Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:587

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2020
Datum publicatie
18-06-2020
Zaaknummer
18/05561
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1376
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG naar aanleiding van bewijsklacht medeplegen aanwezig hebben heroïne in een woning, art. 2 onder C Opiumwet. Kon verdachte worden aangemerkt als ‘feitelijke gebruiker’ van de woning zodat de aangetroffen heroïne zich in zijn machtssfeer bevond en hij wetenschap daarvan moet hebben gehad? AG concludeert dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed en adviseert de Hoge Raad het bestreden arrest te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05561

Zitting 16 juni 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1.

De verdachte is bij arrest van 29 maart 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van feit 1 en in het tweede middel wordt geklaagd over de overschrijding van de inzendtermijn.

1.3.

Voordat ik de middelen bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring van feit 1 weer en de bewijsvoering waarop deze berust.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 15 maart 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1487,4 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst”

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen1:

“1. Het proces-verbaal van politie nummer 0703152200.DZK (pagina 123 e.v. van het dossier), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 15 maart 2017 bevond ik mij samen met hoofdagent van politie [verbalisant 1] en de inspecteur van politie [verbalisant 2] in de woning [a-straat 1] te Rotterdam. Wij waren daar binnengetreden op grond van de Opiumwet die dag omstreeks 17:10 uur.

Aan het eind van de woonkamer aan de linkerzijde gezien vanaf de voordeur was de toegang naar het balkon. In deze ruimte stond ook een inbouwkast. De deur van deze kast was geopend. Wij zagen dat in deze kast een boodschappenkar en een pers stond. Ambtshalve is bekend dat deze persen gebruikt worden bij het verpakken van verdovende middelen.

Door de rechter-commissaris [betrokkene 1] werd de doorzoeking die dag geopend. In de inbouwkast tegenover de balkondeur werd een pers met attributen aangetroffen (A3.1.5). In een plastic tas in deze kast zaten twee zakken met bruin poeder (A3.1.4 en A3.1.3). Deze goederen werden inbeslaggenomen.

2. De kennisgeving van inbeslagneming nummer PL 1700-2016405040-26 (pagina 133 e.v. van het dossier), inhoudende:

Inbeslagneming

Plaats : [a-straat 1], [postcode] Rotterdam

Datum : 15 maart 2017

Goednummer : PL1700-2016405040-5347398

Object : Verdovende mid

Merk/type : A3.1.3

Kleur : Bruin

3. Het proces-verbaal van politie nummer PL1700-2016405040-55 (pagina 180 e.v. van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Op 16 maart 2017 ontvingen wij van de afdeling Sporenbeheer van de Forensische Opsporing, Eenheid Rotterdam de volgende stukken van overtuiging (SVO’s), met het verzoek deze te onderzoeken op de aanwezigheid van verdovende middelen:

BVH-goednummer SVO Omschrijving SVO

2016405040-5347398 Plastic zak met 3 plastic zakken bruin poeder

Resultaten:

BVH goednummer SVO Netto inhoud SVO

2016405040-5347398 1487,4 gram

Op 24 maart 2017 hebben wij van SVO voorzien van goednummer 2016405040-5347398 een monster genomen. Deze hebben wij veiliggesteld en voorzien van SIN AAKG3762NL.

4. Een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 6 april 2017, nummer 2017.03.30.019 (aanvraag 002), opgemaakt door [betrokkene 2] (pagina 230 e.v. van het dossier), inhoudende:

Vraagstelling: Bevat het onderzoeksmateriaal een veelvoorkomende drug (amfetamine, cocaïne, heroïne, MDMA, GHB, metamfetamine, 2C-B, hasjiesj, hennep en LSD)?

Resultaten en conclusie:

Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en conclusie

Kenmerk Omschrijving Conclusie

AAKG3762NL monster beige poeder en brokjes bevat heroïne

5. Het proces-verbaal van politie nummer 1703151355.OBS (pagina 113 t/m 116 van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Alle in dit verbaal genoemde tijden hebben betrekking op 15 maart 2017.

Omstreeks 10:00 uur-17:15 uur [verbalisant 3], cameratoezicht

Ik, verbalisant [verbalisant 3] heb in verband met bovenstaand onderzoek plaatsgenomen bij de dienst Regionale Cameratoezicht aan [b-straat 1] te Rotterdam om camerabeelden live uit te kijken. Het live uitkijken van de camerabeelden ving aan op woensdag 15 maart 2017 te 10:00 uur en werd die dag omstreeks 17:15 uur beëindigd. Er was in onder andere de navolgende gebieden te Rotterdam camera's geplaatst, te weten; [a-straat].

