Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:533

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-06-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
19/03610
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1234
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over onder meer de vraag of het hof een aangetekend mondeling vonnis waarin wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is volstaan met een verwijzing naar het proces-verbaal van de terechtzitting en de daar kort vermelde gedingstukken zonder aanvulling van gronden mag bevestigen indien de verdachte het feit niet ondubbelzinnig heeft bekend in de zin van art. 359, derde lid, Sv. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep (met dien verstande dat ambtshalve gijzeling in plaats van vervangende hechtenis aan de schadevergoedingsmaatregel wordt verbonden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03610

Zitting 2 juni 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 24 juli 2019 bevestigd het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 21 augustus 2018, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van het voorarrest, wegens: in de zaak met parketnummer 03-118065-17 feiten 1, 2 en 3, telkens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en feit 4 “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, in de zaak met parketnummer 03-174813-17 ter zake van feit 1 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, beschadigen” en in de zaak met parketnummer 03-061776-18 wegens feit 1 “mishandeling, meermalen gepleegd”.1

2. Namens de verdachte heeft mr. K.D. Regter, advocaat te Heerlen, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof de in de zaak met parketnummer 03-118065-17 onder feit 3 bewezenverklaarde uitingen ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft gekwalificeerd als bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

4. Bij het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter is in de zaak met parketnummer 03-118065-17 onder feit 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:

“op 23 november 2016 te Heerlen [betrokkene 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [betrokkene 1] dreigend de woorden toe te voegen: "je mag blij zijn dat mijn moeder nog leeft want als die niet meer leeft dan leef jij ook niet meer" en "als ik jou een keer alleen tegenkom dan leg ik je neer", althans woorden van dreigende aard en/of strekking en heeft hij, verdachte, (vervolgens) met een opgerolde krant een stekende beweging gemaakt in de richting van de keel van die [betrokkene 1];”

5. De steller van het middel betoogt dat de in de bewezenverklaring voorkomende woorden “dan leg ik je neer” niet als bedreiging met een levensdelict kunnen worden aangemerkt, omdat iemand “ook zeer wel [kan] worden neergelegd, zonder dat hij op welke manier dan ook verwond is geraakt”. Dat mag zo zijn, maar waar het in het kader van deze variant van het delict van art. 285 Sr om gaat is of de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen.2

6. Het voor het bewijs gebruikte proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1] houdt als verklaring van die [betrokkene 1] onder meer het volgende in. De verdachte kwam agressief op de aangever aflopen. De aangever was hierdoor geïntimideerd en “voelde zijn maag draaien”. De verdachte naderde hem tot op een armlengte afstand. Vervolgens hield de verdachte een opgerolde krant tot op 10 centimeter van de aangever ter hoogte van diens adamsappel. Hij maakte met de krant meermaals een “Zorro-beweging” naar de aangever. De verdachte schreeuwde onder meer de in de bewezenverklaring voorkomende woorden “je mag blij zijn dat mijn moeder nog leeft want als die niet meer leeft dan leef jij ook niet meer”. De verdachte bleef agressief tegen de aangever en schreeuwde vervolgens onder meer “als ik jou een keer alleen tegen kom dan leg ik je neer”. Op dat moment stond de verdachte tien centimeter van de aangever en stak hij de opgerolde krant weer in de richting van de adamsappel van de aangever.

7. In het licht van deze in de bewijsvoering besloten liggende feiten en omstandigheden, acht ik het oordeel van het hof dat deze laatste bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij [betrokkene 1] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, niet onbegrijpelijk. Dat, zoals de steller van het middel aanvoert, met een krant een stekende beweging maken nooit levensbedreigende verwondingen kan opleveren, maakt die gedraging voor de context van de gedane uitlating – anders dan de steller van het middel wil doen geloven – uiteraard niet irrelevant. Gedreigd wordt immers de aangever “neer te leggen” en zulk ‘neerleggen’ krijgt nadere betekenis door hetgeen de verdachte gesticuleert. Dat hij zijn gebaren maakt met een krant, neemt niet weg dat de aangever daardoor bevreesd kan raken dat de verdachte het misdrijf waarmee hij dreigt zal uitvoeren met een wél effectief wapen.

