Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:518

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-05-2020
Datum publicatie
26-05-2020
Zaaknummer
19/01243
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1050
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Veroordeling wegens doodslag en gekwalificeerde doodslag in Groningen in januari 2013 tot een gevangenisstraf van 24 jaren en tbs met dwangverpleging. Middelen over het oogmerk bij de gekwalificeerde doodslag, het (voorwaardelijk) opzet op de dood, het verschil bij het toerekenen van beide feiten en de combinatie van gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging. De AG adviseert de Hoge Raad het beroep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01243

Zitting 26 mei 2020

CONCLUSIE

P.C. Vegter

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 6 maart 2019 de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-232368-12 onder 2 en 3 tenlastegelegde. Het hof heeft vervolgens de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18-850046-13 onder 1 primair en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde en verdachte voor de zaak met parketnummer 18-850046-13 onder 1 subsidiair: “doodslag, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren”, 2 meer subsidiair: “doodslag” en het in de zaak met parketnummer 18-232368-12 onder 1: “diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot 24 jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 (a) Sr. Daarnaast heeft het hof de terbeschikkingstelling gelast en bevolen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (hierna: tbs met verpleging).

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft bij schriftuur en aanvullende schriftuur in totaal vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Deze zaak staat bekend als de dubbele “moord” in januari 2013 te Groningen, waarbij ‘s nachts [slachtoffer 1] om het leven is gebracht en later die dag, in de avond, [slachtoffer 2]. Beiden zijn in hun eigen woning omgebracht en kenden de verdachte omdat ze hem in een eerdere fase van hun leven onderdak hebben geboden. Het hof stelde bij het eerst gepleegde levensdelict geen aanleiding voor de doodslag vast en bij het tweede levensdelict wel.

4. Het eerste middel klaagt over de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2] (feit 1 in de zaak met parketnummer 18-850046-13), meer in het bijzonder over het bewijs van het “oogmerk”. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat het ene levensdelict de verdachte in verminderde mate valt toe te rekenen en het andere levensdelict, gepleegd op dezelfde dag, niet. Het derde middel klaagt over de combinatie van de opgelegde gevangenisstraf en de tbs met verpleging. Het vierde middel (aanvullende schriftuur) klaagt over het tweede levensdelict, de doodslag van [slachtoffer 1] meer in het bijzonder het bewijs van opzet (feit 2 in de zaak met parketnummer 18-580046-13).

5. Ik bespreek, mede gelet op de volgorde van de art. 348 en 350 Sv, eerst de klachten over de bewezenverklaringen en erna de klachten over de toerekeningsvatbaarheid en de combinatie van de oplegging van de straf en maatregel.

6. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaarde gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2].

7. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

- een koord, althans een voorwerp, om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 2] aangebracht en/of handelingen ten aanzien van dat koord, althans dat voorwerp, verricht en/of (vervolgens) dat koord, althans dat voorwerp, aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en/of

- met zijn handen de keel van die [slachtoffer 2] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 2] aangebracht en/of strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 2], waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en

- een doek in de mond en/of keelholte van die [slachtoffer 2] gepropt/geduwd, en

- een plastic zak over het hoofd van die [slachtoffer 2] getrokken en die zak vervolgens met een koord dicht geknoopt, en

- met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, en/of

- op/tegen het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden,

welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een computer (laptop), mobiele telefoon, levensmiddelen en andere goederen van die [slachtoffer 2], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.”

8. De bestreden uitspraak houdt, wat betreft het oogmerk, het volgende in (weergegeven zonder voetnoten):

“Door de verdediging is betwist dat sprake is van gekwalificeerde doodslag nu de verdachte niet het daarvoor vereiste oogmerk had.

Het hof oordeelt anders en overweegt daartoe als volgt.

Uit de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] komt naar voren dat er in de aanloop naar de gebeurtenissen op 18 januari 2013 ruzie was over boodschappen en geld. Zo heeft [getuige 2] verklaard: "Boodschappen en eten was één van de grootste struikelblokken. Op een gegeven moment begon [verdachte] ook rond te bazuinen dat hij geen eten kreeg en zo. Hier hadden wij ruzie over. Op een gegeven moment zorgde ik ervoor dat er niets meer in huis was. Red jezelf maar. Elke keer was ik de enige die aan die boodschappen dacht. De rest dacht alleen aan drugs." [getuige 2] heeft in de nacht van donderdag 17 januari 2013 op vrijdag 18 januari 2013 tegen verdachte gezegd dat hij de woning aan de [a-straat] uit moest. Tegen [getuige 3] heeft verdachte in de ochtend van 18 januari 2013 gezegd dat hij eten ging scoren en in de avond vertelde verdachte hem dat hij eten had gehaald. Hij had die boodschappen voor [getuige 1] gehaald. Hij wilde laten zien dat hij ook voor boodschappen kon zorgen. Verdachtes drugsdealer, [betrokkene 1], heeft verdachte in de loop van de middag op de pof drugs geleverd. Verdachte moest hem rond 18:00 uur die dag terugbetalen met beltegoed.

