Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:513

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-05-2020
Datum publicatie
26-05-2020
Zaaknummer
19/01744
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1214
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Taakstrafverbod, art. 22b lid 2 Sr. Hof heeft verdachte veroordeeld voor schuldheling (art. 417bis Sr) en het taakstrafverbod van toepassing geacht vanwege een eerder opgelegde taakstraf wegens een soortgelijk misdrijf, namelijk diefstal (art. 310 Sr). Het middel stelt de vraag aan de orde of art. 417bis Sr als een soortgelijk misdrijf aan art. 310 Sr kan worden aangemerkt, omdat art. 417bis Sr niet is opgenomen in de opsomming van soortgelijke misdrijven van art. 43b onder 1 Sr. De AG concludeert dat deze opsomming niet limitatief is, dat het hof een juiste toepassing heeft gegeven aan art. 22b Sr en adviseert de HR het beroep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01744

Zitting 26 mei 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 5 april 2019 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 27 juni 2017, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens “schuldheling”, bevestigd, behalve wat betreft de opgelegde straf. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, waarvan een week voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest.

Het cassatieberoep is ingesteld namens verdachte en mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het taakstrafverbod van art. 22b Sr van toepassing heeft geacht. De straf is volgens de steller van het middel daarom onvoldoende gemotiveerd.

Ten aanzien van de strafoplegging is door het hof het volgende overwogen:

“Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 1.200,00, te vervangen door 22 dagen hechtenis indien deze geldboete niet wordt voldaan.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft verzocht om een taakstraf op te leggen, eventueel met een lage voorwaardelijke boete. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte het financieel niet breed heeft en dat een geldboete langdurig van grote impact zal zijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling van een gestolen motorscooter. Door deze gestolen motorscooter voorhanden te hebben, heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen. Het bestaan van deze afzetmarkt bevordert dat goederen worden gestolen. Zijn handelen leidt tot schade en overlast voor de eigenaar van de hier bedoelde motorscooter.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 maart 2019 is hij eerder voor vermogensdelicten, waaronder schuldheling, onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in zijn nadeel. Mede gelet op deze recidive doet alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstrafrecht aan de aard en de ernst van het bewezen feit. Bovendien is aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de hier bewezen verklaarde diefstal een taakstraf opgelegd voor een soortgelijk misdrijf, welke taakstraf ook door de verdachte is verricht. Gelet daarop is artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (het zogeheten taakstrafverbod) van toepassing.

De ter terechtzitting in hoger beroep gebleken persoonlijke omstandigheden van de verdachte vormen wel grond, een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.”

De justitiële documentatie van 11 maart 2019, die zich bij de stukken van het geding bevindt, houdt onder meer in dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de pleegdatum van het door hem begane feit op 15 februari 2017, in de zaak met parketnummer 13-202441-14 op 18 december 2014 door de politierechter in de rechtbank Amsterdam is veroordeeld wegens ‘diefstal van fiets’, gepleegd op 18 september 2014, tot een taakstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis. Deze veroordeling is op 6 januari 2015 onherroepelijk geworden. In het uittreksel is tevens vermeld dat de taakstraf is verricht (7 januari 2015 - 10 april 2015).

In de toelichting op het middel wordt (terecht) aangevoerd dat deze veroordeling de enige veroordeling is die is vermeld op de justitiële documentatie die mogelijk de toepasselijkheid van het taakstrafverbod van art. 22b Sr met zich brengt. Voor deze veroordeling geldt volgens de steller van het middel echter dat het niet gaat om een soortgelijk misdrijf zoals is vereist op grond van art. 22b lid 2 aanhef en onder 1 Sr, omdat in art. 43b onder 1 Sr wel de art. 416 en 417 Sr als soortgelijk aan art. 310 Sr zijn aangemerkt, maar het feit waarvoor verdachte in onderhavige zaak is veroordeeld, art. 417bis Sr (schuldheling), niet. Aangevoerd wordt dat dit kennelijk een bewuste keuze van de wetgever is geweest. Het middel stelt daarmee de vraag aan de orde of art. 417bis Sr soortgelijk is aan art. 310 Sr zodat het taakstrafverbod van toepassing is.

Voor beantwoording van die vraag moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 22b lid 2 onder 1 Sr kan een taakstraf niet worden opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstaf is opgelegd. In art. 43b Sr is vervolgens aangegeven welke misdrijven als soortgelijk aan elkaar moeten worden aangemerkt.1 Art. 43b Sr luidt:

“Als misdrijven welke soortgelijk zijn aan elkaar worden in elk geval aangemerkt:

1° de misdrijven omschreven in de artikelen 105, 174, 208 tot en met 210, 213, 214, 216 tot en met 222bis, 225 tot en met 232, 310, 311, 312, 315, 317, 318, 321 tot en met 323a, 326 tot en met 332, 341, 343, 344, 359, 361, 366, 373, laatste lid, 402, 416, 417, 420bis, 420bis.1 en 420ter;

2° de misdrijven omschreven in de artikelen 92, 108, 109, 110, 115, 116, 117 tot en met 117b, 141, 181, 182, 287 tot en met 291, 293, eerste lid, 296, 300 tot en met 303, 381, 382, 395 en 396;

3° de misdrijven omschreven in de artikelen 261 tot en met 271, 418 en 419;

4° de misdrijven omschreven in de Opiumwet;

5° de misdrijven omschreven in de Wet wapens en munitie;

6° de misdrijven omschreven in de Wegenverkeerswet 1994.”

