Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:532

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-04-2020
Datum publicatie
27-05-2020
Zaaknummer
19/04799
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:931
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Executie-uitlevering van opgeëiste persoon (Turkse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. veroordeling voor doodslag, poging tot doodslag (meermalen gepleegd) en zonder vergunning dragen van wapen . 1. Geen beslissing op aanhoudingsverzoek? 2. Beroep op dreigende en reeds voltooide mensenrechtenschending. 3. Onvoldoende duidelijke vermelding feiten, art. 28.3 UW.

Ad 1. en 2. HR: art. 81.1 RO.

Ad 3. HR ambtshalve: Ex art. 28.3 UW dient uitspraak feiten waarvoor uitlevering kan worden toegestaan te vermelden. Rb heeft vastgesteld dat uitlevering is verzocht t.z.v. tenuitvoerlegging van vonnis waarbij opgeëiste persoon tot gevangenisstraf is veroordeeld t.z.v. (i) doodslag, (ii) twee pogingen tot doodslag en (iii) zonder vergunning dragen van wapen. Rb heeft voorts geoordeeld dat niet is gebleken van een beletsel voor toelaatbaarheid van verzochte uitlevering. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat Rb onder opschrift “beslissing” kennelijk abusievelijk bij toelaatbaarverklaring van uitlevering alleen ‘doodslag’ heeft vermeld. HR herstelt dit verzuim door - mede in het licht van art. 28.3 UW - uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de feiten die zijn omschreven in uitleveringsverzoek en door verzoekende Staat bij uitleveringsverzoek overgelegd stuk (“Proces-verbaal beoordeling dossier”).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04799 U

Zitting 14 april 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[de opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de opgeëiste persoon.

1. Bij uitspraak van 25 september 2019 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard tot tenuitvoerlegging “van het strafvonnis waarbij hij is veroordeeld ter zake doodslag, zoals vermeld in het uitleveringsverzoek”. Het uitleveringsverzoek heeft betrekking op een vonnis van “Muş 1st Assize Court” van 31 december 2014, waarbij de opgeëiste persoon wegens een viertal feiten tot afzonderlijke straffen is veroordeeld. De feiten zijn gepleegd op de dag dat de opgeëiste persoon heeft geschoten op leden van een andere familie waarmee, zoals in de vertaalde versie het vonnis staat, wrijvingen bestonden. De opgeëiste persoon is bij het genoemde vonnis veroordeeld wegens achtereenvolgens doodslag op [slachtoffer 1] tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren en zes maanden, poging tot doodslag op [slachtoffer 2] tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en twee maanden, poging tot doodslag op [slachtoffer 3] tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en twee maanden en het zonder vergunning dragen van een (vuur)wapen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en twee maanden. Het uitleveringsverzoek heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van het vonnis waarbij de opgeëiste persoon voor al deze feiten is veroordeeld en niet alleen voor zover hij wegens doodslag is veroordeeld. Dat blijkt uit de inhoud van het uitleveringsverzoek waarin wordt verwezen naar de nummers die afzonderlijk aan deze bewezenverklaringen zijn toegekend. Ook blijkt dit uit het ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek overgelegde “proces-verbaal beoordeling dossier”, waarin is vermeld dat de opgeëiste persoon – kort gezegd: na aftrek van voorarrest – “nog 14 jaar, 10 maanden en 8 dagen in een strafgevangenis” moet uitzitten. Gelet hierop, terwijl uit de uitspraak niet blijkt dat de rechtbank de uitlevering deels ontoelaatbaar heeft verklaard of heeft willen verklaren, versta ik de uitspraak van de rechtbank aldus dat zij de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard ter tenuitvoerlegging van het vonnis van Muş 1st Assize Court” van 31 december 20141

2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. L. Bien, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de rechtbank geen beslissing heeft genomen op een ter zitting gedaan verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. Het tweede middel klaagt over de verwerping door de rechtbank van wat ik hier samenvat als beroepen op een dreigende en een reeds voltooide mensenrechtenschending. Het verzoek tot aanhouding waarop het eerste middel betrekking heeft, strekte ertoe de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen zijn beroep op de dreigende en op de reeds voltooide mensenrechtenschending nader te onderbouwen. Vanwege de inhoudelijke samenhang kunnen beide middelen tezamen worden besproken.