Verdachte heeft voordat hij [slachtoffer 2] om het leven bracht in diens woning beltegoed op kosten van [slachtoffer 2] opgewaardeerd. Daarnaast heeft verdachte een telefoon en de laptop van [slachtoffer 2] uit de woning meegenomen. Verder had verdachte niet alleen de levensmiddelen bij zich die [slachtoffer 2] die middag had gekocht, maar ook levensmiddelen waarvan het hof aanneemt dat die afkomstig waren uit de woning van [slachtoffer 2]. Verdachte heeft immers rond 17:00 uur tegen [getuige 1] gezegd dat hij allemaal boodschappen had, waaronder een rollade. Het hof acht eveneens aannemelijk, gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer 2] van plan was een rollade te gaan bereiden in combinatie met de uiterste houdbaarheidsdatum van de rollade, te weten 19 januari 2013, en de halfbevroren staat van de rollade, dat deze rollade uit de woning van [slachtoffer 2] afkomstig was. Het hof acht aan de hand van de bewijsmiddelen eveneens aannemelijk geworden dat ook andere levensmiddelen die verdachte bij zich had bij zijn aanhouding, zoals de aangebroken potjes specerijen, afkomstig zijn uit de woning van [slachtoffer 2]. Het hof stelt voorts, op basis van het tijdstip van voornoemd telefoongesprek (tussen 17:00 en 18:00 uur) met [getuige 1], vast dat verdachte nog vóórdat [slachtoffer 2] thuiskwam (naar schatting rond 18:30 uur) al de beschikking had over die goederen en dat hij zich die goederen al had toegeëigend. Dat diefstal het doel van verdachte was, blijkt ook uit het feit dat hij zijn beltegoed ten laste van de bankrekening van [slachtoffer 2] aan het opwaarderen was, terwijl hij even daarvoor drugs bij [betrokkene 1] op de pof had gekocht en die drugs voor het einde van die middag nog moest betalen met beltegoed. Daarnaast blijkt deze doelgerichtheid uit de hiervoor genoemde verklaringen van [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3]: er was ruzie geweest over het feit dat verdachte geen boodschappen deed en verdachte ging ook daadwerkelijk op pad om 'eten te scoren' om aan te tonen dat ook hij voor boodschappen kon zorgen.

Het hof gaat er verder vanuit dat [slachtoffer 2] rond 18:38 uur thuiskwam en dat hij verdachte in de woning heeft betrapt. Uit het strafdossier kan worden opgemaakt dat in de keuken een worsteling heeft plaatsgevonden tussen [slachtoffer 2] en verdachte. Zo was de magnetron verschoven en lag het kunstgebit van [slachtoffer 2] op de grond. [slachtoffer 2] is door verdachte meermalen - in ieder geval - op het hoofd en in het gezicht geslagen of gestompt. Verdachte heeft op enig moment [slachtoffer 2]' armen en enkels vastgebonden. Hij heeft een theedoek in [slachtoffer 2]' mond gestopt en een gedeelte van de theedoek om [slachtoffer 2]' hals geknoopt. Verdachte heeft een plastic zak om het hoofd van [slachtoffer 2] gedaan en een nylon koord om zijn hals geknoopt. Verdachte heeft [slachtoffer 2] vervolgens gewurgd dan wel geschopt of gestompt tegen de hals waardoor het tongbeen, het strottenhoofd en de bovenste ring van de luchtpijp van [slachtoffer 2] waren gebroken. [slachtoffer 2] is uiteindelijk door verstikking om het leven gekomen. Verdachte heeft aldus fors geweld jegens [slachtoffer 2] gebruikt. Hij heeft vervolgens het lichaam van [slachtoffer 2] in brand gestoken.

De aan verdachte toe te rekenen massale geweldsuitoefening is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer 2] dat het hof bewezen acht dat verdachte willens en wetens heeft gehandeld.

Met betrekking tot de vraag of de bewezenverklaarde doodslag onder de strafverzwarende omstandigheden heeft plaatsgevonden, als bedoeld in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht, overweegt het hof als volgt.

Zoals hierboven onder 1.5. beschreven bestaat de kern van deze strafbaarstelling uit een doodslag die in een onmiddellijk verband staat met een ander strafbaar feit, zowel in causaal opzicht als wat het tijdstip van het zich voordoen van de feiten betreft: het andere feit (ook wel aangeduid als oorsprongsfeit) moet de doodslag in zo’n mate vergezellen of van nabij volgen of daaraan voorafgaan dat het geacht kan worden er één geheel van uit te maken met als nadere beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling het (bijkomende) oogmerk van verdachte dat de doodslag is gericht op het voorbereiden, gemakkelijk maken van - of kort gezegd straffeloosheid verzekeren voor - dat andere (oorsprongs-)feit.

Verdachtes handelingen die middag met betrekking tot het beltegoed en de meegenomen laptop, een telefoon, etenswaren en boodschappen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm van meet af gaan gericht geweest op het opzettelijk en wederrechtelijk verkrijgen van die goederen. Verdachte heeft immers op kosten van [slachtoffer 2] zich beltegoed toegeëigend, etenswaren die bij [slachtoffer 2] thuis waren, de laptop en een telefoon, maar ook de boodschappen die [slachtoffer 2] in de namiddag had gedaan, meegenomen. Hij is in de middag naar de woning van [slachtoffer 2] gegaan en heeft zich daarin opgehouden terwijl [slachtoffer 2] zelf in cafés en winkels was en derhalve niet thuis was. Het hof kan aan het handelen van verdachte geen andere conclusie verbinden dan dat verdachte met het doden van [slachtoffer 2] - die na zijn laatste cafébezoek aan het begin van de avond in het bezit van de boodschappen moet zijn thuisgekomen - het voor strafbaarheid van gekwalificeerde doodslag benodigde oogmerk heeft gehad de diefstal gemakkelijk te maken dan wel zich van het bezit van voornoemde spullen te verzekeren. Het hof acht op grond van het handelen van verdachte zoals dat hiervoor is beschreven, de onder 1 subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2] dan ook wettig en overtuigend bewezen.”

