Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:55

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-01-2020
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
19/02362
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Beslagrecht. Executoriaal eigenbeslag door de man op aan de vrouw te betalen kinderalimentatie; door de vrouw verbeurde dwangsommen. Vordering in kort geding tot opheffing beslag en terugbetaling van ingehouden bedrag. Beslaglegging op kinderalimentatie geoorloofd? Toepasselijkheid beslagvrije voet. Verschuldigdheid dwangsommen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02362

Zitting 24 januari 2020

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
advocaat: mr. J. van Weerden

tegen

[de man]

(hierna: de man)
niet verschenen

De man heeft executoriaal eigenbeslag gelegd op de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor een vordering uit hoofde van door de vrouw verbeurde dwangsommen. De vrouw vordert opheffing van het beslag en terugbetaling van het ten onrechte ingehouden bedrag. In cassatie wordt de vraag voorgelegd of eigenbeslag op kinderalimentatie geoorloofd is, en zo ja, of daarbij de beslagvrije voet in aanmerking moet worden genomen. Verder is aan de orde of het hof op goede gronden heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat de vrouw dwangsommen heeft verbeurd.

1 Feiten

In deze zaak kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 5.1-5.7 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2019.1

1.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze relatie is in januari 2010 verbroken. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren die nu nog minderjarig zijn. Bij beschikking van 6 januari 2017 is – na verbetering bij beschikking van 14 februari 2017 – bepaald dat de man met ingang van 6 januari 2017 € 457,50 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.

1.2

Sinds de verbreking van de relatie hebben partijen meerdere procedures tegen elkaar gevoerd. Bij vonnis in kort geding van 11 november 20152 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland aan de man vervangende toestemming verleend om de voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) te koop aan te bieden, en daarnaast, op straffe van een dwangsom, de vrouw verboden om gedurende een jaar na betekening van het vonnis contact op te nemen met de man en haar geboden zich te onthouden van het verspreiden van negatieve uitlatingen over de man jegens zijn werkgever, zijn partner of derden, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.3

Bij arrest van 1 augustus 20163 van het hof Arnhem-Leeuwarden is dit vonnis vernietigd voor zover daarbij de vordering van de man tot ontruiming van de woning door de vrouw is afgewezen, en heeft het hof de vrouw veroordeeld om de woning te verlaten. Voor het overige heeft het hof het vonnis bekrachtigd. Het vonnis van 11 november 2015 is bij exploot van 23 november 2015 aan de vrouw betekend. Bij exploot van 19 april 2017 is de vrouw bevolen de op grond van dat vonnis verbeurde dwangsommen € 778,88 (inclusief kosten) te betalen.

1.4

Bij vonnis in kort geding van 8 maart 20174 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel is aan de man vervangende toestemming verleend voor de verkoop van de woning, bepaald dat op de voet van art. 3:300 BW het vonnis in de plaats treedt van de notariële akte tot levering van die woning en is de vrouw veroordeeld om ter zake van de hypothecaire lasten van de woning aan de bank € 778,75 bruto per maand vanaf 1 januari 2017 te betalen. Voorts heeft de voorzieningenrechter de vrouw verboden om zich gedurende één jaar te bevinden binnen een straal van 100 meter rondom de woning en contact met de man op te nemen en negatieve uitlatingen over hem te doen jegens derden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het laatste vonnis is bij exploot van 16 maart 2017 aan de vrouw betekend. Bij exploot van 14 september 2017 is aan de vrouw bevolen vanwege het niet voldoen aan het kortgedingvonnis van 8 maart 2017 € 6.078,88 aan dwangsommen te betalen (inclusief kosten).

1.5

Bij vonnis in kort geding van 2 augustus 2017 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland vervangende toestemming verleend aan de notaris om € 205.963,35 ter zake van verkoopopbrengst van de woning aan de vrouw te betalen. De vrouw heeft dit bedrag gebruikt voor de aanschaf van een woning te Apeldoorn.

1.6

Op 24 januari 2018 heeft de man ter zake van verschuldigde dwangsommen (€ 6.000,-) uit kracht van het kortgedingvonnis van 8 maart 2017 onder zichzelf beslag doen leggen op de door hem aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie.

1.7

Bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 11 april 2018 is de vrouw veroordeeld om € 3.893,75 ter zake van de hypotheekrente over de maanden januari 2017 tot en met mei 2017 aan de man te betalen, omdat zij niet aan het vonnis van 8 maart 2017 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel heeft voldaan en de man deze kosten feitelijk heeft betaald.

1.8

Op 18 april 2018 is de vrouw met de gemeente Apeldoorn een overeenkomst ter zake bijstand in de vorm van een geldlening van (maximaal) € 196.200,- aangegaan. Tot zekerheid heeft de vrouw aan de gemeente Apeldoorn het recht van hypotheek verstrekt.

2 Procesverloop

2.1

De vrouw heeft in dit kort geding bij inleidende dagvaarding van 12 juni 2018 gevorderd, kort weergegeven:

- de man te veroordelen het beslag met onmiddellijke ingang op te heffen c.q. te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat de executie na betekening van het vonnis wordt gecontinueerd; en

- de man te veroordelen tot teruggave van het ten onrechte ingehouden bedrag gerekend vanaf 24 januari 2018, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag en datum, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de inhoudingen zijn gedaan tot aan de dag der voldoening,

met veroordeling van de man in de proceskosten.

2.2

De man heeft verweer gevoerd.

2.3

Bij vonnis van 6 juli 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland de vorderingen van de vrouw afgewezen en de kosten van de procedure gecompenseerd.5

2.4

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld en heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 6 juli 2018 en tot toewijzing van haar vordering, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

2.5

De man heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw en veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

2.6

Het hof heeft bij arrest van 2 april 2019 het bestreden vonnis bekrachtigd, de vrouw veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en het meer of anders gevorderde afgewezen. Volgens het hof is voldoende aannemelijk dat de vrouw zich niet heeft gehouden aan het vonnis van 8 maart 2017 en dat geen sprake is van een onrechtmatig beslag (rov. 5.14). Aan de wijze waarop de man zijn belangen heeft behartigd, staat geen wettelijke bepaling in de weg. Van een noodsituatie is geen sprake (rov. 5.15). Het hof gaat voorbij aan de stelling dat de man de beslagvrije voet niet in acht heeft genomen, omdat de vrouw die stelling niet heeft onderbouwd (rov. 5.16).

2.7

De vrouw heeft tegen het arrest van 2 april 2019 tijdig cassatieberoep ingesteld.6 Tegen de man is verstek verleend. De vrouw heeft afgezien van schriftelijke toelichting.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel bevat twee klachten, die uiteenvallen in verschillende (sub)onderdelen. Klacht 1 heeft betrekking op de geoorloofdheid van het eigenbeslag door de man op de aan de vrouw te betalen kinderalimentatie en is gericht tegen rov. 5.11, 5.12 en 5.14-5.16. Klacht 2 gaat over het oordeel van het hof dat de vrouw dwangsommen heeft verbeurd (rov. 4.15).

3.2

Bij de bespreking van de klachten is voorop te stellen dat het hof in rov. 5.12 het juiste beoordelingskader heeft gehanteerd voor de vraag of sprake is van misbruik van executiebevoegdheid.7 Dit is in cassatie dan ook terecht niet bestreden. Ik teken daarbij aan dat, zoals de Hoge Raad recentelijk heeft overwogen, de in het arrest Ritzen/Hoekstra genoemde gevallen – het te executeren vonnis berust klaarblijkelijk op een juridische of een feitelijke misslag of de executie zal door na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand doen ontstaan – slechts voorbeelden zijn van een situatie waarin sprake is van misbruik van bevoegdheid. Er kunnen zich ook andere situaties voordoen waarin in verband met na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten van misbruik sprake is.8

3.3

Volgens onderdeel A van klacht 1 heeft het hof ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat het de man was toegestaan onder zichzelf executoriaal beslag te laten leggen op de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor beweerdelijk door de vrouw verbeurde dwangsommen.