Ik had de navolgende camera tot mijn beschikking: Camera 9079 Dit betreft de camera gesteld op de [c-straat]. Hiermee kon de voordeur van de woning [a-straat 1] vrij en onbelemmerd worden geobserveerd.

Omstreeks 14:55 uur - 16:20 uur [verbalisant 3]

Ik zag dat er vanaf de zijde [d-straat] aan het [a-straat] te Rotterdam een tweetal mannen van vermoedelijk Noord Afrikaanse afkomst de galerij van de eerste (1e) verdieping op kwamen lopen. Ik weet dat op deze verdieping de woning met het pandnummer [a-straat 1] gevestigd is. Ik herkende de man die voorop liep als zijnde [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum]-1978. Van de tweede man had ik het vermoeden dat deze man [verdachte] , geboren op [geboortedatum]-1989, was. Ik heb vervolgens, via de supervisor bij Cameratoezicht, de beelden bekeken en via mijn diensttelefoon een foto van die tweede (2e) man genomen. Ik heb vervolgens die foto verspreid onder de leden van team Ondermijning Zuid. Ik hoorde dat [verbalisant 4] en [verbalisant 5] de tweede (2e) man herkenden als [verdachte] . Ik zag dat [betrokkene 3] door middel van gebruikmaking van een sleutel de voordeur van het pand aan het [a-straat 1] te Rotterdam opende en dat hij samen met [verdachte] naar binnen ging.

Omstreeks 16:30 uur -16:40 uur [verbalisant 5], [verbalisant 6], [verbalisant 4]. [verbalisant 7], [verbalisant 8], Team Parate Eenheid (TPE)

Ik, verbalisant [verbalisant 5], zag de Citroën met daarin twee (2) personen, rijden vanaf de [c-straat] in de richting van de [e-straat]. Ik, verbalisant [verbalisant 5] herkende de bestuurder als [betrokkene 3]. Wij zagen vervolgens dat de Citroën vanaf de [f-straat] de [g-straat] op rijdt. Wij zagen dat [betrokkene 3] en [verdachte] door de politieambtenaren van het Team Parate Eenheid van de politie Rotterdam op de [g-straat] worden aangehouden. Vervolgens wordt de Citroën ter plaatse op de [g-straat] in beslag genomen.

Omstreeks 16:55 -17:15 uur [verbalisant 3]

Ik zag dat politieambtenaren van het Team Parate Eenheid van de politie Rotterdam de galerij van de eerste(1e) verdieping opliepen, middels de zogeheten ram de voordeur van pand [a-straat 1] openden en naar binnen gingen.

6. Het proces-verbaal van politie nummer 1706140910.AMB (pagina 350 van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 15 maart 2017 te 14:58 uur zag ik, verbalisant [verbalisant 3], middels daarvoor bestemde camera's, dat de mij ambtshalve bekende [betrokkene 3], [geboortedatum]-1978, samen met [verdachte] , [geboortedatum]-1989, door middel van gebruikmaking van een sleutel de voordeur opende en de woning [a-straat 1] te Rotterdam binnen ging. Ik zag dat diezelfde [betrokkene 3] en [verdachte] op 15 maart 2017 te 16:27 uur het pand verlieten.

Ik heb de observatie op het pand [a-straat 1] op woensdag 15 maart 2017 omstreeks 10:00 uur en beëindigde de observatie op woensdag 15 maart 2017 omstreeks 17:15 uur. Ik heb tussen de tijdstippen 10:00 uur en 17:15 uur geen andere mensen dan [betrokkene 3] en [verdachte] de voordeur van de woning aan het [a-straat 1] te Rotterdam in, dan wel, uit zien gaan. Als er in de tijden gelegen tussen begintijd observatie en eindtijd observatie andere personen, dan [betrokkene 3] en [verdachte] de voordeur van de woning aan het [a-straat 1] te Rotterdam in dan wel uit waren gegaan, dan had ik dat zeker gezien.

7. Het proces-verbaal van politie nummer 1703181437.AMB (pagina 188 e.v. van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Aanhouding verdachten

Op 15 maart 2017 zijn de verdachten [verdachte] en [betrokkene 3] buiten heterdaad aangehouden als verdacht van overtreding van artikel 2/10 Opiumwet.

