Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:569

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-04-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
17/05554
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Caribische zaak. Medeplegen van gewoontewitwassen door grote geldbedragen verstopt in gemalen kip/kiprollade vanuit Nederland naar o.m. Aruba te transporteren. Voor zijn bijdrage ontving de verdachte een percentage van het getransporteerde geld als commissie. Middelen over o.m. 1. oordeel hof m.b.t. geloofwaardigheid verklaring verdachte en 2. het ten onrechte door het hof niet bevelen dat tijd die door veroordeelde in detentie in buitenland is doorgebracht a.g.v. uitleveringsverzoek in mindering moet worden gebracht bij tul opgelegde gevangenisstraf (art. 1:62.1 Sr Aruba). HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/03677 PA, 19/01810A en 19/01811PA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/05554 A

Zitting 14 april 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij strafvonnis van 31 juli 2017 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens “Medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest. Het Hof heeft ook beslissingen genomen over inbeslaggenomen geldbedragen en voorwerpen, zoals in het vonnis omschreven.

  2. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen deze verdachte die is ingeschreven onder nr. 19/03677 PA en met de hoofd- en ontnemingszaak tegen een van zijn medeverdachten die zijn ingeschreven onder nr. 19/01810 A en 19/01811 PA. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Voordat ik de middelen bespreek, schets ik de zaak op basis van de bewijsvoering. De verdachte heeft tezamen met medeverdachten,1 in Nederland en Aruba, Eurobiljetten verpakt in papier en dat weer verpakt in plastic en omwikkeld met gemalen kip/kiprollade en deze vervolgens ingevroren en in dozen verpakt. De dozen zijn eerst opgeslagen in een koelvriesinstallatie in Nederland en vervolgens in een zeecontainer naar Aruba getransporteerd en daar opgeslagen in koelvriesinstallaties van een restaurant waarvan de verdachte (mede)eigenaar was. De kip/kiprollades waren op naam van een andere onderneming besteld door een van de medeverdachten die in Aruba de (mede)eigenaar was van het restaurant waarvoor de bestellingen steeds bedoeld waren. Vanuit Aruba is een deel van het geld verder getransporteerd naar Venezuela. De verdachte is meerdere keren naar Venezuela gereisd in dezelfde periode als waarin daarnaar een container met kiprollades werd getransporteerd. De verdachte was de contactpersoon tussen de medeverdachten en “de grote baas” in Venezuela. Verder is de verdachte samen met een van de Arubaanse medeverdachten in Nederland geweest en heeft hij daar toen contact gehad met een andere medeverdachte die eigenaar was van het bedrijf dat de kiprollades vanuit Nederland in zeecontainers naar Aruba transporteerde. Voor zijn aandeel ontving de verdachte 2% van het getransporteerde geld als commissie

    .

5. Het eerste middel klaagt dat het “klaarblijkelijke oordeel” van het Hof, “dat sprake is van witwassen indien voorwerpen naar alle waarschijnlijkheid uit enig misdrijf afkomstig zijn” getuigt van een onjuiste rechtsopvatting zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

6. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 juni 2013 tot en met 24 juni 2015 in Aruba en Nederland en Venezuela, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders telkens

van voorwerpen, te weten contante geldbedragen tot een totaalbedrag van – circa – 23.352.500 euro (hoofdsom) en/of 2.833.340 euro (transport d.d. juni 2015) en of 467.050 euro (commissie),

a) de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en verborgen en verhuld wie de rechthebbende(n) op die voorwerpen/geldbedragen was/waren en wie die voorwerpen/geldbedragen voorhanden (heeft/hebben ge)had(den)

door (telkens)

(hoofdsom en/of transport d.d. juni 2015)

- die voorwerpen/geldbedragen heimelijk in ontvangst te nemen en vervolgens

- die voorwerpen/geldbedragen in te pakken in (bruin) (pak)papier en te verpakken in plastic en te verstoppen in gemalen kip/kiprollade en die gemalen kip/kiprollade in te vriezen en in dozen te verpakken en vervolgens

- die aldus verpakte voorwerpen/geldbedragen heimelijk op te slaan in koelvriesinstallaties (van het [bedrijf 1] te Roermond, Nederland) en vervolgens

- die aldus verpakte voorwerpen/geldbedragen in een of meer (zee)container te plaatsen tussen andere producten en vervolgens

