Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:527

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-03-2020
Datum publicatie
26-05-2020
Zaaknummer
19/01001
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:932
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Oplichting (art. 326 Sr), witwassen (art. 420bis Sr) en als bestuurder van een r.p. welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de r.p. niet voldaan hebben aan de op hem rustende verplichtingen t.o.v. het voeren van een administratie ingevolge de in art. 2:10.1 BW en/of art. 3:15i.1 BW en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die art. bedoeld (art. 342 Sr). Middelen over 1. Strafmotivering t.a.v. opgave redenen die hebben geleid tot oplegging vrijheidsbenemende straf en 2. Afwijking door hof van een uos strekkend tot n-o verklaring b.p.’s in hun vorderingen. HR: art. 81.1 RO. HR ambtshalve: hof heeft verdachte de verplichting opgelegd om aan de Staat t.b.v. het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis. HR zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast, cfm. ECLI:NL:HR:2020:914 en aan verdachte met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling opleggen van gelijke duur. Volgt gedeeltelijke vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01001

Zitting 31 maart 2020

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 27 november 2018 door het Gerechtshof Den Haag in de zaken met parketnummers 09-758709-12, 09-766079-13, 09-766106-13 en 09-837013-15 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 13 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr. In de zaak met parketnummer 09-758709-12 is de verdachte veroordeeld wegens 2. ‘oplichting, meermalen gepleegd en medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd’. In de zaak met parketnummer 09-766079-13 is de verdachte veroordeeld wegens 1. ‘oplichting’, en 2 en 3, telkens opleverend ‘medeplegen van oplichting en medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd’. In de zaak met parketnummer 09-766106-13 is de verdachte veroordeeld wegens 1 primair en 2 primair, telkens opleverend ‘als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldaan hebben aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld’. In de zaak met parketnummer 09-837013-15 is de verdachte veroordeeld wegens ‘oplichting, meermalen gepleegd’. Verder heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen ING Bank NL N.V., ING Bank Nederland N.V., [benadeelde] en ABN AMRO N.V. (gedeeltelijk) toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. E.M. Steller heeft zich op 29 maart 2019 als raadsman van de verdachte in cassatie gesteld. Mr. S. van den Berg, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld; de begeleidende brief is mede ondertekend door mr. Steller. Nadien heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, de verdediging overgenomen. Mr. A.L. de Vogel, advocaat te Amsterdam, heeft namens de benadeelde partij ING Bank NV een verweerschrift ingediend.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof aan de verdachte een vrijheidsbenemende straf heeft opgelegd zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze voor die strafsoort hebben geleid. Verder zou de motivering met betrekking tot de duur van de straf onbegrijpelijk dan wel in strijd met het recht zijn.

4. Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

‘Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze zowel alleen als samen met een ander schuldig gemaakt aan oplichting van een drietal banken en een particulier. De verdachte heeft onder meer door het geven van valse incasso-opdrachten bedragen laten afschrijven van rekeninghouders en de binnenkomende gelden vervolgens weggesluisd naar rekeningen van onder meer katvangers die het geld contant opnamen voor de verdachte. Ook heeft de verdachte gebruik gemaakt van valse documenten voor het verkrijgen van een kredietovereenkomst bij een bank. Daarnaast heeft de verdachte een particulier opgelicht door hem voor te spiegelen dat hij, als agent van een bank, een bedrijfskrediet voor hem kon regelen. Zodoende heeft de verdachte nadeel toegebracht aan derden en in ernstige mate misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het bancaire betalingsverkeer gesteld moet kunnen worden. Tevens heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in de juistheid van schriftelijke stukken met een bewijsbestemming. Door aldus te handelen heeft de verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd.

De met oplichting verkregen bedragen heeft de verdachte vervolgens witgewassen. Het voorhanden hebben van geld dat van misdrijf afkomstig is vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Tot slot heeft de verdachte zich als (feitelijk) bestuurder van twee rechtspersonen op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door in strijd met een op hem rustende wettelijke verplichting na te laten een deugdelijke administratie te voeren, te bewaren en tevoorschijn te brengen. Door aldus te handelen heeft de verdachte in de gegeven omstandigheden de schuldeisers benadeeld en is het vertrouwen in het handelsverkeer ernstige schade toegebracht. Tevens is de afwikkeling van het faillissement door de curator bemoeilijkt.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 oktober 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte ook na het plegen van de bewezen verklaarde feiten is veroordeeld voor het plegen van (andersoortige) strafbare feiten in het buitenland.

