Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:552

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-04-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
19/01250
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen geldbedrag (€ 194.140), art. 420bis.1.b Sr. Vordering tot herroeping VI a.b.i. art. 15i (oud) Sr t.z.v. verdachte die o.g.v. Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende straffen en voorwaardelijke sancties naar Nederland is overgebracht om zijn in Verenigd Koninkrijk opgelegde gevangenisstraf uit te zitten. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01250

Zitting 7 april 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 1 maart 2019 het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Noord‑Holland, locatie Alkmaar, van 29 maart 2018, waarbij de verdachte wegens “witwassen” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, gedeeltelijk bevestigd. Bij dat vonnis is het onder de verdachte in beslag genomen en niet-teruggegeven geldbedrag van € 194.140,- verbeurdverklaard. Daarnaast is de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen en is gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 486 dagen. Het hof heeft zich met het vonnis verenigd en heeft het daarom bevestigd, met dien verstande dat het hof de overwegingen van de rechtbank inzake de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling heeft vervangen.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend gemotiveerd is.

4. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een map met stukken aangaande de voorwaardelijke invrijheidstelling. Voor zover relevant voor de beoordeling van het middel kan daaruit het volgende worden opgemaakt.

(i) De Canterbury Crown Court in Engeland heeft de verdachte op 19 januari 2015 schuldig bevonden aan (kortweg) de invoer van twee kilogram MDMA. In verband daarmee is de verdachte aldaar bij uitspraak van 6 februari 2015 veroordeeld tot 1581 dagen gevangenisstraf.

(ii) De verdachte heeft op 1 september 2015 een document ondertekend waarin als zijn verklaring staat opgenomen dat hij overgebracht wil worden naar zijn thuisland Nederland om daar de rest van zijn straf uit te zitten.

(iii) Uit het op 17 september 2015 naar de Dienst Justitiële Inlichtingen van het ministerie van (destijds nog) Veiligheid en Justitie verzonden certificaat als bedoeld in de bijlage bij Kaderbesluit 2008/909/JBZ blijkt onder meer dat de verdachte in Engeland voor vervroegde of voorwaardelijke vrijlating in aanmerking zou kunnen komen als hij – zo staat aangekruist – de helft van de hem opgelegde straf heeft uitgezeten. Als einddatum van de straf ingeval die in zijn geheel zou moeten worden uitgezeten staat 14 april 2019 ingevuld. De brief waarbij dat certificaat als bijlage is gevoegd, vermeldt verder nog dat: “The British authorities have no objection if the Dutch authorities award the 270 days under the Early Removal Scheme (ERS) which is in operation in England for those foreign national prisoners who are subject to a deportation order”.1

(iv) Uit de kennelijk woordelijke weergave van de uitspraak van die straf blijkt dat de verdachte er als volgt op gewezen is dat hij naar alle waarschijnlijkheid niet die gehele straf van 1.581 dagen zou hoeven uit te zitten: “you will in practise only serve approximately half of that amount, it may even be less than that provided you have behaved properly and you will then be released on licence and while you are under licence if you were to breach the terms of the licence or to commit another criminal offence then you would be brought automatically back to prison to serve the rest of the term”.

(v) De bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, oordeelde op 10 november 2015 dat er ingevolge artikel 2:11 van de Wet wederzijdse erkenningen tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETVVS) geen gronden waren om de erkenning van de uitspraak te weigeren. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat het feit waarvoor de ten uitvoer te leggen vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd ook naar Nederlands recht strafbaar is en het bij artikel 10 van de Opiumwet strafbaar gestelde ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod’ oplevert.

(vi) Blijkens de erkenningsbeslissing van de divisiedirecteur Individuele Zaken van de Dienst Justitiële Inlichtingen van het ministerie van 5 januari 2016 zou de verdachte bij voortzetting van de tenuitvoerlegging van de sanctie in de staat van veroordeling op 13 februari 2017 in vrijheid worden gesteld, na uitzitten van de helft van de straf. Daarbij wijst hij op de kortingsmogelijkheid van 270 dagen wegens ongewenstverklaring en stelt hij dat de verdachte daarom op 19 mei 2016 “in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidsstelling”.

(vii) Naar die brief verwijst de divisiedirecteur vervolgens in zijn brief aan het arrondissementsparket Den Bosch van 17 februari 2016. Daaruit blijkt overname van de tenuitvoerlegging van de sanctie van de verdachte onder parketnummer 01‑005235‑16 te zijn geregistreerd. Als begindatum van de detentie wordt 16 december 2014 aangehouden. Op het moment van overdracht van de verdachte op 11 januari 2016 had hij reeds 391 dagen vastgezeten. Met inachtneming van de 270 dagen ‘extra proeftijd’ wordt de v.i.-periode vervolgens vastgesteld op 1.061 dagen en wordt de v.i.-datum gesteld op 19 mei 2016.