Uit de gebezigde woorden ‘in elk geval’ in de aanhef van art. 43b Sr, volgt dat de misdrijven die soortgelijk zijn aan elkaar, niet beperkt zijn tot de daarin opgenomen artikelen.2 Het gaat dus om een niet-limitatieve opsomming van soortgelijke misdrijven.3 Indien een misdrijf niet is opgenomen in art. 43b Sr, wordt de vraag of een misdrijf als soortgelijk aan een ander misdrijf kan gelden, beoordeeld aan de hand van de locatie van het misdrijf in de systematiek van de strafwetgeving en aan de hand van het achterliggende, door de strafbepalingen concreet te beschermen belang.4 Misdrijven zijn zo bezien gelijksoortig indien mag worden aangenomen dat zij hetzelfde concreet te beschermen rechtsbelang schenden. In de wetsgeschiedenis wordt opgemerkt dat voor de interpretatie van het begrip ‘soortgelijke misdrijven’ kan worden aangesloten bij de betekenis die dit begrip heeft in de artikelen 36d en 36e (oud) Sr. De Minister verwijst in dat verband naar het oordeel van de Hoge Raad in een uitspraak van 6 mei 1997 over de uitleg van het begrip ‘soortgelijke feiten’ in art. 36d Sr.5 In die zaak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daaronder die feiten worden verstaan, die, gelet op het belang dat de wetgever door de strafbaarstelling ervan heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als de door verdachte begane feiten. Het begrip ‘soortgelijke misdrijven’ sluit daarmee op zichzelf ook niet uit dat een misdrijf uit een bijzondere wet soortgelijk is aan een misdrijf uit een andere bijzondere wet of aan een misdrijf uit het Wetboek van Strafrecht.6

Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het middel faalt. Art. 43b Sr bevat, anders dan de steller van het middel meent, geen limitatieve opsomming van soortgelijke misdrijven. Hoewel art. 417bis Sr niet in art. 43b Sr is aangemerkt als een soortgelijk misdrijf aan art. 310 Sr, geldt dat de art. 416 (opzetheling) en 417 Sr (gewoonteheling) wel zijn aangemerkt als soortgelijke misdrijven. Art. 417bis Sr is, net als de art. 416 en 417 Sr, opgenomen in het Wetboek van Strafrecht onder de titel ‘Begunstiging’ en deze drie bepalingen vormen tezamen de drie varianten van heling. Heling beschermt hetzelfde concrete rechtsbelang als diefstal.7 Dat betekent dat het hof een juiste toepassing heeft gegeven aan art. 22b Sr en de strafoplegging voldoende is gemotiveerd.

Conclusie

Het middel faalt.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. Kamerstukken II, 2009/10, nr. 32169, nr. 3, p. 10.

2 Zie ook Kamerstukken II 2001/02, 27834, nr. 18. Met de invoering van art. 43b Sr werd beoogd de wettelijke recidiveregeling te veralgemeniseren in die zin, dat het nogmaals begaan van een soortgelijk misdrijf ook buiten de toen in de wet genoemde gevallen tot een verhoging van het wettelijk strafmaximum zou dienen te leiden. Zie hierover ook S. Struijk, De toepassing van de algemene recidiveregeling in het strafrecht, DD 2012/89.

3 Zie ook N/L/R, art. 43b Sr, aant. 1 en, zij het kritisch, J. de Hullu, Recidive en straftoemeting, Deventer: Kluwer 2003, p. 33.

4 Vgl. Kamerstukken II, 2002/03, 28484, nr. 7. p. 27. Zie ook Kamerstukken II, 2010/2011, nr. 32169, nr. 7, p. 9.

5 Vgl. HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322.

6 Vgl. Kamerstukken II 2002-2003, 28484, nr. 7, p. 27: “Misdrijven in de Opiumwet beschermen evenwel de volksgezondheid, terwijl misdrijven uit de Wet wapens en munitie in het teken staan van de beheersing van het wapenbezit. Hoewel tussen deze beide belangen verbanden kunnen worden gelegd, zijn dit verschillende rechtsbelangen. Misdrijven uit de Opiumwet en die uit de Wet wapens en munitie zijn dan ook geen «soortgelijk misdrijven» als in het voorafgaande bedoeld. Dit standpunt sluit aan bij de wetsgeschiedenis van artikel 36e Sr, waarin de regering destijds al naar voren bracht: «Heeft de uitspraak betrekking op een drugsdelict, dan kunnen bijvoorbeeld overtredingen van de Wet op de kansspelen of de Vuurwapenwetgeving niet als soortgelijke feiten worden beschouwd» (vgl. Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, blz. 11–12). Ook de Hoge Raad volgt in zijn rechtspraak inzake artikel 36d Sr dit standpunt (vgl. HR 6 oktober 1998, NJ 1999, 25).”

7 Zie de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse over de verwantschap tussen diefstal en heling bij HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0985: “Met de strafbaarstelling van heling wordt zowel tegengegaan dat anderen inbreuk maken op het vermogen van derden, als dat - eenmaal zo een inbreuk geschied - die derde wordt belemmerd in het herstel in zijn rechten”. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee bij HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3571: “De strafbaarstelling van heling beoogt tegen te gaan dat iemand profiteert van het door een ander begaan misdrijf, in het bijzonder van een goed dat door misdrijven als diefstal en verduistering door die ander is verkregen. Anders gezegd: in het strafbaar stellen van heling komt de bescherming tegen continuering van de door een misdrijf als diefstal of verduistering gecreëerde onrechtmatige vermogensrechtelijke toestand tot uitdrukking.”