9. De toelichting op het middel houdt in dat het oogmerk niet blijkt en ook niet besloten ligt in de bewijsmiddelen. Er volgen dan voorbeelden waarin de dood en de diefstal geen verband hebben met de verzuchting: “Er zijn talloze verklaringen denkbaar. Waar het om gaat is dat de strafbare feiten (diefstal en doodslag) in de tijd op elkaar volgen, maar dat daaruit niet een causaal verband mag worden afgeleid.” Ik begrijp de klacht zo dat wordt betwist dat uit de bewijsmiddelen blijkt van een causaal verband tussen de diefstal en de doodslag, zodat niet is bewezen dat met de doodslag werd beoogd de diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan die diefstal hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

10. Het hier toepasselijke art. 288 Sr luidt als volgt:

“Doodslag gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

11. “Als verzwarende omstandigheid van de doodslag, van dat gewicht dat zij het bepalen van de hoogste straf die het wetboek kent wettigt, wordt hier genoemd dat de doodslag in onmiddellijk verband staat met enig ander strafbaar feit, causaal zowel als wat het tijdstip van het bestaan betreft.”, aldus Machielse.1 De steller van het middel heeft gelijk dat van een gekwalificeerde doodslag als bedoeld in art. 288 Sr niet reeds sprake is bij een temporeel verband tussen de doodslag en het andere delict, maar dat een oorzakelijk verband vereist is. Uit de onder randnummer 8 geciteerde bewijsoverweging blijkt dat ook volgens het hof een causaal verband is vereist.

12. Doorgaans zal bij het ontbreken van een verklaring (van de verdachte) over de directe aanleiding van de doodslag die aanleiding slechts indirect afgeleid kunnen worden uit de bewijsmiddelen of anders gezegd: het causaal verband zal dan besloten dienen te liggen in de bewijsmiddelen. Blijkens de onder 8 geciteerde bewijsoverweging ligt dat verband volgens het hof besloten in de bewijsmiddelen. Immers het hof concludeert op grond daarvan: “Het hof kan aan het handelen van verdachte geen andere conclusie verbinden dan dat verdachte met het doden van [slachtoffer 2] - die na zijn laatste cafébezoek aan het begin van de avond in het bezit van de boodschappen moet zijn thuisgekomen - het voor strafbaarheid van gekwalificeerde doodslag benodigde oogmerk heeft gehad de diefstal gemakkelijk te maken dan wel zich van het bezit van voornoemde spullen te verzekeren.” Daaraan doet niet af dat het, zoals de steller van het middel doet, in abstracto wel mogelijk is verschillende alternatieve aanleidingen te noemen voor de doodslag, zoals een op zich staande geweldsexplosie van de kant van verdachte. Als dergelijke alternatieven in hoger beroep niet (uitdrukkelijk onderbouwd) naar voren worden gebracht, kan het hof daar in een geval als het onderhavige aan voorbijgaan. Mogelijk ligt het anders als zo’n alternatief zich overweldigend opdringt. In zo’n geval kan dan worden gezegd dat de bewezenverklaring niet begrijpelijk is. De stelling in cassatie dat niet kan worden uitgesloten dat dat de doodslag louter het gevolg is geweest van de (uit de hand gelopen) confrontatie is een stelling die niet voor het eerst in cassatie naar voren kan worden gebracht.

13. Het eerste middel faalt.

14. Het vierde middel, de doodslag op [slachtoffer 1], meer in het bijzonder de opzet op haar dood.

15. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet,

- met zijn handen de keel van die [slachtoffer 1] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 1] aangebracht en/of strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 1], waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en

- op het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt, en

- met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, in de hals/halsstreek en/of arm van die [slachtoffer 1] gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.”

16. Ten aanzien van het opzet heeft het hof het volgende overwogen:

“1.4. Opzet op de dood van [slachtoffer 1]

De verdediging heeft (subsidiair) aangevoerd dat verdachte geen opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad.

Het hof overweegt als volgt. Uit het sectierapport volgt dat [slachtoffer 1] om het leven is gebracht door omsnoerend, samendrukkend en/of comprimerend geweld op de hals. Dit kan zijn ontstaan door onder andere wurghandelingen en strangulatie maar ook stompen, slaan of schoppen op de hals kunnen volgens de deskundige worden overwogen. Door dit geweld zijn breuken ontstaan van het schildkraakbeen rechts, het tongbeen rechts en het linker bovenste hoorntje van het strottenhoofd. Daarnaast had [slachtoffer 1] steekverwondingen aan de hals. Het is mogelijk dat bloedverlies door deze steekverwondingen aan het overlijden heeft bijgedragen. [slachtoffer 1] had afweerletsel aan haar handen en vingers.

Het hof concludeert uit het voorgaande dat verdachte fors meersoortig en massaal geweld moet hebben uitgeoefend jegens [slachtoffer 1]. Niet alleen heeft hij [slachtoffer 1] gewurgd dan wel gestompt, geslagen of geschopt tegen de hals, maar haar ook met een scherp voorwerp in de hals gestoken. Deze aan verdachte toe te rekenen geweldsuitoefening is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer 1] dat het hof bewezen acht dat verdachte willens en wetens heeft gehandeld.”

17. Voor de beoordeling van de aanwezigheid van het bewijs van voorwaardelijk opzet citeer ik uit HR 29 mei 2028, ECLI:NL:HR:2028:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk:

“5.3.1. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de beschadiging van een hond - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

5.3.2.De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049.