(viii) De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling d.d. 3 januari 2018 vermeldt het volgende:

v.i.-zaaknummer: 99-000523-37

Het Openbaar Ministerie

belast met de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van 1581 dagen, opgelegd bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden te Arnhem inzake WETS onder parketnummer 01/005235-16

waarbij

Naam : [verdachte]

Geboortedatum : [geboortedatum] 1948

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

Geboorteland (buitenland) :

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

is veroordeeld tot een onherroepelijke vrijheidsstraf met een v.i.-periode van 1061 dagen.

over welke straf voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend per: 19 mei 2016

en aan wie de beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling is betekend op 15 april 2016

is van oordeel dat bovengenoemde persoon zich niet aan de aan de voorwaardelijke

invrijheidstelling verbonden voorwaarden heeft gehouden.

Namelijk, bovengenoemde persoon:

- is als verdachte gehoord over nieuwe strafbare feiten op 15 december 2017

- is als verdachte voor nieuwe strafbare feiten aangehouden op 15 december 2017

- is vervolgens in verzekering gesteld op 15 december 2017 en een bevel tot bewaring is

verleend op 18 december 2017 onder parketnummer 15.860270-17

Het Openbaar Ministerie vordert derhalve dat last zal worden gegeven tot

herroeping van de v.i. voor een periode van 486 dagen.

Gezien artikel 15 e.v. van het Wetboek van Strafrecht.

5. Op 15 december 2017 is de verdachte in verzekering gesteld op verdenking van nieuwe strafbare feiten. Op 18 december 2017 is in verband daarmee een bevel tot bewaring verleend in de zaak onder parketnummer 15‑860270‑17. Die verdenking betrof het delict dat bij het bestreden arrest is bewezen verklaard, te weten het verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag van 194.140 euro, terwijl hij wist dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 420bis Sr. Over de bewezenverklaring van dat feit wordt in cassatie niet geklaagd. Die bewezenverklaring is in zoverre relevant dat het openbaar ministerie in verband daarmee op 3 januari 2018 heeft gevorderd dat last wordt gegeven tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor een periode van 486 dagen. Over de toewijzing van die vordering gaat de klacht in cassatie.

6. Blijkens het proces‑verbaal van de terechtzitting van het hof van 15 februari 2019 is, voor zover relevant, het volgende ter sprake gekomen:

De verdachte legt op vragen van het hof een verklaring af inhoudende:

U houdt mij voor dat aan mij de uitspraak betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling op 15 april 2016 is uitgereikt in de penitentiaire inrichting (pi) Vught. Ik kan mij daarvan niets herinneren. Ik heb daar geen papieren meer van.

Op de terechtzitting in Engeland was geen tolk aanwezig. Ik had er moeite mee te volgen wat er, in het Engels, besproken werd. Ik ben vanuit Engeland naar de PI Vught overgeplaatst om in Nederland mijn straf uit te zitten. Daarna ben ik vrijgekomen. Ik dacht dat de zaak daarmee was afgedaan. Ik werk nu als vrijwilliger in een bejaardencentrum.

U houdt mij voor dat ik in Engeland rechtsbijstand had van een advocaat. Ik heb die advocaat maar twee minuten gezien, vlak voor de zitting. Ik weet ook de naam niet meer van die advocaat. Ik kreeg een gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden opgelegd. Ik was twee jaar gedetineerd in Engeland, daarna naar Vught, vervolgens het detentietraject in en toen dacht ik: klaar.

De procedure Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) is mij uitgelegd door de reclassering. Die vertelde mij dat ik het resterende gedeelte van mijn straf in Nederland moest uitzitten. Ik weet niet meer wanneer ik naar Nederland ben gekomen. In Engeland heb ik nog een operatie ondergaan aan mijn aorta.

U vraagt mij of ik de brief van 5 januari 2016 van de Minister heb gelezen over mijn voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Ik heb in Engeland wel deze brief gezien. Een Nederlandse jongen aldaar heeft mij geholpen. U houdt mij voor dat het een beslissing is die door de minister wordt genomen en dat de brief in de Nederlandse taal is geschreven en dat daarin vermeld wordt dat ik in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidsstelling op 19 mei 2016.

7. Ten aanzien van de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is ter terechtzitting in hoger beroep van het hof van 15 februari 2019 blijkens de aan het proces‑verbaal gehechte pleitnotities namens de verdachte het volgende naar voren gebracht:

Vordering herroeping V.I.

