Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:510

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-06-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
18/04981
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1197
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG in militaire zaak. Opzettelijke schending van een ambtsgeheim, art. 272 Sr. Bestanddeel ‘enig geheim’ en de vraag of het voor zichzelf ontsluiten van geheime informatie, zonder die informatie met een derde te delen, het 'schenden' van een geheim kan opleveren. De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04981 M

Zitting 2 juni 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 25 juli 2018 door de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens feit 1 “doen plegen van opzettelijke schending van een ambtsgeheim” en feit 2 “opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 38 uren, subsidiair 19 dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte heeft mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Beide middelen komen op tegen (de motivering van) de bewezenverklaringen. Daarom geef ik alvorens de middelen te bespreken eerst de bewezenverklaringen en de bewijsvoering van het hof weer.

  4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard:

“1:
dat [betrokkene 1] , in de nacht van 8 juni 2016 op 9 juni 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een geheim waarvan hij, [betrokkene 1] , wist dat hij uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift, te weten wachtmeester der 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee en/of wettelijk voorschrift te weten artikel 7 van de Wet Politieregisters, verplicht was te bewaren opzettelijk heeft geschonden, door in het (geautomatiseerd) bedrijfsprocessensysteem van de politie/KMar en/of Blueview en/of BVIB, met gebruikmaking van een KENO-sleutel, een 06-nummer van een persoon op te zoeken en te geven aan [verdachte] welk feit verdachte in de nacht van 8 juni 2016 op 9 juni 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer heeft doen plegen door in de functie van [functie] aan die [betrokkene 1] telefonisch, middels het geven van een KENO-sleutel, te vragen om het telefoonnummer/06-nummer van een vrouwelijke persoon in verband het feit dat deze vrouwelijke persoon aangifte zou willen doen, waardoor hij bovengenoemd feit pleegt;


2:
hij op 02 augustus 2016 en 5 september 2016, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) een geheim waarvan hij, verdachte, wist dat hij uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift, te weten [functie] van de Koninklijke Marechaussee en/of wettelijk voorschrift te weten artikel 7 van de Wet Politiegegevens, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft verdachte uit het (geautomatiseerd) bedrijfsprocessensysteem van de politie/Kmar en/of Blueview en/of BVIB informatie over strafrechtelijke onderzoeken en/of informatie en/of persoonsgegevens en/of contactgegevens van personen bevraagd en opgezocht en uit dat systeem/die systemen gehaald voor eigen privé gebruik.”

5. Deze bewezenverklaringen heeft het hof doen steunen op de inhoud van de volgende, in de aanvulling op het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen:

“1.
Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 10 april 2017 gevoegde, door [verbalisant 1] , eerste luitenant van de Koninklijke Marechaussee, Kabinet-Cluster Integriteit, Sectie Interne Onderzoeken, opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangever van 21 september 2016 (dossierpagina 15 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [aangever], zakelijk weergegeven:

Ik wens aangifte te doen van artikel 272 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, schenden ambtsgeheim, vermoedelijk gepleegd door de [functie] [verdachte] , van de Kmar .

[verdachte] heeft vermoedelijk enig geheim, waarvan hij weet vanuit zijn ambt en wettelijke voorschriften dat hij deze verplicht is te bewaren, opzettelijk geschonden.

[verdachte] heeft vermoedelijk persoonlijk vanuit zijn functie bevragingen in de politiesystemen laten uitvoeren door wachtmeester der eerste klasse [betrokkene 1] , werkzaam bij de RITD van OPSCENT KMar , waarop [verdachte] de bevraagde informatie niet voor dienstdoeleinden maar voor privé- en persoonlijke belangen heeft gebruikt.

[verdachte] is als [functie] werkzaam bij politiedienst, Team 2 van mijn brigade (hof: Brigade politiedienst & Beveiliging van de Koninklijke Marechaussee Schiphol).