4. Ter zitting van de rechtbank zijn door en namens de opgeëiste persoon een aantal redenen aangevoerd waarom de rechtbank de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije ontoelaatbaar zou moeten verklaren. Wat ter zitting mondeling is aangevoerd en zakelijk is weergegeven in het proces-verbaal dat van de zitting is opgemaakt, komt op hoofdlijnen op het volgende neer. Ten eerste zou het vonnis waarvoor de uitlevering ter tenuitvoerlegging wordt verzocht, het resultaat zijn van een “fakeproces”. Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep zou de advocaat van de opgeëiste persoon niet zijn toegelaten en in Turkije “is geen werkend rechtssysteem”. Ten tweede zouden de Turkse autoriteiten niet alleen dit vonnis ten uitvoer willen leggen maar – als de opgeëiste persoon eenmaal is uitgeleverd – ook een vonnis van 21 januari 2017. De tenuitvoerlegging van dat vonnis zou de werkelijke reden zijn om de uitlevering te verzoeken. Ten derde is aangevoerd dat de opgeëiste persoon om politieke redenen door Turkije wordt vervolgd omdat hij politiek actief is geworden door zich aan te sluiten bij een Koerdische organisatie. Ten vierde heeft de opgeëiste persoon aangevoerd dat hij is gefolterd. Het proces-verbaal van de zitting houdt hierover in dat de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in 2008 “naar een militaire basis [is] gebracht en daar [is] gemarteld”. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij in detentie is geslagen en dat hij er op zijn lichaam nog sporen van heeft.

5. Ter zitting heeft de raadsvrouw van de opgeëiste persoon verzocht de behandeling van de zaak aan te houden zodat de asielprocedure in Frankrijk kan worden afgewacht en zij de stukken compleet kan krijgen. In aansluiting daarop heeft zij verzocht de uitleveringsdetentie te schorsen zodat de opgeëiste persoon zelf in staat is om in Frankrijk stukken op te vragen waaruit zou blijken dat de zaak uit 2011 (waarop het vonnis van 21 januari 2017 betrekking heeft) de werkelijke reden is waarom de uitlevering is verzocht en dat hij voor een heel ander feit is veroordeeld.

6. Bij de beoordeling van de middelen moet voorop worden gesteld dat alleen het verweer dat het vonnis waarvoor de uitlevering ter tenuitvoerlegging wordt verzocht, het resultaat is van een “fakeproces”, ter beoordeling van de uitleveringsrechter staat. De andere redenen die ter zitting naar voren zijn gebracht om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren, staan niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter, maar van de Minister van Justitie en Veiligheid. Op die andere redenen kom ik terug. Het verweer, dat voor de beoordeling van de middelen doorslaggevend is, zou welwillend aangemerkt kunnen worden als het verweer dat in de zaak die in Turkije tot de veroordeling heeft geleid, een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017 blijkt dat het dan aan de uitleveringsrechter is om te beslissen op de vraag of enig in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden.2

7. Met betrekking tot het verweer, dat het vonnis waarvoor de uitlevering ter tenuitvoerlegging wordt verzocht, het resultaat is van een “fakeproces”, houdt de uitspraak het volgende in:

“ “Door de raadsvrouw en de opgeëiste persoon zijn stukken overgelegd met betrekking tot een door de opgeëiste persoon gedane asielaanvraag in Frankrijk. In het kader van zijn asielaanvraag heeft de opgeëiste persoon betoogd dat er sprake is van samenhang tussen de strafzaak die heeft geleid tot zijn veroordeling ter zake doodslag en zijn arrestatie en latere veroordeling wegens zijn lidmaatschap van de HDP. Deze samenhang is door de opgeëiste persoon niet aannemelijk gemaakt, maar de rechtbank kan ook niet uitsluiten dat mogelijk sprake is van een bepaalde verwevenheid in dit kader. De overgelegde stukken en het onderzoek zoals dat tot nu toe heeft plaatsgevonden roepen vragen op maar dat er sprake is van een zodanige verwevenheid van beide zaken dat moet worden geconcludeerd dat de verzochte uitlevering stoelt op een politiek motief acht de rechtbank thans niet aannemelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling niet aan de uitlevering van de opgeëiste persoon ter executie van de strafzaak die daaraan ten grondslag is gelegd in de weg staat.
[…]