3. Cliënt is in het Verenigd Koninkrijk veroordeeld en via een WETS-procedure mocht hij het resterende deel van zijn straf in Nederland uitzitten. In mei 2016 is cliënt in vrijheid gesteld. Op 15 december 2017, dus ruim 1,5 jaar later, is cliënt aangehouden in de witwaszaak. In eerste aanleg heeft de officier van justitie de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gevorderd en deze is volledig toegewezen (486 dagen). De verdediging meent dat het OM niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in deze vordering.

4. Cliënt was blijkens ‘the judge's observations when passing sentence' aanwezig tijdens zijn berechting op 6 februari 2015 in het Verenigd Koninkrijk. Dit is het document waarover we beschikken. We beschikken daarmee over de (kennelijk) letterlijke weergave van de uitspraak destijds. Ter zitting is aan cliënt medegedeeld dat hij 'ongeveer' de helft zal moeten uitzitten of misschien wel minder bij goed gedrag. "You will then be released on licence" met daarin de voorwaarden waaraan hij zich zou moeten houden. Als hij de voorwaarden zou overtreden, zou hij de resterende termijn moeten uitzitten.

5. We kunnen allereerst vaststellen - of in elk geval niet uitsluiten - dat geen tolk aanwezig was gedurende de behandeling van de strafzaak in het Verenigd Koninkrijk als ook tijdens de uitspraak. Of cliënt de strekking van al deze uitspraken heeft begrepen, valt dus al te betwijfelen, temeer nu dit ook door cliënt wordt betwist.

6. Als cliënt dan al zou hebben begrepen wat er tijdens die zitting gezegd zou zijn, dan zien de door de rechter gedane uitspraken op de situatie dat hij in het Verenigd Koninkrijk is veroordeeld en ook aldaar de gevangenisstraf zou uitzitten. Dit was echter niet het geval. De uitspraak dat je ongeveer de helft moet uitzitten en dat je je daarna aan voorwaarden moet houden is weinig concreet en niet voor niets geldt de eis dat het besluit voorwaardelijke invrijheidstelling aan een betrokkene moet worden betekend.

7. Via een WETS-procedure is cliënt uiteindelijk in januari 2016 overgeleverd aan Nederland. Blijkens de V.I.-regeling in het Verenigd Koninkrijk kreeg cliënt blijkbaar nog een 'korting' van 270 dagen. Een periode, zo blijkt nu, die zou worden opgeteld bij de V.I.-periode. Dit maakt dan dat cliënt een V.I.-periode van 1091 [bedoeld zal zijn: 1061, DA] dagen zou hebben. Dit heeft geleid tot de invrijheidstelling van cliënt in mei 2016. Of cliënt de inhoud van de hele WETS-procedure heeft meegekregen, het bericht over de korting van 270 dagen en eventuele voorwaarden kan niet worden vastgesteld.

8. De verdediging meent dat niet kan worden vastgesteld dat cliënt de inhoud van de uitspraak van 6 februari 2015 en ook hoe deze straf er in de praktijk uit zou zien, werkelijk volledig begrepen heeft, nu niet is gebleken dat een tolk aanwezig was en ook evident is dat een verdachte te kampen had met de nodige stress tijdens een proces, zoals verdachten dat in het algemeen hebben. Van een schriftelijke bevestiging van de uitspraak is evenmin gebleken, waarbij ik nog in het midden laat of dit überhaupt voldoende zou kunnen zijn om te stellen dat cliënt dan nu, jaren later, op de hoogte is van de regeling van de V.I.

9. Ook als cliënt volledig de strekking van zijn uitspraak aldaar heeft begrepen, maar cliënt vervolgens naar Nederland wordt overgeplaatst, rest de vraag of cliënt moest weten of zou moeten weten dat een dergelijke regeling ook in Nederland zou gelden. Wat hij heeft meegekregen van de WETS-procedure kunnen we immers niet vaststellen. Ook weten we dat onder niet juristen vaak gezegd wordt dat men in Nederland maar een klein deel van de straf hoeft uit te zitten. Moet dan van cliënt, tevens niet jurist, verwacht worden dat hij weet dat er voorwaarden aan zijn invrijheidstelling zijn gekoppeld. De verdediging meent van niet.