Sleutels

Tijdens de insluitingsfouillering van [betrokkene 3] werd bij hem een sleutelbos met meerdere sleutels in beslag genomen.

Onderzoek sleutels

Gedurende het onderzoek Palmtortel zijn diverse locaties en woningen in beeld gebracht die door [verdachte] en/of [betrokkene 3] werden gebruikt. Op 16 maart 2017 hebben wij de eerder genoemde, onder de verdachte, in beslag genomen sleutels gepast op de desbetreffende portiekdeur(en) en de voordeur(en) van genoemde woningen.

[a-straat 1]

Aan de sleutelbos van [betrokkene 3] kon met één van de sleutels (NEMEF) de centrale portiekdeur worden geopend. Met de andere sleutel (WINKHAUS) aan genoemde sleutelbos kon de voordeur van de woning [a-straat 1] te Rotterdam worden geopend.

8. Het proces-verbaal van politie nummer PL1700-2016405040-41 (pagina 185 e.v. van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 16 maart 2017 heb ik een onderzoek ingesteld in een personenauto van het merk Citroën, type DS4, kleur zwart, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1]. Genoemde Citroën bleek ten naam gesteld van: [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats]. Op 15 maart 2017 is deze Citroën DS4 in beslag genomen.

Er werd een drietal Nokia telefoons aangetroffen in het portier aan de bestuurderszijde. Deze zijn door mij voor onderzoek in beslag genomen.

Goed(eren): geluid en beeldapp/drager, communicatieap (Telefoon), Nokia Rm-908, registratienummer [001].

9. Het proces-verbaal van politie nummer 1703171406.OIG (pagina 288 e.v. van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 17 maart 2017 stelde ik een onderzoek in aan een in beslag genomen goed, een mobiele GSM telefoon, als nader omschreven. Deze mobiele telefoon was voorzien van het goednummer 5347666 en volgens opgave van de aanvrager in gebruik bij [betrokkene 3].


Omschrijving mobiele telefoon

Merk Nokia

Type 105/RM908

Imei-code [001]

Telefoonnummer [telefoonnummer]

10. Het proces-verbaal van politie nummer 1704061315.V (pagina 223 e.v. van het dossier) inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

Ik woon op het adres [a-straat 1].

Ik huur die woning sinds één jaar van de Woonbron.

V: Wie maakten er nog meer gebruik van de woning aan het [a-straat 1] te Rotterdam?

A: Ik heb iemand leren kennen die ik via een vriend van mij heb leren kennen. Dit was een Marokkaan. In november 2016 kwam die Marokkaan naar mij toe. Hij had een woning nodig.

V: Hoe heette die Marokkaan?

A: Hij heette [betrokkene 3].

V: Heeft u de woning aan het [a-straat 1] aan hem verhuurd?

A: Ik heb die woning niet aan hem gegeven, maar ik heb hem die woning laten gebruiken.

V: Heeft u het telefoonnummer van [betrokkene 3]?

A: Ja dat is [telefoonnummer].


11. Het proces-verbaal van politie nummer 1704251000.AMB (pagina 301 e.v. van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisant:

Verhoor bewoner [a-straat 1] te Rotterdam

De hoofdbewoner van de woning aan het [a-straat] bleek volledig te zijn genaamd; [betrokkene 4], geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats].

[betrokkene 4] verklaarde dat hij zijn woning ter beschikking had gesteld aan een persoon die hij kende als “[betrokkene 3]”. Deze “[betrokkene 3]” maakte gebruik van het volgende telefoonnummer: [telefoonnummer].

Vergelijking telefoonnummers met uitgelezen mobiele telefoons

Het opgegeven telefoonnummer Van [betrokkene 3], zijnde [telefoonnummer] komt voor in de uitgelezen telefoon die bij [betrokkene 3] in beslag is genomen. Dit nummer is het telefoonnummer van de simkaart die in de Nokia 105 zat van [betrokkene 3].

12. Het proces-verbaal van politie nummer 1705051110.VH (pagina 304 e.v. van het dossier) inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

V: Ik ga u nu een foto tonen van één van de verdachten die door ons zijn aangehouden.

A: De man die op die foto staat is de vriend waaraan ik de woning aan het [a-straat 1] in bruikleen heb gegeven. Dat weet ik voor 100% zeker.