8. Het oordeel van het hof behoefde ook geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat door de verdediging noch in eerste aanleg noch in hoger beroep het verweer is gevoerd dat de volgens de tenlastelegging aan [betrokkene 1] toegevoegde woorden geen bedreiging met een tegen het leven gericht misdrijf zouden kunnen opleveren.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaringen van de feiten, behoudens de in de zaak met parketnummer 03-174813-17 bewezenverklaarde vernieling, onvoldoende met redenen zijn omkleed, doordat het hof in strijd met art. 359, derde lid, Sv heeft nagelaten met voldoende duidelijkheid in het vonnis de wettige bewijsmiddelen op te nemen waarop deze bewezenverklaringen steunen, terwijl de verdachte deze feiten niet ondubbelzinnig heeft bekend.

11. Het hof heeft het vonnis van de politierechter, dat is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, met een schriftelijk arrest bevestigd.

12. De aantekening van het door het hof bevestigde mondeling vonnis van de politierechter houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende bewijsoverwegingen in:

Gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring.

De inhoud van de hiervoor onder 1a tot en met 1f, 2a en 2b en 3a tot en met 3d vermelde processen-verbaal.

De politierechter acht de vier tenlastegelegde feiten in de zaak met parketnummer 03/118065-17 wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van [betrokkene 1] is voldoende duidelijk en een getuige heeft ook gehoord dat hij op zoek was naar [betrokkene 2] en haar bedreigd heeft. Andere personen hebben niets gehoord, maar hun verklaring heeft betrekking op een ander voorval.

Het beschadigen van de banden van de fietsen heeft de verdachte bekend.

Over de mishandeling bij de Albert Heijn heeft de verdachte verklaard dat hij heeft geduwd en dat hij een fles heeft gegooid naar de medewerkers van de Albert Heijn. Aangever [betrokkene 3] verklaart dat de verdachte de fles in zijn richting gooide en zegt niet met zoveel woorden dat hij daar door ook geraakt is. Getuige [betrokkene 4] heeft dit echter wel gezien. Gelet op deze getuigenverklaring, in combinatie met het letsel bij [betrokkene 3], acht de politierechter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [betrokkene 3] heeft mishandeld door een fles tegen hem aan te gooien. [betrokkene 5] is door de verdachte geslagen en getrapt, dit blijkt uit zijn aangifte en de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] die dit zien.”

13. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 augustus 2018 heeft de politierechter aldaar de korte inhoud medegedeeld van de gedingstukken die nadien als bewijsmiddel zijn gebezigd. In zoverre houdt het proces-verbaal van die terechtzitting het volgende in:

“De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
1. een dossier van de regiopolitie eenheid Limburg, met kenmerk PL2411-2016211938, gesloten d.d. 1 juli 2017, pagina 1 tot en met 46, waaronder
a. het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 6] d.d. 27 november 2016, pagina 30 en 31,

b. het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 7] d.d. 13 januari 2107, pagina 33 en 34,

c. het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1] d.d. 28 november 2016, pagina 36 en 37,

d. het proces-verbaal van verhoor aangever [betrokkene 1] d.d. 5 december 2016, pagina 39,

e. het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 8] d.d. 7 juni 2017, pagina 41
f. het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 2] d.d. 24 november 2016, pagina 45 en 46;
2. een dossier van de regiopolitie eenheid Limburg, met kenmerk PL2300-2017145140, gesloten d.d. 7 september 2017, pagina 1 tot en met 19, waaronder:

a. het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 9] d.d. 7 september 2017, pagina 5 en 6,

b. het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 7 september 2017, pagina 16;
3. een dossier van de regiopolitie eenheid Limburg, met kenmerk PL2431-2018045128, gesloten d.d. 6 april 2018, pagina 1 tot en met 32, waaronder:

a. het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 3] d.d. 28 maart 2018, pagina 1 tot en met 4,

b. het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 5] d.d. 28 maart 2018, pagina 5 en 6,

c. het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 4] d.d. 28 maart 2018, pagina 7 en 8,

d. het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 28 maart 2018, pagina 19 en 20;”

14. Overeenkomstig art. 378, tweede lid, Sv in verbinding met art. 3, onder d, van de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996/197) heeft de politierechter in het mondeling vonnis wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volstaan met een verwijzing naar het proces-verbaal van de terechtzitting en de daar kort vermelde gedingstukken. Voor zover in de toelichting op het middel wordt uitgegaan van een andere lezing en wordt gesteld dat de hiervoor in randnummer 13 aangehaalde processtukken “niet noodzakelijkerwijs de stukken [zijn] die tot het bewijs zijn gebezigd en dat [dit] ook niet [blijkt] uit het vonnis van de politierechter” berust zulks op een onjuiste lezing van het vonnis. De hiervoor in randnummer 12 weergegeven bewijsoverwegingen kunnen bezwaarlijk anders worden verstaan dan in die zin dat de politierechter de bewezenverklaring heeft gegrond op de inhoud van de in het proces-verbaal van de terechtzitting onder 1a tot en met 1f, 2a en 2b en 3a tot en met 3d vermelde processen-verbaal.