10. In de vordering herroeping V.I. wordt gesteld dat het besluit tot voorwaardelijke invrijheidstelling aan hem is betekend, maar besluit en akte uitreiking ontbreken en daarbij hebben we ook een betwisting van cliënt dat hij een dergelijk besluit ontvangen heeft. Wat de verdediging betreft was cliënt niet op de hoogte van het feit dat hij (in Nederland) a) onder voorwaarden werd vrijgelaten, b) als dit al onder voorwaarden was, welke voorwaarden dit waren en c) gedurende welke periode deze voorwaarden zouden gelden en hoefde hij dat ook niet te zijn. Dat cliënt heeft ingestemd met toezending van het vonnis aan de Nederlandse autoriteiten, zoals letterlijk in het vonnis van de rechtbank wordt genoemd en kennelijk als redengevend wordt gezien, doet daar niet aan af, nu ook hierin geen concrete V.I.- datum en voorwaarden zullen hebben gestaan.

11. Ook in Nederland kan een rechter bij uitspraak prima ter info aan de verdachte meegeven dat hij na een bepaalde periode onder voorwaarden vrij kan komen. Moet dan van deze verdachte, die zonder enig schriftelijk besluit een PI wordt uitgezet met zijn hebben en houden, worden verwacht dat hij dan weet dat hij in een soort proeftijd loopt? En mag verwacht worden van hem dat hij weet hoe lang de proeftijd loopt? Het hele idee van het bestaan van een besluit met daarin de voorwaarden, impliceert dat een dergelijk besluit ook daadwerkelijk moet worden uitgereikt. Hoe anders kan je van iemand verwachten dat hij de V.I.-regeling kent?

12. Kortom, er kleven betekeningsgebreken aan de uitreiking van het besluit voorwaardelijke invrijheidstelling. Ook is niet op een later moment gebleken dat de inhoud hem bekend werd, anders dan door de vordering herroeping V.I. van de officier van justitie. Vergelijk bijvoorbeeld Rb. Arnhem 12 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR4845. Hier was de betekening van het besluit niet juist, maar had de betrokkene later een overeenkomst in het kader van het toezicht ondertekend. “Door het tekenen van deze overeenkomst is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde op de hoogte was van de algemene en de bijzondere voorwaarden die staan opgenomen in het besluit voorwaardelijke invrijheidstelling. Het achterliggende doel van de betekeningsvoorschriften - het op de hoogte brengen van veroordeelde van het voornoemde besluit - is hierdoor voldoende gediend.” In deze zaak werd de vordering daarom ontvankelijk verklaard. In deze zaak zit het echter anders en dient derhalve niet-ontvankelijkheid te volgen.

13. Als uw hof meent dat de vordering herroeping V.I. desondanks aan de orde is, dan merk ik daarover nog het volgende op. Ik wil uw hof verzoeken toch ook te kijken naar de Nederlandse standaarden wat betreft de strafoplegging, ondanks dat we het Engelse vonnis als zodanig erkend hebben. Als we kijken naar de oriëntatiepunten zou uw hof voor wat betreft de invoer van de betreffende hoeveelheid harddrugs 12-24 maanden hebben opgelegd, waarbij we kunnen vaststellen - blijkens de uitspraak van de rechter in het Verenigd Koninkrijk - dat er geen strafverzwarende, maar eerder strafmatigende omstandigheden aan de orde zijn. Dit neigt aldus eerder naar 12 dan naar 24 maanden gevangenisstraf. 4 jaar en 4 maanden, zoals opgelegd, zou in elk geval geen optie zijn. Client heeft in totaal 590 dagen gezeten; dat is dus bijna de maximale 2 jaar die hij naar Nederlandse uitgangspunten zou hebben gezeten. Nog los van de V.I.-regeling in Nederland. Dan was hij namelijk reeds na 1 jaar en 4 maanden voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Dan had hij nog 1 jaar proeftijd gehad en was die voorwaardelijke periode allang beëindigd toen hij eind 2017 is aangehouden. Cliënt is op leeftijd en kwakkelt met zijn gezondheid. Ik wil uw hof dan ook verzoeken de vordering af te wijzen, mede met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van cliënt.

14. Indien uw hof meent dat de vordering (deels) dient te worden toegewezen, verzoek ik u, onder verwijzing naar een arrest van uw eigen hof, met vindplaats ECLI:NL:GHAMS:2012:BW6475, de periode van herroeping flink te matigen, nu onzorgvuldig is gehandeld doordat het besluit niet is betekend aan cliënt. Ook op een later moment is dat tot op de dag van vandaag niet gedaan. Dit is niet de gang van zaken en daar dient een reactie op te volgen.

8. Daaraan heeft zij blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting nog het volgende toegevoegd:

De akte uitreiking is nu uit de hoge hoed getoverd. De verdachte zegt dat hij wel zal hebben getekend. Een schriftelijk besluit is nog niet boven tafel.