In de conclusie van de Advocaat-Generaal wordt de vraag opgeworpen of nadere algemene aanknopingspunten kunnen worden gegeven om te bepalen onder welke omstandigheden sprake is van een aanmerkelijke kans als hiervoor bedoeld. Daaromtrent merkt de Hoge Raad het volgende op. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans".

De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.

5.3.3. In zijn arrest van 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.”

18. In de toelichting op het middel wordt ruim geciteerd uit hetgeen door de verdediging in feitelijke aanleg naar voren is gebracht. Voor zover hier van belang hield dat betoog in dat niet vast staat dat het gewelddadige gedrag zodanige krachtig (en intens) was dat het naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard. In de woorden van de steller van het middel:

“Uit deze pleidooi-aantekeningen komt ondubbelzinnig naar voren dat het overlijden van [slachtoffer 1] weliswaar is veroorzaakt door de inwerking van geweld, maar dat niet kan worden vastgesteld hoe fors dit geweld is geweest en wat precies de aard van het geweld is geweest. Geringe kracht zou al blauwe plekken, kneuzingen en bloeduitstortingen kunnen hebben veroorzaakt, en het letsel in de hals zou het gevolg kunnen zijn van bijvoorbeeld een (harde) duw of klap en / of een ongelukkige val. De steekverwondingen duiden eerder op een bedreiging dan op (een poging tot) doodslag. De ‘feiten’ duiden - anders gezegd - volgens de verdediging niet zonder meer op opzet op de dood. Er zou ook sprake kunnen zijn geweest van een uit de hand gelopen bedreiging die uiteindelijk is uitgemond in een duw en een val met fatale afloop. De verdediging heeft erop gewezen dat een dergelijk scenario niet kan worden uitgesloten en eerder duidt op schuld dan op opzet.”

19. Over de uiterlijke verschijningsvorm van het geweld heeft het hof op zijn minst twee vaststellingen gedaan die niet zijn betwist. Er is sprake van geweld tegen de hals en dat geweld was meersoortig. Geweld tegen de hals betekent dat het geweld van verdachte was gericht tegen een lichaamsdeel dat kwetsbaar is omdat het een cruciale functie heeft bij de ademhaling. De meersoortigheid van het geweld betekent dat er naast verwurging en/of strangulatie en/of stompen, slaan en schoppen sprake was van steken met een scherp voorwerp in de hals.

20. Bewijsmiddel 30 (Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut) uit de aanvulling op het arrest van het hof houdt onder meer in:

“Als gevolg van meermalen bij leven opgelopen scherprandige perforatie aan de hals waren er steekverwondingen met oppervlakkige perforatie van de weke delen van de hals met daarbij links gerelateerde perforatie van het schildkraakbeen. De steekverwondingen zijn het gevolg van steken met een scherp voorwerp en passen bij steken met een of meer messen.”

21. Er is meermalen gestoken met als gevolg onder meer een perforatie van het schildkraakbeen, een onderdeel van het strottenhoofd. Het voorste deel daarvan is de adamsappel.2 Door het steken is bij uitstek het meest kwetsbare deel van de hals geraakt met als gevolg een perforatie van het schildkraakbeen. Alleen al op grond van dat steken kon het hof mijns inziens oordelen dat dit gelet op de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Het is mogelijk dat bloedverlies door deze steekverwondingen aan het overlijden heeft bijgedragen, aldus het hof. Aan het bewijs van het opzet doet uiteraard niet af dat het steken niet al volledig zelfstandig tot de dood heeft geleid.

22. Als in de toelichting op het middel wordt gesteld dat niet is uitgesloten dat het andere (niet-steken) geweld slechts met geringe kracht is toegebracht, staat dat nog niet in de weg aan de kwalificatie van het geweld door het hof als fors geweld. Het is immers niet onbegrijpelijk dat al het gebruik van een scherp voorwerp om in de hals en in het bijzonder het strottenhoofd raak te steken met perforatie van het schildkraakbeen door het hof wordt aangemerkt als fors geweld. Daar komt het andere geweld (met geringe kracht of meer dan dat) nog bovenop.

23. Ik zie gelet op het voorgaande anders dan de steller van het middel niet in dat het hof is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting en evenmin dat de motivering van de bewezenverklaring van het opzet ontoereikend of onbegrijpelijk is. Het vierde middel heeft geen kans van slagen.

24. Het tweede middel klaagt erover dat het hof heeft geoordeeld dat de onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde doodslag volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

25. Het hof heeft naar aanleiding van de rapportages en de verklaringen van deskundigen ten aanzien van de persoonlijkheid en de toerekening het volgende overwogen:

“De vraag is of verdachte ten tijde van het plegen van de doodslag in de vroege ochtend van 18 januari 2013 en de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2] in de vroege avonduren van diezelfde dag al dan niet volledig of gedeeltelijk toerekeningsvatbaar was.

Deskundigen Kaiser en Breuker vinden in de aard van de stoornis aanleiding te concluderen dat de stoornis verdachte niet heeft belemmerd zelf keuzes te maken.

Het hof stelt voor de beantwoording van die vraag allereerst vast dat, aldus de conclusies van Kaiser en Breuker, verdachte behept is met de bovenomschreven stoornis. Deskundige Kaiser heeft ter zitting van het hof aangegeven dat zij het wenselijk achtte, ervan uitgaande dat verdachte de feiten zou hebben gepleegd, met verdachte te spreken over hetgeen er concreet in hem is omgegaan ten tijde van het plegen van de feiten, mede gezien de wijze waarop de slachtoffers zijn omgebracht zoals is gebleken bij het aantreffen van de lichamen en het onderzoek op de lichamen. Dit gesprek met verdachte heeft vanwege de ontkenning van verdachte niet kunnen plaatsvinden. Concrete conclusies na onderzoek van verdachte met betrekking tot de feiten hebben de deskundigen daarom niet kunnen trekken.