15. Aan het middel ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat een aantekening mondeling vonnis, die wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in overeenstemming met de Regeling verwijst naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken, slechts in het geval als bedoeld in de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv door het hof zonder aanvulling van de gronden mag worden bevestigd. Die opvatting is echter onjuist.3 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de meervoudige kamer van het hof in geval van bevestiging van het vonnis in beginsel niet is gehouden de inhoud van de als bewijsmiddel gebruikte stukken alsnog in zijn arrest op te nemen, tenzij ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte “anders — dat wil zeggen: niet in bekennende zin — is verklaard of door zijn raadsman vrijspraak is bepleit”.4 Ook in dat laatste geval is bevestiging van het vonnis mogelijk, zij het dan op grond van art. 359, derde lid, Sv onder aanvulling van gronden.5

16. De onderhavige zaak is ter terechtzitting in hoger beroep behandeld bij verstek. Derhalve heeft de verdachte aldaar niet in niet-bekennende zin verklaard en is daar door zijn raadsman evenmin vrijspraak bepleit. Aangezien de politierechter de bewezenverklaringen op de in art. 378, tweede lid, Sv in verbinding met art. 3, onder d, van de hiervoor genoemde Regeling voorgeschreven wijze heeft gemotiveerd, kon het hof ook in dat opzicht het in het proces-verbaal aangetekende mondeling vonnis van de politierechter bevestigen. Dat de verdediging bij appelschriftuur wel te kennen heeft gegeven zich met het veroordelend vonnis niet te kunnen verenigen, doet aan het voorgaande niet af.6

17. Het tweede middel faalt.

18. Het derde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat de bewezenverklaringen van de in de zaak met parketnummer 03-174813-17 onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten onderling tegenstrijdig zijn.

19. Voor de bewezenverklaring van het in het cassatiemiddel bedoelde feit 3 verwijs ik naar randnummer 4. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03-174813-17 onder 1 tenlastegelegde feit is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:

“op 23 november 2016 te Heerlen [betrokkene 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [betrokkene 2] (via een collega genaamd [betrokkene 1]) dreigend de woorden toe te voegen “je mag blij zijn da[t] mijn moeder nog leeft want als die niet meer leeft dan leef jij ook niet meer”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;”

20. Zowel de bewezenverklaring van feit 1 als die van feit 3 heeft betrekking op de uiting van de verdachte “je mag blij zijn dat mijn moeder nog leeft want als die niet meer leeft dan leef jij ook niet meer”, die hij deed tegenover en via [betrokkene 1] op 23 november 2016 te Heerlen. Doordat deze uiting gezien het gebruik van de aanspreekvormen “je” en “jij” is gericht tegen één persoon, zou volgens de steller van het middel de bewezenverklaarde gedraging niet hebben kunnen leiden tot het bewijs van de feiten 1 én 3. Óf de verdachte bedreigde [betrokkene 1], óf de verdachte bedreigde [betrokkene 2] via collega [betrokkene 1], maar niet beiden, zo kan het betoog worden samengevat.

21. Ik stel voorop dat deze opvatting in haar algemeenheid onjuist is. Eén en dezelfde uiting, die naar haar bewoordingen voldoende concreet is geformuleerd om bij degene op wie zij is gericht de redelijke vrees te wekken dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd, kan door meer dan één persoon worden opgevat als een tegen hem of haar gerichte bedreiging. Niet denkbeeldig is dat het – ten minste voorwaardelijke – opzet van de verdachte op het ontstaan van die vrees bij meer dan één persoon is gericht.7 Daaraan hoeft niet af te doen dat de uiting in enkelvoud is gesteld. Door bijvoorbeeld in het midden te laten tegen welke “je” of “jij” van een select gezelschap aangesproken personen het misdrijf waarmee wordt gedreigd nu precies zou zijn gericht, kan de dader bewerkstelligen dat alle tot dat gezelschap behorende personen zich aangesproken voelen en dat bij hen allen redelijkerwijs de vrees kan ontstaan dat het misdrijf tegen hem of haar zal worden gericht. Hierbij komt nog dat – zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3400, NJ 2011/224, m.nt. Keijzer heeft geoordeeld – voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig in art. 285 Sr bedoeld misdrijf niet vereist is dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd is gericht tegen de bedreigde persoon zelf.8 De in dat arrest centraal staande uiting hield onder meer in: “er gaan binnenkort wel wat mensen langs bij je moeder”, waardoor de bedreigde aangeefster (de dochter van degene tegen wie het misdrijf waarmee werd gedreigd was gericht) in haar persoonlijke vrijheid was aangetast. Vanzelfsprekend lijkt mij dat de in die zaak gedane uitlating eveneens – en eventueel tegelijkertijd – als een bedreiging van de moeder zou kunnen kwalificeren.9 Ook op die manier kan de waarschuwing dat tegen één persoon (wie dan ook) een misdrijf zal worden begaan, bedreiging van meer dan één persoon opleveren.

