. 23 en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, rov. 3.11.3.

143 EHRM 23 november 2006, ECLI:NL:XX:2006:AZ9064, AB 2007/51, rov. 43. Zie hierover ook De Vocht/Rafik 2020, art. 6 EVRM, aant. C.3.4 en Barkhuysen e.a. 2018, p. 532-533 en p. 537-538.

144 EHRM 14 september 1999, ECLI:CE:ECHR:1999:0914DEC003903197. Zie bijv. ook EHRM 1 februari 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0201DEC001227704.

145 Wet van 8 april 2016, Stb. 2016, 153.

146 Kamerstukken II 2013/14, 34011, 3, p. 9-10, onder verwijzing naar EHRM 14 september 1999, ECLI:CE:ECHR:1999:0914DEC003903197 en EHRM 1 februari 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0201DEC001227704.

147 Zie Rb. Amsterdam 24 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:466, JOR 2019/130, rov. 3.10.1-3.10.2.

148 Zie Kamerstukken II 2013/14, 34011, 3, p. 2 en p. 14. Zie ook noot 88 voor andere civielrechtelijke bevoegdheden van het OM in Boek 2 BW.

149 Kamerstukken II 2013/14, 34011, 3, p. 1.

150 Kamerstukken II 2013/14, 34011, 3, p. 4.

151 Kamerstukken II 2013/14, 34011, 3, p. 2.

152 EHRM 8 juni 1976, ECLI:NL:XX:1976:AC0386, NJ 1978/223. Zie over deze criteria ook De Vocht/Rafik 2020, art. 6 EVRM, aant. C.3.2 en C.3.4.

153 EHRM 21 februari 1984, ECLI:NL:XX:1984:AC9954, NJ 1988/937.

154 EHRM 25 augustus 1987, ECLI:NL:XX:1987:AC9955, NJ 1988/938. Zie ook De Vocht/Rafik 2020, art. 6 EVRM, aant. C.3.3.

155 Zie ook De Vocht/Rafik 2020, art. 6 EVRM, aant. C.3.4.3, met verdere verwijzingen.

156 Zie ook De Vocht/Rafik 2020, art. 6 EVRM, aant. C.3.4.4, met verdere verwijzingen.

157 Zie o.a. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, rov. 3.5-3.6, 3.11.3. Het OM heeft ook andere, in Boek 2 BW vervatte, civielrechtelijke bevoegdheden die verband houden met het openbaar belang (zie ook noot 88). Zo valt te wijzen op art. 2:20 lid 2 BW, op basis waarvan een rechtspersoon waarvan het doel in strijd is met de openbare orde door de rechtbank op verzoek van het OM wordt ontbonden (waarbij de rechtbank een ‘terme de grâce’ kan stellen aan de betrokken rechtspersoon om zijn doel zodanig te wijzigen dat het niet meer in strijd is met de openbare orde), en art. 2:345 lid 2 BW, op basis waarvan de advocaat-generaal bij het ressortspakket om redenen van openbaar belang een verzoek kan doen als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW. Art. 2:20 lid 1 BW maakt dus deel uit van een breder palet aan (door het openbaar belang ingegeven) civielrechtelijke bevoegdheden van het OM, waarbij deze bepaling specifiek ziet op de situatie waarin de werkzaamheid van een rechtspersoon in strijd is met het openbaar belang. Zie ook onder 2.16 en 2.26.

158 Vgl. HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1104, NJ 2019/394, rov. 3.4.6, onder verwijzing naar EHRM 14 september 1999, ECLI:CE:ECHR:1999:0914DEC003903197 en EHRM 1 februari 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0201DEC001227704.

159 Zie bijv. ook Mevis 2018, p. 239-240: “Dat uitgangspunt kan mede worden aanvaard omdat de strafrechter kan aannemen dat de betrokken rechtspersoon in het kader van civiele procedure in elke aanleg (ook al is het maar bij één aanleg gebleven) een eerlijk proces heeft gehad volgens de regels van BRv en/of art. 6 EVRM en dat de rechtspersoon bovendien gebruik heeft kunnen maken van de rechtsmiddelen waarin BRv voorziet.”

