Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:515

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-06-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
18/05504
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1201
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. 1. Strafmotivering a.b.i. art. 359.6 Sv. 2. Schending art. 14b.2 Sr door de proeftijd op vijf jaren te bepalen? 3. Falende klacht redelijke termijnoverschrijding. De AG adviseert de Hoge Raad het beroep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05504

Zitting 2 juni 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 12 december 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens feit 1 “mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd”, feit 2 “als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 9, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod, gegeven huisverbod” en feit 3 “opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 110 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren, en tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De middelen keren zich alle drie tegen de motivering van de strafoplegging.

  4. De strafmotivering van het hof luidt als volgt:

    “Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

    Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

    De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stelselmatige mishandeling van zijn twee minderjarige zoons, onder meer door ze met een riem, met de hand, met zijn vuist en met slippers te slaan. Beide kinderen hebben hierdoor letsel ondervonden. Ook heeft de verdachte zijn destijds twee-jarige zoontje [slachtoffer] op de grond gegooid, als gevolg waarvan [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond is gevallen en een hersenschudding heeft opgelopen. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn zoons. Bovendien geschiedde dit juist op de plek waar een ieder, en zeker een minderjarig kind, zich veilig moet kunnen voelen, namelijk thuis. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat kinderen die het slachtoffer worden van stelselmatige kindermishandeling, hun hele leven de gevolgen daarvan ondervinden. Daarnaast heeft de verdachte een huisverbod en een gedragsaanwijzing, beiden met juist de strekking om de verdachte enige tijd uit de buurt te houden van zijn kinderen, overtreden.

    Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 november 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

    Het hof heeft voorts acht geslagen op een advies van Reclassering Nederland van 30 november 2017.

    Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

    Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de proeftijd dient te worden bepaald op vijf jaren, aangezien de kans dat de verdachte zich opnieuw aan soortgelijke misdrijven zal schuldig maken nog niet geweken is en het geduld en de zelfbeheersing van de verdachte - zeker in de pubertijd van de kinderen - naar aannemelijk is nog danig op de proef zullen worden gesteld.

  5. Het eerste middel klaagt dat het hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd door in strijd met art. 359, zesde lid, Sv niet in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de keuze voor de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

  6. Art. 359, zesde lid eerste volzin, Sv luidt:

    “Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid.”

  7. Vooropgesteld dient te worden dat de feitenrechter vrij is in het bepalen van een straf en in de waardering van de factoren die hij daarbij van belang acht. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd dat niet de juiste straf is opgelegd en evenmin dat de straf niet beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.[1] Wat in dit verband in cassatie wordt getoetst, is of sprake is van een niet onbegrijpelijke en toereikende motivering als bedoeld in art. 359 Sv.

8. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het vereiste van art. 359, zesde lid eerste volzin, Sv, welke bepaling ingevolge art. 315 Sv eveneens in hoger beroep van toepassing is, aldus ingevuld “dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo’n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen”.2 Aan dit vereiste is niet voldaan als de rechter in zijn strafmotivering slechts verwijst naar een “na te melden straf” of naar “de volgende straf” die hij passend en geboden acht.3 Daarmee wordt immers in de strafmotivering niet expliciet tot uitdrukking gebracht dat de opgelegde straf onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

9. Voor zover het middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof met zijn oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf een passende en geboden reactie vormt onvoldoende expliciet heeft benoemd dat de op te leggen straf een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, stuit het af op HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2852.4

10. Voor zover de toelichting op het middel klaagt dat de motivering van de opgelegde gevangenisstraf tekortschiet in het licht van de in hoger beroep door de advocaat-generaal gevorderde straf en hetgeen door de raadsman aldaar is aangevoerd, faalt het eveneens. Ook als ter terechtzitting een strafmaatverweer is gevoerd, leidt een zuinige motivering van de verwerping van zo een verweer niet snel tot vernietiging van de bestreden beslissing vanwege een motiveringsgebrek.5 Het weinige dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep aldaar door de verdediging is aangevoerd,6 noopte het hof niet tot een nadere motivering. De omstandigheid dat de advocaat-generaal een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden vorderde, maakt het andersluidend oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

11. Het eerste middel faalt.

12. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof art. 14b, tweede lid, Sr heeft geschonden doordat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de proeftijd op vijf jaren heeft bepaald.

13. Art. 14b, tweede lid, Sr luidt:

“De proeftijd bedraagt ten hoogste drie jaren. De proeftijd kan ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

14. Zoals reeds uit randnummer 4 blijkt, heeft het hof ten aanzien van de proeftijd overwogen:

“Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de proeftijd dient te worden bepaald op vijf jaren, aangezien de kans dat de verdachte zich opnieuw aan soortgelijke misdrijven zal schuldig maken nog niet geweken is en het geduld en de zelfbeheersing van de verdachte - zeker in de pubertijd van de kinderen - naar aannemelijk is nog danig op de proef zullen worden gesteld.”

15. Voor de toepassing van art. 14b, tweede lid tweede volzin, Sv en dus voor afwijking van de hoofdregel die een proeftijd voorschrijft van maximaal drie jaren, heeft mijn ambtgenoot Vegter in zijn conclusie voor HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:894 gewezen op twee voorwaarden die in dit verband gelden. Vereist is (i) dat het voorliggende delict – gelet op het bijwoord “wederom” – een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en (ii) er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw zo een geweldsmisdrijf zal begaan (het gevaar voor recidive).