- die aldus verpakte voorwerpen/geldbedragen te doen transporteren naar Aruba en/of (vervolgens)

- die aldus verpakte voorwerpen/geldbedragen heimelijk op te slaan in koelvriesinstallaties die ter beschikking stonden van zijn, verdachtes, medeverdachte, althans diens onderneming/restaurant […] en/of (vervolgens)

- die aldus verpakte voorwerpen/geldbedragen (deels) over te dragen aan zijn, verdachtes, mededader(s) en/of (deels) te (doen) transporteren naar Venezuela en/of

- die gemalen kip/kiprollade (bij [bedrijf 1]) te (doen) bestellen op naam van/door de [onderneming X] en/of te (doen) factureren door [bedrijf 1] aan [onderneming X] en in bij de transporten behorende douanedocumentatie op te (doen) nemen dat die gemalen kip/kiprollade bestemd was voor [onderneming X] en

(commissie)

- die voorwerpen/geldbedragen heimelijk in ontvangst te nemen en/of (vervolgens)

- die voorwerpen/geldbedragen in te pakken in (bruin) (pak)papier en/of te verpakken in plastic en/of (vervolgens)

- die voorwerpen/geldbedragen (ten dele) te verstoppen in gemalen kip/kiprollade en die gemalen/kip/kiprollade in te vriezen en in dozen te verpakken en (vervolgens) die aldus verpakte voorwerpen/geldbedragen heimelijk op te slaan in koelvriesinstallaties (van het bedrijf [1] te Roermond, Nederland) en vervolgens

- die aldus verpakte voorwerpen/geldbedragen in een (zee)container te plaatsen tussen andere producten en vervolgens die aldus verpakte voorwerpen/geldbedragen te doen transporteren naar Aruba, onder meer ten behoeve van hem, verdachte,

en

b) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of van die voorwerpen/geldbedragen gebruik gemaakt,

terwijl hij en zijn mededaders telkens wisten dat die voorwerpen/geldbedragen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf.”

7. Met betrekking tot de oplegging van de straf heeft het Hof het volgende overwogen:

“De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het uit gewoonte witwassen van grote geldbedragen. In totaal werd ruim dertig miljoen euro witgewassen, geld dat naar alle waarschijnlijkheid uit de drugshandel afkomstig was en vanuit Nederland naar Aruba en Venezuela werd doorgesluisd. Dat werd op ingenieuze wijze gedaan: het geld werd verstopt in vloeibaar gemaakte kip, die vervolgens tot kiprollade werden gevormd en bevroren werden uitgevoerd. Er werd berekenend te werk gegaan. Risico’s werden ingeschat en gewogen. Zo werden op een gegeven moment, nadat ‘hot nieuws’ was gezien, twee containers zonder geld verstuurd, kennelijk in een poging zich ervan te verzekeren dat de containers niet onder de loep werden genomen. De hoge bedragen die de verdachte en de medeverdachten aan commissie genoten, werden grotendeels weggesluisd. Zij hebben zich er blijkbaar niet om bekommerd dat met het witwassen van crimineel vermogen de onderliggende (drugs)criminaliteit wordt gefaciliteerd, hetgeen het Hof de verdachte en de medeverdachten zwaar aanrekent.”

8. In de schriftuur wordt hieruit afgeleid dat het Hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan (het medeplegen van het plegen van) witwassen (een gewoonte maken) van voorwerpen die “naar alle waarschijnlijkheid uit enig misdrijf afkomstig zijn” (de cursivering staat in het origineel). Deze klacht berust op een verkeerde lezing van de bewezenverklaring omdat die inhoudt dat de verdachte “en zijn mededaders telkens wisten dat die voorwerpen/geldbedragen onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf” en niet dat de verdachte (et cetera) wisten dat die geldbedragen “naar alle waarschijnlijkheid” afkomstig waren uit enig misdrijf.

9. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat in de schriftuur terecht wordt gewezen op rechtspraak van de Hoge Raad waaruit blijkt dat voor een bewezenverklaring van “witwassen” niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid uit welk misdrijf het witgewassen voorwerp afkomstig is, zolang maar uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat vaststaat of het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is uit enig misdrijf.2 In cassatie wordt niet geklaagd dat de bewijsvoering op dit punt tekort schiet in die zin dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat vaststaat of dat het niet anders kan zijn dan dat de witgewassen voorwerpen (in de onderhavige zaak: de geldbedragen bestaande uit miljoenen euro’s) uit enig misdrijf afkomstig zijn. Ook wordt in cassatie niet geklaagd dat het Hof ten onrechte of onbegrijpelijk aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld de conclusie heeft getrokken dat het witgewassen geld naar alle waarschijnlijkheid uit de drugshandel afkomstig was.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het de verklaring van de verdachte, dat hij “niet op de hoogte was van de kiprollades in de badkuip”, niet geloofwaardig acht, omdat dit oordeel gelet op de gebezigde bewijsmiddelen onbegrijpelijk is.