“ De rechtbank stelt vast dat uit het Turkse vonnis, op basis waarvan de uitlevering wordt verzocht, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een oneerlijk proces. De strafrechtelijke procedure in Turkije is in twee instanties gevoerd. De opgeëiste persoon is beide malen bijgestaan door een raadsman. Door de opgeëiste persoon is in dit geding enkel gesteld, maar in het licht van de overgelegde stukken op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zijn raadsman in hoger beroep niet is toegelaten. Ook anderszins is door de opgeëiste persoon niet aannemelijk gemaakt dat het strafproces in Turkije een oneerlijk proces was.

“ De stelling van de opgeëiste persoon dat sprake is geweest van een ‘fakeproces’ en dat zijn arrestatie met name voortkwam uit zijn lidmaatschap van de HDP is door de opgeëiste persoon niet voldoende aannemelijk gemaakt. De stukken die zijn overgelegd met betrekking tot de asielaanvraag van de opgeëiste persoon in Frankrijk, zijn door de rechtbank niet te verifiëren en maken op zichzelf geen onderdeel uit van het uitleveringsverzoek, omdat deze hieraan niet ten grondslag zijn gelegd. Dit betekent echter niet dat de rechtbank deze stukken niet bij het uitleveringsverzoek kan betrekken, maar een inhoudelijk oordeel hierover blijft in deze procedure, waar over de toelaatbaarheid van het verzoek tot uitlevering wordt beslist, buiten beschouwing.

“ Er is een bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon uitgevaardigd op 8 juli 2008, op 18 september 2013 is de aanhouding opgeheven, op dezelfde dag is hij gearresteerd en vervolgens is hij op 31 oktober 2014 vrijgelaten. Vervolgens is vonnis gewezen in de strafzaak waarin de opgeëiste persoon verdacht werd van doodslag en naar aanleiding daarvan is opnieuw een arrestatiebevel uitgevaardigd. Het ligt in de rede dat als de opgeëiste persoon om politieke redenen zou zijn gearresteerd, hij niet op 31 oktober 2014 zou zijn vrijgelaten. Op grond van de informatie die voorligt, blijkt naar het oordeel van de rechtbank thans niet genoegzaam dat sprake is geweest van een ‘fakeproces’. De mogelijkheid tot nader onderzoek daartoe door de rechtbank, zoals door de raadsvrouw verlangd, ontbreekt de rechtbank.

“ De opgeëiste persoon heeft verder aangevoerd dat hij in Turkije in detentie is mishandeld en gefolterd en dat de sporen daarvan nog immer op zijn lichaam aanwezig zijn maar heeft die stelling niet nader onderbouwd, noch daarvan bewijs overgelegd of aangeboden. De rechtbank stelt dan ook vast dat deze stelling door de opgeëiste persoon niet zodanig aannemelijk is gemaakt dat dit tot nader onderzoek noopt.

“ Gelet op het vorenstaande kunnen de namens de opgeëiste persoon gedane verweren niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard vanwege een flagrante schending van voormelde verdragsartikelen.”