3.4

Het onderdeel klaagt onder a dat het hof er ten onrechte aan voorbij heeft gezien dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in art. 479h Rv, omdat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie geen vordering is die de vrouw op de man heeft. Dit omdat de man de kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige kinderen aan de vrouw dient uit te keren en die bedragen de bestemming hebben de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen te dekken. De man dient die bedragen dus niet ten behoeve van de vrouw zelf te voldoen. De aanspraak op kinderalimentatie strekt er ook niet toe om het vermogen van de vrouw te vergroten.

3.5

Op grond van art. 479h Rv kan een schuldeiser beslag leggen op de vorderingen die zijn schuldenaar op hem heeft of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, alsook op de aan zijn schuldenaar toebehorende roerende zaken die hij voor deze onder zich heeft en die geen registergoederen zijn. Deze executoriale variant van het zogenoemde ‘eigenbeslag’ is geïntroduceerd bij de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 BW.9 Eigenbeslag is als het ware een derdenbeslag, waarbij de schuldeiser zowel beslaglegger als derde-beslagene is, met de schuldenaar als beslagschuldenaar.10

3.6

De in de cassatieklacht verdedigde stelling komt erop neer dat de door de man te betalen kinderalimentatie geen vermogensrecht van de vrouw jegens de man is, omdat, zo begrijp ik, kinderalimentatie niet bestemd is voor de vrouw maar voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Dit wordt afgeleid uit HR 10 november 1989, NJ 1990/523.11

3.7

De in de cassatieklacht verdedigde stelling kan niet worden afgeleid uit de genoemde beschikking (NJ 1990/523). Daarin is slechts beslist – in lijn met eerdere rechtspraak – dat kinderalimentatie niet ‘in natura’ kan worden voldaan.

3.8

Op grond van art. 1:408 lid 1 BW wordt een uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding, ten behoeve van de minderjarige betaald aan de ouder die het kind verzorgt en opvoedt of aan de voogd. Als rechthebbende op de kinderalimentatie moet, waar het een minderjarig kind betreft, volgens de rechtspraak van de Hoge Raad worden aangemerkt degene die in het tijdperk waarover de uitkering verschuldigd was, het onderhoud van het kind heeft bekostigd.12 In de praktijk is dat de ouder die, belast met de voogdij over de kinderen, voor onderhoud en opvoeding van die kinderen heeft gezorgd. Dat strookt (juist) ook met de in de klacht aangehaalde beschikking van 10 november 1989, NJ 1990/523, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat de alimentatieplichtige ouder zich niet door rechtstreekse verstrekkingen van geld of goederen aan de kinderen van zijn alimentatieverplichting kan kwijten.

3.9

Uit de omstandigheid dat de ouder die het onderhoud van het kind heeft bekostigd rechthebbende op de kinderalimentatie is, volgt dat die ouder – in dit geval de moeder – vorderingsgerechtigde is voor de kinderalimentatie. Daarmee is sprake van een vordering van de vrouw op de man terzake van de kinderalimentatie, en dus een vordering in de zin van art. 479h Rv. Daarmee faalt klacht 1, onderdeel A, onder a.

3.10

Het onderdeel klaagt onder b dat het hof ten onrechte eraan voorbij heeft gezien dat alimentatie-uitkeringen als bestemming hebben om te voorzien in het levensonderhoud van iemand die niet in staat is zich dit zelf te verschaffen (in dit geval: de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen). Daarom mogen zij niet in beslag worden genomen. Ter toelichting wordt onder meer gewezen op de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 27 januari 2012, NJ 2012/244, alsmede de noot van Wortmann onder dat arrest.

3.11

Op grond van art. 3:276 BW kan een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar verhalen, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt. Als uitgangspunt geldt daarmee dat de schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden.13 Op grond van art. 435 lid 1 Rv staat het de executant vrij tegelijkertijd beslag te leggen op alle voor beslag vatbare goederen, waartoe hij bevoegd is zijn vordering te verhalen. Het uitgangspunt dat een schuldeiser zich kan verhalen op alle vermogensbestanddelen van een schuldenaar wordt begrensd door specifieke wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen (zoals art. 3:13 BW en art. 6:2 BW).14

3.12

In de regeling van het derdenbeslag is in art. 475a lid 1 Rv onder meer bepaald dat het beslag zich niet uitstrekt tot vorderingen die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn. Op grond van art. 475b lid 1 Rv is beslag onder een derde op een of meer vorderingen van de schuldenaar tot periodieke betalingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden, slechts geldig voor zover een periodieke betaling de beslagvrije voet overtreft. Art. 475c Rv bevat vervolgens een opsomming van vorderingen waaraan een beslagvrije voet is verbonden, waaronder (onder f) ‘uitkeringen tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek’.

3.13

Tot 1 januari 1992 was het niet toegestaan om conservatoir derdenbeslag te leggen op ‘in regten toegewezene gelden tot onderhoud’ (art. 756, aanhef en onder 2º, Rv oud). Derdenbeslag op partner- en kinderalimentatie was dus niet toegestaan. De enige uitzondering daarop was beslag tot verhaal ‘van het verschuldigde wegens levering van levensbehoeften, verstrekt aan dengeen, tegen wien het beslag gedaan wordt’ (art. 756-slot Rv oud). Hiermee werd gedoeld op de situatie dat beslag wordt gelegd door iemand die verhaal zoekt voor aan hem verschuldigd levensonderhoud.15 Een vergelijkbare uitzondering is op dit moment te vinden in het beslagverbod van art. 45 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.16 Ook het beslagverbod op kinderbijslag kent een vergelijkbare uitzondering (zie hierna onder 3.18).

3.14

Het wettelijke verbod op uitkeringen tot levensonderhoud is vervallen bij de invoering van het Nieuw BW in 1992. Met het oog hierop wilde de regering destijds in art. 475a Rv een bepaling opnemen over een beslagvrije voet voor vorderingen tot levensonderhoud voor het geval daarop derdenbeslag mocht worden gelegd, ter vervanging van art. 756 aanhef en onder 2º en 3º. De beslagvrije voet diende op dezelfde leest geschoeid te zijn als de voorgestelde regeling van art. 1638g BW (loonbeslag) en daarom verdiende het de voorkeur af te wachten ‘welk stelsel daar uiteindelijk zal worden vastgesteld’.17 Omdat dat wetsontwerp nog niet gereed was, werd bij eerste Nota van Wijziging een nieuw lid 3 voorgesteld, waarin ‘voorlopig alsnog een regel als die van het huidige 756 aanhef en onder 2º en 3º’ was opgenomen:18


“Het beslag op een vordering tot levensonderhoud of tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige, verschuldigd krachtens de wet of een overeenkomst ter nadere vaststelling van deze vordering of ter versterking van een desbetreffende natuurlijke verbintenis dan wel een ter voldoening aan een zodanige verbintenis gemaakt legaat, is niet geldig, tenzij het beslag voor een vordering van dezelfde aard wordt gelegd.”

3.15

Het voorgestelde art. 475a lid 3 Rv is echter niet ingevoerd, omdat het wetsvoorstel bevattende een Algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke betalingen19 inmiddels was aangenomen.20 In deze wet is in art. 475c Rv een algemene regeling ingevoerd voor het inachtnemen van een beslagvrije voet bij beslag op vorderingen tot periodieke betalingen. Zoals gezegd houdt art. 475c, aanhef en onder (e, thans:) f, Rv in dat voor uitkeringen tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (of tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud), een beslagvrije voet geldt.