Opmerking verbalisant:

Ik toonde aan de verdachte een foto van [betrokkene 3], [geboortedatum] 1978.

13. Het proces-verbaal van politie nummer PL 1700-2016405040-1 (pagina 1 e.v. van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Op 13 december 2016 omstreeks 20:30 uur zag ik, verbalisant [verbalisant 9], een auto rijden van het merk Citroën, type Ds4, kleur zwart en voorzien van een Frans kenteken te weten: [kenteken 2] op de Reyerdijk te Rotterdam.

Ik zag dat de Citroën midden op de rijbaan bleef stilstaan op de [h-straat]. Voorts zag ik dat de mannen in de Citroën contact maakte met de inzittenden van een auto. Deze auto was van het merk Seat, type Ibiza, kleur zwart en voorzien van het kenteken [kenteken 3]. Ik zag dat inzittenden van de Citroën en de Seat beiden in de auto's bleven zitten terwijl zij door het raam in gesprek waren met elkaar. Het contact wat zij met elkaar hadden duurde ongeveer twee minuten. Vervolgens zag ik dat de Seat voorop ging rijden gevolgd door de Citroën.

Ik zag dat de Seat voorop bleef rijden en dat de Citroën er kort achter bleef rijden kennelijk om elkaar niet kwijt te raken.

Aangekomen op de [i-straat] zag ik, verbalisant [verbalisant 10], dat de genoemde Seat en Citroën geparkeerd stonden in een parkeervak. Voorts zag ik dat bij de Citroën twee mannen stonden, nader te noemen als NN1 en NN2. Ik zag dat in de Seat Ibiza geen personen meer zaten.

Tussen de [j-straat] en het [a-straat] is een flat gelegen. Ik zag dat NN1 en NN2 naar een portiek liepen die toegang geeft tot de genoemde flat. De ingang van dit portiek zit aan de [j-straat]. Ik zag bij het portiek nog een tweetal mannen staan. Nader te noemen in het proces-verbaal als NN3 en NN4. Ik zag dat NN1, NN2, NN3 en NN4 contact met elkaar hadden voor het genoemde portiek. Het portiek is een afgesloten portiek die te openen is middels een sleutel. Ik zag dat NN1, NN2, NN3 en NN4 het portiek betraden.

Wij zagen dat NN3, NN4, NN1 en NN2 op de eerste etage voor een woning bleven staan. Ik, verbalisant [verbalisant 9], zag dat NN3 voor de voordeur ging staan van deze woning waarna deze openging. Ik, verbalisant [verbalisant 11], zag dat NN3 met een sleutel de voordeur heeft geopend. Wij zagen vervolgens dat NN3, NN4, NN1 en NN2 naar binnen liepen waarna de voordeur werd gesloten. Ik, verbalisant [verbalisant 10], ben vervolgens langs de woning gelopen waar zij naar binnen liepen. Ik zag dat aan de gevel een bordje met de nummer [a-straat 1] was bevestigd. De woning waar NN1, NN2, NN3 en NN4 naar binnen zijn gegaan is gelegen aan het [a-straat 1] te Rotterdam.

Na onderzoek in het Gemeentelijke Basis Administratie blijkt op het genoemde adres een man woonachtig te zijn welke is genaamd: [betrokkene 4], geboren op [geboortedatum]-1959 te [geboorteplaats].

Ook heb ik, [verbalisant 11], een onderzoek ingesteld naar de tenaamgestelde van de genoemde Seat Ibiza. Uit onderzoek bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer is gebleken dat de tenaamgestelde is genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum]-1989 te [geboorteplaats], wonende aan de [k-straat 1], [postcode] [plaats].

Na enige tijd zagen wij, verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 9], dat een man de woning verliet aan het [a-straat 1] te Rotterdam. Ik, verbalisant [verbalisant 9], zag dat deze man voldeed aan het signalement van NN3. Ik zag dat NN3 via het portiek, gelegen aan de [c-straat], de flat verliet.

Vervolgens zag ik, verbalisant [verbalisant 10], dat NN3 in de genoemde Seat Ibiza stapte. Ik zag dat NN3 als enige en als bestuurder in de Seat Ibiza zat. Ik zag dat de Seat Ibiza met NN3 als bestuurder vanaf de [i-straat] naar de [c-straat] reed. Vervolgens hebben wij de genoemde Seat Ibiza gevolgd.