De verdachte heeft niet allemaal begrepen wat er in Engeland tijdens de zitting is beslist. Het besluit had aan hem betekend dienen te worden zodat hij op de hoogte kon raken van de inhoud van dat besluit. De voorwaarden hadden nog aan de verdachte meegedeeld moeten worden. De verdachte verklaart dat hij niet meer weet wat hij ontvangen heeft. Kortom de verdachte was niet op de hoogte van het besluit, niet op de hoogte van de voorwaarden en was ook onbekend met de periode waarin die voorwaarden golden. Er is wel een akte maar er zijn geen bijbehorende stukken. Voorts wil ik nog naar voren brengen dat de verdachte gezondheidsproblemen heeft. Zijn nekwervels zijn niet in orde.”

9. Ten aanzien van de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling heeft het hof, ter vervanging van de overwegingen van de rechtbank dienaangaande, de volgende overwegingen opgenomen in het bestreden arrest:

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling, aangezien het besluit voorwaardelijke invrijheidsstelling niet aan de verdachte is betekend en hij hiermee ook anderszins niet bekend is geworden. De verdachte was er daardoor niet van op de hoogte dat hij voorwaardelijk in vrijheid was gesteld. De verdachte was bovendien niet bekend met de voorwaarden die waren verbonden aan een voorwaardelijke invrijheidstelling en evenmin met de hieraan gekoppelde proeftijd. Subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen vanwege de Nederlandse standaarden betreffende strafoplegging (de verdachte zou in Nederland voor een vergelijkbaar feit tot een veel kortere gevangenisstraf zijn veroordeeld en dan zou de daaraan te koppelen periode van voorwaardelijke invrijheidstelling al lang zijn verstreken) en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, meer in het bijzonder diens gevorderde leeftijd en kwakkelende gezondheid. Meer subsidiair heeft de raadvrouw aangevoerd dat de periode van herroeping flink dient te worden gematigd, nu onzorgvuldig is gehandeld doordat het besluit voorwaardelijke invrijheidsstelling niet aan de verdachte is betekend.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling dient te worden toegewezen. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep een akte uitreiking overgelegd aan het hof, waaruit zou volgen dat het besluit voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de verdachte is betekend op 15 april 2016.

Beoordeling hof

De verdachte is bij onherroepelijk geworden vonnis van 6 februari 2015 in het Verenigd Koninkrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1581 dagen.

De verdachte heeft op 1 september 2015 verzocht tot overbrenging naar Nederland om hier het restant van de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde gevangenisstraf uit te zitten. Dit kan op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende straffen en voorwaardelijke sancties (WETVVS). Op grond van artikel 2:2 WETVVS is de minister bevoegd tot erkenning van een van de uitvaardigende lidstaat ontvangen rechterlijke uitspraak, met het oog op tenuitvoerlegging in Nederland. Alvorens de minister tot erkenning beslist beoordeelt de bijzondere kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op grond van artikel 2:11 WETVVS of - kort samengevat - er reden is de erkenning te weigeren en of de in het buitenland opgelegde vrijheidsbenemende sanctie eventueel aanpassing behoeft. Artikel 2:15 WETVVS bepaalt ten slotte dat, voor zover hier van belang, na erkenning van de rechterlijke uitspraak deze overeenkomstig de regels van het Nederlandse recht, ten uitvoer wordt gelegd.

Op 12 november 2015 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat er geen gronden zijn de erkenning van de uitspraak te weigeren en dat er geen wettelijke gronden zijn tot aanpassing van de opgelegde gevangenisstraf.

Op 5 januari 2016 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie beslist dat de uitspraak door Nederland wordt erkend en de opgelegde straf in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. In die beslissing is vermeld dat de verdachte, behoudens eventuele toepassing van artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht, in Nederland niet later dan op 19 mei 2016 voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld.

De verdachte is daadwerkelijk naar Nederland overgebracht en heeft hier zijn straf uitgezeten. Het hof gaat er bij de beoordeling van deze zaak er vanuit dat de verdachte op 19 mei 2016 (hoewel in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 40 van het dossier de datum 17 juni 2016 staat vermeld) voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Op die voorwaardelijke invrijheidstelling zijn, als gezegd, de Nederlandse regels van toepassing.

Artikel 15a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit. Die proeftijd gaat op grond van artikel 15c, eerste lid, Sr in op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling en is, op grond van het tweede lid van dat artikel, gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend; in het geval van de verdachte 486 dagen. Een afzonderlijk besluit, laat staan betekening daarvan is volgens de wet niet vereist. Reeds daarom kan het primaire verweer niet slagen.