3.16

Het is aannemelijk dat de beslagvrije voet van art. 475c, aanhef en onder f Rv zowel geldt voor partner- als voor kinderalimentatie.21

3.17

De regeling van de beslagvrije voet in de Wet Algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke betalingen berust op de gedachte dat ingeval de beslagene, zoals regel is, zijn noodzakelijke uitgaven uit periodieke inkomsten moet bekostigen, hij voor de lopende kosten van het bestaan nog juist genoeg in handen moet krijgen, ook al ligt er beslag op dit inkomen.22 In deze wet is er uitdrukkelijk voor gekozen om de beslagvrije voet bij loonbeslag ook te laten gelden bij beslag op sociale of andere periodieke uitkeringen, waaronder alimentatie, waarvoor voordien beslagverboden golden.23

3.18

Een uitzondering is blijven bestaan voor (onder meer) kinderbijslag. Daarvoor bleef het beslagverbod gehandhaafd. In de memorie van toelichting is opgemerkt dat kinderbijslag, “een voorziening met een geheel eigen karakter en specifiek bestemd voor het onderhoud van het kind”, in een uitzonderingspositie behoort te worden geplaatst.24 In art. 23 lid 1, aanhef en onder c, van de Algemene Kinderbijslagwet is hiertoe bepaald dat de kinderbijslag, behoudens voor zover dit dient tot verhaal van een uitkering tot levensonderhoud van het kind, of tot terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag, niet vatbaar is voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

3.19

Op grond van art. 21, aanhef en onder 3º, Fw blijven uitkeringen tot levensonderhoud buiten het faillissement. Nu faillissement een algemeen beslag op het vermogen van de schuldenaar is,25 betekent dat in feite dat bij faillissement wél een algemeen beslagverbod op uitkeringen tot levensonderhoud geldt. Gelet op het vervallen van het verbod in Rv om derdenbeslag te leggen op uitkeringen tot levensonderhoud, behoudens de verplichting van art. 475c, aanhef en onder f, Rv om de beslagvrije voet in acht te nemen, kunnen daar echter geen consequenties aan worden verbonden (anders dan in de procesinleiding onder 1.2.34-1.2.37 wordt betoogd).

Kinderalimentatie en verrekening

3.20

Op grond van art. 6:127 lid 2 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.26 Voor het bestaan van verrekeningsbevoegdheid is daarmee onder meer vereist dat de bij de verrekening betrokken partijen over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn (wederkerig schuldenaarschap).

3.21

Tussen eigenbeslag en verrekening bestaat in zoverre een relatie, dat de bevoegdheid tot verrekening gekoppeld is aan de mogelijkheid van het leggen van beslag. In art. 6:135, aanhef en onder a, BW is immers bepaald dat een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn. Bovendien geldt zowel voor eigenbeslag als voor verrekening het wederkerigheidsvereiste (zie hiervoor onder 3.5).

3.22

Een van de situaties waarin behoefte bestaat aan executoriaal eigenbeslag is, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, het geval waarin een schuldeiser zijn vordering niet kan verrekenen met de vordering van de schuldenaar op hem.27 Dit betekent dat voor de vraag of executoriaal eigenbeslag mogelijk is, niet beslissend is of verrekening met de vordering van de schuldeiser mogelijk is.28

3.23

In een arrest van de Hoge Raad van 24 januari 1997, NJ 1997/497 ging het over de mogelijkheid van verrekening van verbeurde dwangsommen met kinderalimentatie. In deze procedure vorderde de alimentatieplichtige man (i) veroordeling van de vrouw tot nakoming van een omgangsregeling op straffe van een dwangsom, alsmede (ii) machtiging om door de vrouw verbeurde dwangsommen te verrekenen met de door hem ten behoeve van de kinderen te betalen alimentatie. Het hof had de gevraagde machtiging geweigerd, omdat volgens het hof niet voldaan was aan het wederkerigheidsvereiste van art. 6:127 BW: de vrouw zou de kinderalimentatie als verzorgster en opvoedster van de kinderen hebben ontvangen, maar de dwangsommen in privé verschuldigd zijn. In cassatie betoogde de man dat de vrouw ook bij het weigeren de omgangsregeling na te komen, mede handelde in haar kwaliteit van verzorgster en opvoedster van de kinderen. De Hoge Raad verwierp die klacht met de overweging dat de vrouw in persoon tot nakoming van de omgangsregeling was veroordeeld en ook in persoon de dwangsom verbeurt als zij in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen. Verder werd in een overweging ten overvloede het volgende overwogen:29

“ (…) Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of in gevallen dat moet worden aangenomen dat de vrouw zelf rechthebbende op de door de man verschuldigde kinderalimentatie is, het karakter van de dwangsom als middel om druk uit te oefenen op de persoon van de moeder, gezien in verband met de bestemming van die alimentatie voor de verzorging en opvoeding van het kind, teweegbrengt dat een beroep door de man op verrekening van die alimentatie met die dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.”

3.24

Uit deze overweging maak ik op dat verrekening van kinderalimentatie met verbeurde dwangsommen op zichzelf niet is uit te sluiten. Wel kan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid daaraan in de weg staan. Daarbij is in aanmerking te nemen dat de kinderalimentatie bestemd is voor de verzorging en opvoeding van het kind, terwijl de dwangsom tot doel heeft om druk uit te oefenen op de persoon van de moeder. Anders gezegd: beslag op kinderalimentatie leidt ertoe dat het kind lijdt onder het gedrag van de moeder, waardoor het beslag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn.

3.25

Overigens had A-G Asser zich in zijn conclusie op het standpunt gesteld dat de vrouw zelf gerechtigd is tot de door de man ten behoeve van de kinderen te betalen kinderalimentatie en niet valt in te zien op grond waarvan de wet zich tegen verrekening van de verschuldigde kinderalimentatie met de verbeurde dwangsommen wegens schending van de omgangsregeling verzet, zij het dat verrekening zich niet kan uitstrekken over de beslagvrije voet (zie hierna onder 3.31-3.32).30

3.26

Executoriaal eigenbeslag heeft dezelfde uitwerking als verrekening. Wanneer executoriaal eigenbeslag wordt gelegd op een vordering tot kinderalimentatie, leidt dat er eveneens toe dat deze uitkering wordt onttrokken aan haar bestemming, bijdrage in de verzorging en opvoeding van het kind. Daarom moet ook voor het executoriaal eigenbeslag ter verzekering van betaling van door de moeder verbeurde dwangsommen worden aangenomen dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn (dan wel misbruik van recht kan opleveren31), nu – in lijn met de hiervoor geciteerde overweging uit NJ 1997/497 – de kinderalimentatie bestemd is voor de verzorging en opvoeding van het kind, terwijl de dwangsom tot doel heeft om druk uit te oefenen op de persoon van de moeder.
Art. 6:135 BW

3.27

Als gezegd is in art. 6:135, aanhef en onder a, BW bepaald dat een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening, voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn. Door dit verrekeningsverbod wordt voorkomen dat de effectiviteit van een beslagverbod wordt ondergraven. Als een vordering niet voor beslag vatbaar is, dan dient een schuldeiser niet alsnog via verrekening op die vordering ‘verhaal’ te kunnen halen.32

3.28

Verschillende auteurs gaan ervan uit dat verrekening met betrekking tot een uitkering tot levensonderhoud op grond van art. 6:135, aanhef en onder a, BW is uitgesloten, omdat zij niet in beslag mogen worden genomen ‘teneinde te voorkomen dat deze uitkeringen aan haar bestemming worden onttrokken’.33

3.29

In dit verband is ook te wijzen op de noot van De Boer onder het hiervoor geciteerde arrest, HR 24 januari 1997, NJ 1997/497. Hij schrijft daarin het volgende:34

Deze toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid acht ik gelukkig. De kinderalimentatie moet worden uitgekeerd ‘ten behoeve van het kind’, aldus art. 1:406 lid 1; zie ook art. 1:408 lid 11 (de opvolger van art. 1:240 lid 2 oud) wat betreft invordering door het Landelijk Bureau Inning onderhoudsbijdragen (LBIO). M.i. mag wel worden aangenomen dat verrekening met kinderalimentatie in beginsel onaanvaardbaar moet worden geacht. Maar misschien heeft de moeder zelf een zo ruime draagkracht dat het kind in geen geval iets tekort komt.