[betrokkene 2] deed melding van het onrechtmatig verkrijgen door [verdachte] van een telefoonnummer in gebruik bij hem en zijn vrouw. [betrokkene 2] deelde mede dat hij dacht dat [verdachte] misbruik van zijn functie en van de systemen heeft gemaakt om genoemd telefoonnummer in bezit te krijgen. Zowel [betrokkene 2] als zijn vrouw hebben dit telefoonnummer nooit verstrekt aan [verdachte] . [verdachte] had middels Whatsapp intieme berichtjes verzonden naar de vrouw van [betrokkene 2] middels genoemd telefoonnummer.

Eerste luitenant [betrokkene 3] overhandigde mij een mail van [betrokkene 1] , medewerker van OPSCENT . Ik las dat [verdachte] op 9 juni 2016 omstreeks 05:00 uur een bevraging had gedaan om een 06-nummer van een vrouw. Ik las dat [verdachte] als reden van zijn bevraging had opgegeven dat hij deze vrouw middels een 06-nummer wilde contacten omdat zij had aangegeven een aangifte te willen gaan doen. Ik zag in deze mail de volgende KENO-sleutel: [001] en de naam [betrokkene 4] , [geboortedatum] 1978 .


2.
De als bijlage bij het stamproces-verbaal van 10 april 2017 gevoegde, gespreksnotitie van 13 september 2016 (dossierpagina 20 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:


[betrokkene 2] doet melding van het onwettig verkrijgen van een mobiel telefoonnummer van zijn vrouw.

[betrokkene 2] wil aangeven dat hij denkt dat [verdachte] misbruik van zijn functie heeft gemaakt en zo het telefoonnummer heeft achterhaald waarmee hij intieme berichten stuurt naar zijn vrouw.

3.
Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 10 april 2017 gevoegde, door [verbalisant 2] , adjudant-onderoffïcier van de Koninklijke Marechaussee, Staf commandant Koninklijke Marechaussee, Cluster Integriteit, Sectie Interne Onderzoeken, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2017 (dossierpagina 24 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Wachtmeester 1e klasse [betrokkene 1] is werkzaam op de afdeling OPSCENT van de Koninklijke Marechaussee. [betrokkene 1] was op 9 juni 2016 de afhandelaar van de telefonische bevraging die op verzoek van [functie] [verdachte] werd uitgevoerd.

4.
Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 10 april 2017 gevoegde, door [verbalisant 1] , eerste luitenant van de Koninklijke Marechaussee, Kabinet-Cluster Integriteit, Sectie Interne Onderzoeken, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen onderzoek historische printgegevens; [telefoonnummer] en onderzoek [003] / [004] van 16 februari 2017 (dossierpagina 26 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

[003] :

Op 9 juni 2016 wordt met het account van verdachte de kenosleutel [001] van [betrokkene 4] bevraagd.

Op 2 augustus 2016 wordt met het account van verdachte de kenosleutel [001] bevraagd. Vervolgens heb ik vastgesteld dat middels het account van verdachte de documenten gelinkt aan [001] worden bevraagd.

[004] :

Op 5 september 2016 bevraagt het verbalisantnummer [002] van verdachte de kenosleutel van [betrokkene 2] .

5.
Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 10 april 2017 gevoegde, door [verbalisant 1] , en [verbalisant 2] , respectievelijk eerste luitenant en adjudant van de Koninklijke Marechaussee, Kabinet-Cluster Integriteit, Sectie Interne Onderzoeken, opgemaakte proces-verbaal van 25 oktober 2016 (dossierpagina 40 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

V: Welke dienst had jij van woensdag 8 juni 2016 op donderdag 9 juni 2016?

A: Dat was een nachtdienst. Ik weet zeker dat ik toen een nachtdienst had.

V: Welke functie had jij tijdens deze dienst?

A: [functie] .