Daarnaast overweegt het hof dat de feitelijke gang van zaken er op wijst dat de verdachte wel op de hoogte was van een besluit voorwaardelijke invrijheidsstelling, gelet op de akte van uitreiking die door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep is overgelegd. Deze akte heeft blijkens de daarop vermelde tekst “VIBESL” betrekking op een besluit voorwaardelijke invrijheidstelling en is op 15 april 2016 aan de verdachte uitgereikt. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de hierboven aangehaalde brief van de minister van 5 januari 2016 gezien heeft. In deze brief is als gezegd opgenomen dat de verdachte op 19 mei 2016 in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Gelet op het voorgaande is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en kan deze worden toegewezen, omdat de verdachte zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals volgt uit de overige inhoud van dit arrest.

In hetgeen door de raadsvrouw subsidiair is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding de vordering af te wijzen.

Hoewel het hof het ongelukkig acht dat het dossier met betrekking tot de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet compleet is, leidt dit niet tot matiging van de toe te wijzen periode zoals meer subsidiair is verzocht. Het hof heeft bij de toewijzing van de vordering tevens betrokken de ernst van het door de verdachte in zijn proeftijd begane strafbare feit en de door verdachte naar voren gebrachte, maar niet onderbouwde, persoonlijke omstandigheden. Ook daarin ziet het hof geen reden tot matiging.

10. Volgens de steller van het middel is het oordeel van het hof dat de verdachte op 19 mei 2016 voorwaardelijk in vrijheid gesteld is niet zonder meer begrijpelijk, nu uit het door het hof bij zijn oordeel betrokken proces‑verbaal van bevindingen op pagina 40 van het dossier zou blijken dat de verdachte pas op 17 juni 2016 van zijn (relatieve) vrijheid mocht genieten. Dat zou ook zijn justitiële documentatie van 6 februari 2019 uitwijzen. Het oordeel van het hof dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor toewijzing in aanmerking komt zou daarom niet begrijpelijk zijn en, in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, nadere motivering behoeven.

11. Voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, luidde de WETVVS ten tijde van de overname van de tenuitvoerlegging van de straf van de verdachte als volgt:

Artikel 2:15

1. Nadat de rechterlijke uitspraak is erkend, draagt Onze Minister er zorg voor dat deze zo spoedig mogelijk, overeenkomstig de regels van het Nederlandse recht en met inachtneming van de erkenningsbeslissing, ten uitvoer wordt gelegd.

2. Bij de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende sanctie wordt de door de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in het certificaat aangegeven tijd die al in detentie is doorgebracht in mindering gebracht. Eveneens wordt de tijd die in Nederland in detentie is doorgebracht als gevolg van de toepassing van de voorlopige maatregelen, bedoeld in de artikelen 2:19 en 2:20, in mindering gebracht.

12. Onderdeel van de vorenbedoelde op de tenuitvoerlegging toepasselijke bepalingen, zijn de voorwaarden die hier te lande gelden voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Voor zover relevant luidden de bepalingen van artikel 15 e.v. (oud) Sr ten tijde van het ingaan van de periode van voorwaardelijke invrijheidsstelling van de verdachte,2 als volgt:3

- Artikel 15

2. De veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan.

(…)

5. Indien de veroordeelde meer dan één vrijheidsstraf heeft te ondergaan, worden deze zo enigszins mogelijk aaneensluitend ten uitvoer gelegd. In dat geval worden geheel onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen gezamenlijk, met uitzondering van vervangende hechtenis, als één vrijheidsstraf aangemerkt, waarop dit artikel en de artikelen 15a tot en met 15l van toepassing zijn.

(…)

7. In afwijking van het eerste en het tweede lid, kan Onze Minister van Veiligheid en Justitie bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling op een eerder tijdstip plaatsvindt in het geval van de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf in Nederland, indien de veroordeelde op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld, als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen.

- Artikel 15a

1. De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de algemene voorwaarden dat:

a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en

b.de veroordeelde, voor zover aan de voorwaardelijke invrijheidstelling bijzondere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid worden gesteld: (…)

- Artikel 15c

1. De proeftijd gaat in op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

(…)

4. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

- Artikel 15g

Voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd. Indien de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk is herroepen, wordt de veroordeelde, nadat hij het alsnog ten uitvoer te leggen gedeelte van de vrijheidsstraf heeft ondergaan, opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

13. De – eveneens thans vervallen – bepalingen aangaande de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling luidden, voor zover relevant, ten tijde van de vordering tot herroeping van de invrijheidsstelling van de verdachte als volgt:4

- Artikel 15i

2. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, dient het onverwijld een schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechtbank. De vordering bevat de grond waarop zij berust. Het openbaar ministerie ziet slechts af van de vordering, indien naar het oordeel van het openbaar ministerie met het wijzigen van de voorwaarden of met een waarschuwing kan worden volstaan.