3.30

Het standpunt van De Boer begrijp ik zo, dat hoewel verrekening met kinderalimentatie niet is uitgesloten, verrekening in beginsel onaanvaardbaar moet worden geacht, als – in mijn woorden – het belang van het kind daardoor wordt aangetast. Uit de laatste zin blijkt immers dat De Boer een uitzondering ziet in het geval dat de moeder een zo ruime draagkracht heeft ‘dat het kind in geen geval iets tekort komt’.

3.31

Anderen stellen zich op het standpunt dat art. 6:135, aanhef en onder a, BW slechts in zoverre een beperking van de verrekeningsbevoegdheid inhoudt, dat het alleen in de weg staat aan verrekening met een uitkering tot levensonderhoud voor zover die verrekening zich zou uitstrekken over de beslagvrije voet (zie art. 475b lid 1 in verbinding met 475c, aanhef en onder f, BW).35 Zie bijvoorbeeld Klomp:36

Art. 475 e.v. Rv geeft een algemene regeling van gevallen waarin een beslagvrije voet door de wetgever is bepaald. Enkele bijzondere regelingen zijn (…). Ingevolge de meeste van bovenstaande bepalingen is beslag voor een deel (in beginsel niet meer dan één tiende van de bijstandsnorm, zie art. 475a e.v. Rv) mogelijk. Dientengevolge is ook verrekening voor dat deel mogelijk. (…)

In het ontwerp voor art. 6:135 onder a, stond eerst voor zover 'geen beslag is toegelaten'. Bij de invoering is gekozen voor de huidige, ruimere formulering voor zover beslag 'niet geldig zou zijn' om alle wettelijke regelingen waarin inbeslagneming wordt uitgesloten of beperkt (veelal wordt gesproken over 'niet vatbaar voor beslag'), onder deze formulering te brengen; zie Parl. Gesch. Inv., p. 1328.”

3.32

Gelet op het feit dat er geen algemeen beslagverbod meer geldt voor alimentatievorderingen, lijkt de laatste opvatting mij de juiste. Dat betekent dat verrekening van een vordering met kinderalimentatie mogelijk is, voor zover daarbij de beslagvrije voet niet wordt aangetast.

3.33

Verder geldt uiteraard – dat geldt immers altijd – dat verrekening geen misbruik van recht mag opleveren en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar mag zijn. Bij de beoordeling of dat zich voordoet, zal onder ogen moeten worden gezien dat het gaat om kinderalimentatie, dat bestemd is voor de verzorging en opvoeding van het kind, en dat het belang van het kind niet in het gedrang mag komen. Dit brengt met zich mee dat in het algemeen terughoudend zal moeten worden omgegaan met verrekening met of executoriaal eigenbeslag op kinderalimentatie. In aansluiting op de hiervoor besproken noot van De Boer zou ervan uit kunnen worden gegaan dat – ook als de beslagvrije voet in aanmerking is genomen – verrekening of executoriaal eigenbeslag niet is toegestaan indien daardoor het belang van het kind wordt aangetast. Verder zullen bij de beoordeling alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Te denken is aan de aard van de vordering waarmee verrekend wordt (of, zoals in het onderhavige geval, de aard van de vordering waarvoor executoriaal eigenbeslag wordt gelegd).

3.34

Het voorgaande komt erop neer dat er geen juridisch beletsel is om executoriaal eigenbeslag op kinderalimentatie te leggen, voor zover daarbij de beslagvrije voet wordt gerespecteerd. Wel kan executoriaal eigenbeslag op kinderalimentatie onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dan wel misbruik van recht opleveren.

3.35

Hiermee faalt klacht 1, onderdeel A, onder b.

3.36

Voor zover wel eigenbeslag zou mogen worden gelegd op de kinderalimentatie, houdt onderdeel B van klacht 1, onder a in dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of de aldus ‘op verrekening neerkomende althans vergelijkbare handelwijze’ van de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Ter toelichting wordt erop gewezen dat de vrouw in grief 5 het uitgangspunt van de voorzieningenrechter, dat beslag op kinderalimentatie in beginsel uit den boze is, had onderschreven. Verwezen wordt verder naar HR 24 januari 1997, NJ 1997/497. Verder klaagt het onderdeel onder b dat het hof op onbegrijpelijke dan wel onvoldoende gemotiveerde wijze heeft geoordeeld dat deze handelwijze van de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar moet worden geacht.

3.37

De vrouw heeft met grief 5 in hoger beroep het volgende naar voren gebracht:


“Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter niet geoordeeld dat schorsing van de executie dient te geschieden van het vonnis op basis waarvan [de man] executeert althans dat [de man] niet tot executie bevoegd is dat aannemelijk is dat dwangsommen niet verschuldigd zijn en dat deze mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde, welke door de executie worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging.

Toelichting
5.1 Met beslag op kinderalimentatie dient uiterst terughoudend te worden omgesprongen. De kinderen van partijen zijn direct de dupe van het gelegde beslag. Dat de kinderalimentatie aan hun moeder wordt uitbetaald is geen argument om dit aspect voorbij te gaan. Immers de kinderen worden direct de dupe door de opstelling van [de man]. Zie toelichting onder grief 7, met het verzoek de inhoud als hier herhaald en ingelast te beschouwen. In de situatie dat [de vrouw] niet langer aan haar verplichtingen kan voldoen en niet kan voorzien in de meest elementaire levensbehoeften van haar en de bij haar woonachtige kinderen zal sprake zijn van een noodsituatie. De belangen van de kinderen genieten prioriteit.

5.2

De executierechter kan nu eenmaal in de executie ingrijpen indien de executant [de man] zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid omdat hij, mede gelet op de belangen van [de vrouw] en de kinderen die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruik making van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan.

5.3

Executie is onomkeerbaar. Een vonnis in kort geding kan worden herzien in een bodemprocedure echter geïnde dwangsommen hebben een onomkeerbaar effect.

5.4

Daarbij dient ook op basis van een belangenafweging de belangen van [de vrouw] en de kinderen te prevaleren. Bovendien zijn de dwangsommen niet verbeurd omdat [de man] heeft nagelaten aan te geven rechtstreeks en precies waarom de dwangsommen verbeurd zouden zijn. Verwezen wordt naar ECLI:NL:GHAMS:2013:3419.

5.5 [

De man] maakt misbruik van zijn executiebevoegdheid, althans handelt onrechtmatig.”

3.38

In reactie op deze grief heeft de man in zijn memorie van antwoord het volgende naar voren gebracht:

“12. Deze grief is onduidelijk geformuleerd, en stelt enerzijds dat de man niet tot executie bevoegd is, dat aannemelijk is dat de dwangsommen niet zijn verschuldigd, en anderzijds dat de man geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij zijn gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot executie.

De man deelt de mening dat er voorzichtig met beslag op kinderalimentatie dient te worden omgegaan. Ook ter zitting heeft hij desgevraagd aangegeven dat het ook bij hem schuurt, maar dat hij geen andere mogelijkheden ziet. De man heeft ook aangegeven dat hij van harte bereid is te komen tot een regeling, waarbij bijvoorbeeld maandelijks een deel van de kinderalimentatie zou worden ingehouden, maar ook hier is de vrouw niet op ingegaan. Andere executiemogelijkheden heeft de man niet, en de man is niet bereid om zijn vorderingen uit hoofde van de dwangsommen prijs te geven, gezien de door hem, zoals eerder verwoord, gewenste bescherming tegen de vrouw. De vrouw kan wel degelijk aan haar verplichtingen voldoen, en kan ook voorzien in de meest elementaire levensbehoefte. Bij een inkomen van € 1.308,50 netto per maand, waarbij er geen woonlasten zijn, kan niet gesproken worden over het ontstaan van een noodtoestand. Er is geen sprake van het misbruik maken van de bevoegdheid tot executie, de man heeft hier een redelijk en rechtens te respecteren belang bij.”