12. Voor het bewijs heeft het Hof onder 5 gebruik gemaakt van een foto die is gemaakt in de woning van de verdachte in Aruba waarop een badkuip is te zien met daarin veertien kiprollades waarvan sommige nog geseald in plastic zijn. Een van de kiprollades is open en daarin lijkt een pakket van plastic te zitten met daaromheen drie bondjes/elastiekjes.

13. Met betrekking tot de foto’s van de kiprollades in de badkuip in de woning van de verdachte, houdt de ter terechtzitting overgelegde pleitnota, het volgende in:

“Zoals in eerste aanleg al is aangevoerd, is [de verdachte] tijdens zijn verhoor door de politie in april 2016 voor het eerst te weten gekomen dat blijkbaar iemand ruim tweeënhalf jaar daarvoor, te weten op 27 december 2013, van zijn badkuip gebruik heeft gemaakt om kiprollades te ontdooien. [De verdachte] wist hier niet van af en hij heeft nooit toestemming gegeven om zijn badkuip daarvoor te gebruiken. Zoals uit het strafdossier blijkt, bevond [de verdachte] zich op de dag dat de foto is gemaakt, dus op 27 december 2013, niet in Aruba maar in Venezuela en hij heeft nooit iets vreemds gemerkt aan zijn woning als hij uit Venezuela terugkwam.

[De verdachte] vermoedt dat [medeverdachte 2] of mogelijk iemand anders gebruik moet hebben gemaakt van zijn huissleutel, die blijkbaar in de auto van [medeverdachte 2] lag. Het is namelijk vaker voorgekomen dat wanneer [de verdachte] door [medeverdachte 2] naar het vliegveld werd gebracht, hij zijn sleutels in de auto van [medeverdachte 2] vergat. [De verdachte] heeft hier nooit een punt van gemaakt omdat bij zijn terugkomst hij zijn huissleutel altijd in de auto van [medeverdachte 2] heeft teruggevonden.”

14. De kiprollades in de badkuip in de woning van de verdachte hebben een rol gespeeld in de navolgende overwegingen die het Hof heeft gewijd aan het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij het gewoontewitwassen.

“De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte betrokken is geweest bij het ten laste gelegde gewoontewitwassen. De verdachte ontkent die betrokkenheid en het tegendeel volgt niet uit de verklaringen van [medeverdachte 1], [de medeverdachte], [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] dan wel uit afgeluisterde gesprekken. De foto die is gemaakt van de kiprollades in zijn badkuip in Aruba, is gemaakt op een dag dat de verdachte in Venezuela was. De verdachte vermoedt dat [medeverdachte 2] of iemand anders, die de beschikking had over de sleutel van zijn woning, hiervoor verantwoordelijk is geweest.

Het Hof overweegt als volgt.

In weerwil van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, komt uit de bewijsmiddelen naar voren dat de verdachte een van de twee “jongens” is waarover in verklaringen, gesprekken en notities wordt gerept. De verdachte is door [medeverdachte 1] herkend als degene die door hem en anderen “de staart” wordt genoemd. De andere “jongen” is [medeverdachte 2], met wie de verdachte - zo kan uit de bewijsmiddelen wel degelijk worden afgeleid - samen optrok. De verdachte was degene die het contact onderhield met “de grote baas”. Hij reisde regelmatig af naar Venezuela - de vermoedelijke eindbestemming van het geld - alwaar hij blijkens de tapgesprekken contact legde met “de grote baas”. Direct en/of indirect werden via hem [de medeverdachte] en [een medeverdachte die in Nederland is vervolgd, AG] op de hoogte gesteld van de aanlevering van de gelden. Op momenten dat die aanlevering vertraging opleverde, kregen zij bijvoorbeeld te horen dat de grote baas “tegenslag had gehad”. Veelzeggend is ook dat [de medeverdachte] op 6 april 2015 aan [medeverdachte 1] laat weten dat “ze” gisteren bij hem waren geweest en dat “die ene staart” er ook bij was en zei “woensdag ga ik naar huis en dan gaan we aan het werk”. Op 7 mei 2015 liet [de medeverdachte] hem bovendien weten dat [medeverdachte 2] nog wel contact heeft gemaakt, maar dat er geen nieuws is: het is wachten op de staart, want “de staart moet de opdracht van de grote baas krijgen”.