22. In het bijzonder voor de onderhavige zaak geldt het volgende. De door het hof in navolging van de rechtbank voor het bewijs gebruikte aangifte van [betrokkene 1]10 houdt onder meer in dat de verdachte op de in de bewezenverklaring genoemde tijd en plaats tegen de aangever heeft gezegd “je mag blij zijn dat mijn moeder nog leeft want als die niet meer leeft dan leef jij ook niet meer”. Bij het nader verhoor van de aangever [betrokkene 1] op 5 december 201611 heeft deze [betrokkene 1] verklaard dat hij wil dat aan zijn aangifte een zinsnede wordt toegevoegd, zodat de uiting van de verdachte komt te luiden: “Je mag blij zijn dat mijn moeder nog leeft want als die niet meer leeft dan leef jij ook niet meer en die blonde vrouw met bril ook niet meer”. De voor het bewijs gebruikte verklaring van de getuige [betrokkene 8]12 houdt eveneens in dat de verdachte aan zijn bedreiging woorden heeft toegevoegd die duidelijk maakten dat hij zich ook tot “die vrouw met die bril” richtte en behelst daarnaast dat de getuige weet dat de verdachte hiermee collega [betrokkene 2] bedoelde. Uit de voor het bewijs gebruikte aangifte van deze [betrokkene 2]13 blijkt dat zij van de tegen “die blonde met die bril” geuite bedreigingen op de hoogte is geraakt en zich daardoor bedreigd voelde.

23. Uit de bewijsmiddelen heeft het hof dan ook zonder meer kunnen afleiden dat de verdachte met de in de bewezenverklaring genoemde woorden in hun context bezien zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Van enige onderlinge tegenstrijdigheid in dit verband is geen sprake.

24. Het derde middel faalt.

25. Het vierde middel behelst de klacht dat het hof (de modaliteit en de duur van) de opgelegde gevangenisstraf onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd.

26. Door het vonnis van de politierechter te bevestigen, heeft het hof de volgende strafmaatoverwegingen van de politierechter tot de zijne gemaakt:

De op te leggen straf.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de politierechter gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Mensen die gewoon hun werk doen en er zijn om de verdachte te helpen worden door hem beledigd, bedreigd en mishandeld. De verdachte spreekt alleen maar over zichzelf en lijkt niet te begrijpen wat zijn handelen bij anderen teweegbrengt. Zeker als het gaat om hulpverleners staan daar zware straffen op. Temeer nu de verdachte al verschillende malen is veroordeeld voor vernieling, bedreiging en mishandeling en dus een gewaarschuwd man was.

De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij zijn medewerking zal verlenen aan het FACT-team, maar de politierechter vraagt zich af of de verdachte daadwerkelijk intrinsiek gemotiveerd is. De politierechter is er niet van overtuigd dat een (deels) voorwaardelijke straf met voorwaarden de verdachte zal weerhouden om wederom strafbare feiten te plegen.

De politierechter houdt tevens rekening met het advies van de psycholoog [betrokkene 10] die adviseert om de feiten in de zaak met parketnummer 03/118065-17 aan de verdachte verminderd toe te rekenen.
Alles overwegende zal de politierechter de verdachte een onvoorwaardeliike gevangenisstraf opleggen van 2 maanden.”

27. In de bovenstaande strafmotivering is tot uitdrukking gebracht dat een straf wordt opgelegd die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt en is die strafoplegging verbonden met in de strafmotivering opgegeven redenen. Aldus heeft het hof, het vonnis bevestigende, expliciet doen blijken onder ogen te hebben gezien dat het zo een sanctie oplegt.14 Over schending van het motiveringsvoorschrift van art. 359, zesde lid, Sv klaagt het middel dan ook terecht niet.