3.39

Te constateren is dat in grief 5 niet duidelijk naar voren is gebracht dat naar de mening van de vrouw het executoriale eigenbeslag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uit de reactie van de man op grief 5 blijkt ook niet dat hij de grief in die zin heeft begrepen. Onder die omstandigheden hoefde het hof niet nadrukkelijk in te gaan op de vraag of het beslag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.

3.40

De vrouw heeft wel aangevoerd dat de man misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid, doordat hij de belangen van de kinderen schaadt, er een noodsituatie ontstaat en de man geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het beslag. Voor die stelling – die dicht aanligt tegen het argument dat sprake is van misbruik van recht –, geldt het volgende. Het hof heeft die stelling onder ogen gezien in rov. 5.12 en rov. 5.15. Uit rov. 5.15 blijkt dat het hof voor zijn oordeel dat géén sprake is van misbruik van recht, beslissend acht dat (i) aan het beslag geen wettelijke bepaling in de weg staat, (ii) de vrouw er zelf voor kiest om zich niet aan rechterlijke uitspraken te houden en (iii) geen sprake is van een noodsituatie. In het argument onder (iii) ligt besloten dat het hof van oordeel is dat zich níet voordoet dat de belangen van de kinderen in het gedrang komen door het eigenbeslag op de kinderalimentatie (zie onder 3.33). Nu de vrouw in het geheel niet heeft onderbouwd dat, en waarom, de belangen van de kinderen in het gedrang komen door het beslag, hoefde het hof dat oordeel niet nader te motiveren.

3.41

Hierbij is nog op te merken dat de voorzieningenrechter in eerste aanleg in rov. 4.4 van het vonnis al had geoordeeld dat onvoldoende is gebleken dat sprake is van een noodtoestand. De voorzieningenrechter wees er daarbij op dat (a) de vrouw een huis heeft vrij van hypotheek, (b) zij van de gemeente € 580,- per maand ontvangt uit hoofde van een kredietfaciliteit, (c) zij kindgebonden budget, kinderbijslag en zorgtoeslag ontvangt en (d) het beslag over een maand na volledige inning kan worden opgeheven. Van deze argumenten heeft de vrouw (bij grief 7) alleen bezwaar gemaakt tegen het argument onder (b). Het hof is op dit bezwaar ingegaan in rov. 5.15. Overwogen is dat de vrouw er zelf voor gekozen heeft om de haar toekomende verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning geheel te investeren in een nieuwe woning, waardoor zij genoodzaakt was een kredietfaciliteit bij de gemeente aan te vragen, en dat het voor haar eigen risico en rekening komt indien de vrouw haar financiële huishouding op deze wijze wenst in te richten. Hiermee is het hof voldoende ingegaan op de in hoger beroep aangevoerde argumenten tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat geen sprake is van een noodtoestand. Het oordeel van het hof is op dit punt in cassatie ook niet bestreden.

3.42

De klachten van beide subonderdelen van onderdeel B falen.

3.43

Onderdeel C klaagt dat het hof ten onrechte niet het beslag (ten dele) onrechtmatig heeft geoordeeld op de grond dat de van toepassing zijnde beslagvrije voet uit art. 475c, aanhef en onder f, Rv niet in acht is genomen.

3.44

Het hof heeft in rov. 5.16 geoordeeld dat de vrouw haar stelling dat de man de beslagvrije voet niet in acht heeft genomen, niet heeft onderbouwd en dat het hof daarom aan die stelling voorbijgaat. Dit is een feitelijk oordeel, dat in cassatie niet met een rechtsklacht kan worden bestreden.37 Hierop stuit het onderdeel reeds af.

3.45

Ook overigens kan het onderdeel niet slagen. De beslagvrije voet bestaat op grond van art. 475d Rv in beginsel uit 90% van de voor de schuldenaar geldende bijstandsnorm. De beslagvrije voet kan worden verhoogd (zie art. 475d lid 4 Rv); de schuldenaar moet aantonen dat er een reden is om de beslagvrije voet te verhogen.38 Op grond van art. 475d lid 6 Rv wordt de beslagvrije voet verminderd met, voor zover thans van belang, de voor beslag vatbare periodieke inkomsten van de schuldenaar waarop geen beslag ligt. Dat betekent dat als beslag is gelegd op een vordering tot periodieke betaling en de schuldenaar buiten deze vordering waarop het beslag rust een (niet beslagen) inkomen heeft dat ten minste gelijk is aan de voor deze schuldenaar geldende beslagvrije voet, het volledige bedrag onder het beslag valt.

3.46

Het hof heeft in rov. 5.16 niet geoordeeld dat geen beslagvrije voet geldt, maar dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de beslagvrije voet niet in acht is genomen. Dit oordeel is niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk. Hierbij is op te merken dat het aan de vrouw is – analoog aan de in art. 475g Rv opgenomen verplichting van de schuldenaar om desgevraagd aan de deurwaarder zijn bronnen van inkomsten op te geven – om inzicht te geven in haar bronnen van inkomsten, zodat de beslagvrije voet kon worden berekend. Aan die verplichting heeft de vrouw echter maar gedeeltelijk voldaan: zij heeft geen duidelijk en volledig overzicht gegeven van alle relevante financiële informatie c.q. van haar bronnen van inkomsten.39 Dit terwijl de man zich wel steeds (subsidiair40) op het standpunt heeft gesteld dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond wat voor haar de beslagvrije voet is.41

3.47

Klacht 2 is gericht tegen rov. 5.14 en klaagt dat het hof, gelet op de stellingen van de vrouw bij grief 6, ten onrechte althans op onbegrijpelijke dan wel onvoldoende gemotiveerde wijze heeft geoordeeld dat de door de man in eerste aanleg overgelegde stukken aannemelijk maken dat de vrouw zich niet heeft gehouden aan het vonnis van 8 maart 2017.

3.48

In de toelichting op de klacht wordt allereerst verwezen naar een aantal door de vrouw bij memorie van grieven ingenomen stellingen. Betoogd wordt dat gegrondbevinding van een of meerdere van die stellingen tot gevolg zou kunnen hebben dat de eis van de vrouw (ten dele) alsnog kan worden toegewezen. Volgens de klacht was het hof daarom, gelet op het bepaalde in art. 24 Rv, gehouden op deze stellingen in te gaan. Indien het hof van oordeel was dat hij het voornoemde verweer in het kader van een kort geding niet hoefde te bespreken, is het volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Indien het hof van mening was dat de aangehaalde stellingen niet relevant zijn of tot gegrondbevinding van grief 6 kunnen voeren, heeft het hof dat oordeel ten onrechte niet (afdoende) gemotiveerd, aldus de klacht (procesinleiding onder 2.1-2.5).

3.49

Ingevolge art. 611c Rv kan de partij die de veroordeling heeft verkregen de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Voor de executie van de dwangsom is dus geen nieuwe titel vereist; het enkele feit van de niet-voldoening door de veroordeelde aan de hoofdveroordeling waaraan de dwangsom is verbonden, volstaat.42

3.50

De beantwoording in een executiegeschil van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient (wanneer sprake is van een veroordeling om iets te doen) plaats te vinden door een toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg – die in cassatie als van feitelijke aard heeft te gelden43 – dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.44

3.51

In kort geding zijn de wettelijke regels van bewijsrecht niet van toepassing, in die zin dat geen plaats is voor bewijslevering. Voldoende is dat feiten aannemelijk zijn. Wanneer in kort geding moet worden beoordeeld of al dan niet dwangsommen zijn verbeurd en in dat kader of gedragingen hebben plaatsgevonden die onder het verbod of gebod vallen, is het dan ook voldoende dat die feiten aannemelijk zijn gemaakt.45 De aard van de procedure in kort geding brengt verder mee dat voor kortgedinguitspraken in beginsel minder strenge motiveringseisen gelden.46

3.52

Bij vonnis van 8 maart 201747 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, de vrouw

- verboden om zich gedurende een jaar na betekening van het vonnis te bevinden binnen een straal van 100 meter rondom de woning aan de IJswater 1 te houden (dictumonderdeel 7.5);

- verboden om, anders dan via haar advocaat, persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met de man (dictumonderdeel 7.6); en

- geboden zich te onthouden van verspreiding van negatieve uitlatingen over de man jegens derden (dictumonderdeel 7.7),

steeds op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer, tot een maximum van € 20.000,-.

