Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:501

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-05-2020
Datum publicatie
26-05-2020
Zaaknummer
19/02307
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1158
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Aanhoudingsverzoek door niet-gemachtigde raadsman omdat hij het contact met verdachte is verloren en in de gelegenheid wil worden gesteld contact met hem te zoeken. Hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen omdat het hof niet is gebleken van enige aanwijzing dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wilde maken. Dat oordeel is volgens de AG niet begrijpelijk, mede in het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd en de omstandigheid dat de dagvaarding in hoger beroep niet in persoon is betekend. Het hof heeft er bovendien geen blijk van gegeven de vereiste belangenafweging te hebben gemaakt. De AG adviseert de Hoge Raad het arrest te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02307

Zitting 26 mei 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1.

Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 28 februari 2019 met toepassing van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam , locatie Dordrecht, van 13 december 2017. Daarbij is de verdachte wegens ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tevens is de proeftijd verlengd van een eerdere voorwaardelijke veroordeling.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.E. Olthof, advocaat te Rotterdam , heeft een middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1.

Het middel heeft betrekking op de afwijzing door het hof van het aanhoudingsverzoek dat ter zitting is gedaan. Gesteld wordt dat deze afwijzing getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet zonder meer toereikend is gemotiveerd en begrijpelijk is, omdat het hof aan die beslissing slechts ten grondslag heeft gelegd dat het hof niet is gebleken van enige aanwijzing dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wilde maken. Daarbij heeft het hof niet de vereiste belangenafweging gemaakt.

3 Procesverloop

3.1.

De stukken van het geding houden, voor zover voor beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Op 9 mei 2019 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, van 13 december 2017. Op de akte instellen hoger beroep staat als adres van verdachte vermeld [a-straat 1] , [...] te [plaats] .

(ii) De dagvaarding is op 27 december 2019 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was. Uit de Informatiestaat SKDB-persoon volgt dat de verdachte per 31 mei 2018 VOW (Vertrokken Onbekend Waarheen) is. Daarvoor stond hij per 28 januari 2018 tot 31 mei 2018 ingeschreven in de BRP op het adres [a-straat 1] te [plaats] .

(iii) Op 3 januari 2019 is tevergeefs geprobeerd de dagvaarding aan de verdachte uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Uit de akte van uitreiking volgt dat de dagvaarding niet kon worden uitgereikt op het genoemde adres, omdat volgens mededeling van degene die zich op het adres bevond, de geadresseerde daar niet woont of verblijft. De dagvaarding is op 8 januari 2019 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag. Een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar de [a-straat 1] te [plaats] .

3.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2020 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen de na te noemen verdachte.

De verdachte, gedagvaard als:

(…)

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsvrouw1 is ter terechtzitting aanwezig mr. M.E. Olthof, advocaat te Rotterdam.

Alle mededelingen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.

De raadsvrouw voert het woord en deelt het volgende mede:

Ik ben niet gemachtigd. Ik ben het contact met cliënt verloren. Na eind 2018 heb ik geen contact meer met hem gehad. Ik verzoek u de behandeling van de zaak aan te houden, om mij in de gelegenheid te stellen weer contact te zoeken met cliënt.

De advocaat-generaal voert het woord en deelt het volgende mede:

Het verzoek om de zaak aan te houden is onvoldoende ' onderbouwd. Het verzoek dient te worden afgewezen.

De voorzitter merkt op dat er geen schriftuur inhoudende grieven is ingediend.

De raadsvrouw deelt desgevraagd het volgende mede:

Ik heb geprobeerd om cliënt te bellen, maar kennelijk is zijn telefoon buiten werking. Ik heb hem ook een brief naar de [a-straat] gestuurd. Uit het contact dat ik destijds met cliënt had, heb ik begrepen dat hij het hoger beroep wilde doorzetten.

Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen, nu het hof niet is gebleken van enige aanwijzing dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken.

Het hof verleent verstek tegen de verdachte.”

4 Bespreking van het middel

4.1.