6.
De ter terechtzitting van de militaire politierechter van 28 maart 2018 afgelegde verklaring van verdachte, voor zover inhoudende:



Ten aanzien van feit 1:

Het opvragen van het telefoonnummer van [betrokkene 4] is een domme beslissing van mij geweest.

Ten aanzien van feit 2:

We hadden een nieuw systeem Blueview. Ik heb [betrokkene 4] opgezocht in het systeem.

Het is mijn fout dat ik om het telefoonnummer heb gevraagd. [betrokkene 1] twijfelde, maar hij heeft mij wel het telefoonnummer gegeven.

Ik heb geen opdracht gehad om informatie over beide personen op te zoeken.

7.
De ter terechtzitting van de militaire kamer van het hof van 12 juli 2018 afgelegde verklaring van verdachte, voor zover inhoudende:

''Ik erken dat ik een telefoonnummer heb doen opvragen en dat ik in de systemen heb gezocht op de naam van die mevrouw (hof: [betrokkene 4] ).

Het is niet de bedoeling om privé-bevragingen te doen. Ik deed het voorkomen dat het zakelijk was.

Ik heb haar man in BPS bevraagd. Ik keek in het systeem of er al een klacht tegen mij was ingediend, zoals aangekondigd.

Het is niet de bedoeling dat je informatie over anderen opvraagt als je die niet nodig hebt voor je werk. Dat wist ik.”

6. In de bestreden uitspraak heeft het hof ten aanzien van het bewijs van beide feiten voorts, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende overwogen:

“Bewezenverklaring

Vast staat dat de in de tenlastelegging beschreven feitelijke gedragingen hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft dat ter terechtzitting in hoger beroep ook erkend. Het (doen) bevragen van informatie uit de systemen door verdachte was niet werk-gerelateerd, maar was bedoeld voor privédoeleinden van verdachte.

De vraag die het hof dient te beantwoorden is of deze gedragingen van verdachte schending van een geheim opleveren in de zin van artikel 272, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van ‘een geheim’ in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van feit 1 wordt daartoe aangevoerd dat het een particulier telefoonnummer betrof dat niet zonder meer als geheim kan worden aangemerkt.

Het hof is van oordeel dat er wel sprake was van geheimen in de zin van artikel 272, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Het betrof informatie die verdachte niet bekend was. Het enkele feit dat de bevraagde informatie mogelijk ook elders te achterhalen zou zijn geweest, maakt niet dat er hier geen sprake was van een geheim in vorenbedoelde zin.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat er geen sprake was van schending van een ambtsgeheim, omdat de bevraagde informatie niet is openbaar gemaakt of gedeeld met derden.

Het hof is echter, met de advocaat-generaal, van oordeel dat er wel sprake is van schending van een ambtsgeheim. Verdachte heeft immers, zonder dat dat voor zijn functie-uitoefening noodzakelijk was, voor zichzelf, uit de hem (indirect) uit hoofde van zijn functie ter beschikking staande systemen, geheime informatie ontsloten (of doen ontsluiten) die niet voor hem bedoeld was. Daarmee heeft verdachte zijn ambtsgeheim geschonden. Het feit dat verdachte die informatie niet met een of meer derden heeft gedeeld, doet daaraan niet af.”

7. De tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn toegesneden op de strafbaarstelling van art. 272, eerste lid, Sr. Deze bepaling luidt, en luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen, als volgt:

“1. Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.”

8. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaringen onvoldoende met redenen zijn omkleed aangezien uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte (telkens) een “geheim” in de zin van art. 272 Sr heeft geschonden.