160 Zie bijv. Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 26, onder verwijzing naar Koornstra e.a. 2019, p. 476: “Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het «in de lucht» houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon.”

161 De vergelijking die het onderdeel maakt tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon, waarbij de ontbinding van de rechtspersoon moet worden gezien als “straf(bedreiging” die zou neerkomen op “het van overheidswege doden van die persoon”, of “toch tenminste op het permanent geïsoleerd opsluiten van die persoon”, gaat hier mank.

162 Iets anders, los van civielrechtelijke ontbinding, is dat, mocht blijken dat sprake is van onrechtmatig verkregen activa (als gevolg van strafbare feiten), er ten aanzien van die activa geen rechtens te respecteren aanspraken kunnen bestaan van de voormalige leden van de verboden verklaarde en ontbonden vereniging. Zie in deze zin bijv. Rb. Noord-Nederland 7 juni 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2445, rov. 3.44. Zie hierover ook J.G. Brouwer & J. Koornstra in nr. 13 bij AB 2020/35: “De Plukze-wetgeving biedt hier inderdaad perspectief”.

163 Vgl. bijv. ook EHRM 3 oktober 2000, ECLI:CE:ECHR:2000:1003DEC004134098.

164 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 2, p. 2.

165 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 25.

166 Zie ook het antwoord van de minister op p. 10 van de (onopgemaakte, zie noot 108) nota naar aanleiding van het verslag op vragen van de leden van de VVD-fractie of het gelet op de ernst en de gevolgen van de verbodenverklaring niet logischer zou zijn om een batig saldo van rechtswege aan de Staat te doen toekomen: “Nu is het zo dat de vereffenaar van een ontbonden rechtspersoon het eventuele batig saldo van die rechtspersoon uitkeert aan een statutair bepaald doel of, bij gebreke daarvan, de leden of de aandeelhouders (art. 2:23b lid 1 BW). Het statutaire doel van een verbodenverklaarde rechtspersoon kan een alleszins legitiem doel zijn, ongeacht de feitelijke werkzaamheden. Hebben de feitelijke werkzaamheden uiteindelijk tot een verbodenverklaring geleid, dan is het niet onredelijk dat het batig saldo ten goede komt aan zo’n statutair doel. Daarmee verdraagt zich niet een van rechtswege toekenning aan de Staat.”

167 Zie o.a. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, rov. 3.3.2: “Op grond van art. 2:19 lid 6 BW houdt een ontbonden rechtspersoon in geval van vereffening van haar vermogen eerst op te bestaan op het tijdstip dat de vereffening eindigt (HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762, NJ 2013/59).” Ik wijs erop dat blijkens art. 2:23c lid 1 BW de ontbonden rechtspersoon nadat deze is opgehouden te bestaan kan ‘herleven’, zij het “uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening”.

168 EHRM 22 februari 2011, ECLI:NL:XX:2011:BQ7238, RvdW 2012/486.

169 M.J. Kanne in nr. 6 bij EHRC 2011/93. Zie over deze uitspraak bijv. ook Schild 2012, nr. 7.2 en Koornstra e.a. 2019, p. 80-81 en p. 329-330.

170 Terzijde: zie in dit verband rov. 13 en 15.1-15.4 van het hof.

171 Voor zover het onderdeel vooruit zou lopen op onderdeel B en/of onderdeel C (vgl. de derde alinea op p. 7 van het Verzoekschrift tot cassatie, in het bijzonder de slotzin beginnend met “Net zo min kan”, etc.), verwijs ik naar de behandeling daarvan onder 2.28-2.31) waaruit blijkt dat ook die onderdelen falen.

172 Het onderdeel verwijst naar “(Asser Procesrecht, Asser 3 2013, nummer 102)”, dat wil kennelijk zeggen Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Bewijs (3), Deventer: Kluwer 2013, nr. 102. Dit is overigens niet de laatste druk, dat is Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Bewijs (3), Deventer: Wolters Kluwer 2017.