Op ons verzoek besloten wij de Seat Ibiza te laten controleren door de uniformdienst. Dit gebeurde door de collega's van de uniformdienst genaamd: [verbalisant 12] en [verbalisant 13]. Na de controle hoorden wij, verbalisanten, van [verbalisant 12] en [verbalisant 13] dat er een persoon (als bestuurder) aanwezig was in de Seat. Zij hebben de bestuurder staande gehouden ten einde zijn identiteit vast te stellen. De bestuurder overhandigde hen een op zijn naam gesteld Nederlands rijbewijs. NN3 bleek na controle te zijn genaamd: [betrokkene 3], geboren [geboortedatum]-1978 te [geboorteplaats], wonende op de [l-straat 1] te [plaats].

14. Het proces-verbaal van politie nummer PL 1700-2016405040-2 (pagina 10 e.v. van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Alle in dit verbaal genoemde tijden hebben betrekking op 28 december 2016. Tevens hebben alle straatnamen betrekking op straten in de gemeente Rotterdam.

Omstreeks 19:20 uur. [verbalisant 14] en [verbalisant 6]

Wij hadden vanaf de [c-straat] vrij zicht op de toegangsdeur van de woning [a-straat 1]. Wij zagen dat de deur van de woning open ging en een voor ons onbekend persoon, nader te noemen NN man 1, de woning verliet.

Omstreeks 19:30 uur. [verbalisant 5], [verbalisant 4] en [verbalisant 6]

Wij zagen dat NN man 1 de woning [m-straat 1] binnenging. Op dit adres staat volgens de Gemeentelijke Basis Administratie ingeschreven: [betrokkene 5], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats].

Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 6], in het bedrijfsprocessensysteem Integrale Bevraging bovenstaande [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1978, bevraagd. Hieruit bleek dat er in 2015 een politiefoto van [betrokkene 3] is geregistreerd.

Herkenning:

Verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 6] herkennen NN man 1 voor honderd procent als zijnde [betrokkene 3].

Omstreeks 20:29 uur [verbalisant 5]. [verbalisant 15] en [verbalisant 4]

Wij zagen dat [betrokkene 3] uit de woning [m-straat 1] kwam en als bijrijder in een Seat Ibiza voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] stapte.

15. Het proces-verbaal van politie nummer 1701071845.0BS (pagina 20 e.v. van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Alle in dit verbaal genoemde tijden hebben betrekking op 7 januari 2017. Tevens hebben alle straatnamen betrekking op straten in de gemeente Rotterdam.

Omstreeks 19:14 uur - 19:18 uur. [verbalisant 15] en [verbalisant 16].

Wij zagen de voordeur van de woning [a-straat 1] open gaan. Wij zagen een man, nader te noemen in dit proces-verbaal NN1, de voordeur van de woning uitkomen lopen.

Omstreeks 19:49 uur, [verbalisant 16] en [verbalisant 15].

Wij zagen NN1 en NN2 over de galerij van de eerste verdieping lopen in de richting van de woning

[a-straat 1]. Wij zagen dat NN1 en NN2 met een vloeiende beweging de woning binnengingen.


Omstreeks 20:02 uur, [verbalisant 16] en [verbalisant 15].

Wij zagen de voordeur van de woning [a-straat 1] open gaan. Wij zagen NN1 de woning uitkomen.

Omstreeks 21:03 uur. [verbalisant 14]

Ik zag dat NN1 via diverse doorgaande wegen terug liep naar de Seat die nog steeds geparkeerd stond aan de [n-straat]. Ik zag dat NN1 als bestuurder in de Seat stapte. Op het moment dat NN1 als bestuurder in stapte liep ik langs de Seat en NN1. Hierdoor kon ik het gezicht van NN1 zien. Ik herkende NN1 als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats], woonachtig [k-straat 1] te [plaats]. Ik herkende [verdachte] van een eerder door mij opgevraagde paspoortfoto.

16. Het proces-verbaal van politie nummer 1703031114.0BS (pagina 90 e.v. van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Alle in dit proces-verbaal genoemde tijden hebben betrekking op vrijdag 3 maart 2017.
Omstreeks 12:35 uur, [verbalisant 17].

