Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:578

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-04-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
19/01811
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1020
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Caribische zaak. Profijtontneming, w.v.v. uit witwassen van grote geldbedragen verstopt in gemalen kip/kiprollade vanuit Nederland naar o.m. Aruba te transporteren. Voor zijn bijdrage ontving betrokkene een percentage van het getransporteerde geld als commissie. (Motiverings)klachten m.b.t. schatting w.v.v. HR: art. 80a RO. Samenhang met 17/05554 A, 19/03677 PA en 19/01819 A.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01811 PA

Zitting 14 april 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[betrokkene],

geboren te op [geboortedatum] 1967,

hierna: de betrokkene.

  1. Bij beslissing van 28 augustus 2017 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op Afl. 1.911.442,67 en aan de betrokkene, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van Afl. 1.764.413,37 aan het land Aruba. Het Hof heeft daarbij bepaald dat voor een deel, groot Afl. 1.310.474,16, verhaal dient plaats te vinden in Nederland vanwege daar onder de broer en zus van de betrokkene in beslag genomen geldbedragen. Tot slot heeft het Hof bepaald dat bij gebreke van volledige betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van drie jaren

    .

  2. Er bestaat samenhang met de hoofdzaak tegen de verdachte met nr. 19/01810 A en twee zaken tegen een medeverdachte die zijn ingeschreven met nummers 17/05554 PA en 19/03677 PA. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de betrokkene heeft mr. D.G. Kock, advocaat te Oranjestad, een schriftuur ingediend.

  4. De schriftuur bevat twee klachten die nergens met zoveel woorden worden gepresenteerd als een middel van cassatie. Ook inhoudelijk wordt niet met zoveel woorden geklaagd over de schending van het recht of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschriften, wat bij een middel van cassatie mag worden verwacht.1 Om die reden stel ik mij op het standpunt dat niet is voldaan aan de in art. 437, tweede lid, Sv op straffe van niet-ontvankelijkheid voorgeschreven eis dat de verdachte door zijn raadsman een schriftuur doet indienen houdende zijn middelen van cassatie.

5. De bespreking van beide klachten zou tot hetzelfde resultaat leiden. Ik doe dat ten overvloede.

6. De eerste klacht houdt in dat de vaststelling door het Hof van het bedrag voor wat betreft “de ontnemingsvordering” onvoldoende gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is.

7. De klacht verwijst naar “de ontnemingsvordering”, maar ik ga ervan uit dat de klacht geen betrekking heeft op de vordering van de procureur-generaal, maar op de schatting door het Hof van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel en het bedrag waarop de betalingsverplichting is vastgesteld.

8. Bij de eerste klacht wordt in de schriftuur aansluiting gezocht bij de strafzaak tegen een van de medeverdachten die in Nederland is vervolgd en berecht ter zake van “hetzelfde feitencomplex” als waarvoor de betrokkene in Aruba is vervolgd en berecht. Aangevoerd wordt dat het onmogelijk is dat de gelden die vanuit Nederland naar Aruba zijn verzonden in Nederland op € 8,8 miljoen worden begroot, terwijl dezelfde zendingen in Aruba € 23 miljoen zouden opleveren. Met “in Nederland” wordt gedoeld op de strafzaak waarbij de reeds genoemde medeverdachte in Nederland is veroordeeld, en met “in Aruba” op de hoofdzaak en de onderhavige ontnemingszaak van de betrokkene.

9. In de schriftuur wordt gewezen op de veroordeling van de betreffende medeverdachte door de rechtbank Overijssel.2 Raadpleging van dit vonnis wijst uit dat de verdachte in die zaak door de rechtbank Overijssel is veroordeeld wegens het in de periode van 1 juni 2006 tot en met 23 juni 2015, in Nederland en Aruba en België en Kroatië, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 23 juni 2015, in Nederland en Aruba en België, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Nu in de onderhavige Arubaanse strafzaak de betrokkene is veroordeeld wegens – kort gezegd – het in de periode van 1 juni 2013 tot en met 24 juni 2015 in Aruba en Nederland en Venezuela medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken en het in de periode van 1 januari 2014 tot en met 24 juni 2015 in Aruba opzettelijk geen melding maken van de in- of uitvoer van geld als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Landsverordening meldplicht in- en uitvoer contant geld, meermalen gepleegd, is om te beginnen niet evident dat in beide zaken sprake is van “hetzelfde feitencomplex” zoals in de schriftuur wordt aangevoerd, maar zelfs als dat wel het geval zou zijn, sluit dat een verschil in beoordeling van de strafbare gedragingen van de betreffende verdachten nog niet uit.

