Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:505

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-03-2020
Datum publicatie
26-05-2020
Zaaknummer
19/00089
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:919
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Diefstal d.m.v. valse sleutel (art. 311.1.5. Sr) door het vertrouwen te winnen van een oudere dementere vrouw en haar pasje en pincode te gebruiken voor het pinnen van o.a. een groot geldbedrag. Middel over afwijzing horen aangeefster als getuige. HR: art 81.1 RO.

HR ambtshalve: hof heeft verdachte de verplichting opgelegd om aan de Staat t.b.v. het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis. HR zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast, cfm. ECLI:NL:HR:2020:914 en aan verdachte met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling opleggen van gelijke duur. Volgt gedeeltelijke vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00089

Zitting 31 maart 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 14 december 2018 wegens “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt over ’s hof motivering van de afwijzing van het verzoek tot het horen van de aangeefster als getuige.

  4. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2017 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden ten aanzien van het verzoek om de aangeefster als getuige te horen het volgende in:


“Cliënt is in eerste aanleg veroordeeld voor diefstal van 507,22 euro (te weten: 500,- euro gepind, 6,20 euro voor sigaretten en 1,02 euro van de aansteker). Cliënt ontkent niet dat hij met de pinpas van aangeefster heeft gepind, maar stelt dat hij dit heeft gedaan met toestemming van aangeefster, hetgeen zou betekenen dat geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening.

Uit het dossier blijkt dat er een vriendschappelijke verstandhouding was tussen cliënt en aangeefster. Zo stelt aangeefster dat cliënt haar "oma" noemt. Cliënt heeft op zijn beurt verklaard dat aangeefster bij hem over de vloer kwam om te eten of drinken. Verder zijn er nog een aantal opvallendheden in het dossier die wijzen op een vriendschappelijke relatie tussen cliënt en aangeefster. Zo stelt de bankbediende dat hem niets bijzonders is opgevallen bij de geldtransactie en op de camerabeelden is niet te zien dat cliënt opvallend meekijkt als aangeefster een pin transactie doet. Verder is op pagina 44 en 45 duidelijk te zien dat aangeefster en cliënt in goede sfeer samen de bank verlaten.


In dit verband wordt voorts gewezen op het volgende. In het PV aangifte staat dat aangeefster op woensdag 5 augustus 2015 op het politiebureau kwam om aangifte te doen. In het PV bevindingen staat echter te lezen dat aangeefster met haar zoon samen aangifte heeft gedaan op 30 juli 2015. Het is aldus geheel onduidelijk wie er wanneer precies aangifte heeft gedaan; aangeefster of (voornamelijk) haar zoon op 5 augustus en/of 30 juli 2015. Dit is van belang omdat uit het PV bevindingen blijkt dat voornamelijk de zoon van aangeefster aan het woord was tijdens de aangifte. Het is dan ook de zoon van aangeefster – en niet aangeefster zelf – die stelt dat "de bankpas en pincode van zijn moeder [zijn] misbruikt." Het is aldus onduidelijk gebleven of aangeefster al dan niet toestemming heeft gegeven voor de tenlastegelegde pintransacties en/of dat de zoon van aangeefster hier een eigen (negatieve) invulling aan heeft gegeven.


Gezien voorgaande is het voor de verdediging essentieel om aangeefster hierover vragen te stellen. In dit kader doet de verdediging het navolgende verzoek:

Verzoek horen aangeefster [betrokkene 1]

1. [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1935 te [geboorteplaats] , wonende te [plaats] aan de [a-straat 1] (aangeefster).

De verdediging wenst deze getuige vragen te stellen over hetgeen is afgesproken c.q. voorgevallen tussen haar en cliënt die bewuste 27e juli 2015. Meer specifiek wenst de verdediging van deze getuige te horen of zij al dan niet toestemming heeft gegeven aan cliënt om haar pinpas te gebruiken. Te meer nu cliënt heeft verklaard dat deze getuige op de hoogte was van de geldtransactie(s) en zij daarmee heeft ingestemd. Eén en ander is van belang voor de vraag of er al dan niet sprake is van wederrechtelijke toe-eigening aan de zijde van cliënt.”

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2017 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende in:


[betrokkene 2] deelt namens de benadeelde partij mede - zakelijk weergegeven:

Mijn moeder is dementerend. Het gaat steeds slechter met haar. Zij zit op dit moment in een tehuis. Zij heeft nog wel herinneringen aan het tenlastegelegde. Als gevolg hiervan heeft zij veel last van angst.

De raadsvrouw deelt mede – zakelijk weergegeven:

Ik wil verzoeken om aangeefster [betrokkene 1] als getuige te horen.