Het hof stelt voorts vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. De termijn als bedoeld in voornoemd artikel is op 12 juli 2012 aangevangen. Op 2 april 2015 is door de rechtbank vonnis gewezen. De procedure in eerste aanleg is derhalve niet binnen 24 maanden afgerond met een eindvonnis, maar eerst na 33 maanden afgedaan. Namens de verdachte is op 10 april 2015 hoger beroep ingesteld. Vervolgens is op 27 november 2018 arrest gewezen. Hierdoor is ook de procedure in hoger beroep niet binnen 24 maanden afgerond met een eindarrest, maar eerst na ruim 43 maanden. Het hof zal deze overschrijdingen op na te vermelden wijze verdisconteren in de strafmaat.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat, gelet op het nadeel dat de verdachte zowel in financiële als in immateriële zin aan respectievelijk de banken, maar ook aan anderen en aan het maatschappelijk verkeer, heeft veroorzaakt, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 13 maanden voorwaardelijk opleggen.’

5. Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het onder ogen heeft gezien dat het een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf oplegt. Tevens blijkt uit de overwegingen welke redenen tot de oplegging van deze deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf aanleiding hebben gegeven. Daarmee heeft het hof voldaan aan de motiveringseisen die op grond van art. 359, zesde lid, Sv aan de oplegging van een vrijheidsbenemende straf worden gesteld.1

6. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat Uw Raad eerder, onder andere in twee arresten van 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2193 en ECLI:NL:HR:2016:2191, zou hebben geoordeeld dat een strafmaatoverweging vergelijkbaar met die welke het gerechtshof in de onderhavige zaak bezigt ontoereikend is.

7. In het arrest van 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437 kwam Uw Raad niet tot het oordeel dat het hof de oplegging van de gevangenisstraf ontoereikend had gemotiveerd. In HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2193 had het hof eerst overwogen bij de bepaling van de op te leggen straf te hebben gelet ‘op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard en op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals en voor zover één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen’. Dat is een motivering die verband houdt met het voorschrift van art. 359, vijfde lid, Sv.2 Vervolgens heeft het hof aangegeven dat de raadsman heeft gesteld ‘dat het thans beter met verdachte gaat en dat hij zijn leven een positieve wending heeft gegeven’ maar dat die stelling niet werd gestaafd ‘door enig stuk van bewijs’ alsmede dat de verdachte er ‘zelf voor gekozen (heeft) om zijn persoonlijke omstandigheden niet ter terechtzitting toe te lichten’. Het hof had vervolgens overwogen dat het onder die omstandigheden geen aanleiding zag af te wijken ‘van de in eerste aanleg opgelegde straf, welk het hof passend en geboden acht’. Uw Raad oordeelde dat ’s hofs overweging geen opgave bevatte van de redenen die in het bijzonder hadden geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. In de onderhavige zaak heeft het hof wel degelijk de redenen opgegeven die de keuze voor een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf hebben bepaald, en heeft het hof expliciet overwogen dat ‘een deels voorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt’.

8. Volgens de steller van het middel zou de motivering met betrekking tot de duur van de straf voorts onbegrijpelijk dan wel in strijd met het recht zijn. Aan dit onderdeel is in de toelichting op het middel geen uitwerking gegeven. In aanmerking genomen de vrijheid die de feitenrechter heeft bij de keuze van de straf en bij de waardering van de factoren die hij in het kader van de straftoemeting van belang acht, meen ik dat de strafmotivering niet onbegrijpelijk is en niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Ik wijs er daarbij op dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren.3

9. Het eerste middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat strekte tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partijen ING Bank NL N.V. en ING Bank Nederland N.V. in hun vordering, althans dat het hof de beslissing dat die benadeelde partijen ontvankelijk zijn niet met redenen heeft omkleed, dan wel die beslissing niet toereikend heeft gemotiveerd.

11. De raadsman van de verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 12 november 20184 onder meer aangevoerd:

Vorderingen Benadeelde partijen

(…)

ING Bank (Incassofraude [A] B.V.)
(…)

134. De vordering van in totaal €108.959,86 is (in eerste aanleg) ondertekend door [betrokkene 1]. Bij de vordering zijn geen stukken gevoegd waaruit blijkt dat deze persoon gemachtigd is om namens benadeelde een vordering in te dienen. Eventueel herstel hiervan levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Subsidiair betoogd de verdediging daarom ook niet-ontvankelijkheid van de ING Bank.