173 Asser Procesrecht/Asser 2013, nr. 102.

174 Asser Procesrecht/Asser 2013, nrs. 100-101. Zie ook Asser Procesrecht/Asser 2017, nrs. 100-102.

175 Net zomin als het OM, zie onder 2.2.3 van het Verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep, mede verwijzend naar G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (actueel t/m 1 september 2019), art. 149 Rv, aant. 4.1. Overigens wijst het OM er terecht nog op onder 2.2.4, en onder verwijzing naar HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706, RvdW 2011/1422 (zie rov. 3.5.1), dat, kort gezegd, het de rechter vrijstaat om aan het niet voldoen aan de in art. 21 Rv bedoelde verplichting de gevolgen te verbinden die hij geraden acht. Daar overweegt de Hoge Raad: “De onderdelen (…) klagen dat het hof bij zijn beslissingen (…) met betrekking tot het (geleverd zijn van het) bewijs van de gestelde wanprestatie art. 21 en 22 Rv heeft miskend door niet (ambtshalve) gemotiveerd aan de, volgens ISG c.s., weigerachtige en nalatige proceshouding van Meropa c.s. en Fyffes nadelige gevolgen te verbinden voor de procespositie van die partijen. De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Het staat de rechter vrij om aan het niet voldoen aan de in art. 21 en 22 Rv bedoelde verplichtingen de gevolgen te verbinden die hij geraden acht. In cassatie kan niet erover worden geklaagd dat het hof niet (ambtshalve) aan de proceshouding van Meropa c.s. en Fyffes de gevolgen heeft verbonden die ISG c.s., voor het eerst in cassatie, hebben bepleit”. [curs. toegevoegd, A-G]

176 Vgl. HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, rov. 3.2.6.

177 Zie bijv. Asser Procesrecht/Asser 2013 nr. 101, alsook Asser Procesrecht/Asser 2017, nr. 101.

178 Daarbij overweegt het hof onder meer, volgend op de vaststelling dat Satudarah niet (voldoende gemotiveerd) heeft aangevoerd dat zij aan de hand van de stukken niet in staat was gebeurtenissen die door de rechtbank zijn vastgesteld te weerspreken, dat het enkele gegeven dat Satudarah geen toegang heeft tot de justitiële documentatiesystemen daarvoor niet voldoende is: “(…) de weergave van de feiten door het OM bevat voldoende aanknopingspunten om op zijn minst zodanig verweer te voeren dat de stellingen van het OM in twijfel zouden moeten worden getrokken en het OM met nader bewijs zou dienen te worden belast”.

179 Daarbij heeft het hof, mede gelet op rov. 11.3, onderkend dat een in kracht van gewijsde gegaan en op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan (waarover de rechtbank in rov. 2.16, waarnaar het hof ook verwijst in rov. 11.5 en 13) in de onderhavige procedure reeds dwingend bewijs oplevert van dit feit.

180 Zie daarover bijv. Asser Procesrecht/Asser 2013, nrs. 101-102, alsook Asser Procesrecht/Asser 2017, nrs. 101-102.

181 Het onderdeel verwijst naar het Hoger beroepschrift alsmede verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zijdens Satudarah van 10 september 2018, p. 14-15 (toelichting op grief 4), in het onderdeel weergegeven onder a t/m c.

182 Zie over dat begrip bijv. ook Asser Procesrecht/Asser 2013, nr. 103, alsook Asser Procesrecht/Asser 2017, nr. 103.

183 Zie bijv. Asser Procesrecht/Asser 2013, nr. 104, alsook Asser Procesrecht/Asser 2017, nr. 104, waaruit naar voren komt dat voor het gebruik maken van deze bevoegdheid met name aanleiding bestaat als de rechter in hetgeen ten processe is gebleken aanleiding vindt inbreuk op dwingende rechtsregels te vermoeden.

184 Zie in dit verband ook hetgeen het OM opmerkt onder 2.3.6, tweede t/m vierde zin van het Verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep.

185 Zie in dit verband ook hetgeen het OM opmerkt onder 2.3.6, eerste zin van het Verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep, erop neerkomend dat het onderdeel miskent “dat het hof niet heeft vastgesteld dat in de gevallen waarin (nog) geen sprake was van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling, sprake is geweest van het begaan van strafbare feiten, laat staan door een specifieke persoon. Zie dus in het bijzonder rov. 11.3, 11.5 en 13 van het hof.