Ik zag dat de voordeur van de woning aan het [a-straat 1] te Rotterdam openging en ik zag dat dat er twee mannen naar buiten kwamen lopen. Ik herkende deze twee mannen direct. Ik herkende één van de mannen als [betrokkene 3] en één van de mannen als een man genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats], woonachtig [k-straat 1] te [plaats].


17. Het proces-verbaal van politie nummer 17030417.08.OBS (pagina 93 e.v. van het dossier) inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Alle in dit proces-verbaal benoemde straten zijn gelegen binnen de gemeente Rotterdam tenzij anders vermeld. Alle hieronder benoemde tijdstippen hebben betrekking op zaterdag 4 maart 2017. Als gesproken wordt van [a-straat 1] dan wordt hiermee [a-straat 1] aan het [a-straat] te Rotterdam bedoeld.

18.37.04

18.37.04 uur: Camera 9079

Herkenning aan de hand van de camerabeelden door [verbalisant 4] en [verbalisant 5].

[betrokkene 3] liep vanuit [a-straat 1] naar links in de richting van het trappenhuis aan de zijde [c-straat] over de galerij en gaat met gebruik van een sleutel [a-straat 1] binnen.

18.47.56

18.47.56 uur: Camera 9079

Herkenning aan de hand van de camerabeelden [verbalisant 8], [verbalisant 18], [verbalisant 4], [verbalisant 6] en [verbalisant 5]. [verdachte] liep over de galerij uit de richting van het trappenhuis. Nadat er werd opengedaan ging hij [a-straat 1] binnen.”

2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2018 hebben de verdachte en zijn raadsman het volgende aangevoerd omtrent feit 1:

“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

U houdt mij voor dat ik op 15 maart 2017 samen met de medeverdachte [betrokkene 3] in de woning gelegen op het [a-straat 1] te Rotterdam ben geweest. Ik liep destijds met hem. Ik ging alleen mee om te blowen. Ik zat meestal gewoon thuis te blowen en ik ging gewoon met hem mee. Ik heb zelf niets gezien. Ik wist niet wat er in het pand gebeurde.

U houdt mij voor dat het pand langere tijd is geobserveerd en dat mijn auto op meerdere data bij het pand is waargenomen. Dat kan kloppen. Ik leende mijn auto af en toe uit. De personen die mijn auto leenden tankten dan voor mij en zij gaven mij geld. Ik ben wel een paar keer in de woning op het [a-straat 1] te Rotterdam geweest. Ik zat daar met de jongens te blowen en tv te kijken. Ik was meestal met de medeverdachte [betrokkene 3]. U houdt mij voor dat in de voormelde woning heroïne is aangetroffen. Ik heb daar echt niets mee te maken. Ik heb de verkeerde vrienden uitgekozen.

(...)

U houdt mij voor dat in mijn woning aan de [k-straat 1] te [plaats] verschillende met drugs in verband te brengen spullen zijn aangetroffen, waaronder verpakkingsmateriaal en onderdelen van een pers. Er kwamen verschillende personen met mij in mijn woning. Af en toe legden zij in mijn woning spullen neer. Ik wist niet wat dat was en ik controleerde het ook niet. Mijn huurovereenkomst is inmiddels ontbonden. Ik heb hierdoor een schuld van ongeveer € 10.000,- opgebouwd. Mijn bijstandsuitkering is teruggevorderd.

(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:

Ik verzoek uw hof mijn cliënt integraal vrij te spreken.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit merk ik het volgende op. De rechtbank heeft op pagina 2 en 3 van het vonnis overwogen dat - gelet op de uiterlijke verschijningsvorm - bewezen is dat de verdachte en de medeverdachte opzet hadden op het aanwezig hebben van de heroïne en dat hierbij sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen. Mijn cliënt stelt zich op het standpunt dat dit niet zo was. Aan de uiterlijke verschijningsvorm dient niet de gevolgtrekking te worden verbonden dat mijn cliënt opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van heroïne. Dit is te kort door de bocht. Mijn cliënt dient wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van dit feit te worden vrijgesproken.”

2.4.

Het hof heeft het gevoerde bewijsverweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:

“Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de medeverdachte ([betrokkene 3]) de woning aan het [a-straat 1] te Rotterdam van de huurder in bruikleen had gekregen, dat de medeverdachte en de verdachte zich verschillende keren samen in de woning bevonden, dat zij daar ook kort voor de doorzoeking nog zijn geweest en dat andere personen de woning betraden in gezelschap van de verdachte of de medeverdachte. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte en de medeverdachte beiden feitelijk gebruik maakten van de genoemde woning. Op grond van het voorgaande, bevond de in genoemde, woning aangetroffen hoeveelheid heroïne zich in de machtssfeer van de verdachte en de medeverdachte, terwijl de verdachte en de medeverdachte - als feitelijke gebruikers van die woning - wetenschap moeten hebben gehad van de aanwezigheid van die heroïne.