(…)

ING Bank (Incassofraude [B] B.V.)

(…)

140. De vordering van €76.252,66 is (in eerste aanleg) ondertekend door [betrokkene 1]. Bij de vordering bevinden zich geen stukken waaruit blijkt dat deze persoon gemachtigd is om namens benadeelde een vordering in te dienen. Eventueel herstel hiervan levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Subsidiair betoogd de verdediging daarom ook niet-ontvankelijkheid van de ING Bank.’

12. Het bestreden arrest houdt inzake deze vorderingen het volgende in:

Vordering tot schadevergoeding van de ING Bank NL N.V.

In het onderhavige strafproces heeft ING Bank NL N.V. zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-758709-12 onder 2 ten laste gelegde tot een bedrag van € 108.959,89.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 108.959,89.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 107.459,86.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 107.459,86 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 09-758709-12 onder 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering tot schadevergoeding van de ING Bank Nederland N.V.

In het onderhavige strafproces heeft ING Bank Nederland N.V. zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-766079-13 onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 76.252,66.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 76.252,66.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 74.752,66. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 74.752,66 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 09-766079-13 onder 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.’

13. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevinden zich twee ‘voegingsformulieren benadeelde partij in het strafproces’ die betrekking hebben op de benadeelde partij ING Bank NL/Nederland N.V. Uit het eerste formulier blijkt dat de ING Bank NL N.V. zich in eerste aanleg heeft gevoegd met een vordering van € 108.959,86 ter vergoeding van materiële schade. Als ‘benadeelde’ staat vermeld:

‘Naam ING Bank NL N.V.
(…)
Straat en huisnummer Bijlmerdreef 24
Postcode en plaatsnaam 1102 C.T. Amsterdam Zuidoost
Telefoonnummer [telefoonnummer]
Bank- of gironummer [001]’

14. Als ‘gemachtigde van benadeelde’ staat vermeld:

‘Naam [betrokkene 1]
Voornamen [betrokkene 1]
(…)
Straat en huisnummer domicilie kiezende Bijlmerdreef 24
Postcode en plaatsnaam 1102 C.T. Amsterdam Zuidoost
Telefoonnummer [telefoonnummer]’

15. Aan het einde van het formulier staat achter ‘naam benadeelde’ [betrokkene 1] vermeld met daarboven bij ‘handtekening benadeelde’ (kennelijk)5 de handtekening van die [betrokkene 1]. De ruimte op het voegingsformulier die kan worden ingevuld indien de benadeelde partij een ander schriftelijk wil machtigen om hem/haar te vertegenwoordigen in de voegingsprocedure, is niet ingevuld. Voorts bevat het voegingsformulier een ruimte die wordt ingevuld door het parket van het Openbaar Ministerie. Daarin staat achter parketnummer het nummer 09-758709-12 vermeld. Met de hand is voorts de volgende tekst bijgeschreven: ‘Uw kenmerk: F.20120723-00079 ([A] B.V.)’.

16. Uit het tweede formulier blijkt dat de benadeelde partij ING Bank Nederland N.V. zich in eerste aanleg heeft gevoegd met een vordering van € 76.252,66 ter vergoeding van materiële schade. De gegevens die staan vermeld bij ‘benadeelde’ en ‘gemachtigde van benadeelde’ komen overigens overeen met de gegevens die op het (andere) voegingsformulier van de benadeelde partij ING Bank NL N.V. zijn ingevuld. Datzelfde geldt voor hetgeen staat vermeld bij de ondertekening, bij ‘naam benadeelde’ en bij ‘handtekening benadeelde’. Ook hier is de ruimte op het voegingsformulier die kan worden ingevuld indien de benadeelde partij een ander schriftelijk wil machtigen om hem/haar te vertegenwoordigen in de voegingsprocedure, niet ingevuld. In de ruimte die wordt ingevuld door het parket van het Openbaar Ministerie staat achter parketnummer het nummer 09-766079-13 vermeld. Met de hand is op dit formulier bijgeschreven: ‘Uw kenmerk: F. 20120709-00091 ([B])’.

17. De Rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 2 april 2015 de vorderingen van de ING Bank Nederland/NL N.V. gedeeltelijk toegewezen. De vordering inzake ‘[B]’ is toegewezen tot een bedrag van € 74.752,66 en de vordering inzake ‘[A] B.V.’ is toegewezen tot een bedrag van € 107.459,86.