3.53

De man heeft in eerste aanleg gesteld dat de vrouw zich (ook48) aan dit vonnis niets gelegen liet liggen en dit onderbouwd met een aantal stukken, overgelegd als productie 7 bij de conclusie van antwoord. In de conclusie van antwoord is de volgende opsomming van overtredingen opgenomen:49

- Zij bevindt zich in de woning in juni/juli 2017;

- Mail aan derden d.d. 21-4-2017;

- Mail aan cliënt 7-6-2017;

- Mail aan cliënt 7-6-2017;

- Mail aan cliënt 22-6-2017;

- Mail aan cliënt 19-6-2017;

- Mail aan cliënt 26-6-2017;

- Mail d.d. 28-6-2017;

- Mail aan cliënt d.d. 1-8-2017;

- Mail aan cliënt d.d. 1-8-2017.

3.54

De vrouw heeft bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg de verschuldigdheid van de dwangsommen betwist, overigens (grotendeels) zonder onderbouwing van dat standpunt.50 De voorzieningenrechter heeft in eerste aanleg in rov. 4.2 geoordeeld dat uit de overgelegde stukken voldoende is gebleken dat de vrouw keer op keer geen uitvoering heeft gegeven aan rechterlijke beslissingen.

3.55

Met grief 6 is de vrouw tegen dat oordeel in hoger beroep opgekomen. Ter toelichting van die grief heeft zij onder meer het volgende aangevoerd:51

a. De man stelt recht te hebben op dwangsommen en beroept zich daartoe op een exploot van 16 maart 2017 onder 7.5, 7.6 en 7.7;

b. De vrouw stelt geen dwangsommen verschuldigd te zijn in verband met de door de man gestelde overtreding onder 7.5 van het vonnis van de voorzieningenrechter van 8 maart 2017 in de periode juni/juli 2017;

c. De man bleek de gehele woning en tuin te verwaarlozen. De vrouw zag zich genoopt om op 21 januari 2017 de sloten open te laten breken en de woning van nieuwe sloten te laten voorzien en vervolgens de gehele woning schoon te maken en de tuin op te ruimen, waarna de nieuwe sleutel aan de makelaar is overhandigd voor bezichtigingen;

d. De vrouw werd door de advocaat van de man gesommeerd om de woning leeg te halen, omdat deze anders zelf opdracht tot ontruiming zou geven.52 Aldus heeft de vrouw in overleg met haar toenmalige advocaat haar woning leeggehaald;

e. Overigens was in eerste instantie in november 2016 tussen partijen overeengekomen dat de vrouw alle meubels met inhoud en overige goederen in de woning en garage mocht laten staan aangezien de vrouw en de kinderen geheel dakloos raakten door de opstelling van de zijde van de man. De vrouw had dus toestemming van de man om in de garage te blijven komen.

f. Er worden ook geen exacte data aangegeven: de man heeft het over de periode juni/juli 2017. Het wordt dan moeilijk voor de vrouw zich hier goed tegen te verweren;

g. Met betrekking tot de dwangsommen onder 7.6 betreft het correspondentie die is gericht aan de advocaat van de man en slechts in afschrift aan de man is gezonden;

h. De verschuldigdheid van de dwangsommen onder 7.7 is gebaseerd op verspreiding van negatieve uitlatingen over de man op 21 april en 28 juni 2017. De door de man als productie 2 overgelegde tekeningen e.d. hebben betrekking op een periode ver voordat er dwangsommen zijn opgelegd en de correspondentie waarop de man zich bij de dwangsommen baseert, had uitsluitend betrekking op overleg en verkoop van de woning.

3.56

De man heeft daar in hoger beroep het volgende tegenover gesteld:53

- De vrouw geeft een onjuist beeld over de toestemming van de man om zich in de woning te bevinden, dit is nimmer het geval geweest. De vrouw heeft in november 2016 de woning gedwongen moeten verlaten54 en de man heeft uit coulance toegestaan dat haar meubilair in de woning achterbleef. Omdat de vrouw zich, ondanks het verbod daartoe, toch weer in de woning begaf, heeft de man in kort geding gevorderd dat de vrouw verboden zou worden om zich binnen een straal van 100 meter rondom de woning te begeven;

- De woning werd verkocht, en zou per 1 augustus 2017 opgeleverd moeten worden. De vrouw is meerdere malen verzocht om aan te geven wanneer zij de woning wenste te ontruimen, zodat zij voor die dag ontheffing kon krijgen van het verbod. De vrouw weigert een datum aan te geven, maar ontruimt de woning toch in juli, terwijl zij daar niet mocht zijn;

- De vrouw heeft zich in de periode juni/juli zich meerdere malen in en rondom de woning begeven. Dat blijkt uit het eerste bericht van productie 7 bij de conclusie van antwoord, alsmede uit het feit dat de vrouw apparatuur uit de woning heeft meegenomen, ondanks dat deze met de verkoop van de woning was overgenomen door de kopers;

- Het doel van het verbod aan de vrouw om, anders dan via haar advocaat, persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met de man was te voorkomen dat de man nog geconfronteerd zou worden met de uiterst grievende en beledigende mails van de vrouw. Dat de man in de cc werd meegenomen, doet daar niets aan af, hij ontving immers de mail van de vrouw rechtstreeks;

- Ook moet worden geconcludeerd dat de vrouw toch weer negatieve uitlatingen verspreidt over de man jegens derden, ondanks het gebod zich daarvan te onthouden. In haar mails aan de makelaar en de deurwaarder schrijft de vrouw zeer negatief over de man.

3.57

Naar mijn mening had geen van de in de klacht aangehaalde stellingen het hof tot een ander oordeel moeten brengen. Ten aanzien van de stellingen die betrekking hebben op het onder 7.5 vermelde verbod, is daarbij het volgende op te merken.

- De onder a en b opgenomen ‘stellingen’ zijn louter beschrijvend en niet valt in te zien hoe deze tot een andere beslissing zouden hebben kunnen leiden.

- Voor de stelling onder c geldt dat de gestelde overtredingen betrekking hebben op de periode juni/juli 2017, en niet op 21 januari 2017.

- Voor de stelling onder d geldt dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk het verwijderen van de door de kopers overgenomen apparatuur uit de woning (zie de e-mailberichten van 1 augustus 201755) als een overtreding van het onder 7.5 vermelde verbod heeft aangemerkt.

- In de omstandigheid dat het de vrouw bij vonnis van 8 maart 2017 verboden is om zich binnen een straal van 100 meter rondom de woning te bevinden ligt besloten dat een eventuele toestemming uit november 2016 (zie de stelling onder e) als achterhaald moet worden beschouwd.

- Het hof heeft tot slot kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het voor de vrouw, ook bij gebreke van exacte data, voldoende duidelijk moet zijn geweest op welke overtredingen de man het oog heeft gehad (zie de stelling onder f).

3.58

Het hof heeft het verbod onder 7.6 (‘om, anders dan via haar advocaat, persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met de man’) kennelijk zo uitgelegd dat ook in kopie (‘cc’) aan de man gezonden e-mailcorrespondentie daaronder valt. Daarmee is de stelling onder g verworpen. Dat oordeel is, mede in het licht van de stellingen van de man dat het doel van dit verbod juist was om te voorkomen dat de man nog geconfronteerd zou worden met de uiterst grievende en beledigende mails van de vrouw, zeker niet onbegrijpelijk te noemen. Dat het hof verder kennelijk de e-mailberichten van 21 april 2017 en 28 juni 2017 van de vrouw aan de deurwaarder en de makelaar heeft opgevat als niet louter betrekking hebbend op overleg en verkoop van de woning (zie de stelling onder h), maar heeft aangemerkt als een overtreding van het onder 7.7 vermelde gebod (‘zich te onthouden van verspreiding van negatieve uitlatingen over de man jegens derden’), is evenmin onbegrijpelijk.