9. Noch de wet zelf, noch de wetsgeschiedenis biedt concrete aanknopingspunten voor de uitleg van het bestanddeel “enig geheim” in de delictsomschrijving van art. 272, eerste lid, Sr. Onder de in de literatuur en in de rechtspraak gehanteerde definitie is zo een geheim al hetgeen bestemd is om niet bekend te worden dan ter plaatse waar het door bevoegden wordt medegedeeld.1 Bij de beoordeling of daarvan sprake is, dient acht te worden geslagen op onder meer de aard van de informatie en het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg.2 Dat de aan een derde verschafte informatie voor die derde ook bij andere instanties of op andere wijze verkrijgbaar zou zijn geweest, staat op zichzelf niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van een “geheim” in de hier bedoelde zin.3 Ook openbare informatie kan dus onder omstandigheden een “geheim” betreffen dat op de voet van art. 272, eerste lid, Sr dient te worden bewaard.4

10. Het hof heeft in zijn, hiervoor in randnummer 6 weergegeven, bewijsoverwegingen vastgesteld dat het in de bewezenverklaring van feit 1 bedoelde telefoonnummer een gegeven betrof dat de verdachte niet op andere wijze bekend was. Daarnaast blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen dat de verdachte dit telefoonnummer heeft verkregen door onder valse voorwendselen [betrokkene 1] bevragingen te laten doen in de politiesystemen en dat de verdachte het verkregen telefoonnummer niet voor dienstzaken, maar uitsluitend voor privédoeleinden aanwendde. Uit deze vaststellingen heeft het hof kunnen afleiden dat de aard van deze informatie, de wijze van verkrijging ervan en de omstandigheden waaronder die verkrijging plaatsvond, zodanig waren dat het telefoonnummer bestemd was om niet bekend te worden dan ter plaatse waar het door bevoegden wordt medegedeeld. Met juistheid heeft het hof overwogen dat de enkele omstandigheid dat de informatie ook elders te achterhalen zou zijn geweest, daaraan niet afdoet.

11. Voor zover het middel klaagt dat uit de bewijsvoering ter zake van feit 1 niet kan worden afgeleid dat het in de bewezenverklaring bedoelde 06-telefoonnummer “enig geheim” in de zin van art. 272, eerste lid, Sr betreft, meen ik dat het tevergeefs is voorgesteld.

12. Met betrekking tot feit 2 is bewezenverklaard dat de verdachte “informatie over strafrechtelijke onderzoeken en/of informatie en/of persoonsgegevens en/of contactgegevens van personen” heeft bevraagd. Ter terechtzitting in hoger beroep is (summier) betoogd dat schending van een geheim ten aanzien van feit 2 niet kan worden bewezen, omdat niet blijkt om welk geheim het zou gaan. Het hof heeft op dat verweer in zijn nadere bewijsoverweging gereageerd, maar heeft daarbij niet vastgesteld wélke informatie de verdachte over de in de bewezenverklaring van feit 2 bedoelde “personen” heeft verkregen.

13. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan, voor zover hier van belang, niet méér worden afgeleid dan dat de verdachte “de documenten gelinkt aan kenosleutel [001] ” heeft bevraagd (b.m. 4), dat hij [betrokkene 4] heeft opgezocht in het systeem Blueview (b.m. 6) en dat hij “haar man” in het systeem BPS heeft opgezocht en daar keek of er al een klacht tegen de verdachte was ingediend, zoals was aangekondigd (b.m. 7). Alleen van deze laatste informatie is de aard en inhoud enigszins geconcretiseerd. Maar ook daarvan kan mijns inziens uit de bewijsvoering niet zonder meer worden afgeleid dat het een geheim betrof. De bewijsvoering houdt immers in dat aan de verdachte op andere wijze ter kennis was gebracht (aan hem was “aangekondigd”) dat een klacht zou worden ingediend. Nu ook uit de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat het niet de bedoeling is dat informatie over anderen wordt opgevraagd die niet nodig is voor het werk, nog niet volgt dat de door verdachtes onbetamelijke handelwijze verkregen informatie ook daadwerkelijk niet bestemd was om bekend te worden dan ter plaatse waar het door bevoegden wordt medegedeeld, meen ik dat de bewezenverklaring ten aanzien van feit 2 wat betreft het bewijs dat de verdachte “enig geheim” in de zin van art. 272 Sr heeft ontsloten onvoldoende met redenen is omkleed.

