Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:500

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-05-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
18/04476
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1057
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanvullende conclusie AG m.b.t. klachten b.p.’s over n-o verklaring c.q. afwijzing van hun vorderingen in de cold case-zaak t.z.v. de verkrachting en doodslag van Nicole van den Hurk in 1995. 1. Noopt art. 8 EVRM ertoe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden die een familielid verliezen t.g.v. het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander? 2. Heeft hof verzuimd om de wet ‘naar redelijkheid uit te leggen’ dan wel om te anticiperen op regelgeving waarin stieffamilie kan worden ontvangen in een vordering tot vergoeding van schade t.g.v. het overlijden van een naaste? De conclusie luidt dat de namens de b.p.’s voorgestelde middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Aanvulling op ECLI:NL:PHR:2020:398.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0426
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04476

Zitting 19 mei 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1. Dit betreft een aanvullende conclusie. Op 21 april 2020 heb ik reeds geconcludeerd over het namens de verdachte ingestelde cassatieberoep tegen het veroordelende arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 oktober 2018. Naar aanleiding van de vijf middelen van cassatie die namens de verdachte bij schriftuur zijn voorgesteld concludeerde ik dat uitsluitend het vijfde namens de verdachte voorgestelde middel slaagt. Dat betreft een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van cassatie. Aangezien die klacht gegrond is, dient dit te leiden tot vernietiging van het veroordelend arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van die gevangenisstraf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, en tot verwerping van het beroep voor het overige. Op dit onderdeel van deze conclusie kom ik niet terug.

2. Bij het genoemde arrest van 9 oktober 2018 heeft het gerechtshof de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet‑ontvankelijk verklaard in hun vorderingen en heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] afgewezen. Ik heb in dat verband op 21 april 2020 geconcludeerd dat de middelen van de benadeelde partijen betrekking hebben op beslissingen die niet aan het oordeel van de Hoge Raad zijn onderworpen en daarom onbesproken dienen te blijven.

3. Het punt was namelijk dat de beslissingen van het hof over de vorderingen van de benadeelde partijen namens de verdachte bij akte “partiële intrekking cassatie” d.d. 8 oktober 2019 van het cassatieberoep waren uitgezonderd en dat een zodanige beperking van het cassatieberoep naar mijn inzicht is toegelaten. Namens de benadeelde partijen zijn middelen van cassatie ingediend met klachten over beslissingen die – dus – niet (meer) aan cassatieberoep onderworpen zijn. Het kwam mij voor dat de Hoge Raad – vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – niet kan worden geroepen tot een oordeel over een onderdeel van het bestreden arrest dat niet aan cassatieberoep onderhevig is. Ik volgde daarin het standpunt van mijn ambtgenoot Hofstee bij conclusie van 3 maart 2020 in de zaak met rolnummer 19/00902,1 die zich op zijn beurt had aangesloten bij het standpunt van ons beider voormalige ambtgenoot Knigge.

4. In de genoemde zaak met rolnummer 19/00902, waarin A-G Hofstee op 3 maart 2020 heeft geconcludeerd, heeft de Hoge Raad onlangs uitspraak gedaan, namelijk op 12 mei 2020.2 De Hoge Raad heeft hierin uitgemaakt

dat in het geval dat (i) de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie ontvankelijk is in het ingestelde cassatieberoep en (ii) de benadeelde partij een schriftuur heeft doen indienen inzake een rechtspunt over haar vordering, de Hoge Raad bevoegd is tot de beoordeling van die namens de benadeelde partij ingediende schriftuur, ook indien de verdachte of het openbaar ministerie het cassatieberoep in die zin heeft beperkt dat het zich – bijvoorbeeld – niet richt tegen de beslissing van het hof over de vordering van de benadeelde partij.”

Dit oordeel wijkt af van het standpunt van Hofstee, en dus ook van het standpunt dat ik in de voorliggende zaak heb ingenomen. De Hoge Raad zal zich ook in de onderhanden zaak wel degelijk bevoegd achten tot een beoordeling van de namens de benadeelde partijen ingediende middelen.

5. Om die reden voel ik mij thans geroepen om alsnog dienovereenkomstig te concluderen en over te gaan tot een inhoudelijke bespreking van de middelen die namens de benadeelde partijen zijn ingediend.

6. Bij schriftuur van 14 februari 2020 heeft mr. R.A. Korver, advocaat te Amsterdam, namens [benadeelde 4] één middel van cassatie en namens [benadeelde 1] en [benadeelde 2] twee middelen van cassatie ingediend.

7. De familiaire betrekkingen van de benadeelde partijen ten opzichte van [slachtoffer] zijn niet onmiddellijk inzichtelijk. In cassatie staat het volgende niet ter discussie.