3.59

In het licht van het voorgaande heeft het hof noch de verplichting die art. 24 Rv op hem legt, miskend, noch een essentiële stelling gepasseerd. In zoverre faalt klacht 2. In het verlengde daarvan faalt ook de klacht (procesinleiding onder 2.9) dat het hof ten onrechte niet naar aanleiding van het verweer van de vrouw heeft beoordeeld met welke handelingen, welke dwangsomveroordeling is overtreden en welk bedrag aan dwangsommen daarmee is gemoeid.

3.60

Tot slot heeft de vrouw in cassatie, ter onderbouwing van haar stelling dat de hier bestreden oordelen van het hof niet juist kunnen zijn, de als productie 7 bij de conclusie van antwoord overgelegde stukken becommentarieerd (procesinleiding onder 2.11). Voor zover dit commentaar overeenkomt met de hiervoor besproken stellingen die de vrouw in feitelijke instanties heeft ingenomen, faalt het op dezelfde gronden als hiervoor onder 3.57-3.59 is uiteengezet. Voor zover deze stellingen meer of anders behelzen, zijn zij niet eerder aangevoerd en faalt in zoverre de klacht wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 2 april 2019, zaaknummer 200.243.915. Het arrest is helaas niet gepubliceerd.

2 Zie productie 1 bij de conclusie van antwoord.

3 Zie productie 4 bij de conclusie van antwoord.

4 Zie productie 5 bij de conclusie van antwoord.

5 Voorzieningenrechter rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 juli 2018, zaaknummer C/16/461429/KG ZA 18-336. Het vonnis is helaas niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.

6 De procesinleiding is ingediend op 13 mei 2019.

7 Ontleend aan vaste rechtspraak, zie over aansprakelijkheid van een beslaglegger HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841, NJ 2003/440 (Hoda International/Mondi Foods) en met betrekking tot de beoordelingsmaatstaf in een executiegeschil in kort geding HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, NJ 1984/145 m.nt. W.H. Heemskerk (Ritzen/Hoekstra). In zijn arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 heeft de Hoge Raad laatstgenoemde beoordelingsmaatstaf heroverwogen, voor zover het gaat om (een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van) een uitspraak waartegen een rechtsmiddel is of nog kan worden ingesteld (rov. 5.6.1-5.6.4) en heeft hij overwogen dat genoemde maatstaf onverkort geldt in gevallen waarin geen rechtsmiddel meer openstaat (rov. 5.7.1-5.7.2). Zie verder o.m.: Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/431-432 en 584 en E.J.H. Schrage, Misbruik van bevoegdheid (Monografieën BW nr. A4), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 34 (in het bijzonder p. 84-91).

8 Zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, rov. 5.7.2.

9 Stb. 1986, 295. In de conservatoire variant (thans art. 724 Rv) was reeds in de Lex Hartogh voorzien.

10 A.I.M. van Mierlo, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 1 bij art. 479h Rv (bijgewerkt tot maart 2000).

11 HR 10 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1691, NJ 1990/523 m.nt. E.A.A. Luijten, rov. 3.2.

12 HR 3 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8340, NJ 1989/568 m.nt. W.H. Heemskerk, rov. 3.1 onder a. Zie daarover ook S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium Personen- en familierecht, Deventer: Kluwer 2018, punt 162; A-G Asser in zijn conclusie (onder 2.4) voor HR 24 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2258, NJ 1997/497 m.nt. J. de Boer en deze annotator in zijn noot (onder 5).

13 Zie aldus o.m.: HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8474, NJ 2003/32 m.nt. P. van Schilfgaarde, rov. 3.3.1.

14 Kamerstukken II 2018/19, 35 225, nr. 3, p. 5 (Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet in verband met de herziening van het beslag- en executierecht).

15 Van Rossem/Cleveringa deel II, 1972, p. 1523-1525.

16 Wet van 23 juni 2005 tot harmonisatie van inkomensafhankelijke regelingen (Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen). Art. 45 Awir verbiedt beslag op toeslagen, tenzij het gaat om beslag ‘wegens een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming’ (dus: beslag op huurtoeslag voor betaling van de huur, op zorgtoeslag voor betaling van de zorgpremie etc.).

17 Zie W.H.M. Reehuis, E.E. Slob & J.B. Rijpkema (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering Boeken 3, 5 en 6. Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de Faillissementswet, Deventer: Kluwer 1992, p. 161 (MvT).

18 Zie W.H.M. Reehuis, E.E. Slob & J.B. Rijpkema (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering Boeken 3, 5 en 6. Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de Faillissementswet, Deventer: Kluwer 1992, p. 162 (MvA II en NvW 1 Inv.).

19 Wet van 13 december 1990, Stb. 1990, 605.

20 Zie W.H.M. Reehuis, E.E. Slob & J.B. Rijpkema (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering Boeken 3, 5 en 6. Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de Faillissementswet, Deventer: Kluwer 1992, p. 163 (MvA II Bezemwet).

21 Zie ook J.W. Westenberg, SDU-Commentaar, art. 475c Rv, aant. C.6 (bijgewerkt tot juli 2017).

22 Kamerstukken II 1982/83, 17 897, nrs. 1-3, p. 9.

23 Kamerstukken II 1982/83, 17 897, nrs. 1-3, p. 9-10 en 17.

24 Kamerstukken II 1982/83, 17 897, nrs. 1-3, p. 12.

25 Vgl. HR 13 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3064, NJ 1988/748 m.nt. W.C.L. van der Grinten (Banque de Suez/Bijkerk e.a.) en HR 13 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3227, NJ 1989/897. Zie ook onder meer: B. Wessels, Faillietverklaring (Wessels Insolventierecht nr. I), Deventer: Wolters Kluwer 2018/1009; B. Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (Wessels Insolventierecht nr. II), Deventer: Kluwer 2019/2006 en 2441; A.M.J. van Buchem-Spapens & Th.A. Pouw, Faillissement, surseance van betaling en schuldsanering (Monografieën Privaatrecht nr. 2), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 141; J.B. Huizink, Insolventie, Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 1 en 3; R.M. Wibier, Compendium van het Nederlands Faillissementsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 82-87; Polak/Pannevis, Insolventierecht 2017, par 4.6.1. Zie aldus ook: W.H.M. Reehuis, E.E. Slob & J.B. Rijpkema (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering Boeken 3, 5 en 6. Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de Faillissementswet, Deventer: Kluwer 1992, p. 158.

26 Zie nader over de vereisten voor verrekening ex art. 6:127 e.v. BW o.m. N.E.D. Faber, Verrekening, (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2005, nr. 24 e.v.; Asser/Sieburgh 6-II 2017/220 e.v.; B.A. Schuijling, Verrekening (Monografieën BW nr. B40), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 5 e.v.; R.J.Q. Klomp, GS Verbintenissenrecht, art. 6:127 BW (bijgewerkt tot september 2019).

27 W.H.M. Reehuis, E.E. Slob & J.B. Rijpkema (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering Boeken 3, 5 en 6. Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de Faillissementswet, Deventer: Kluwer 1992, p. 188-190 (MvT Inv.)

28 Vgl. ook HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8836, NJ 2009/597, rov. 3.3.

29 HR 24 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2258, NJ 1997/497 m.nt. J. de Boer, rov. 3.3. Zie over het arrest ook S. van Gestel, Verrekening verbeurde dwangsommen met kinderalimentatie, Advocatenblad 1997, p. 1057-1058.

30 Conclusie A-G Asser (onder 2.5-2.6) voor HR 24 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2258, NJ 1997/497 m.nt. J. de Boer.

31 Zie over de verhouding tussen redelijkheid en billijkheid enerzijds en misbruik van bevoegdheid anderzijds o.m.: E.J.H. Schrage, Misbruik van bevoegdheid (Monografieën BW nr. A4), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 9.