8. In de overwegingen van de rechtbank, dat niet aannemelijk is gemaakt dat het strafproces in Turkije een oneerlijk proces was, ligt besloten dat de rechtbank van oordeel is dat op basis van hetgeen ter zitting is aangevoerd, niet aannemelijk is geworden dat in de zaak, die in Turkije tot de veroordeling heeft geleid, een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Dat feitelijke oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Hierbij neem ik in aanmerking dat een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM niet snel wordt aangenomen. In de woorden van het EHRM gaat het bij een flagrante inbreuk om “a breach of the principles of fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article”.3Ook neem ik daarbij in aanmerking dat voor ontoelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter is vereist dat de flagrante inbreuk “naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer” aannemelijk is geworden.4 Het is dus in de eerste plaats aan de opgeëiste persoon om die flagrante inbreuk aannemelijk te maken en daarin is de opgeëiste persoon bij de uitleveringsrechter niet geslaagd. De ruimte voor onderzoek door de uitleveringsrechter naar de mate waarin het vonnis in de verzoekende staat tot stand is gekomen met inachtneming van de in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde rechten, is beperkt gelet op het vertrouwen dat het bestaan van een verdragsgrondslag voor uitlevering meebrengt in de rechtsgang die in de verzoekende staat tot het vonnis heeft geleid ter tenuitvoerlegging waarvan de uitlevering wordt verzocht.5 In dit perspectief lees ik de overweging van de rechtbank dat “de mogelijkheid tot nader onderzoek” door de rechtbank naar de vraag of sprake is geweest van een “fakeproces” ontbreekt. Daarin ligt de afwijzing besloten van het verzoek om aanhouding voor zover dit ertoe strekte het beroep op de inbreuk op art. 6 EVRM nader te onderbouwen.

9. De overige redenen die ter zitting zijn aangevoerd, zijn geen redenen op grond waarvan de uitleveringsrechter de uitlevering ter tenuitvoerlegging ontoelaatbaar mag verklaren. Vanwege de taakverdeling tussen de Minister van Justitie en Veiligheid en de uitleveringsrechter, is het eventuele foltering van de opgeëiste persoon in Turkije geen reden voor de uitleveringsrechter om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Op de uitleveringsrechter rust in dit geval ook geen onderzoeksplicht naar de bewering dat de opgeëiste persoon is gefolterd. Dat is anders wanneer de uitlevering zou zijn gevraagd ter strafvervolging.6 De vraag of de opgeëiste persoon wordt vervolgd vanwege zijn politieke overtuiging, staat op basis van art. 10 Uitleveringswet ter beoordeling van de Minister van Justitie en Veiligheid en dus niet aan de uitleveringsrechter. De tenuitvoerlegging van een vonnis waarvoor de uitlevering niet is verzocht, zoals het vonnis van 21 januari 2017, zou in strijd zijn met het specialiteitsbeginsel dat is neergelegd in art. 14 Europees Verdrag betreffende uitlevering dat op het uitleveringsverzoek van toepassing is. Ook dat verweer staat niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter.7

10. Samengevat zijn de redenen die ter zitting zijn aangevoerd geen reden op grond waarvan de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar mag verklaren. In haar advies heeft de rechtbank de aandacht van de Minister van Justitie en Veilig gevraagd voor enkele van deze redenen bij het nemen van zijn beslissing om gevolg te geven aan het uitleveringsverzoek.

10. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden zodat het cassatieberoep zich ervoor leent om op grond van art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard, maar gelet op de wenselijkheid dat de Hoge Raad de uitspraak verbeterd leest, geef ik de voorkeur aan een inhoudelijke behandeling en verwerping van het beroep.

10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak behoort te leiden.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Naar Nederlands recht zijn deze feiten strafbaar en is voldaan aan de vereisten ex art. 2 lid 1 tweede volzin Europees Verdrag betreffende uitlevering en art. 5 lid 1 aanhef en onder b Uitleveringswet. Voor de strafbaarheid naar Nederlands recht wijs ik op art. 45, 287 Sr en art. 26 lid 1 en 55 lid 3 aanhef en onder a WWM ervan uitgaande dat het wapen dat de opgeëiste persoon droeg een vuurwapen betreft wat naast de feitelijke gang van zaken kan volgen uit de door de verzoekende staat overgelegde tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften die betrekking hebben op vuurwapens.

2 HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.6 onder A.

3 Vgl. EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360 m.nt. N. Keijzer, par. 260 (Othman t. V.K.).

4 HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.6 onder A; HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2019, NJ 2019/228 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.6.

5 HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.5.

6 Vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 5.6; HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489, NJ 2013/263 m.nt. A.H. Klip, r.o. 5.2.

7 HR 28 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1791, NJ 2000/367 r.o. 3.4.-3.5.