18. Bij de stukken van het hoger beroep bevindt zich tweemaal een wensenformulier op naam van ING Bank NL/Nederland N.V. Daarop is aangekruist: ‘Ik wens mijn eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding te handhaven’. Het formulier is ingevuld en ondertekend door [betrokkene 1]. De formulieren bevatten bij ‘uw kenmerk’ de nummers die hiervoor onder 15 en 16 zijn genoemd. Ook staan op het wensenformulier de adresgegevens en het telefoon- en IBAN-nummer die zijn vermeld op de beide voegingsformulieren.

19. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2018 blijkt dat de voorzitter heeft medegedeeld dat onder meer de vorderingen van de benadeelde partijen ING Bank NL N.V. en ING Bank Nederland N.V. opnieuw aan de orde zijn in hoger beroep.6

20. De steller van het middel wijst erop dat op de terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte het standpunt is ingenomen dat de ING Bank Nederland/NL NV in beide vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien zich bij de vordering geen stukken bevinden waaruit blijkt dat [betrokkene 1] is gemachtigd om namens de benadeelde een vordering in te dienen. Daarbij wordt voorts gesteld dat anders dan in enkele eerdere uitspraken van Uw Raad, het hof in de onderhavige zaak in het geheel niet heeft aangegeven waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van betrokkene blijkt. De steller van het middel verwijst daarbij naar HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3043, NJ 2005/45, HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:380 en HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2006.

21. In HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3043, NJ 2005/45 bevond zich bij de gedingstukken een voegingsformulier waarin [C] zich als benadeelde partij had gesteld. De raadsvrouw van de verdachte had ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd ‘dat het voegingsformulier niet is ondertekend door een gemachtigde en derhalve niet naar behoren is ingevuld’. In cassatie werd geklaagd dat het hof de benadeelde partij ten onrechte ontvankelijk had verklaard in haar vordering. Uw Raad wees erop dat zich bij de stukken van het geding niet alleen een voegingsformulier maar ook een antwoordformulier bevond, waaruit bleek dat de persoon die het voegingsformulier had ondertekend de vestigingsmanager van [C] B.V. te [plaats] was. Uw Raad overwoog vervolgens dat het hof het verweer kennelijk niet had opgevat als inhoudende een gemotiveerde betwisting van de bevoegdheid van deze vestigingsmanager om [C] in deze zaak te vertegenwoordigen. Dat was volgens Uw Raad niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het verweer slechts de enkele – niet met enig concreet bezwaar tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vestigingsmanager gemotiveerde - stelling inhield dat het voegingsformulier niet was ondertekend door een gemachtigde, terwijl het formulier door de vestigingsmanager namens de benadeelde partij was ondertekend en de in art. 51e, tweede lid (oud), Sv7 bedoelde bijzondere volmacht niet is vereist als de betrokkene als vestigingsmanager van [C] in deze zaak optreedt namens de rechtspersoon.

22. In HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:380 had de ING Bank N.V. zich - net als in de onderhavige zaak - als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Namens de ING Bank was aangifte gedaan door een medewerker van de bank die als onderzoeker bancaire criminaliteit in dienstbetrekking werkzaam was bij de ING Bank. Het voegingsformulier was ingediend door dezelfde medewerker. De ruimte op het voegingsformulier die bestemd was om een ander schriftelijk te machtigen om hem of haar te vertegenwoordigen in de voegingsprocedure was niet ingevuld. Door de raadsman was in hoger beroep aangevoerd dat ‘de machtiging niet in orde’ was. Het hof was daar niet op ingegaan en had op grond van het gevoerde verweer de bevoegdheid van de medewerker om de ING Bank te vertegenwoordigen bij het indienen van de vordering tot schadevergoeding niet nader onderzocht. De vordering was door het hof in zijn geheel toegewezen. A-G Spronken kwam tot de conclusie dat uit het verweer dat op de zitting was gevoerd niet bleek welk concreet bezwaar tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de medewerker van de bank was aangevoerd en was van opvatting dat een bijzondere schriftelijke volmacht zoals bedoeld in art. 51c, tweede lid, Sv niet vereist is in het geval de medewerker is opgetreden namens de rechtspersoon. Uw Raad deed de zaak af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.