28. De steller van het middel betoogt dat de strafmotivering onbegrijpelijk is, in het licht van de inhoud van het reclasseringsrapport en het advies van de psycholoog [betrokkene 10] van 23 mei 2018.15 Zowel de reclassering als de psycholoog zou in de kern hebben geadviseerd om de verdachte voor zijn psychopathologie te behandelen en aan hem professionele hulpverlening te bieden. De aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden strookt daarmee niet, zo vindt de steller van het middel.

29. Het middel heeft geen kans van slagen. De feitenrechter is immers vrij in de bepaling van de straf en de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd dat niet de juiste straf is opgelegd en evenmin dat de straf niet beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.16 Wat in dit verband in cassatie wordt getoetst, is of sprake is van een niet onbegrijpelijke en toereikende motivering als bedoeld in art. 359 Sv.

30. De strafmotivering van het hof houdt in waarom de feiten de verdachte zwaar worden aangerekend en waarom een andere (lichtere) sanctiemodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de verdachte onvoldoende zal weerhouden van het begaan van nieuwe strafbare feiten. Dat de reclassering en een psycholoog aan andere factoren belang hechten, de relevante factoren anders wegen, of anderszins over de wenselijke sanctie anders zouden denken, maakt de strafmotivering nog niet onbegrijpelijk.

31. De motivering van de strafoplegging is tevens toereikend, mede in aanmerking genomen dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep aldaar verstek is verleend en dus ten aanzien van de opgelegde straf geen verweer is gevoerd.

32. Het vierde middel faalt.

33. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

34. Ambtshalve wijs ik op het volgende. De op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017/82) heeft onder meer tot gevolg dat met ingang van die datum de rechter niet langer de mogelijkheid heeft om vervangende hechtenis te verbinden aan de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, voor het geval geen volledige betaling of volledig verhaal volgt. In plaats daarvan kan de rechter het dwangmiddel van de gijzeling opleggen, die net als de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar kan duren.

35. In HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daarmee sprake is van een verandering in de regels van sanctierecht die ten gunste van de verdachte werkt en die met onmiddellijke ingang moet worden toegepast. Gelet hierop zal de Hoge Raad in zaken waarin de cassatieschriftuur is binnengekomen voor of op 26 juni 2020 de uitspraak van het hof waarbij aan de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is verbonden in zoverre ambtshalve vernietigen. In de onderhavige zaak doet zich dit voor.

36. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de slachtoffers met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij het vonnis zijn tevens de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en is tot het toegewezen bedrag aan de verdachte telkens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het vonnis vermeld.

2 Vaste rechtspraak, zie o.a.: HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448 en HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:245, NJ 2018/118.

3 HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:602, NJ 2015/176 en HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2454, NJ 2015/491, m.nt. Mevis.

4 HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128 (rov.. 2.3.2), m.nt. Mevis.

5 HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7971, HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128 (rov.. 2.3.2), m.nt. Mevis en HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:127.

6 Vgl. HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2454, NJ 2015/491, m.nt. Mevis.

7 Zie bijv. HR 21 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:44, NJ 2020/66, waarin de bedreigingen aan het adres van onder meer “iedere politieagent [..] die hier komt” van dien aard was en onder zodanige omstandigheden was geschied dat bij betrokkenen (politieagenten die van de bedreiging op de hoogte raakten) in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen.

8 Zie ook HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:686, NJ 2013/564, m.nt. Keijzer.

9 Mits uiteraard was voldaan aan de overige vereisten voor bedreiging, zoals dat de moeder van de bedreiging daadwerkelijk op de hoogte was geraakt en dat het opzet van de verdachte zowel daarop als op het bij haar ontstaan van de vereiste vrees was gericht.

10 Vermeld onder 1.c van de blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aldaar voorgehouden stukken.

11 Vermeld onder 1.d van de blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aldaar voorgehouden stukken.

12 Vermeld onder 1.e van de blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aldaar voorgehouden stukken.

13 Vermeld onder 1.f van de blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aldaar voorgehouden stukken.

14 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437.

15 Overigens lijkt in de cassatieschriftuur tussen het einde van pagina 6 en het begin van pagina 7 een passage uit het betoog van de steller van het middel te zijn weggevallen.

16 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in Strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 264-265.