[benadeelde 4] is een zoon van [benadeelde 3] , de man die [slachtoffer] als zijn dochter heeft erkend. [benadeelde 4] is tevens de halfbroer van [slachtoffer] . [benadeelde 4] en [slachtoffer] delen hun biologische moeder.

Na de scheiding tussen [benadeelde 3] en de biologische moeder van [slachtoffer] is [slachtoffer] toegewezen aan [benadeelde 3] . Vervolgens heeft [slachtoffer] langdurig (en tot aan haar overlijden) deel uitgemaakt van het gezinsverband van [benadeelde 3] met [benadeelde 1], met wie hij zich in de echt had verbonden. [benadeelde 1] is aangesteld als (toeziend) voogd van [slachtoffer] . [benadeelde 1] heeft [slachtoffer] opgevoed als haar eigen dochter.

Van het gezin van [benadeelde 3] en [benadeelde 1] maakte ook deel uit [benadeelde 2], dochter van [benadeelde 1] , met wie [slachtoffer] als een zus door het leven ging.

De biologische moeder van [slachtoffer] is een half jaar voorafgaande aan de vermissing van [slachtoffer] overleden. De biologische vader van [slachtoffer] , een Duitser, is nooit ‘in beeld’ geweest.

Het hof heeft in deze zaak geen twijfel over het immense verdriet dat de benadeelde partijen door toedoen van de verdachte hebben ondervonden.3 Het gaat in deze procedure uitsluitend om de grenzen van de wettelijke mogelijkheden voor een financiële tegemoetkoming voor dit verdriet.

8. Het namens [benadeelde 4] ingediende middel klaagt over de afwijzing van de vordering van [benadeelde 4] op de grond dat artikel 8 EVRM er niet toe noopt dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden die een familielid verliezen als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. Volgens de steller van het middel kan op basis van artikel 6:106 onder b BW en artikel 8 EVRM wel degelijk een (immateriële) schadevergoeding worden uitgekeerd.

9. Het hof heeft over deze vordering voor zover relevant het volgende overwogen:

“D.4.

Immateriële schades

Het hof ziet aanleiding de door de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] gevorderde immateriële schadevergoeding van respectievelijk € 15.000,00 en € 17.500,00 gezamenlijk te bespreken.

D.4.1. Grondslag gevorderde immateriële schades

(…)

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft affectieschade gevorderd en daartoe aangevoerd dat hij door het gemis van het slachtoffer recht heeft op vergoeding van deze schade op grond van Europese wet- en regelgeving. Het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, is geschonden. Uit het EVRM is te destilleren dat een burger recht kan hebben op vergoeding van (affectie)schade na schending van een door het verdrag beschermd recht. De raadsman van de benadeelde partij heeft gesteld dat de in het EVRM genoemde rechten horizontale werking hebben voor Nederland en niet alleen gelden tussen overheid en burger, maar ook tussen burgers onderling, waardoor een schadevergoeding toegekend zou moeten worden voor het schenden van het recht op ‘family life’.

D.4.2. Affectieschade

Affectieschade is de immateriële schade die is veroorzaakt door het leed vanwege het overlijden van een naaste. Het hof stelt voorop dat door de dood van het slachtoffer de benadeelde partijen veel verdriet en leed is toegebracht. Op grond van het huidige Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade in verband met het verlies van een naaste zeer beperkt en komt op grond van vaste rechtspraak immateriële schade die is veroorzaakt door verdriet niet voor vergoeding in aanmerking. Een wettelijke regeling voor vergoeding van affectieschade is er op dit moment niet.

Weliswaar zal met ingang van 1 januari 2019 wetgeving in werking treden die vergoeding van affectieschade mogelijk zal maken, doch in de Memorie van Toelichting behorende bij het wetsvoorstel (kamerstukken II, 34 257, nr. 3) is overwogen dat het recht op vergoeding van affectieschade niet door het enkele in werking treden van het voorstel zal ontstaan, indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, reeds voordien waren voltooid. Voor gevallen waarin het slachtoffer overlijdt, zal de wet dus slechts gevolgen meebrengen ten aanzien van gebeurtenissen die plaatsvinden na inwerkingtreding van de wet.

D.4.3. Beoordeling

Uitgangspunt in ons recht is dat schadevergoeding slechts mogelijk is voor zover de wet daartoe de mogelijkheid opent. Uit het reeds genoemde Taxibus-arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002 volgt dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een dergelijke genoegdoening - vergoeding van affectieschade - te bieden. Die ruimte is er ook niet wanneer dergelijke schade het gevolg is van een opzettelijke begane normschending.