186 Overigens wijst het OM er onder 2.3.3 van het Verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep terecht op, dat het onderdeel geen vindplaatsen vermeldt waar door Satudarah een beroep is gedaan op deze in art. 149 lid 1, slot Rv genoemde uitzondering.

187 Hoger beroepschrift alsmede verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zijdens Satudarah van 10 september 2018, p. 14-15 (toelichting op grief 4).

188 Verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijdens het OM, onder 1.8. Vgl. HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, rov. 3.6.2: “Het hof heeft geoordeeld dat de lokale Nederlandse chapters zijn aan te merken als informele verenigingen. (…) Dit oordeel van het hof is feitelijk, en voldoende begrijpelijke gemotiveerd.”

189 Zie Reactie naar aanleiding van verweerschrift van OM met één bijlage zijdens Satudarah van 1 april 2019, p. 1: “Voordat tot de bespreking van de reactie van het openbaar ministerie van de grieven wordt overgegaan, dient eerst het navolgende worden opgemerkt.”

190 Reactie naar aanleiding van verweerschrift van OM met één bijlage zijdens Satudarah van 1 april 2019, p. 2-4.

191 Hof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10865.

192 Verweerschrift met bijlagen zijdens het OM van 25 februari 2019, onder 2.2.

193 Zie Verzoekschrift ex art. 2:20 BW, p. 10, onder 3.1 en onder 3.14.

194 Verzoekschrift ex art. 2:20 BW, onder 3.4.

195 Verzoekschrift ex art. 2:20 BW, onder 3.7.

196 Verzoekschrift ex art. 2:20 BW, onder 3.7.

197 Verzoekschrift ex art. 2:20 BW, onder 3.8-3.9.

198 Verzoekschrift ex art. 2:20 BW, onder 3.10-3.11

199 Verzoekschrift ex art. 2:20 BW, onder 3.12-3.13.

200 Ook het OM betrekt dit, blijkens 3.1-3.3 van het Verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep (met name onder 3.2), niet op hetgeen het hof overweegt in rov. 12.1 omtrent het verzoek van het OM en de verschillende chapters. Dat is ook logisch, omdat de overwegingen van het hof in rov. 12.2-12.3 betrekking hebben op hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld (over de individuele chapters als onderdeel van één en dezelfde informele vereniging, Satudarah), in welk verband ook die stelling van Satudarah op p. 4 van de pleitnota in hoger beroep moet worden bezien.

201 Zoals de rechtbank overweegt in rov. 2.4, heeft Satudarah wel weersproken “dat de support clubs onderdeel zijn van de vereniging waartegen het verzoek van het OM is gericht” en zal de rechtbank in rov. 2.36-2.38 aandacht besteden aan “de positie van de support clubs”, waaruit volgt dat de rechtbank “Supportcrew 999 en Saudarah [wel] ziet (…) als onderdeel van Satudarah. Dat betekent dat de verbodenverklaring en ontbinding ook deze onzelfstandige onderdelen van de informele vereniging Satudarah treft.” Dit laatste laat zien dat de rechtbank ook de chapters als onzelfstandige onderdelen van de informele vereniging Satudarah beschouwt, maar daarbij in rov. 2.3 niet ook het woord “onzelfstandig” heeft gebruikt gelet op het niet betwist zijn door Satudarah van dat standpunt van het OM, zoals het hof dus memoreert in rov. 12.2. Dit verklaart ook het dictum van de beschikking in eerste aanleg, onder rov. 3.1-3.2. Zie ook het opgemerkte onder 2.37-2.38. Ik wijs ook op de partijweergave door het hof in zijn beschikking, waar naast Satudarah (“de informele vereniging Satudarah Motorcycle Club”) alleen Yellow Snakes als aparte vereniging staat vermeld (“de door de rechtbank niet als onzelfstandige supportclub aangemerkte vereniging Yellow Snakes MC”), en rov. 17.1-17.2 inzake Saudarah en Supportcrew 999 (waar het hof onder meer overweegt dat “het [erom] gaat of de support clubs deel uitmaken van Satudarah en daarom ook door een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah worden getroffen”, en dat de door het hof genoemde “feitelijke omstandigheden [er op] duiden dat de supportclubs Saudarah en Supportcrew 999 onderdeel uitmaken van Satudarah en geen zelfstandige positie innemen. Zij worden dus ook geraakt door een verbodenverklaring en een ontbinding van Satudarah”).