De raadsvrouw voert het woord aan de hand van haar op schrift gestelde aantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd en aan dit proces-verbaal zijn gehecht.

De raadsvrouw deelt mede – zakelijk weergegeven:

Ik ben bekend met het proces-verbaal van bevindingen van 14 april 2017 waarin staat vermeld dat de zoon van [betrokkene 1] heeft verklaard dat zijn moeder niet in staat is om vragen te beantwoorden. Van de dochter van [betrokkene 1] hoorde ik net dat zij nog wel herinneringen heeft aan het tenlastegelegde. Ik wil [betrokkene 1] graag vragen stellen hierover.

De advocaat-generaal deelt mede – zakelijk weergegeven:

Strikt genomen zie ik het belang van de verdediging wel om aangeefster [betrokkene 1] als getuige te horen. Toch verzoek ik uw hof om het getuigenverzoek af te wijzen, gelet op de redenen die zijn vermeld in het proces-verbaal van bevindingen van 14 april 2017. Ik acht het niet zinvol om [betrokkene 1] vragen te stellen over het tenlastegelegde.

De raadsvrouw deelt mede – zakelijk weergegeven:

De zoon van aangeefster [betrokkene 1] heeft verklaard dat zijn moeder niet in staat is om vragen te beantwoorden. Hij is geen arts. Het is daarom maar de vraag of hij wat kan zeggen over de staat van dementie van zijn moeder.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek en deelt als beslissing van het hof mede – zakelijk weergegeven:

Ondanks de omstandigheid dat het in het belang van de verdediging is om [betrokkene 1] als getuige te horen, zal het hof het getuigenverzoek afwijzen omdat het welzijn van [betrokkene 1] in gevaar wordt gebracht als zij als getuige wordt gehoord. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier voldoende informatie over haar gezondheid. Zo blijkt uit het dossier dat zij dementerend is en heel angstig is geworden ten gevolge van het tenlastegelegde. Het hof is van oordeel dat het welzijn van aangeefster [betrokkene 1] zwaarder weegt dan het belang van de verdediging om haar als getuige te horen. Daarom wordt het getuigenverzoek afgewezen.”

6. Het middel klaagt over de begrijpelijkheid van de beslissing ter terechtzitting van het hof op 17 oktober 2017 om af te zien van de oproeping van de aangeefster. In de toelichting op het middel wordt hiertoe aangevoerd dat het oordeel van het hof dat het dossier voldoende informatie bevat over de gezondheid van de aangeefster, niet zonder meer begrijpelijk is. Het hof heeft dit kennelijk opgemaakt uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 april 2017, waarin de zoon van de aangeefster verklaart dat hij zijn moeder niet in staat acht om vragen te beantwoorden, gelet op haar dementie. Het feit dat de aangeefster bepaalde vragen mogelijk niet goed kan beantwoorden wegens haar dementie, betekent op zichzelf nog niet dat het afleggen van een verklaring een gevaar oplevert voor haar gezondheid of welzijn. De waarde van de verklaring van de aangeefster dient immers niet te worden betrokken bij de beoordeling op grond van art. 288, eerste lid, onder b Sv, maar speelt pas een rol bij de beantwoording van de bewijsvraag, aldus de steller van het middel. Voorts wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat het oordeel van het hof dat de aangeefster angstig is geworden ten gevolge van het tenlastegelegde niet zonder meer kan leiden tot een gegrond vermoeden dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht. Aan die angstgevoelens zou immers tegemoet kunnen worden gekomen door de getuige niet in aanwezigheid van de verdachte te horen, maar bijvoorbeeld in beslotenheid bij de rechter-commissaris.

7. Het middel berust op de opvatting dat de getuige moet worden aangemerkt als een niet verschenen getuige als bedoeld in art. 287, derde lid, Sv, ten aanzien waarvan de rechter op grond van art. 288, eerste lid, Sv bij met redenen omklede beslissing van de oproeping kan afzien, indien hij van oordeel is dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. Deze opvatting is evenwel onjuist zodat het middel faalt.1 Uit de stukken van het geding blijkt immers niet anders dan dat het verzoek tot het horen van aangeefster als getuige eerst ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is gedaan. Het verzoek betreft daarmee een verzoek tot het horen van een getuige als bedoeld in art. 315 in verbinding met art. 328 en 331, eerste lid, Sv. Voor de beoordeling van een dergelijk verzoek geldt een andere maatstaf dan waarvan de steller van het middel uitgaat.2 Dat het hof ook van die maatstaf is uitgegaan, doet daaraan niet af.

8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 2 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5691.

2 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.61.