Nu de verdachte en de medeverdachte op verschillende momenten gezamenlijk in de woning aanwezig waren, acht het hof bewezen dat sprake is van het medeplegen van het aanwezig hebben van de aangetroffen heroïne.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit

(…)

Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals is bewezen verklaard.”

3 Bespreking van het eerste middel

3.1.

Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat die bewezenverklaring niet begrijpelijk is gemotiveerd.

3.2.

Het middel komt met een drietal klachten op tegen de bewezenverklaring van dit feit.

In de eerste plaats kan volgens de steller van het middel uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van heroïne in de woning. In de toelichting op het middel wordt in dat verband aangevoerd dat niet duidelijk is wat het hof bedoelt met feitelijke gebruikers van de woning, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat naast verdachte en medeverdachte meer personen de woning hebben betreden. Dat verdachte méér was dan een bezoeker, in die zin dat hij ook zeggenschap had over wie de woning kon betreden en wat er zich afspeelde, kan volgens de steller van het middel niet uit de bewijsmiddelen volgen. Zo blijkt daaruit ook niet dat hij beschikte over een sleutel van de woning. Tevens wordt aangevoerd dat de aangetroffen heroïne niet open en bloot in de woning lag, maar in een inbouwkast.

In de tweede deelklacht wordt aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat sprake zou zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander met betrekking tot de aangetroffen heroïne. In de toelichting wordt aangevoerd dat ook al zou de verdachte wetenschap hebben gehad van de aangetroffen heroïne, de enkele aanwezigheid van de verdachte in de woning en het zich niet-distantiëren van de zich daarin bevindende heroïne, onvoldoende is voor het aannemen van medeplegen. Dat de verdachte met de medeverdachte op verschillende momenten gezamenlijk in de woning aanwezig was, zoals het hof heeft overwogen, is onvoldoende voor het aannemen van een gezamenlijke machtsuitoefening. Volgens de steller van het middel is evenmin begrijpelijk waarom het hof deze laatste omstandigheid redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring, omdat niet is vastgesteld wanneer de heroïne in de woning terecht is gekomen.

In de derde plaats wordt aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte opzet had op de bewezenverklaarde hoeveelheid heroïne.

3.3.

Voor beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Voor de vraag of de verdachte opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad als bedoeld in art. 2 onder C Opiumwet, is niet doorslaggevend aan wie die verdovende middelen toebehoren.2 Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen.3 De verdovende middelen zullen zich wel in de machtssfeer van de verdachte moeten bevinden.4 Daarvoor is noodzakelijk dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop. Voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is een ‘gezamenlijke machtsuitoefening’ noodzakelijk.5 Het accent ligt daarbij op de samenwerking en de bijdrage van de verdachte. De machtsuitoefening dient bovendien van voldoende gewicht te zijn.6 De verdachte en de mededaders dienen ‘tezamen af te weten’ van de aanwezigheid van verdovende middelen.7 Indien de mededaders daarover niets (willen) verklaren kan dergelijke wetenschap eventueel met toepassing van algemene ervaringsregels uit de omstandigheden van het geval worden afgeleid. Tot slot is van belang dat de enkele wetenschap van de aanwezigheid van verdovende middelen in een bepaalde ruimte en de omstandigheid dat de verdachte zich daarvan niet heeft gedistantieerd niet zonder meer voldoende zijn voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen.8

3.4.

Ik zal eerst de eerste deelklacht bespreken. Het hof heeft overwogen dat verdachte en de medeverdachte beiden feitelijk gebruik maakten van de woning. Het hof heeft dit afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte en de medeverdachte zich verschillende keren samen in de woning bevonden, ook kort voor de doorzoeking en dat andere personen de woning betraden in gezelschap van de verdachte of de medeverdachte. Hieruit heeft het hof afgeleid dat de aangetroffen heroïne zich in de machtssfeer van de verdachte en de medeverdachte bevond en dat verdachte en de medeverdachte daar als feitelijk gebruikers van de woning ook wetenschap van moeten hebben gehad.