32 Zie N.E.D. Faber, Verrekening, (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2005, nr. 102 en B.A. Schuijling, Verrekening (Monografieën BW nr. B40), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 20.

33 Asser/Sieburgh 6-II 2017/245. Zie ook (met verwijzing naar een eerdere druk van dit werk) A-G Bakels (onder 2.15) voor HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3822, NJ 2000/86 (m.b.t. partneralimentatie) en A-G Wesseling-van Gent (onder 3.8) voor HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3777, NJ 2012/244 m.nt. S.F.M. Wortmann, alsmede de noot van Wortmann onder laatstgenoemd arrest, onder 5. Zie ook: rechtbank Breda 19 augustus 2009, ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ6702, RFR 2009/125, rov. 3.8.3. Vgl. ook rechtbank Dordrecht 3 februari 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BL2310, RFR 2010/66, rov. 4.3. De rechtbank verwijst weliswaar naar art. 475c Rv en de beslagvrije voet, maar oordeelt (toch) dat uitkeringen tot levensonderhoud niet kunnen worden onttrokken aan hun bestemming door beslaglegging en daarom evenmin door verrekening.

34 Zie de noot van De Boer onder NJ 1997/497, onder 1.

35 Zie A-G Asser in zijn conclusie (onder 2.6) voor HR 24 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2258, NJ 1997/497 m.nt. J. de Boer, met verwijzing naar de noot van De Boer (onder 2) onder HR 3 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1382, NJ 1995/74; S. van Gestel, Verrekening verbeurde dwangsommen met kinderalimentatie, Advocatenblad 1997, p. 1057-1058. Zie verder Asser/De Boer 1* 2010/1027 en H.G. Punt, Memo beslagrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 46 (onder t) en vgl. ook Vzr. rechtbank Amsterdam 7 oktober 2004, ECLI:NL:RBAMS:2004:BD0855, RFR 2004/32, rov. 6.

36 R.J.Q. Klomp, GS Verbintenissenrecht, art. 6:135 BW, aant. 5 (bijgewerkt tot september 2019).

37 Vaste rechtspraak, zie o.m. HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5889, NJ 2003/707 m.nt. W.D.H. Asser. Zie ook: B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/105.

38 Kamerstukken II 1986/87, 17 897 , nr. 5, p. 8.

39 De vrouw heeft gesteld dat zij afhankelijk is van toeslagen en de kinderalimentatie. Zij heeft in eerste aanleg gesteld dat voor haar de beslagvrije voet € 896,90 bedraagt, dat zij in 2018 een kindgebonden budget ontving van € 5.466,- en zorgtoeslag van € 1.139,- en dat de premie voor (aanvullende) zorgverzekering € 210,45 was (pleitnotitie in eerste aanleg, p. 4). Bij de mondelinge behandeling heeft de vrouw gesteld dat zij € 580,- per maand van de gemeente ontving als lening (zittingsaantekeningen van 22 juni 2018, p. 2, tweede alinea). De man heeft in eerste aanleg gesteld dat de vrouw zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderbijslag ontvangt en de beschikking heeft over een kredietfaciliteit en aldus voldoende middelen behoudt om te voorzien in het levensonderhoud en dat de vrouw ‘nog voldoende inkomen heeft die uitstijgen boven de beslagvrije voet’ (de pleitnota in eerste aanleg, p. 4, voorlaatste alinea, p. 5, tweede alinea). In hoger beroep heeft de vrouw gesteld dat zij juist vanwege een financiële noodsituatie gehouden was een kredietfaciliteit bij de gemeente aan te gaan en sinds 2004 geen eigen inkomen heeft genoten (memorie van grieven onder 7.1). De man heeft aangevoerd dat het totale inkomen van de vrouw (€ 580,- kredietfaciliteit, € 455,50 kindgebonden budget, € 95,- zorgtoeslag en € 178,- kinderbijslag) € 1.308,50 per maand bedraagt en dat dit bedrag de beslagvrije voet overtreft (memorie van antwoord onder 11). Het hof heeft het argument van de vrouw dat zij vanwege een financiële noodsituatie gehouden was een kredietfaciliteit bij de gemeente aan te gaan, niet overgenomen (zie hoofdtekst onder 3.40-3.41). Om die reden heeft het hof kennelijk ook geen aanleiding gezien om geen rekening te houden met het bedrag van € 580,-- dat zij maandelijks van de gemeente ontvangt.

40 Primair stelde hij dat de beslagvrije voet niet in acht hoefde te worden genomen.

41 Zie conclusie van antwoord onder 14 en 17; pleitnota eerste aanleg p. 4, vierde tekstblok; memorie van antwoord onder 11 en 21.

42 Zie o.m. M.B. Beekhoven van den Boezem, De dwangsom in het burgerlijk recht (BP&P nr. V), diss. RUG, Deventer: Kluwer 2006, par. 11.1 en 11.4 en van dezelfde auteur GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 611c Rv, aant. 1 (bijgewerkt tot januari 2017); A.W. Jongbloed, De privaatrechtelijke dwangsom, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2015, par. 10.4 en J.J. van der Helm, Het rechterlijk bevel en verbod (BP&P nr. 19), Deventer: Wolters Kluwer 2019, punt 48.

43 Zie HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2652, NJ 1999/569 m.nt. H.J. Snijders (Grebe/Coöperatieve Tuinbouw Aankoopvereniging), rov. 5.2.

44 Zie HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367, NJ 1994/652 m.nt. H.E. Ras (Van Weezenbeek/HFD), rov. 4.4; HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400, NJ 2004/410 (Van der Valk Plaza/Eilandgebied Curaçao), rov. 3.5; HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0431, NJ 2007/59 (New Millenium Telecom services/het land Aruba), rov. 3.3; HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3085, NJ 2007/433 m.nt. E.J. Dommering ([…]/S.), rov. 3.3. Zie hierover ook: M.B. Beekhoven van den Boezem, De dwangsom in het burgerlijk recht (BP&P nr. V), diss. RUG, Deventer: Kluwer 2006, par. 15.4.3.1.

45 Zie o.m. J.J. van der Helm, Het rechterlijk bevel en verbod (BP&P nr. 19), Deventer: Wolters Kluwer 2019, punt 59.

46 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/191; A.E.H. van der Voort Maarschalk en A. Knigge, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/45.

47 Zie productie 5 bij de conclusie van antwoord.

48 Uit hoofde van een eerder vonnis, van 11 november 2015, heeft de vrouw ook dwangsommen verbeurd (zie onder 1.3 hiervoor). De man heeft daarover bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gesteld dat deze dwangsommen niet zijn geïnd; zie de pleitnota in eerste aanleg, p. 2, voorlaatste alinea.

49 Zie de conclusie van antwoord onder 8.

50 Zie de pleitnotitie in eerste aanleg, p. 1-2 en de zittingsaantekeningen van 22 juni 2018, p. 1.

51 Memorie van grieven onder 6.1. Ik sluit aan bij de in de procesinleiding in cassatie onder 2.1 vermelde stellingen. De onderverdeling in letters correspondeert ook daarmee.

52 In de memorie van grieven wordt verwezen naar de als productie 1 overgelegde e-mailberichten van mr. Bakker van 26 juli 2018. Bij exploot van 6 augustus 2018 heeft de vrouw aan de man doen aanzeggen, samengevat, dat de vermelding dat productie 1 een e-mailbericht van mr. Bakker van 26 juli 2018 is, niet juist is, en dat ‘deze productie een e-mailbericht betreft van mr. A.T. Bakker van 3 juli 2017, alsmede een e-mailbericht van appellante van 6 juni 2017 en 2 e-mailberichten van 7 juni 2017’.

53 Memorie van antwoord onder 13-18.

54 De man heeft onder 2 van de memorie van antwoord erop gewezen dat de vrouw bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 augustus 2016 is veroordeeld ‘de gezamenlijke woning te ontruimen, te verlaten, en niet meer te betreden per 1 november 2016’.

55 Productie 7 bij de conclusie van antwoord.