Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:551

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-03-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
18/01341
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:908
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rijden onder invloed door recidiverende beginnend bestuurder snorfiets, art. 8.3.a WVW 1994. 1. Levert veroordeling verdachte i.v.m. toepasselijkheid van recidiveregeling van art. 123b WVW 1994 strijd op met art. 6 en 7 EVRM en beginselen van behoorlijke procesorde? 2. Strafmotivering. Moet strafrechter rekening houden met omstandigheid dat onherroepelijke veroordeling ex art. 123b WVW 1994 tot gevolg heeft dat rijbewijs van verdachte van rechtswege zijn geldigheid verliest? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/00422 (niet gepubliceerd, art. 81.1 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/01341

Zitting 17 maart 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

  1. De enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 21 maart 2018 de verdachte wegens “overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 320,00, bij niet betaling te vervangen door zes dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf maanden met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge art. 164 Wegenverkeerswet 1994 reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.

  2. De zaak hangt samen met de zaak tegen verdachte [...] (19/00422). In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. C. Grijsen, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel heeft als strekking dat de veroordeling van de verdachte in verband met de toepasselijkheid van de recidiveregeling van art. 123b WVW 1994 strijd oplevert met de artikelen 6 en 7 EVRM en met beginselen van een behoorlijke procesorde. Het middel valt uiteen in verschillende deelklachten.

  5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 27 mei 2017 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig, snorfiets, voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 595 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl sedert de datum waarop aan verdachte voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.”

6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2018 kan worden afgeleid dat de raadsvrouw van de verdachte geen verweer heeft gevoerd ten aanzien van de recidiveregeling van art. 123b WVW 1994. Nog daargelaten dat de klachten zich ten dele lijken te keren tegen de wettelijke regeling van de recidiveregeling als bedoeld in art. 123b WVW 1994 als zodanig, werpt de steller van het middel vragen op die bezwaarlijk voor het eerst in cassatie aan de orde kunnen komen.1

7. Daarbij komt het volgende.

8. Het middel bevat klachten die reeds aan de orde zijn geweest in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2350, NJ 2019/75. Mijn ambtgenoot Spronken is in haar conclusie voorafgaand aan dat arrest uitgebreid ingegaan op de in de schriftuur aangedragen argumenten. De Hoge Raad heeft het volgende overwogen:

“2.4.

Op grond van art. 123b, eerste lid, WVW 1994 verliest een rijbewijs van rechtswege zijn geldigheid indien aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. Daarvan is, kort gezegd, sprake in geval van recidive ter zake van met middelengebruik verband houdende verkeersdelicten. Het verlies van de geldigheid van het rijbewijs is daarbij het directe gevolg van het onherroepelijk worden van een tweede veroordeling ter zake van zo een delict dat is begaan binnen de in art. 123b, eerste lid, WVW 1994 genoemde periode van vijf jaar. Dat betekent dat de strafrechter bij de vervolging van het feit dat tot die tweede veroordeling leidt, in het kader van de straftoemeting rekening kan houden met het gevolg dat door de regeling van art. 123b WVW 1994 wordt verbonden aan de veroordeling indien deze onherroepelijk wordt. Dat heeft het Hof blijkens zijn hiervoor onder 2.2.3 weergegeven strafmotivering in deze zaak ook gedaan.

2.5.

Anders dan het middel betoogt, is de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging voor een met middelengebruik verband houdend verkeersdelict niet in het geding door de enkele omstandigheid dat een onherroepelijke veroordeling tot gevolg heeft dat het rijbewijs op grond van art. 123b WVW 1994 van rechtswege zijn geldigheid verliest. Dat betoog vindt geen steun in het recht, ook niet in de door het middel genoemde bepalingen van het EVRM. Evenmin gaat een vergelijking op met de uitzonderlijke situatie als bedoeld in HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, reeds omdat het daar ging om de situatie dat, nadat de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma was opgelegd, een strafvervolging ter zake van hetzelfde feit plaatsvond.