202 Ook het OM heeft dergelijke klachten niet kunnen ontwaren, mede gelet op 3.1-3.3 van het Verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep.

203 Ten overvloede merk ik verder het volgende nog op. Satudarah heeft zich bij die stelling op p. 4 van haar pleitnota in hoger beroep kennelijk laten inspireren door de beschikking van het hof in de Bandidos-zaak, waarin het hof overwoog dat de chapters van die OMG, voor zover het hof in die zaak heeft kunnen oordelen, zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid waren. De onderhavige zaak verschilt op belangrijke punten van de Bandidos-zaak, nu in de onderhavige zaak: het standpunt van het OM dat sprake is van één rechtspersoon, een informele vereniging (Satudarah), waarvan de chapters en twee van de supportclubs (Saudarah en Supportcrew 999) deel uitmaken, niet tijdig is betwist; de afdelingsverhouding niet in het midden is gelaten; en is vastgesteld dat de chapters als lokale afdelingen (en Saudarah en Supportcrew 999) onderdeel vormen van die informele vereniging en als zodanig door de verbodenverklaring en ontbinding worden getroffen. Anders dan het hof in de Bandidos-zaak oordeelde, heeft het hof in navolging van de rechtbank in de onderhavige zaak dus geoordeeld dat de chapters (en Saudarah en Supportcrew 999) geen eigen rechtspersoonlijkheid (als informele verenigingen) bezitten. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de chapters geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten, is het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht van een rechtspersoon om zich in rechte te kunnen verdedigen tegen een verzoek van het OM dat mede rechtsgevolg kan hebben voor zijn eigen voortbestaan (vgl. rov. 3.4.3 van de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad, weergeven onder 2.21) hier niet in het geding. Dat blijkt in de onderhavige zaak overigens ook uit het feit dat Yellow Snakes zich daarin als rechtspersoon (een zelfstandige “vereniging”, zoals het hof haar duidt), die naar het oordeel van zowel de rechtbank als het hof geen onderdeel uitmaakt van Satudarah, succesvol heeft kunnen (doen) verweren tegen het verzoek van het OM (zie ook onder 2.33).

204 Reactie naar aanleiding van verweerschrift van OM met één bijlage zijdens Satudarah van 1 april 2019, p. 28-33.

205 HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, rov. 3.5-3.10.

206 Hoger beroepschrift alsmede verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zijdens Satudarah van 10 september 2018, p. 18.

207 Verweerschrift met bijlagen zijdens het OM van 25 februari 2019, onder 2.49-2.64 (p. 21-27).

208 Voor zover de klacht ervan zou uitgaan dat het hof nog weer verdergaande gevolgen van verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah had moeten vaststellen dan het doet in rov. 16.2-16.4, geeft dat blijk van een onjuiste rechtsopvatting en te hoge motiveringseisen.

209 Overigens is het beoordelen van de effectiviteit van een verbodenverklaring via het strafrecht primair een taak voor de wetgever, in welk verband ik wijs op het wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (zie onder 2.17-2.22). Ik breng verder in herinnering dat wanneer de rechter vaststelt dat de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde, hij verbodenverklaring en ontbinding niet achterwege mag laten (zie onder 2.8). De rechter heeft na de wetswijziging van 1988 dus niet meer, zoals het geval was in de NVU-zaak (zie onder 2.7), een discretionaire bevoegdheid om bijvoorbeeld alleen de verbodenverklaring of alleen de ontbinding uit te spreken. Zie bijv. ook P. van Schilfgaarde in nr. 2 bij NJ 2009/396.