3.5.

Het hof is, voor het bewijs van de wetenschap van de aanwezigheid van heroïne bij de verdachte, daarmee (kennelijk) uitgegaan van de ervaringsregel dat de bewoner of gebruiker van een woning, die toegang heeft tot alle vertrekken, bekend is met wat zich in die woning bevindt.9 Ik meen echter dat het hof deze ervaringsregel in de onderhavige zaak niet tot uitgangspunt heeft kunnen nemen, omdat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte zelfstandig toegang had tot de woning en naast de verdachte meer personen in de woning aanwezig zijn geweest.10 Met de steller van het middel meen ik dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte méér was dan een bezoeker. De gebezigde bewijsmiddelen houden in de kern immers slechts in dat de verdachte in de periode van 13 december 2016 tot en met 15 maart 2017 viermaal in de woning is geweest, terwijl de hoofdbewoner van de woning [betrokkene 4] was en hij de woning in bruikleen had gegeven aan medeverdachte [betrokkene 3]. De drie keer dat hij in aanwezigheid was van medeverdachte [betrokkene 3], was het steeds deze laatste die de deur opende. Op 7 januari 2017 was hij in aanwezigheid van NN2 en de gebezigde bewijsmiddelen houden niet in dat verdachte toen zelfstandig met een sleutel de woning heeft betreden. Bovendien houden de gebezigde bewijsmiddelen in dat op 13 december 2016 is gezien dat [betrokkene 3] met drie anderen de woning is binnengegaan.

3.6.

Gelet op het voorgaande lijkt mij het oordeel van het hof dat de verdachte ‘feitelijk gebruiker’ van de woning was, zodat de aangetroffen heroïne op 15 maart 2017 zich in zijn machtssfeer bevond en hij wetenschap moet hebben gehad van de aangetroffen heroïne, mede gelet op wat door verdachte is aangevoerd, onvoldoende gemotiveerd.11 Ik neem daarbij in aanmerking dat de heroïne is aangetroffen in de woonkamer van die woning in een plastic zak die in een inbouwkast lag. Hoewel de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat de deur van deze inbouwkast openstond, geldt dat ook daar niet uit kan volgen dat de heroïne zichtbaar in de kast lag. De gebezigde bewijsmiddelen houden immers in dat de heroïne is aangetroffen in een plastic tas. Hieraan doet verder niet af dat in deze inbouwkast tevens een pers is aangetroffen die gebruikt wordt voor het verpakken van verdovende middelen.

3.7.

De voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking blijkt evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen. Het middel klaagt daarover terecht. Met de steller van het middel meen ik, dat ook indien verdachte wel op de hoogte zou zijn geweest van de aanwezigheid van de tas met heroïne in de inbouwkast, niet valt in te zien op grond van welke vaststellingen kan worden geoordeeld dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om die enkele wetenschap en het zich niet distantiëren van deze heroïne te kwalificeren als medeplegen.

3.8.

De derde deelklacht kan onbesproken blijven omdat de eerste en tweede deelklacht al de conclusie rechtvaardigen dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed is.

3.9.

Het middel slaagt.

4 Bespreking van het tweede middel

4.1.

Het middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

4.2.

Namens verdachte is op 28 december 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 13 september 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Daarover wordt terecht geklaagd. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Nu het eerste middel slaagt, behoeft de termijnoverschrijding geen verdere bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld.

5 Conclusie

5.1.

Beide middelen slagen.

5.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof heeft uit het vernietigende vonnis de gebezigde bewijsmiddelen overgenomen en heeft daar twee verbeteringen in aangebracht. Deze zijn in het citaat verwerkt.

2 Vgl. HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903, NJ 1985/822, m. nt. Van Veen.

3 Vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985, NJ 1981/15.

4 Vgl. HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359.

5 Zie de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2008 onder 6.4.

6 Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m. nt. Mevis. Zie ook HR 5 juli 2016, ECL:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m. nt. Rozemond.

7 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:195 onder 11 en van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:318 onder 10-12.

8 Vgl. HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2089 en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2861.

9 Zie voor het gebruik van deze ervaringsregel bijvoorbeeld HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459 (de Hoge Raad oordeelde in die zaak dat de motivering ontoereikend was) en HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3056.

10 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voorafgaand aan HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459, onder 43.

11 Zie ook HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:760.