Tegen die achtergrond hecht het Hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij niet betrokken was bij het hem ten laste gelegde gewoontewitwassen van geld. Ook zijn verklaring dat hij niet op de hoogte was van de kiprollades die in zijn badkuip hebben gelegen, acht het Hof niet geloofwaardig.

Sterker nog, het Hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte een onmisbare schakel was bij de aanlevering van het geld. Hij had bovendien, net als medeverdachte [medeverdachte 2], een sturende rol. Deze behoorlijke bijdrage aan het delict werd ook vertaald in het percentage dat de verdachte aan commissiegeld kreeg: 2% van de waarde van het transport. Daaruit blijkt dat de bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken.”

15. Aangevoerd wordt dat het oordeel van het Hof, dat het de “verklaring [van de verdachte] dat hij niet op de hoogte was van de kiprollades die in zijn badkuip hebben gelegen […] niet geloofwaardig acht” onbegrijpelijk is gelet op twee door het Hof gebruikte bewijsmiddelen, te weten twee verklaringen van de verdachte.

16. Het eerste bewijsmiddel waarop een beroep wordt gedaan, betreft de onder 6 voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Deze verklaring houdt het volgende in:

“Mij wordt voorgehouden dat in het dossier een foto is opgenomen waarop te zien is dat kiprollades in een badkuip liggen. Ik heb die foto gezien. Dat is de badkuip in mijn woning. Ik was op dat moment in Venezuela. De sleutel van mijn huis laat ik soms in de auto van [de medeverdachte] achter.”

17. Het tweede bewijsmiddel waarop een beroep wordt gedaan, betreft de onder 45 voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Deze verklaring houdt het volgende in:

“Ik woon in Venezuela. Mijn vrouw en kinderen wonen daar. Ik reis veel tussen Venezuela en Aruba. Ik kan hier niet langer dan drie maanden blijven.”

18. Het oordeel van het Hof met betrekking tot de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte, betreft een feitelijk oordeel dat slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst, in dit geval in het licht van beide verklaringen van de verdachte die het Hof voor het bewijs heeft gebruikt, omdat het middel daarop betrekking heeft. Het oordeel acht ik niet onbegrijpelijk omdat de overweging van het Hof en de verklaringen van de verdachte geen betrekking hebben op wetenschap van de verdachte van de foto’s die tijdens zijn afwezigheid in zijn woning zijn gemaakt van kiprollades in zijn badkuip, maar op wetenschap van de verdachte van kiprollades in de badkuip van zijn woning in Aruba. Iets anders geformuleerd heeft het Hof aan de foto’s die zijn gemaakt van de badkuip in de woning van de verdachte in Aruba met daarin kiprollades die waren geprepareerd, in combinatie met de verklaring van de verdachte dat die foto’s inderdaad daar zijn gemaakt, de gevolgtrekking verbonden dat de verdachte wist dat zijn woning werd gebruikt voor het prepareren van kiprollades waarmee geld vanuit Nederland naar Aruba werd getransporteerd van waaruit het werd verder getransporteerd naar Venezuela en dat daaraan niet afdoet dat hij tijdens het maken van de bewuste foto’s niet in zijn woning in Aruba aanwezig was omdat hij de sleutel van zijn woning ter beschikking had gesteld van medeverdachte 2. Ook die gevolgtrekking kan in cassatie alleen op haar begrijpelijkheid worden getoetst,3 en onbegrijpelijk vind ik die gevolgtrekking niet.

19. Het middel faalt.

20. Het derde middel komt met twee motiveringsklachten op tegen de bewijsvoering van het bedrag waarvan het Hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte dat heeft witgewassen. De eerste klacht houdt in dat het “strafvonnis” heeft vastgesteld dat “‘pakket 4 = 140’ een bedrag van € 14.000,- betekent” en “‘pakket 10=50’ verwijst naar 5.000” maar “in het arrest” vervolgens heeft overwogen dat “‘pakket 4 = 140’ een bedrag van € 140,000,- betekent” en “‘pakket 10=50 verwijst naar € 50.000”. De tweede klacht houdt in dat wat het Hof bij de strafoplegging heeft overwogen tegenstrijdig is met de bewezenverklaring.