In de onderhavige zaak is het aanhoudingsverzoek door de niet-gemachtigde raadsman van de verdachte gedaan omdat hij het contact met zijn cliënt verloren was. Een dergelijk verzoek kan de rechter zonder verdere belangenafweging afwijzen, als de rechter van oordeel is dat de aan dat verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Als dat niet het geval is dan dient de rechter een belangenafweging te maken tussen het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang bij een doeltreffende en spoedige berechting en bij afwijzing van het aanhoudingsverzoek van deze belangenafweging blijk te geven.2

4.2.

Om een rechter in staat te stellen te beoordelen of er grond bestaat voor aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting, is vereist dat bij een verzoek tot aanhouding concreet de omstandigheid wordt aangevoerd die aan dat verzoek ten grondslag ligt.3 De lat daarvoor ligt niet zo hoog4, want doorslaggevend is niet of het verzoek voldoende is onderbouwd – in voorkomende gevallen moet de rechter afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden de gelegenheid bieden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien of bewijsstukken te overleggen5 – maar of hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd voldoende aannemelijk is.6 Als er bij het aanhoudingsverzoek geen feitelijke redenen worden opgegeven dan kan het al daarom worden afgewezen.7 Maar als de raadsman ter zitting uitlegt dat hij geen contact met zijn cliënt heeft gehad en dat deze de telefoon niet heeft opgenomen of gereageerd heeft op een brief8, dan moet de rechter als hij het verzoek afwijst hetzij (gemotiveerd) vaststellen dat hij het aangevoerde niet aannemelijk acht, hetzij blijk geven van een belangenafweging.9

4.3.

Blijkens de hiervoor geciteerde inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman als reden voor het aanhoudingsverzoek gegeven, dat hij het contact met zijn cliënt verloren heeft en in de gelegenheid wil worden gesteld om weer contact met hem te zoeken. Verder heeft hij aangegeven dat hij heeft geprobeerd om zijn cliënt te bellen, maar dat diens telefoon kennelijk buiten werking is, dat hij hem ook een brief naar de [a-straat] heeft gestuurd en dat hij uit het contact dat hij eerder met zijn cliënt had, heeft begrepen dat deze het hoger beroep wilde doorzetten.

4.4.

Het hof heeft niet geoordeeld dat het aanhoudingsverzoek onvoldoende concreet is onderbouwd of dat het de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk acht, maar het aanhoudingsverzoek afgewezen omdat het hof niet is gebleken van enige aanwijzing dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. Mede in het licht van de mededeling van de raadsman dat hij uit het eerdere contact met verdachte had begrepen dat hij het beroep wilde doorzetten, is het oordeel van het hof dat niet is gebleken van enige aanwijzing dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken niet begrijpelijk, temeer nu uit de stukken blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep niet in persoon aan hem is betekend, zodat de mogelijkheid bestaat dat de verdachte van de zitting niet op de hoogte was. Het hof heeft evenmin blijk gegeven van enige belangenafweging zoals vermeld onder 4.1. Nu het hof dit heeft nagelaten, heeft het zijn beslissing niet toereikend gemotiveerd.

4.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

5 Conclusie

5.1.

Het middel slaagt.

5.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof wordt mr. Olthof kennelijk abusievelijk aangemerkt als raadsvrouw. Mr. M.E. Olthof is een man.

2 HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m. nt. Mevis.

3 Vgl. HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769, rov. 3.4.

4 Zie bijvoorbeeld HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1740.

5 HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, rov. 2.4 .

6 Zie E.T. Luining, ‘Het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting en de afwijzing daarvan’, TPWS 2018/2, p. 5.

7 HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:90.

8 HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:378.

9 HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769, zie met name de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld, onder 5.5. In deze zaak was het aanhoudingsverzoek door de raadsman gedaan “in verband met het aanwezigheidsrecht van zijn cliënt”, maar verder op geen enkele manier feitelijk onderbouwd, ook niet toen de raadsman daarnaar werd gevraagd. Kennelijk heeft de Hoge Raad dit verzoek geschaard onder de categorie dat aan het aanhoudingsverzoek geen (feitelijke) reden ten grondslag is gelegd en het verzoek reeds daarom kon worden afgewezen.