Het is in die gegeven omstandigheden aan het hof een oordeel te geven over de vraag in hoeverre de feiten verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof acht bewezen dat verdachte op 18 januari 2013 op verschillende momenten twee mensen heeft omgebracht waarbij ten tijde van de tweede doodslag financieel gewin een rol heeft gespeeld. Het hof acht aannemelijk dat dit financiële gewin direct samenhing met de bekostiging van de verslaving van verdachte. Niet in discussie is immers dat verdachte in de periode voorafgaand aan de delicten (jarenlang) verslaafd was aan harddrugs en ook op 18 januari 2013 fors drugs had gebruikt en nadien weer had gekocht. Uit de verklaringen van getuigen die verdachte in die periode meemaakten volgt dat sprake was van excessief drugsgebruik. Getuige [getuige 1], zijn toenmalige partner, vertelt dat verdachte van cocaïnegebruik paranoia werd. Uit de verklaringen van getuigen volgt tevens dat op 18 januari 2013 bij verdachte sprake was van een urgente huisvestingsproblematiek. Uit de verklaring van onder meer [getuige 1] volgt voorts dat verdachte zich rondom het tijdstip van het doden van [slachtoffer 2] bezig was met het zich verzekeren van etenswaren. De politie trof verdachte in de avond van 18 januari 2013 bij zijn aanhouding in opgewonden staat aan voor de niet meer voor verdachte toegankelijke woning van getuige [getuige 2]. Ten tijde van die aanhouding had verdachte een aantal plastic tassen bij zich met boodschappen, waaronder levensmiddelen.

Het hof stelt vast dat bij de doodslag op beide slachtoffers sprake is geweest van meerdere geweldshandelingen. Ten aanzien van de doodslag op [slachtoffer 1] kan het hof bij gebrek aan informatie in het dossier en van verdachte geen aanleiding voor de doodslag vaststellen. Met name op [slachtoffer 2] is veel en excessief geweld toegepast. Het hof gaat ervan uit dat eigen financieel gewin, het zich toe-eigenen van beltegoed en andere goederen waaronder etenswaren, van [slachtoffer 2], voorop heeft gestaan ten tijde van het toebrengen van dat geweld en het doden van [slachtoffer 2]. Aannemelijk is dat de bekostiging van de verslaving van verdachte daarin leidend geweest, naast het demonstreren aan zijn huisgenoten dat hij echt wel voor de kost kon zorgen. Dit vooropstellen van eigen financieel gewin ten koste van een ander acht het hof passen in de kenmerken van de stoornis zoals de deskundigen die bij verdachte hebben vastgesteld en daarover uitleg hebben gegeven.

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de doodslag op [slachtoffer 2] direct samenhangt met bekostiging van de verslaving van verdachte. Het hof acht het aannemelijk dat de ernstige antisociale persoonlijkheidsstoornis waarmee verdachte ten tijde van het plegen van het feit behept was, heeft doorgewerkt in de keuzes die verdachte heeft gemaakt in de wijze van bekostiging van die verslaving en samenhangende huisvestings- en overlevingsproblematiek. Ten tijde van het plegen van de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2] heeft de ernstige antisociale persoonlijkheidsproblematiek en psychopathie in die zin een rol gespeeld. Het hof acht aannemelijk dat gelet op de aard en kenmerken van die vastgestelde stoornis en de omstandigheden waaronder [slachtoffer 2] is omgebracht, dit feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het voorgaande leidt tot de conclusie - nu het hof van oordeel is dat er aanleiding bestaat verdachte de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2] slechts in verminderde mate toe te rekenen - dat sprake is van een strafbare dader, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.”

26. De volledige toerekening van feit 2 aan verdachte is volgens de toelichting op het middel onbegrijpelijk, “in aanmerking genomen dat het om dezelfde verdachte gaat die op dezelfde dag twee levensdelicten zou hebben begaan, waarbij de slachtoffers op een vergelijkbare (gewelddadige) wijze om het leven zouden zijn gebracht.” De toelichting volstaat verder met de constatering dat het oordeel van het hof onevenwichtig is en vragen oproept: “waarom kan alleen feit 1 in verminderde mate aan verzoeker worden toegerekend? waarom kan feit 2 wel volledig aan hem worden toegerekend? welke straf zou passend zijn geweest als beide levensdelicten slechts in verminderde mate aan verzoeker zouden zijn toegerekend?”.

27. Ik stel – naar ik aanneem met de steller van het middel – voorop dat er geen rechtsregel is die voorschrijft dat de mate van toerekening bij twee op dezelfde dag gepleegde soortgelijke delicten dezelfde moet zijn. Het hof heeft op dit punt inderdaad een verschil gemaakt tussen beide levensdelicten. Toerekenen is het vaststellen van het causale verband tussen een geconstateerde stoornis en het gepleegde feit. Het verschil in toerekenen vindt niet zijn verklaring in de geconstateerde stoornis, maar in de betekenis van de stoornis voor het delict. Die delicten verschillen hier: doodslag en gekwalificeerde doodslag. Bij de gekwalificeerde doodslag heeft het hof de bekostiging van de verslaving en de daarmee samenhangende huisvestings- en overlevingsproblematiek in aanmerking genomen. Dat is niet onbegrijpelijk. Uit niets blijkt namelijk dat de bekostiging van de verslaving ook bij het tweede feit een rol heeft gespeeld. Nu de steller van het middel aan het verschil geen woord wijdt, meen ik hiermee te kunnen volstaan. Het oordeel van het hof dat het tweede feit verdachte volledig kan worden toegerekend is niet onbegrijpelijk en het tweede middel faalt.