10. In cassatie is de zaak tegen de betrokkene aan de orde en niet de zaak tegen een van zijn medeverdachten zodat niet kan worden vastgesteld of in de zaak tegen de medeverdachte inderdaad, zoals in cassatie wordt aangevoerd, een andere berekening is gemaakt dan in de onderhavige zaak. Bovendien betreft de zaak van de medeverdachte waarnaar wordt verwezen, een ‘gewone’ strafzaak terwijl de onderhavige zaak een ontnemingszaak betreft.

11. Tegen de berekeningen van het Hof worden in de schriftuur geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd.

12. Voor de schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel verwijst het Hof in de onderhavige zaak naar de beslissing van het Hof in de hoofdzaak. De beslissing in de hoofdzaak, waartegen de betrokkene ook cassatieberoep heeft ingesteld3 en waarin ik vandaag eveneens zal concluderen, houdt het volgende in:

“Op grond van deze notities kan op eenvoudige wijze meer accuraat worden berekend wat

hij aan commissiegelden heeft ontvangen:
[…]
In aanmerking wordt verder genomen dat deze notities in oktober 2014 zijn gemaakt en dat medeverdachte [betrokkene 3] het geld voor de in beslag genomen container eerst in december 2014 heeft ontvangen (bewijsmiddelen 17 en 27). Daaruit kan worden afgeleid dat de commissie voor dat transport - de meergenoemde 120.000 euro (73.000,— euro in de container en 47.000,— euro bewaard door medeverdachte [betrokkene 3]) - niet in een van de dertien hiervoor beschreven pakketten zat.

De commissiegelden van de verdachte moeten daarom naar het oordeel van het Hof worden vastgesteld op 1.210.000,-- euro.

Aangezien dit 4% van het totaal getransporteerde geld betreft, moet dat totaal worden vastgesteld op 30.250.000,— euro.”

13. Uit de berekeningen van het Hof in de hoofdzaak blijkt dat het Hof het totaal getransporteerde geld heeft berekend op basis van de door de betrokkene ontvangen commissie, wat het Hof heeft aangemerkt als door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel, en niet andersom.

14. Gelet op het hiervoor overwogene faalt de klacht dat de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door het Hof onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk is bij gebrek aan feitelijke grondslag.

15. De tweede klacht houdt in dat het Hof bij de vaststelling van het “totaal ontnemingsbedrag” dat de betrokkene moet betalen ook “de gelden in de laatste, door justitie onderschepte container” heeft meegenomen terwijl hij “nimmer enig voordeel uit deze gelden” heeft gehad. Om die reden zou de vaststelling door het Hof van “het totaal ontnemingsbedrag” dat de betrokkene moet betalen, “onvoldoende gemotiveerd althans onbegrijpelijk” zijn.

16. Welke onderschepte container wordt bedoeld en waaruit kan blijken dat het Hof de gelden bij het berekenen van het “totaal ontnemingsbedrag” heeft meegerekend, wordt in de schriftuur niet aangegeven. Uit de berekening van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, blijkt dat het Hof zich daarbij heeft gebaseerd op commissiegelden die de betrokkene heeft ontvangen. Uit de overwegingen die het Hof heeft gewijd aan het bepalen van de op te leggen betalingsverplichting blijkt dat een bedrag van € 73.000 dat is aangetroffen in de in beslag genomen container verbeurd is verklaard en dat het Hof dit bedrag in mindering heeft gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. De klacht dat het Hof bij de vaststelling van “het totaal ontnemingsbedrag” ook rekening heeft gehouden met “de gelden in de laatste, door justitie onderschepte container” terwijl de betrokkene “nimmer enig voordeel uit deze gelden” heeft gehad, faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag, ervan uitgaande dat met “het totaal ontnemingsbedrag” is gedoeld op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

17. Een derde klacht, dat de betrokkene zich niet heeft schuldig kunnen maken aan het witwassen van de gelden die door justitie zijn onderschept, heeft betrekking op de veroordeling in de hoofdzaak en niet op de onderhavige ontnemingszaak en komt daarom niet voor bespreking in aanmerking.4

18. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden zodat het beroep op grond van het bepaalde in art. 80a, eerste lid, RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

19. Deze conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Handboek strafzaken nr. 45, Wolters Kluwer 2018, p. 179.

2 Rb. Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 13 februari 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:421.

3 Deze zaak is aanhangig onder nr. 18/01810 A.

4 Van Dorst, a.w., p. 180.