14. Het middel slaagt mitsdien ten dele.

15. Het tweede middel klaagt dat uit de door het hof gebezigde bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte een geheim ‘opzettelijk heeft geschonden’ als bedoeld in art. 272, eerste lid, Sr.

16. Het middel stelt hiermee de rechtsvraag aan de orde of ook het voor zichzelf ontsluiten van geheime informatie, zonder deze informatie openbaar te maken dan wel deze ter kennis te brengen van een of meer derden, kan worden aangemerkt als het ‘schenden’ van een geheim in de zin van art. 272, eerste lid, Sr.

17. Deze door het hof bevestigend beantwoorde rechtsvraag heeft de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, eerder al eveneens bevestigend beantwoord in twee zaken waarin de Hoge Raad recentelijk, op 7 april 2020, uitspraak heeft gedaan.5 De Hoge Raad overweegt in beide arresten dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat het ‘schenden’ van een geheim in de zin van art. 272 Sr moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is. Het oordeel van het hof in die twee zaken dat de verdachte door geheime gegevens voor zichzelf te ontsluiten zijn ambtsgeheim in deze zin heeft geschonden, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

18. In de hierboven weergegeven bewijsoverwegingen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte, zonder dat dit voor zijn functie-uitoefening noodzakelijk was, voor zichzelf uit de hem (indirect) uit hoofde van zijn functie ter beschikking staande systemen, geheime informatie heeft ontsloten (c.q. doen ontsluiten) die niet voor hem was bedoeld en dat hij daarmee zijn ambtsgeheim heeft geschonden. Het hof heeft overwogen dat hieraan niet afdoet dat de verdachte de informatie niet met een of meer derden heeft gedeeld.

19. Aldus heeft het hof ook in de onderhavige zaak blijk gegeven van dezelfde onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de betekenis van het begrip ‘schenden’ in art. 272, eerste lid, Sr waarvan het blijk gaf in de twee zaken waarin de Hoge Raad op 7 april van dit jaar uitspraak deed.

20. De beslissingen ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde feit kunnen dientengevolge niet in stand blijven. Deze bewezenverklaring houdt immers in dat de verdachte een geheim schond door systemen te bevragen, in die systemen informatie op te zoeken en/of deze informatie uit de systemen te halen voor eigen privégebruik. Daarnaast houdt de bewijsvoering niet in dat de verdachte de informatie aan één of meer derden heeft bekendgemaakt.

21. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

22. Of het voorgaande tot vernietiging van de bewezenverklaring van feit 1 moet leiden, valt te bezien. De bewijsoverweging van het hof waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat de verdachte een geheim heeft geschonden door indirect voor zichzelf geheime informatie te doen ontsluiten, berust als gezegd op een onjuiste rechtsopvatting. Het hof had het verweer naar mijn inzicht niettemin slechts kunnen verwerpen, zij het op andere gronden. Het verweer (en de weerlegging ervan door het hof) zijn namelijk niet in overeenstemming met de bewezenverklaring van feit 1 en de bijbehorende kwalificatie van dit feit. Onder feit 1 is – grof gezegd – niet bewezenverklaard dat de verdachte het geheim voor zichzelf heeft doen ontsluiten door [betrokkene 1] , maar is bewezenverklaard dat hij [betrokkene 1] een geheim heeft doen ontsluiten door het bekend te maken aan de verdachte. Bewezen in dit verband is dat [betrokkene 1] geheime informatie heeft opgezocht en dat hij deze informatie – in strijd met zijn plicht het geheim te bewaren – aan de verdachte heeft verstrekt en dat aldus deze [betrokkene 1] een geheim heeft geschonden, welke geheimschennis de verdachte heeft doen plegen. Feit 1 is dienovereenkomstig als het doen plegen van het schenden van een ambtsgeheim gekwalificeerd. Aldus ligt in de uitspraak van het hof als zijn oordeel besloten dat deze [betrokkene 1] een geheim heeft geschonden door het bekend te maken aan een derde, te weten de verdachte.