21. Uit de toelichting blijkt dat de eerste klacht geen betrekking heeft op tegenstrijdigheid tussen het “strafvonnis” en het “arrest” maar op een tegenstrijdigheid tussen de inhoud van een van de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging.

22. Als bewijsmiddel 26 heeft het Hof een verklaring van de broer van de medeverdachte opgenomen, waarin hij op 7 juli 2015 tegenover de politie het volgende heeft verklaard:

“Mij wordt verder voorgehouden dat om een pakket een stuk papier zat met daarop handgeschreven een aantal getallen, waaronder ‘4 - 14000,-’, ‘5 - 70000,-’,

‘7 - 70000, -’, ‘8 - 75000, -’, ‘9 - 115000, -’ en “10-5.000, -’. Ja, dat is mijn handschrift. Op die pakketten, op het bruine papier, staan één- of tweecijferige getallen. [De medeverdachte] heeft mij gezegd wat die getallen betekenen. Of met andere woorden hoeveel geld erin zit. Ik heb dat op een stuk wit papier geschreven en dat papier heb ik los in de koelbox gestopt. Ik denk dat ik die aantekeningen 7 of 8 weken geleden heb gemaakt. Ik heb dat gedaan, omdat [de medeverdachte] wilde weten hoeveel hij eigenlijk had. Hij heeft dat aan mij gevraagd.”

23. Als bewijsmiddel 28 is een proces-verbaal bevindingen van 15 december 2015 van het zaakdossier witwassen gebruikt, inhoudende:

“In de woning van [de medeverdachte] werd niet alleen de eerder genoemde iPhone 5 aangetroffen, maar ook een iPhone 4. Op deze iPhone 4 zijn twee foto’s aangetroffen waarop twee notities met getallen zijn afgebeeld. Op de foto’s is te zien dat de ene notitie is gemaakt op 11 oktober 2014 en de andere op 19 oktober 2014. Op de iPhone 5 is een WhatsApp-gesprek aangetroffen met [de broer van de medeverdachte], waarin deze diezelfde twee foto’s en een derde foto van een notitie heeft doorgestuurd. Op de foto’s is de volgende getallenreeks te zien:

1 = 80

2 = 90

3 = 80

4= 140

5 = 70

6= 100

7 = 70

8 = 75

9= 115

10 = 50

11=75

12 = 85

13 = 60.”

24. In zijn bewijsoverwegingen heeft het Hof onder het kopje “Totaal getransporteerde gelden” aangegeven hoe het Hof de door de verdachte ontvangen commissiegelden heeft berekend:

“Dat volgt uit de notities die op de telefoon van medeverdachte Helgers zijn aangetroffen (bewijsmiddel 28).

Op grond van deze notities kan op eenvoudige wijze meer accuraat worden berekend wat

hij aan commissiegelden heeft ontvangen:
[…]

pakket 4 = 140 140.000,— euro
[…]
pakket 10 = 50 50.000,-- euro”.

25. Uit de nadere bewijsoverweging volgt dat het Hof zich met betrekking tot de inhoud van “pakket 4” heeft gebaseerd op de notitie zoals die is weergegeven op de foto’s (dus: de foto van een notitie) en niet op de papieren notitie waarover de broer van de medeverdachte heeft verklaard. De papieren notitie die het Hof onder 26 voor het bewijs heeft gebruikt, ondersteunt op hoofdlijnen de foto van twee andere notities waarvan het Hof onder 28 er een voor het bewijs heeft gebruikt. Alleen voor “pakket 4” en “pakket 10” komen de duizendtallen niet overeen. De keuze voor de inhoud van de onder 28 gebruikte (foto van de) notitie acht ik niet onbegrijpelijk omdat deze is gemaakt in oktober 2014 terwijl de onder 26 voor het bewijs gebruikte notitie is gemaakt “7 of 8 weken” voor de op 7 juli 2015 afgelegde verklaring. Anders gezegd, heeft het Hof twee bewijsmiddelen gebruikt die elkaar op hoofdlijnen bevestigen waarbij het Hof in de bewijsoverweging heeft aangegeven waarom het zich uiteindelijk heeft gebaseerd op het bewijsmiddel dat bestaat uit een foto van een notitie.