3. Tot kennisneming van de vordering is bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het strafbare feit terzake waarvan de straf die ten uitvoer wordt gelegd, is opgelegd. Indien de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit begaan voor het einde van de proeftijd en de vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met dat strafbare feit is bevoegd de rechtbank die bevoegd is tot kennisneming van het strafbare feit. De vordering wordt ingediend door het openbaar ministerie dat is belast met de vervolging van het strafbare feit en kan bij gelegenheid van een veroordeling terzake van dat strafbare feit worden toegewezen.

4. In de gevallen, bedoeld in artikel 15, vijfde lid, is tot kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft geoordeeld terzake van het feit waarvoor de langste onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijke lengte zijn rechtbanken gelijkelijk bevoegd. In het geval van de tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing is tot kennisneming van de vordering bevoegd de rechtbank die het verlof tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen heeft verleend, dan wel de rechtbank in het arrondissement waar de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf plaatsvindt.

5. Bij de vordering zendt het openbaar ministerie de daarop betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe. De voorzitter van de rechtbank bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij hij vaststelt dat het openbaar ministerie in zijn vordering niet kan worden ontvangen. In het geval bedoeld in het derde lid, tweede volzin, geschiedt de behandeling van de zaak gelijktijdig met de behandeling van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd.

- Artikel 15j

1. Indien de vordering van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 15i, tweede lid, wordt toegewezen, gelast de rechtbank dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel of gedeeltelijk moet worden ondergaan. De rechtbank kan in zijn beslissing omtrent de vordering adviseren omtrent aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden bijzondere voorwaarden.

(…)

3. De beslissing van de rechtbank omtrent de vordering is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde onverwijld in kennis van de beslissing van de rechtbank.

4. Tegen de beslissing van de rechtbank over de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling staat, voor zover zij geen deel uitmaakt van uitspraken terzake van andere strafbare feiten, geen rechtsmiddel open. De rechter die in hoger beroep of beroep in cassatie kennisneemt van een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, heeft gelijke bevoegdheid als in het eerste lid en in artikel 15h, achtste lid, aan de rechtbank is toegekend.

14. De justitiële documentatie van de verdachte d.d. 6 februari 2019 bevat voor zover relevant het volgende:

Gegevens betreffende voorwaardelijke invrijheidstelling

Instantie/zaaknr. Centrale Voorziening VI 99-000523-37

Type zaak v.i. zaak

Koppelingen Betrekking op parketnr. 01-005235-16

Datum beslissing 13 april 2016

Feit 1

Beslissing Algemene voorwaarden v.i.

Start- en einddatum proeftijd: 17 juni 2016 - 12 november 2019

Duur proeftijd: 1061 Dagen

…………………………………………………………………………………………………………………

Openstaande zaken betreffende misdrijven

Instantie/zaaknr. Ressortsparket A’dam 23-001219-18 (Rechtsmiddel van 15-860270-17)

Datum zitting 15 februari 2019 te Amsterdam

Datum beslissing 22 november 2018

Feit 1 art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Pleegperiode op of omstreeks 15 december 2017 te Purmerend

Status Gedagvaard

………………………………………………………………………

Instantie/zaaknr. Parket OVJ Noord-Holland 15-860270-17

Datum beslissing 29 maart 2018 Meervoudige strafkamer rechtbank Noord-Holland

Feit 1 art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Kwalificatie Witwassen

Pleegperiode op of omstreeks 15 december 2017 te Purmerend

PV PL1100 Politie Zaanstreek-Waterland - 1

Status Niet onherroepelijk Verdachte (03 april 2018)

Beslissing t.a.v.

Feit 1 12 Maanden Gevangenisstraf

(…)

Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven

Instantie/zaaknr. Parket OVJ Oost-Brabant 01-005235-16

Koppelingen Betrekking op parketnr. 99-000523-37

Betrekking op zaaknr: T20140787 uit Groot-Brittannië nav WETS 909

Datum beslissing 06 februari 2015 Buitenlandse Rechtbank in de rechtbank Oost-Brabant

Feit 1 art 10 lid 5 Opiumwet

art 2 ahf/ond A Opiumwet

Kwalificatie invoer van in totaal 2kg MDMA

Pleegdatum 15 december 2014

PV VI0002 DJI Intern. Overdracht Strafvonnissen - T20140787

Status Onherroepelijk 06 februari 2015

Beslissing t.a.v.

Feit 1 1581 Dagen Gevangenisstraf

Executie: --> 11 januari 2016 - 19 mei 2016. Voldaan

(…)

Instantie/zaaknr. Parket OVJ Amsterdam 13-510482-08

Datum beslissing 17 april 2009 Politierechter Amsterdam

Feit 1 art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

Kwalificatie Overtreding van artikel 7, lid 1, van de Wegenverkeerswet 1994.