210 Wat het onderdeel bedoelt met de derde alinea op p. 14 van het Verzoekschrift tot cassatie, beginnend met “Immers, door”, etc., is mij niet duidelijk. Wat daarvan zij, tot een terecht voorgestelde klacht over de wijze waarop het hof in rov. 16.1-16.5 is ingegaan op die “vraag” (waarmee het onderdeel doelt op de in de tweede alinea op p. 14 van het Verzoekschrift tot cassatie weergegeven vraag, die het hof behandelt in rov. 16.5) kan dit hoe dan ook niet leiden, gelet op het voorgaande.

211 Handelingen I 1987/88, 15 maart 1988, p. 599. Zie ook het Verweerschrift zijdens Satudarah van 23 april 2018, p. 87, waarover ook het Verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijdens het OM, onder 5.1.8. Deze passage is opgenomen in hoofdstuk 12 van het Verweerschrift zijdens Satudarah van 23 april 2018 en niet hoofdstuk 14, zoals in het kader van grief 6 is vermeld in het Hoger beroepschrift alsmede verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zijdens Satudarah van 10 september 2018, p. 17-18.

212 Reactie naar aanleiding van verweerschrift van OM met één bijlage zijdens Satudarah van 1 april 2019, p. 28-33, onder verwijzing naar Handelingen II 1986/87 (22 september 1986), p. 22. Zie hierover ook het Verweerschrift zijdens Satudarah van 23 april 2018, p. 89.

213 Zie hierover ook de conclusie van A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2019:1163) voor HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, onder 3.32-3.34, met verwijzingen.

214 Zie ook HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, RvdW 2020/580, rov. 3.4.4.

215 Verweerschrift met bijlagen zijdens het OM van 25 februari 2019, onder 2.51.

216 Over dit laatste is zijdens het OM, blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 15 april 2019, p. 3, zakelijk weergegeven als volgt verklaard “op de vraag vanuit het hof of er na de uitspraak van de rechtbank van 18 juni 2018 minder incidenten zijn met motorclubs: de gemonitorde personen zijn personen die lid waren van Satudarah c.s. Voorts zijn de activiteiten van andere OMG’s in de gaten gehouden”. Een reactie daarop zijdens Satudarah tijdens die mondelinge behandeling valt (ook) in dat proces-verbaal niet te ontwaren.

217 2de aanvulling verzoekschrift ex art. 2:20 BW, inleiding, p. 4-5, opgenomen als bijlage bij het Verweerschrift met bijlagen zijdens het OM van 25 februari 2019.

218 Reactie naar aanleiding van verweerschrift OM met één bijlage zijdens Satudarah van 1 april 2019, p. 30-31.

219 Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5, p. 4.

220 Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 8 mei 2018, p. 2.

221 Verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel hoger beroep zijdens Yellow Snakes van 25 februari 2019, p. 12-13, onder verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10865, rov. 5.

222 Hof Arnhem-Leeuwarden 18 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10865, rov. 4.38.

223 Daarbij wijst het middel erop dat dergelijk bestuursrechtelijk optreden ook daadwerkelijk plaatsvindt naar aanleiding van de verbodenverklaring van “Satudarah en andere 1%-MC’s”. De betrokkenen kunnen daartegen in voorkomend geval desgewenst bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aanwenden, aldus nog steeds het middel.

224 Het middel verwijst ter onderbouwing van het belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring van Satudarah naar het Verweerschrift met bijlagen zijdens het OM van 25 februari 2019, onder 2.97, waarin o.a. wordt opgemerkt: “Het belang aan de zijde van het Openbaar Ministerie is (…) evident: met een uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan direct een halt worden toegeroepen aan de schadelijke werkzaamheid van Satudarah, haar chapters, support clubs en leden”, en het Verweerschrift in het incident tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zijdens het OM van 10 oktober 2018, onder 3.3-3.6. Onder 3.4 valt aldaar o.a. te lezen: “Het belang bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad weegt dan ook zwaar, omdat daarmee een halt wordt toegeroepen aan de schadelijke werkzaamheid van Satudarah, haar chapters, supportclubs en leden”.