26. De eerste klacht faalt.

27. De tweede klacht houdt in dat wat het Hof bij de strafoplegging heeft overwogen tegenstrijdig is met de bewezenverklaring. Kort gezegd heeft de bewezenverklaring betrekking op een drietal bedragen (€ 23.352.500, € 2.833.340 en € 467.050), terwijl het Hof bij de strafoplegging heeft aangegeven dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte zich tezamen met zijn medeverdachten gedurende een lange periode schuldig heeft gemaakt aan het uit gewoonte witwassen van in totaal dertig miljoen euro.

28. De verdachte heeft geen belang bij de klacht voor zover die erop neerkomt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij meer heeft witgewassen dan bewezen is verklaard. Terecht wordt niet geklaagd dat de bewijsvoering niet deugt of dat de strafmotivering onbegrijpelijk is.

29. Het middel faalt in alle onderdelen.

30. Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 1:62 Sr Aruba door niet te bevelen dat de tijd die de verdachte in Venezuela in detentie heeft doorgebracht nadat Aruba om zijn uitlevering had verzocht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

31. Anders dan het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba heeft het Hof niet bevolen dat de tijd die door de veroordeelde in detentie in het buitenland ingevolge een verzoek van Aruba om uitlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, zoals is voorgeschreven in art. 1:62, eerste lid, Sr indien van een dergelijke detentie sprake is geweest. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 10 juli 2017 blijkt dat de verdachte daar heeft verklaard dat hij “eerst in de uitleveringsbewaring in Venezuela” zat. Gelet op het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba in combinatie met de verklaring van de verdachte, moet het er, nu niet is gebleken van contra-indicaties, voor worden gehouden dat de verdachte inderdaad als gevolg van een Arubaans uitleveringsverzoek in Venezuela in detentie heeft doorgebracht en dat het hof heeft verzuimd de aftrek daarvan te bevelen.

32. Dit verzuim betreft in de woorden van de Hoge Raad “een voor eenieder evidente vergissing op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen, en wel aldus dat de bedoelde aftrek is bevolen. Een redelijk handelend openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafoplegging is belast kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de straf zonder die aftrek moet worden ten uitvoer gelegd”.4 Bij vernietiging van de bestreden uitspraak heeft de verdachte daarom geen belang. Dit wordt niet anders indien de uitspraak om een andere reden voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf wordt vernietigd, zoals in de onderhavige zaak het geval zou zijn indien de Hoge Raad mijn beoordeling van het vijfde middel volgt en de bestreden uitspraak zal vernietigingen voor wat betreft de opgelegde straf.5

33. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

34. Het vijfde middel klaagt over schending van het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om in cassatie binnen een redelijke termijn te worden berecht. Terecht wordt erop gewezen dat de stukken van het geding op 21 februari 2019 bij de griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen nadat op 8 augustus 2017 beroep in cassatie was ingesteld, waardoor de op zes maanden gestelde redelijke inzendtermijn is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad niet binnen twee jaren6 na het instellen van het cassatieberoep uitspraak doen. Ook in zoverre is de redelijke termijn dus overschreden. Dit moet tot strafvermindering leiden.

35. De eerste vier middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt.

36. Anders dan de inbreuk op de redelijke uitspraaktermijn, heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

37. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan wegens de in cassatie gemaakte inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Waaronder de medeverdachte waarop de twee samenhangende zaken betrekking hebben.

2 Vgl. HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124, NJ 2007/278, r.o. 3.5: niet “is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf”; HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, NJ 2006/473, r.o. 3.4: “Wel is voor een veroordeling ter zake van art. 420bis dan wel art. 420quater Sr vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.”

3 Vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530 r.o. 3.3: “In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.”

4 HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, NJ 2013/246 m.nt. F.W. Bleichrodt onder NJ 2013/245, r.o. 3.3, aangehaald in HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1165, NJ 2017/293 r.o. 3.4 dat betrekking heeft op art. 1:62 Sr Aruba.

5 Vgl. HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1165, NJ 2017/293 r.o. 3.5 waarin het Hof eveneens had verzuimd het bevel ex art. 1:62 Sr Curaçao te geven en vernietigde wegens een inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op berechting binnen een redelijke termijn.

6 De mededeling als bedoeld in art. 435, tweede lid, Sv heeft plaatsgevonden toen de verdachte niet meer was gedetineerd.