28. Het derde middel houdt in: “De straftoemeting is onbegrijpelijk. De combinatie van een zeer lange gevangenisstraf (voor de duur van 24 jaren) en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, bevat een tegenstrijdigheid die de sanctieoplegging uit balans haalt. Wanneer de rechter van oordeel is dat iemand vanwege de ernst van de feiten zwaar gestraft moet worden, dan legt hij een forse gevangenisstraf op. Wanneer de rechter van oordeel is dat iemand weliswaar ernstige feiten heeft begaan, maar die feiten hem of haar als gevolg van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis niet volledig kunnen worden toegerekend en hij of zij in verband daarmee behandeld moet worden, dan wordt de nadruk bij de sanctiebepaling op die behandeling gelegd.”

29. Het hof heeft de oplegging van de gevangenisstraf, voor zover hier van belang, en de maatregel als volgt gemotiveerd:

“Verdachte heeft op 18 januari 2013 opzettelijk twee personen op gruwelijke en gewelddadige wijze in hun eigen woning van het leven beroofd. Eerst heeft hij, in de vroege ochtend van die dag, [slachtoffer 1] om het leven gebracht. De redenen waarom zij het leven moest laten zijn, ook in de fase van hoger beroep, niet duidelijk geworden. Verdachte heeft [slachtoffer 1] gewurgd dan wel gestompt, geslagen of geschopt tegen de hals en haar met een scherp voorwerp in de hals gestoken, waardoor zij is komen te overlijden. Op dezelfde dag, in de avond, heeft verdachte [slachtoffer 2] om het leven gebracht. Verdachte heeft dit - zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen - gedaan met het oogmerk om diefstal van beltegoed, een laptop, een telefoon en etenswaren te kunnen plegen. Verdachte heeft daarmee ten koste van het leven van een ander, enkel aan zijn eigen belang gedacht. De wijze waarop [slachtoffer 2] om het leven is gebracht valt nauwelijks met een pen te beschrijven. Verdachte heeft afgrijzen oproepende vormen van geweld op [slachtoffer 2] toegepast, die uiteindelijk door verstikking om het leven is gekomen. Alsof dat nog niet genoeg was, heeft verdachte het lichaam van [slachtoffer 2] in brand gestoken. Verdachte is in zijn handelen nietsontziend en meedogenloos geweest.

Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2], ten tijde van hun overlijden 66 en 71 jaren oud, waren weerloze slachtoffers. Aannemelijk is dat zij in hun laatste momenten veel pijn hebben gehad en doodsangsten hebben moeten uitstaan. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten onderdak aan verdachte geboden. Dat verdachte juist de personen die hem probeerden te helpen om het leven heeft gebracht, rekent het hof hem aan. Aan de nabestaanden heeft verdachte een groot en onherstelbaar leed toegebracht. Het feit dat de precieze omstandigheden rondom de dood van hun familielid nooit duidelijk zullen worden, maakt dat hen extra pijn toegebracht wordt en dat het nog moeilijker zal zijn om hun dood te verwerken.

Daarnaast houdt het hof er rekening mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Getoond besef van verantwoordelijkheid kan onder omstandigheden voor de rechter aanleiding zijn tot enige mildheid omdat strafvervolging mede ten doel heeft verdachte tot inkeer te brengen. In het geval van verdachte is dat doel (nog) niet bereikt. Voor clementie bestaat vooralsnog dan ook geen reden.

Het opzettelijk doden van een ander mens is de meest ernstige onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, namelijk het recht op leven. Door zijn handelen heeft de verdachte aan zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] dat recht en daarmee hun meest wezenlijke bezit ontnomen. Een levensdelict brengt naast de grote gevolgen voor de nabestaanden, ook een schok teweeg in de maatschappij en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid. Een andere strafmodaliteit dan een langdurige gevangenisstraf is gelet op de aard en ernst van deze delicten niet aan de orde.

Verdachte heeft zich daarnaast, hoewel in het niet vallend bij voornoemde feiten, op 31 maart 2012 samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan diefstal van een fiets. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander.

Het hof heeft bij de straftoemeting in verdachtes nadeel in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 8 januari 2019, veelvuldig eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens strafbare feiten, onder meer meerdere malen ter zake van vermogensdelicten (al dan niet met een geweldscomponent), het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en brandstichting.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, waaronder met name de vastgestelde stoornissen van de verdachte en de omstandigheid dat het gerechtshof verdachte het onder 1 bewezenverklaarde feit verminderd toerekent.

Het hof komt ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf leidt dit tot een verhoging ten opzichte van de straf die de rechtbank heeft opgelegd. Gekwalificeerde doodslag behoort tot de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Evenals bij moord heeft de wetgever dit delict met de zwaarst mogelijke straf bedreigd; levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren.

Op grond van het bovenstaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. Het gerechtshof zal die straf, een gevangenisstraf van 24 jaren, opleggen uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding.

Redelijke termijn

(…)

De maatregel van terbeschikkingstelling

Daarnaast dient de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging te worden opgelegd. Het hof grondt deze beslissing op het volgende.