23. In HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2006 had de ABN AMRO bank zich gevoegd als benadeelde partij. Ook hier was door de verdediging aangevoerd dat niet bleek dat de persoon die de vordering had ingediend gemachtigd was ‘om namens ABN AMRO als benadeelde partij op te treden’. Het hof overwoog dat een bijzondere schriftelijke volmacht zoals bedoeld in artikel 51c, tweede lid (oud), Sv in dit geval niet was vereist, nu de indiener van het voegingsformulier ‘- werkzaam als Forensic Expert bij de ABN Amro - kennelijk bevoegd is namens de rechtspersoon op te treden, daar hij namens de ABN Amro zowel het voegingsformulier in eerste aanleg als het wensenformulier in hoger beroep heeft ondertekend en aanvullende stukken in hoger beroep per e-mail het hof heeft doen toekomen’. Nu geen concreet bezwaar tegen zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid was aangevoerd achtte het hof de benadeelde partij ontvankelijk in de vordering. Uw Raad overwoog:

‘2.4. Ingevolge het bepaalde in art. 51c, tweede lid (oud), Sv kan de benadeelde partij zich doen vertegenwoordigen, onder meer door een daartoe bij bijzondere volmacht door haar schriftelijk gemachtigde. Die bepaling strekt zich ook uit tot de voeging door middel van de opgave als bedoeld in art. 51g, eerste lid (oud), Sv (vgl. HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5371, NJ 2003/593). Een dergelijke volmacht is echter niet vereist indien de benadeelde partij een rechtspersoon is en het voegingsformulier is ondertekend door een persoon die optreedt namens de rechtspersoon (vgl. HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3043, NJ 2005/45).

2.5. Blijkens hetgeen hiervoor onder 2.2.2 is weergegeven, heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat ABN AMRO Bank NV zich in eerste aanleg op de in art. 51g, eerste lid (oud), Sv voorziene wijze heeft gevoegd als benadeelde partij, waarbij [betrokkene 1] optrad namens de vennootschap. Gelet op de hiervoor weergegeven stukken, is dat oordeel niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de niet nader onderbouwde stelling van de verdediging dat uit het dossier niet volgt dat [betrokkene 1] door de benadeelde partij gemachtigd is.’

24. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Met de steller van het middel stel ik vast dat het hof niet is ingegaan op het verweer dat zich bij beide vorderingen benadeelde partij die in eerste aanleg door de ING Bank zijn ingediend geen stukken bevinden waaruit blijkt dat [betrokkene 1] bevoegd is om namens de benadeelde een vordering in te dienen en dat daarom niet-ontvankelijkheid van de ING Bank zou moeten volgen. Uit de bestreden uitspraak blijkt ook niet dat het hof de bevoegdheid van [betrokkene 1] om de ING Bank te vertegenwoordigen bij het indienen van de vordering tot schadevergoeding nader heeft onderzocht. Voorts blijkt uit de voegingsformulieren en wensenformulieren (vgl. randnummers 13 tot en met 16 en 18) niet wat de functie van [betrokkene 1] bij de ING Bank is, heeft [betrokkene 1] aan de rechtbank of het hof geen aanvullende stukken doen toekomen, en zijn de aangiftes in beide fraudezaken niet door [betrokkene 1] ingediend.8

25. Uit de besproken arresten kan evenwel worden afgeleid dat niet een bijzondere schriftelijke volmacht zoals bedoeld in art. 51c, tweede lid (oud), Sv is vereist indien de benadeelde partij een rechtspersoon is en het voegingsformulier is ondertekend door een persoon die optreedt namens de rechtspersoon.9 Voldoende is dat het hof uit de stukken heeft kunnen afleiden dat [betrokkene 1] is opgetreden namens de rechtspersoon. In het onderhavige geval heeft het hof dat niet alleen uit beide voegingsformulieren maar ook uit andere stukken kunnen afleiden. Op beide voegingsformulieren van ING Bank Nederland/NL N.V. staat als gemachtigde van de benadeelde [betrokkene 1] vermeld, die te bereiken is op hetzelfde adres als de benadeelde. Ook de wensenformulieren hoger beroep bevatten dezelfde adresgegevens en zijn ondertekend door [betrokkene 1]. Het op die beide formulieren genoteerde IBAN-nummer ‘[001]’ komt overeen met het IBAN-nummer dat op de beide voegingsformulieren als IBAN-nummer van de benadeelde is genoteerd. Daarbij komt ook het op de beide wensenformulieren genoteerde telefoonnummer overeen met het telefoonnummer op beide voegingsformulieren. Dat nummer is bovendien op beide voegingsformulieren opgenomen als telefoonnummer van de benadeelde en als telefoonnummer van [betrokkene 1]. Tot slot verwijst het op het voegingsformulier van ING Bank Nederland N.V. vermelde kenmerk ‘F. 20120709-00091’ naar de bijbehorende aangifte die zich in het procesdossier bevindt. Datzelfde geldt voor het op het formulier van ING Bank NL N.V. vermelde kenmerk ‘F.20120723-00079’.10 En het in beide voegingsformulieren opgenomen schadebedrag komt overeen met het bedrag dat in de door de ING opgestelde aangiftes staat.