23. Aan het gebruik van de deelnemingsvorm ‘doen plegen’ op deze wijze staat niet in de weg dat de verdachte, ware hij berecht als (functioneel) pleger van het feit, niet alle bestanddelen van het delict zou hebben kunnen vervullen omdat hij een geheim niet door bekendmaking aan zichzelf zou hebben kunnen schenden.6

24. De bewijsvoering kan het in de uitspraak besloten liggend oordeel van het hof (in de vorengenoemde zin), voor zover bestreden, dragen. Dat onder de omstandigheden van het onder 1 bewezenverklaarde feit de verdachte tot de kennisneming van het door [betrokkene 1] prijsgegeven geheim niet bevoegd was, heeft de verdachte in zijn voor het bewijs gebruikte, ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep afgelegde verklaringen erkend. Het komt mij voor dat uit de bewijsvoering derhalve kan volgen dat [betrokkene 1] een geheim heeft geschonden door het in de bewezenverklaring van feit 1 aangegeven 06-telefoonnummer aan de verdachte – een in de gegeven omstandigheden tot kennisneming onbevoegde – bekend te maken.

25. Voor zover het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het onder feit 1 tenlastegelegde niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, omdat de bedoelde geheime informatie niet bekend is gemaakt aan een of meer onbevoegde derden en daarom geen sprake is van ‘schenden’ als bedoeld in art. 272, eerste lid, Sr, faalt het derhalve.

26. In het middel lees ik geen andere tegen het bewijs van feit 1 gerichte klacht.7

27. Ook het tweede middel slaagt mijns inziens ten dele.

28. De middelen falen voor zover zij de beslissingen van het hof ten aanzien van feit 1 betreffen en slagen voor zover zij zijn gericht tegen de beslissingen ten aanzien van feit 2.

29. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van feit 2 en de strafoplegging, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 273, aant. 5 (bewerkt door A.J. Machielse; bijgewerkt t/m 1 juli 2006); de aan HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5677 voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Aben, waarnaar de Hoge Raad in dat arrest verwijst; de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt vóór HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1662, NJ 2015/358, m.nt. Mevis; en de conclusie van mijn ambtgenoot Lückers vóór HR (civiele kamer) 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1987.

2 HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2855, NJ 2005/354.

3 HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2343, NJ 2003/274 en HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5677.

4 HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5677: “[…] de opvatting dat het gegeven dat [betrokkene 1] tegen een arts een zaak bij het medisch tuchtcollege heeft aangespannen, niet kan worden aangemerkt als een geheim dat bewaring verdient, aangezien ingevolge art. 70, eerste lid, Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg procedures bij het medisch tuchtcollege in beginsel openbaar zijn. Die opvatting is onjuist (vgl. HR 11 februari 2003, LJN AF2343, NJ 2003/274).”

5 Met vindplaatsen ECLI:NL:HR:2020:523 en ECLI:NL:HR:2020:527.

6 Vgl. HR 21 april 1913, NJ 1913, p. 961 e.v. (Reispas), waarin de uitvoerder van een kwaliteitsdelict de kwaliteit bezat die de doen pleger miste. Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018, p. 482. De Hullu ziet de thans nog bestaande meerwaarde van het doen plegen naast de andere daderschaps- en deelnemingsvormen, zo die meerwaarde er is, hierin dat het doen plegen een aansprakelijkheidsgrond biedt waarbij de vervulling van de delictsbestanddelen meer over de uitvoerder en doen pleger kan worden verdeeld.

7 Het middel klaagt onder meer niet dat [betrokkene 1] jegens de verdachte niet gehouden was het geheim te bewaren of dat de bekendmaking van [betrokkene 1] aan de verdachte niet wederrechtelijk was, noch dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de fysieke uitvoerder van het delict zelf straffeloos is.