2.6.

In zoverre faalt het middel.

3. Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.”

9. Het middel strandt op dezelfde gronden.2

10. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof de strafoplegging onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.

11. Het bestreden arrest van de enkelvoudige strafkamer van het hof is overeenkomstig art. 425, derde lid aanhef en onder c, Sv aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij, als hij wordt veroordeeld voor het feit dat ten laste is gelegd, opnieuw zijn rijbewijs zal moeten halen omdat hij een beginnend bestuurder is.

12. Het proces-verbaal houdt ten aanzien van de strafoplegging het volgende in:

“Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 320,-, subsidiair 6 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 320,-, subsidiair 6 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Een geldboete en een ontzegging zoals gevorderd door de advocaat-generaal is de gebruikelijke straf bij soortgelijke feiten. Weliswaar is de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 maart 2018 eerder ter zake van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld, maar in het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte aannemelijk heeft gemaakt dat zijn alcoholgebruik in het verleden samenhing met zijn toenmalige werk als barkeeper en dat hij sinds zijn verandering van baan geen alcohol meer nuttigt. Het hof heeft het vertrouwen dat de verdachte niet nogmaals onder invloed van alcohol aan het verkeer zal deelnemen en zal de geldboete daarom in voorwaardelijke vorm opleggen.

“ Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 320,-, te vervangen door 6 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994, passend en geboden.”

13. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat het hof, mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte naar voren is gebracht over het ongeldig worden van zijn rijbewijs na een veroordeling, de strafoplegging onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Volgens de steller van het middel heeft het hof nagelaten de recidiveregeling van art. 123b WVW 1994 te betrekken bij de strafoplegging. Verder heeft de steller van het middel opgemerkt dat het hof heeft nagelaten de oplegging van de ontzegging van de rijbevoegdheid te motiveren, terwijl het de vraag is hoe die straf zich verhoudt tot de recidiveregeling van art. 123 WVW 1994.

14. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van factoren die hij voor de strafoplegging van belang acht, terwijl deze keuze geen motivering behoeft.3 Wel dwingt art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv de rechter tot een nadere motivering, indien hij afwijkt van een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. De Hoge Raad betracht een grote mate van terughoudendheid bij het ingrijpen in cassatie ten aanzien van de strafmotivering.4

15. Uit de strafmotivering blijkt dat het hof de op te leggen straf heeft bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en draagkracht van de verdachte. Het hof heeft in aanmerking genomen dat de verdachte eerder wegens een overtreding van art. 8 WVW 1994 is veroordeeld. In het voordeel van de verdachte heeft het hof meegewogen dat de verdachte aannemelijk heeft gemaakt dat hij sinds de verandering van zijn baan geen alcohol meer nuttigt. Vervolgens zijn die omstandigheden afgewogen en is een voorwaardelijke geldboete en een rijontzegging opgelegd. Daarmee heeft het hof de strafoplegging voldoende begrijpelijk gemotiveerd. De strafmotivering behoefde geen nadere motivering, ook niet in het licht van de algemene opmerking van de verdachte ter terechtzitting over het door hem gestelde gevolg van een veroordeling.

16. Het tweede middel faalt.

17. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

18. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken. Gelet op de door het hof opgelegde straffen, kan met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn worden volstaan.5

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 218-219.

2 Volledigheidshalve wijs ik in dit verband ook nog op de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken d.d. 2 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1089 waarin specifiek de vraag aan de orde was of een veroordeling van de verdachte vanwege de toepassing van de recidiveregeling tot een dubbele bestraffing zal leiden. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep in die zaak met toepassing van art. 81, eerste lid, RO verworpen (het arrest is niet gepubliceerd).

3 HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805.

4 Zie mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2017:495 voorafgaand aan HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1119.

5 Vgl. HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7692.