16. Het hof heeft ten aanzien van de te bepalen proeftijd overwogen dat “de kans dat de verdachte zich opnieuw aan soortgelijke misdrijven zal schuldig maken nog niet geweken is en het geduld en de zelfbeheersing van de verdachte – zeker in de pubertijd van de kinderen – naar aannemelijk is nog danig op de proef zullen worden gesteld”. Het hof heeft met deze motivering niet geheel in de bewoordingen van art. 14b, tweede lid, Sr geoordeeld dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

17. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Tot adstructie haal ik het arrest van HR 14 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:910, NJ 2015/235, m.nt. Vellinga-Schootstra aan. Dat arrest had betrekking op de motivering van het hof betreffende de dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden als bedoeld in art. 14e, eerste lid, Sr. Deze motivering hield evenmin expliciet in hetgeen dat eerste lid bepaalt, te weten “dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”. De Hoge Raad overwoog: “De strafmotivering van het Hof houdt [...] in dat de verdachte samen met anderen tijdens de nieuwjaarsnacht vuurwerk heeft afgestoken en/of gegooid in de richting van twee wijkagenten, die zich zeer onveilig en bedreigd hebben gevoeld en vreesden dat zij door het vuurwerk dat in hun richting werd geschoten/gegooid, gewond zouden raken en dat het handelen van de verdachte en zijn mededaders ook bij omstanders gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt, en de verdachte aldus ervan blijk heeft gegeven niet op de daartoe geëigende manier met vuurwerk om te kunnen gaan. Daarin ligt besloten dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte “wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”, zoals bedoeld in art. 14e, eerste lid, Sr zodat het Hof de beslissing in dit opzicht toereikend heeft gemotiveerd.”

18. In de onderhavige zaak houdt de strafmotivering van het hof in (i) dat de verdachte zijn twee minderjarige zoons stelselmatig – blijkens de bewezenverklaring in de periode van 1 juni 2010 tot 7 juli 2014 en 24 juli tot 1 juli 2017 – met (onder meer) een riem, de hand, zijn vuist en slippers heeft mishandeld waardoor zij letsel hebben ondervonden, (ii) dat de verdachte met zijn handelen op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn zoons, (iii) dat dit bovendien gebeurde op een plek waar zeker een minderjarig kind zich veilig moet voelen, namelijk thuis, (iv) dat het een feit van algemene bekendheid is dat kinderen die het slachtoffer worden van stelselmatige kindermishandeling, hun hele leven de gevolgen daarvan ondervinden en (v) dat de verdachte een huisverbod en een gedragsaanwijzing – beide met juist de strekking om de verdachte enige tijd uit de buurt van zijn kinderen te houden – heeft overtreden. Voorts heeft het hof ten aanzien van het stellen van de proeftijd op vijf jaren overwogen dat de kans dat de verdachte zich opnieuw aan soortgelijke misdrijven – te weten geweldsmisdrijven zoals bedoeld in art. 14b, tweede lid, Sr – zal schuldig maken nog niet is geweken en het aannemelijk is dat het geduld en de zelfbeheersing van de verdachte, zeker in de pubertijd van de kinderen, nog danig op de proef zullen worden gesteld. In dit een en ander ligt besloten dat het hof met zijn formulering tot uitdrukking heeft willen brengen dat “er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen” als bedoeld in art. 14b, tweede lid, Sr. Het hof heeft de bestreden beslissing inzake de proeftijd derhalve toereikend gemotiveerd.

19. Het tweede middel faalt.

20. Het derde middel klaagt dat het hof bij het bepalen van de strafmaat geen rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten in de periode van 1 juni 2010 tot en met 7 juli 2014 en (deels) in de periode van 24 juli 2014 tot en met 1 juli 2017.

21. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2018 blijkt niet dat namens de verdachte verweer is gevoerd omtrent de schending van de redelijke termijn. De steller van het middel miskent aldus dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak, wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd.7

22. Het derde middel faalt eveneens.

23. Alle middelen falen en lenen zich voor afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in Strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 264-265.

2 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437.

3 Zie HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2491 en HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2495.

4 In dat arrest oordeelde de Hoge Raad met betrekking tot een nagenoeg gelijkluidende overweging dat het hof daarmee uitdrukkelijk had doen blijken dat alleen een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf te dier zake passend en geboden was en het aldus in overeenstemming met art. 359, zesde lid, Sv in het bijzonder de redenen had opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hadden bepaald. Zie voorts HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1289 en HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2480 (beide afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering).

5 Vgl. Van Dorst, a.w., p. 268. Voorts wijs ik nog op de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens vóór HR 20 november 2018: “Pogingen van mijn ambtgenoten Bleichrodt en Harteveld om de eisen die de Hoge Raad aan de strafmotivering stelt verder aangescherpt te krijgen, waarmee de rechter gedwongen zou worden beter te responderen op verweren aangaande de strafoplegging, faalden in 2015.”

6 Te weten: “Indien het hof komt tot een bewezenverklaring, verzoek ik het hof om - gelet op het feit dat het nu kennelijk erg goed gaat met cliënt - een lagere taakstraf en een kortere proeftijd aan cliënt op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.”

7 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 (rov. 3.9), NJ 2008/358, m.nt. Mevis. Zie ook HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309 (rov. 3.9), NJ 2000/721, m.nt. De Hullu.