Het hof stelt voorop dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte op grond van de artikelen 37, tweede en derde lid, 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging kunnen worden opgelegd:

- bij de verdachte dient ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

het betreffende feit dient een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht) vermeld;

de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dient het opleggen van de maatregel te eisen;

- een dergelijke maatregel kan enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.

Het hof is van oordeel dat aan de hierboven genoemde voorwaarden voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging is voldaan. Het gerechtshof baseert dit oordeel mede op de beide hierboven genoemde rapporten van psychiater Kaiser en psycholoog Breuker.

Zoals hiervoor al is vastgesteld is bij verdachte sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en is er tevens sprake van psychopathie. Deze stoornissen bestonden ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.

Ook is in deze zaak sprake van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

Met betrekking tot de kans op herhaling heeft Kaiser in 2016 gerapporteerd dat zij geen inschatting kan maken van de kans op recidive omdat verdachte de tenlastegelegde feiten ontkent, maar gezien zijn psychopathie wordt de kans dat hij weer in omstandigheden komt met criminele mensen met geweldpleging als hoog ingeschat. Verdachte heeft goede voornemens maar er zijn geen beschermende factoren. Hij toont geen empathie met de slachtoffers van de delicten in het verleden. Verdachte heeft wel enig besef van de aard van zijn psychopathologie maar heeft geen inzicht in de reikwijdte en risico’s daarvan. Verdachtes psychopathie zal, naar inschatting van Kaiser, maken dat hij materiële belangen voor zal laten gaan boven de belangen van anderen. Kaiser geeft in haar rapport verder aan dat verdachte niet gemotiveerd is voor een intensieve inzichtgevende behandeling of schematherapie gericht op verandering van zijn persoonlijkheid. Het is de verwachting van de deskundige dat de kans klein is dat verdachte leert van een behandeling. Ter zitting van het hof op 6 februari 2019 heeft Kaiser op vragen van het hof geantwoord dat verdachte de afgelopen tijd enige verbetering heeft laten zien, waardoor je zou kunnen zeggen dat er nu wel een ingang is voor behandeling. Ook heeft zij ter zitting aangegeven dat agressie bij het tenlastegelegde een rol lijkt te hebben gespeeld, die zou kunnen samenhangen met de antisociale persoonlijkheidsstoornis van verdachte.

Breuker heeft in 2016 gerapporteerd dat bij verdachte meerdere klinische risicofactoren worden gevonden die samenhangen met de antisociale persoonlijkheidsstoornis waaronder een beperkt inlevingsvermogen, vervaagd normbesef, egocentrisme en een beperkte lijdensdruk en probleembesef. Er zijn instabiele levensomstandigheden op het gebied van wonen, werk en relaties. Verdachte is verbonden met een drugsnetwerk waarvan hij geen afstand lijkt te willen nemen. Hij verdient zijn levensonderhoud met de drugshandel. Hij ervaart weinig lijdensdruk en heeft niet de intentie om iets aan zijn levensstijl te willen veranderen. Er is daardoor ook weinig behandelpotentieel. De risicofactoren kunnen elkaar versterken. Er zijn daarnaast te weinig beschermende factoren, waardoor de kans op recidive groot is, aldus Breuker.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van voormelde psychologische en psychiatrische rapportages, de vastgestelde stoornissen en de doorwerking daarvan, de bijzondere ernst van de begane feiten en de eerdere vele veroordelingen van verdachte sinds zijn jeugd, ook voor geweldsmisdrijven, dat sprake is van zodanig recidivegevaar dat de bescherming van de samenleving de oplegging van de maatregel eist, in die zin dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging eist.

Naar het oordeel van het hof is het gelet op het ontbrekende inzicht in zijn gebrekkige ontwikkeling bij verdachte geen ander kader denkbaar waarbinnen een behandeling ven verdachte voldoende geborgd is dan een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht stelt het hof vast dat de bewezenverklaarde delicten gekwalificeerde doodslag en doodslag misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.”

30. In de toelichting wordt het hof verweten geen duidelijk keuze te hebben gemaakt tussen behandelen en straffen. Voorts worden parlementaire stukken3 aangehaald waarin (niet door de wetgever overgenomen) voorstellen uit het Rapport Sancties op Maat worden besproken. De slotsom is dat de beslissing van het hof om de tbs te combineren met gevangenisstraf hoe dan ook onbegrijpelijk is.

31. Nu de sanctiebeslissingen van het hof niet in strijd zijn met de wettelijke straftoemetingsregels (dat wordt overigens ook niet gesteld) en die beslissingen bovendien zijn voorzien van een uitvoerige motivering, terwijl evenmin in cassatie een beroep op een in feitelijke aanleg ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt gedaan, zou ik kunnen volstaan met de vaststelling dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de sanctie en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht.4 Als daaraan dan nog wordt toegevoegd dat volgens de rechtspraak “de mate van schuld niet de enige factor is die de rechter in acht behoort te nemen, doch dat hij ook rekening kan houden met andere omstandigheden van feitelijke aard zoals de schok die een ernstig misdrijf in de rechtsorde heeft teweeg gebracht en de generaal en speciaal preventieve werking welke van een straf uitgaat”5, blijft er in cassatie niet veel van het middel over. Omdat de gedachte dat een lange tijdelijke gevangenisstraf kan schuren met oplegging van tbs met verpleging mij aanspreekt6, sta ik kort bij de problematiek stil.