Maat. classif. Verlaten plaats na aanrijding

Pleegdatum 26 september 2007 te Amsterdam

PV PL136D Pol. A'dam DCIVTeam Hoofdwegen - 2007260074

Feit 2 art 9 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

Kwalificatie Overtreding van artikel 9, lid 1, van de Wegenverkeerswet 1994.

Maat. classif. Overige verkeersdelicten

Pleegdatum 26 september 2007 te Amsterdam

PV PL136D Pol. A'dam DCIV Team Hoofdwegen - 2007260074”

15. Zoals uit het in het voorgaande besproken procesverloop kan worden opgemaakt, is namens de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie conform het bepaalde in artikel 15 lid 7 (oud) Sr besloten de voor de verdachte gunstigere Engelse regeling voor voorwaardelijke invrijheidsstelling toe te passen. Om die reden is bepaald dat de verdachte in totaal de helft van de straf minus de ‘extra korting’ van 270 dagen, waarop de verdachte ingevolge de regeling van de Early Removal Scheme in Engeland aanspraak op zou maken, zou moeten uitzitten. Daarop is bepaald dat de verdachte op 19 mei 2016 in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidsstelling.

16. Voor zover het hof ervan uitgaat dat de verdachte voorwaardelijk in vrijheid gesteld is op 19 mei 2016, en niet – zoals in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 40 van het dossier – op 17 juni 2016, is zijn oordeel kennelijk gebaseerd op het uittreksel justitiële documentatie van 6 februari 2019. Daaruit kan worden opgemaakt dat de verdachte uit hoofde van de in Engeland opgelegde straf tot en met 19 mei 2016 heeft vastgezeten. Verder blijkt daaruit dat de verdachte op die datum niet daadwerkelijk op vrije voeten is gekomen, omdat hij vanaf 19 mei 2016 tot en met 17 juni 2016 een vervangende hechtenis heeft uitgezeten ter zake van een ander feit.5 De vervangende hechtenis is klaarblijkelijk, conform het bepaalde in artikel 15 lid 5 (oud) Sr, direct aansluitend op het beoogde moment van voorwaardelijke invrijheidsstelling ten uitvoer gelegd. Ingevolge dat artikel worden de onvoorwaardelijk ten uitvoer gelegde Engelse straf en de vervangende hechtenis niet als één vrijheidsstraf aangemerkt en zijn de artikelen die gelden voor de ‘v.i.periode’ niet van toepassing voor de vervangende hechtenis.

17. Voor zover geklaagd wordt dat de verdachte in strijd met de beslissing van de minister pas veel later in vrijheid is gesteld, nu het hof de vordering tot herroeping volledig heeft gelast en dat tot gevolg heeft dat de verdachte ook de 29 dagen die hij reeds te lang zou hebben vastgezeten nogmaals zou moeten ‘zitten’, mist de klacht op basis van het voorgaande feitelijke grondslag. In zoverre faalt het middel.

18. Hoewel het de begrijpelijkheid van de beslissing van het hof ten goede was gekomen als het terzijde schuiven van het gegeven uit het proces‑verbaal van bevindingen op p. 40 van het dossier nader was gemotiveerd, kan gelet op het aan zijn beslissing ten grondslag liggende uittreksel justitiële documentatie van 6 februari 2019 niet worden volgehouden dat de beslissing onbegrijpelijk is. Ook in zoverre kan het middel niet slagen.

19. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

20. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kennelijk wordt hier gedoeld op de regeling als opgenomen in artikel 260 van de Criminal Justice Act 2003.

2 De hier geciteerde bepalingen waren alle in deze vorm in werking op zowel 19 mei 2016 als op 17 juni 2016 en dus, ongeacht van welke datum van voorwaardelijke invrijheidsstelling word uitgegaan, geldend.

3 De artikelen 15 e.v. (oud) Sr zijn vervallen per 1 januari 2020. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met de invoering van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Kamerstukken II 2019/20, 35311, nr. 3, p. 16, zijn in het onderhavige geval de bepalingen van toepassing zoals geldend voorafgaand aan die wetswijziging, meer in het bijzonder ten tijde van de datum van de invrijheidstelling van de verdachte.

4 De vordering tot herroeping dateert, als gezegd, van 3 januari 2018.

5 Zekerheidshalve heb ik door de griffie van de Hoge Raad een detentieoverzicht betreffende de verdachte op doen vragen. De daarin vermelde detentiegegevens komen overeen met de hier beschreven gegevens uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 februari 2019.