26. Ik wijs er voorts nog op dat het in cassatie namens de benadeelde partij ‘ING Bank N.V.’ ingediende verweerschrift vermeldt dat ‘[betrokkene 1] ten tijde van de voeging in de strafzaak in eerste aanleg als in het hoger beroep beschikte (en thans nog steeds beschikt) over een volmacht om namens ING aangifte te doen van fraudedelicten waarvan ING slachtoffer is geworden en om de belangen van de bank waar te nemen tijdens terechtzittingen en de bank daarbij te vertegenwoordigen, het woord te voeren en voorts te doen al hetgeen dat in dat kader nuttig of noodzakelijk voorkomt.’ (nr. 8 van het verweerschrift).

27. Bij afwezigheid van een concreet bezwaar van de verdachte tegen het aannemen van de bevoegdheid van [betrokkene 1] om de betreffende vorderingen namens ING Bank Nederland/NL N.V. in te dienen behoefde het hof diens bevoegdheid niet nader te onderzoeken en behoefde de beslissing van het hof dat de ING Bank als benadeelde partij in de beide vorderingen ontvankelijk is niet nader te worden gemotiveerd.

28. Het tweede middel faalt.

29. De beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering

30. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijv. HR 12 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2852.

2 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 922-923.

3 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 264-265.

4 Dit proces-verbaal van de zitting in hoger beroep bevat een kennelijke verschrijving waar staat vermeld dat de terechtzitting in hoger beroep plaatsvond op 12 november 2013. Dat kan reeds worden afgeleid uit de omstandigheid dat het proces-verbaal voorts inhoudt dat het onderzoek – met instemming van de advocaat-generaal en de raadsman – wordt hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing op 7 januari 2016 bevond.

5 De beide voegingsformulieren bevinden zich enkel in gekopieerde vorm bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Die kopieën zijn niet op alle punten even scherp. Van het wensenformulier hoger beroep bevinden zich originele exemplaren in het dossier. De daarop vermelde handtekening van [betrokkene 1] komt mijns inziens overeen met de (door het kopiëren enigszins vage) handtekening op de beide voegingsformulieren.

6 Vgl. art. 421, tweede en derde lid, Sv.

7 Art. 51e (oud) Sv luidde destijds als volgt: 1. De benadeelde partij kan zich doen bijstaan. 2. Zij kan zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door een daartoe bij bijzondere volmacht door haar schriftelijk gemachtigde. Zie de Wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29. De mogelijkheid om zich door een gemachtigde te doen vertegenwoordigen werd na de inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009, Stb. 2010,1 op 1 januari 2011 geboden door art. 51c, tweede lid (oud), Sv, en is door de Wet van 8 maart 2017, Stb. 90 verplaatst naar art. 51c, derde lid, Sv. Art. 51e, tweede lid (oud), Sv zag daarbij op de benadeelde partij, het huidige art. 51c, derde lid, Sv ziet op elk ‘slachtoffer’.

8 Het hof verwijst in zijn bewijsoverwegingen in voetnoot 2 naar het proces-verbaal van aangifte met bijlagen, ZD-02, dossier Hoorn, p. 258 e.v. en in voetnoot 35 naar het proces-verbaal van aangifte, Hoorn ZD01-/5, p. 298 e.v. De eerstgenoemde aangifte ziet op de zaak tegen [A] B.V. De tweede aangifte ziet op de zaak tegen [B] B.V. Beide aangiftes zijn gedaan door [betrokkene 2], die aangeeft als onderzoeker bancaire criminaliteit in dienstbetrekking werkzaam te zijn bij – kort gezegd – de ING Bank.

9 Zie in het bijzonder HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2006, rov. 2.4, waar deze regel wordt afgeleid uit HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3043, NJ 2005/45. Vgl. ook HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1025.

10 Vgl. in dit verband de conclusie van A-G Machielse bij HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2006 onder 7.6 en voetnoot 6.