32. Anders dan de tbs met verpleging kent de tbs met voorwaarden een bijzondere wettelijke beperking van het maximum bij het opleggen van vrijheidsstraf. Het derde lid van art. 38 Sr luidt immers: “Indien bij de uitspraak tevens een vrijheidsstraf wordt opgelegd, kan deze in het in het eerste lid van dit artikel bedoelde geval ten hoogste op vijf jaar worden bepaald.” Aanvankelijk was het maximum van de opgelegde vrijheidsstraf drie jaar, maar de wetgever verruimde de ruimte om te combineren verder per 1 oktober 2010.7

33. Er zijn bovendien nadere regels over de tenuitvoerlegging van een combinatie van gevangenisstraf en tbs. De artikelen 1.4 en 1.5 van de Regeling USB8 bevatten voorschriften over de executievolgorde van vrijheidsbenemende en vrijheidsbeperkende sancties. Vrijheidsbenemende sancties gaan voor vrijheidsbeperkende sancties en bij de vrijheidsbenemende sancties is de tbs met verpleging het sluitstuk. Daarop kan zowel de met tenuitvoerlegging belaste autoriteit als de rechter een uitzondering maken. Daarvoor kan aanleiding bestaan in geval spoedige aanvang van de behandeling noodzakelijk is. De minister kan de gevangenisstraf ten uitvoer leggen in een justitiële instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden (art. 6.2.8 en 6.2.9 Sv). De rechter kan in zijn vonnis adviseren over het tijdstip van de aanvang van de terbeschikkingstelling met verpleging (art. 37b, tweede lid, Sr). Bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf neemt de minister dat advies in aanmerking, maar hij is er niet aan gebonden (art. 15, vierde lid, Pbw). Indien een ter beschikking gestelde zijn vrijheidsstraf ondergaat in een instelling voor ter beschikking gestelden, loopt zowel de termijn van de terbeschikkingstelling als die van de vrijheidsstraf (art. 6.1.19, tweede lid onder a, Sv).

34. Naar de stand van het geldende recht kan dus niet worden volgehouden dat de cassatierechter oplegging van een lange gevangenisstraf in combinatie met een tbs met verpleging moet aanmerken als in strijd met de wet (er bestaat immers geen wettelijk combinatieverbod) of – in de woorden van de steller van het middel – onbegrijpelijk (de regels van de tenuitvoerlegging bieden immers mogelijkheden de tbs met verpleging en daarmee de behandeling al tijdens de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf een aanvang te doen nemen).

35. Iets anders is de in de praktijk nogal schrale toepassing van de regels over de voorrang van de tenuitvoerlegging van de tbs met verpleging in de executiefase. Dat zou de rechter ertoe kunnen brengen terughoudend te zijn met zeer lange gevangenisstraffen dan wel gebruik te maken van de bevoegdheid van art. 37b, tweede lid, Sr. Van de verdediging in feitelijke aanleg kan in daarvoor in aanmerking komende gevallen worden verwacht dat met argumenten geschraagd het standpunt wordt ingenomen dat art. 37b, tweede lid, Sr toepassing verdient. Dat kan bij afwijzing door de rechter een handvat bieden voor een kansrijke klacht in de cassatiefase.

36. Tenslotte merk ik nog op dat de oplegging van gevangenisstraf in combinatie met tbs met verpleging, anders dan de steller van het middel opmerkt, niet zonder meer betekent dat de rechter de keuze tussen straffen en behandelen mijdt. De tbs is namelijk nu eenmaal primair een beveiligingsmaatregel. De veiligheid van de samenleving is uiteraard gediend met succesvolle behandeling van de terbeschikkinggestelde, maar als daarvoor bij de betrokkene draagvlak ontbreekt of er geen adequate therapie beschikbaar is, treedt de kale beveiliging op de voorgrond. Daar komt nog het volgende bij. Uit onderzoek komt naar voren dat er sprake is van een dalende tendens wat betreft recidive na tbs.9 Dat vormt een indicatie voor de effectiviteit van de maatregel. In welke mate dit succes is toe te schrijven de behandeling, aan de beveiliging dan wel aan een combinatie van beide, is moeilijk te bepalen.

37. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

38. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. Ik wijs erop dat op 8 juli 2020 zestien maanden zullen verstrijken na het instellen van het cassatieberoep.

39. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J. Machielse, aantek. 1 bij art. 288 Sr (Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, bijgewerkt tot 1 maart 2006).

2 Zie de internetsite mens-en-gezondheid.info.nu (geraadpleegd 19 mei 2020).

3 In het bijzonder wordt een beroep gedaan op de Memorie van toelichting bij de wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering omtrent de terbeschikkingstelling en de sanctietoepassing ten aanzien van geestelijk gestoorde delinquenten (Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-’95, 24 256, nr. 3).

4 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer Deventer 2018, p. 264.

5 HR 15 juli 1985, NJ 1986/184. Zie ook de veelbesproken ‘Zwarte Ruiter’-zaak, waarin de vraag aan de orde was of er wel ruimte was voor vrijheidsstraf van lange duur naast de maatregel in verband met de ‘resterende’ mate van schuld. HR 10 september 1957, NJ 1958/5, m.nt. Pompe en AA 1957-1958, p. 216, m.nt. Van Eck.

6 Zie Y. van Kuijck, Dubieuze combinatievonnissen, in: J.P. Balkema (e.a.), Praktisch en veelzijdig, Deventer; Wolters Kluwer 2019, p. 271-282.

7 Wet van 18 juli 2009, Stb. 2009, 317.

8 Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stcrt. 2019, 69780.

9 K. Drieschner, J. Hill en G. Weijters, Recidive na uitstroom tbs, ISD en overige forensische zorg, WODC Cahier 2018-22.