225 Die mogelijkheid wordt ook in de literatuur onderkend. Zie o.a. Asser/Kroeze 2015, nr. 389, met verwijzingen.

226 Uitvoerbaarverklaring bij voorraad wil zeggen dat de beschikking onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd, ongeacht een daartegen aangewend rechtsmiddel zoals hoger beroep, maar die onmiddellijke werking blijft in die zin voorlopig, dat de beschikking pas definitief wordt wanneer zij in kracht van gewijsde is gegaan. Zie hierover bijv. L.M.H.A.A. Hennekens in nr. 3 bij JBPR 2013/47.

227 Zie Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 8 (alinea 25). Zie naast alinea 25 ook p. 11 (alinea 38): “Het is, blijkens alinea 25, niet nodig om een uitzondering te bepalen op artikel 429k Rv., dat in uitvoerbaarverklaring bij voorraad voorziet”, en p. 20 (alinea 82): “Mocht de rechter een verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad verklaren, dan kan dat dus geen strafbaarheid meebrengen.”

228 Vgl. bijv. HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45, rov. 3.6.2.

229 Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5-7, p. 8 (alinea 25).

230 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 3, p. 22.

231 Zie ook J.G. Brouwer & J. Koornstra in nr. 7 bij AB 2020/80. Zie ook rov. 6 van de beschikking van 4 december 2018 in het incident tot schorsing, waarin het hof verwijst naar wetsgeschiedenis waaronder Kamerstukken II 1984/1985, 17475, 5, p. 8 als door het hof aldaar ook geciteerd.

232 De mogelijkheid van civielrechtelijk optreden (“namelijk uitvoering van de beslissing tot ontbinding”) heeft het hof niet miskend getuige rov. 18.2, aldus het middel onder 7.2. Het middel richt zich daarmee naar ik begrijp op de mogelijkheid van bestuursrechtelijk optreden, zoals het middel met de verwijzing naar daadwerkelijk bestuursrechtelijk optreden naar aanleiding van “de verbodenverklaring van Satudarah en andere 1%-MC’s” ook benadrukt.

233 Dit laatste is door het OM in de in het middel genoemde vindplaatsen (zie noot 224 hiervoor) niet noemenswaardig uitgewerkt. Daarin kan ik niet lezen dat en waarom precies uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een verbodenverklaring noodzakelijk zou zijn om op een bepaalde wijze bestuursrechtelijk te kunnen optreden. Hetzelfde geldt voor het middel, waarin (zie onder 7.3) ook naar die vindplaatsen wordt verwezen. Daaraan heeft het hof dan ook kunnen voorbijgaan zoals het heeft gedaan in rov. 18.1-18.3.

234 Ook op dat punt (zie tevens de vorige noot) valt in het middel niet te lezen dat en waarom precies dit anders zou zijn, mocht het OM daarop al het oog hebben gehad. Hetzelfde geldt voor de in noot 224 hiervoor genoemde vindplaatsen. Daaraan heeft het hof dan ook kunnen voorbijgaan zoals het heeft gedaan in rov. 18.1-18.3.

235 Kamerstukken II 2019/20, 35366, 1-3.

236 Gelet daarop kan ik laten rusten of Satudarah wel belang heeft bij klacht 5 (die naar de kern genomen ziet op Yellow Snakes) en Yellow Snakes wel belang heeft bij klachten 1 t/m 4 (die naar de kern genomen zien op Satudarah).

237 Gelet daarop kan ik laten rusten of het OM wel belang heeft bij zijn klachten, nu ik concludeer tot verwerping van het (principale) cassatieberoep van Satudarah en Yellow Snakes, waarmee de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah als bekrachtigd door het hof in zijn beschikking onherroepelijk zou worden en de kwestie van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring daarmee voor in te zetten bestuursrechtelijk optreden hier hoe dan ook niet meer zou spelen. Waarom dit hier voor reeds ingezet bestuursrechtelijk optreden wel op relevante wijze zou (kunnen) spelen, is door het OM in cassatie niet noemenswaardig uiteengezet. Zie nader Asser Procesrecht/E. Korthals Altes & H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (7), Deventer: Kluwer 2015, nrs. 47-50 (in nr. 48 mede over het ontbreken van belang in geval een klacht ziet op het enkele verkrijgen van een principiële uitspraak in een hogere instantie).