Voor zover de advocaten van de benadeelde partijen artikel 8 EVRM (juncto artikel 13 EVRM) aan hun vorderingen tot schadevergoeding van affectieschade ten grondslag hebben gelegd kan dit evenmin tot toewijzing van de vorderingen leiden, zoals het hof hiervoor onder D.2.2. reeds heeft overwogen bij de beoordeling van de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Het hof verwijst naar die overwegingen.

Het hof zal de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] tot vergoeding van affectieschade dan ook afwijzen.”

10. Onder D.2.2 heeft het hof voor zover relevant als volgt overwogen omtrent de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] :

Voor zover de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] tot slot heeft betoogd dat er sprake is van schending van artikel 8 EVRM, het recht op ‘family life’, en dat deze schending er toe zou moeten leiden dat er een vergoeding wordt toegekend kan dit evenmin ertoe leiden dat zij worden ontvangen in hun vorderingen. Ten aanzien van het recht op familie- en gezinsleven als neergelegd in artikel 8 EVRM heeft de Hoge Raad in het zogenoemde Taxibus-arrest (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) overwogen dat het ongeval (dat in die zaak had plaatsgevonden) als zodanig niet een inbreuk is op het recht op eerbiediging van ‘family life’. Voorts noopt artikel 8 EVRM er niet toe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan nabestaanden die een familielid verliezen als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. De Hoge Raad heeft daar in het arrest Vilt van 9 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI8583) aan toegevoegd dat dit niet anders is als het gaat om (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van de slachtoffers van een opzettelijk misdrijf. In het zogenoemde Taxibus-arrest heeft de Hoge Raad voorts nog overwogen dat het toekennen van schadevergoeding weliswaar mede kan worden gezien als een erkenning van en genoegdoening voor het verdriet wegens de dood van het slachtoffer, maar dat het niet ertoe kan bijdragen dat de nabestaanden in staat worden gesteld overeenkomstig de strekking van artikel 8 EVRM een normaal gezinsleven te leiden.

11. In de toelichting op het middel brengt de steller ervan naar voren dat het hof – door te verwijzen naar het ‘taxibus-arrest’ en het ‘arrest Vilt’ – is voorbijgegaan aan recente ontwikkelingen in de rechtspraak. Daarover het volgende.

12. Artikel 6:95 lid 1 BW bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en “ander nadeel”, maar dit laatste uitsluitend voor zover de wet (in formele zin) recht geeft op vergoeding hiervan. Met ‘ander nadeel’ wordt bedoeld schade die niet uit vermogensschade bestaat, oftewel: immateriële schade. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet, kan dus niet worden toegewezen.

13. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, verplicht het thans geldende artikel 6:108 lid 3 BW de aansprakelijke tot vergoeding van een bedrag voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden als gevolg van dit overlijden door de in lid 4 van die bepaling genoemde naasten van de overledene. Deze voorziening voor de forfaitaire vergoeding van ‘affectieschade’ (smartengeld voor naasten) is eerst in werking getreden op 1 januari 2019. Zij heeft op grond van de artikelen 68a en 69 (onder d) Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geen werking indien het overlijden – zoals in deze zaak – is ingetreden vóór de inwerkingtreding van artikel 6:108 BW in zijn huidige vorm.4

14. De vraag is dus of er voorafgaande aan 1 januari 2019 een titel bestond voor de wettelijke verplichting tot vergoeding van immateriële schade die naasten van de overledene hebben ondervonden als gevolg van een overlijden waarvoor een ander aansprakelijk is. In dit verband zijn in deze zaak artikel 8 EVRM en artikel 6:106 onder b BW de revue gepasseerd. Dit laatste artikel bepaalt voor zover relevant dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.

15. De civiele zaak die is geëindigd in het ‘taxibus-arrest’5 betreft een buitengewoon tragisch verkeersongeval waarbij een taxibusje op een woonerf achteruitrijdend over het hoofd van een vijfjarig meisje is gereden, en waarbij de moeder (die haar kind op het woonerf liet fietsen) het overleden kind met ernstig hoofdletsel aantrof. De moeder heeft als gevolg hiervan aantoonbaar zwaar psychisch trauma (PTSS) opgelopen. De chauffeur werd (zowel strafrechtelijk als) civielrechtelijk aangesproken. Het gerechtshof maakte in de civiele zaak (tegen de verzekeraar) onderscheid tussen shockschade (als gevolg van dat trauma) en affectieschade (als gevolg van het verdriet). De Hoge Raad overwoog omtrent de gevorderde affectieschade:

4.2 Het stelsel van de wet brengt mee dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden. Art. 6:108 BW [oud, D.A.] geeft immers in een dergelijk geval slechts aan een beperkt aantal gerechtigden de mogelijkheid tot het vorderen van bepaalde vermogensschade. Hoewel deze bepaling van tamelijk recente datum is, kan er grond bestaan om de redenen die tot de daarin neergelegde regeling van de schadevergoeding hebben geleid, te heroverwegen. Niet uitgesloten is dat het wettelijk stelsel onvoldoende tegemoet komt aan de maatschappelijk gevoelde behoefte om aan degenen die in hun leven de ernstige gevolgen moeten ondervinden van het overlijden van een persoon tot wie zij - zoals hier - in een affectieve relatie hebben gestaan, enige vorm van genoegdoening te verschaffen. Het gaat echter de rechtsvormende taak van de rechter te buiten te dezer zake in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een vergoeding toe te kennen. In de eerste plaats zou immers opnieuw een, aan de wetgever voorbehouden, afweging moeten worden gemaakt van de voor- en nadelen die aan het huidige stelsel verbonden zijn. Voorts vergt een herziening van het bestaande stelsel een afbakening van de gevallen waarin een vergoeding passend wordt gevonden en een concrete aanwijzing van de personen aan wie een dergelijke vergoeding toekomt. Ten slotte is het ook aan de wetgever te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, aan de toekenning van een dergelijke vergoeding financiële grenzen gesteld moeten worden in verband met de consequenties die daaraan kunnen zijn verbonden.

In het kader van de beoordeling van het incidenteel beroep van de zijde van de moeder voegde de Hoge Raad daaraan toe:

Ook al is aannemelijk dat (…) de moeder van een jong kind dat bij een ernstig verkeersongeval om het leven is gekomen, valt in de categorie van personen die het meest in aanmerking zouden komen voor de toekenning van een vergoeding ter zake van, zoals het in het algemeen wordt aangeduid, affectieschade, dan nog kan de rechter daarin niet de vrijheid vinden om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, aan haar een vergoeding toe te kennen.

16. Bovendien werd in cassatie namens de moeder betoogd dat voor zover de huidige Nederlandse wetgeving geen grondslag biedt voor toekenning van affectieschade aan ouders in geval van overlijden van een (minderjarig) kind, deze wetgeving in strijd is met artikel 8 EVRM, zodat het hof de in artikel 6:108 (oud) BW gelegen beperkingen buiten toepassing had dienen te laten. Het recht op eerbiediging van ‘family life’ tussen een ouder en zijn (minderjarig) kind leidde volgens dat betoog tot de wettelijke erkenning in de vorm van (de mogelijkheid van) toekenning van immateriële schadevergoeding aan een ouder in verband met het overlijden van een kind als gevolg van een onrechtmatige daad van een ander. De Hoge Raad passeerde dit onderdeel van het middel op grond van het volgende:

In de eerste plaats heeft de bestuurder van de taxibus die het onderhavige ongeval heeft veroorzaakt, een verkeersnorm overtreden met als tragisch gevolg voor [de moeder] het verlies van haar dochter, doch het veroorzaken van dit ongeval is als zodanig niet een inbreuk op het recht op eerbiediging van "family life" van [de moeder]. In de tweede plaats kan niet als juist worden aanvaard dat art. 8 EVRM ertoe noopt dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. Het toekennen van schadevergoeding kan weliswaar mede worden gezien als een erkenning van en genoegdoening voor het verdriet wegens de dood van een kind, maar kan niet ertoe bijdragen dat in het onderhavige geval de moeder van het kind, (…), in staat wordt gesteld overeenkomstig de strekking van art. 8 EVRM een normaal gezinsleven te leiden. Ten slotte ziet het onderdeel eraan voorbij dat art. 6:108 niet een beperking inhoudt van een bestaand recht op schadevergoeding, doch juist de grondslag biedt voor een uitbreiding van het recht op schadevergoeding waarop de benadeelde ten opzichte van wie niet onrechtmatig is gehandeld, anders geen aanspraak zou kunnen maken. Zoals hiervoor in punt 4.2 is overwogen gaat een verdere uitbreiding de rechtsvormende taak van de rechter te buiten.

17. Wat betreft shockschade overwoog de Hoge Raad daarentegen dat dergelijke schade

op grond van het bepaalde in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking [komt]. Daarvoor is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

18. In HR 9 oktober 2009, E:BI8583, oordeelde de Hoge Raad dat de algemene gezichtspunten die in het ‘taxibus-arrest’ zijn gegeven, waaronder het aspect dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om af te wijken van het restrictieve wettelijke stelsel, nog onverkort gelden, ook voor gevallen waarin het verkeersongeval opzettelijk is veroorzaakt.6 Artikel 8 EVRM schrijft niet voor dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander, aldus oordeelde de (civiele kamer van de) Hoge Raad andermaal.

19. Kortom, tot 1 januari 2019 gold als uitgangspunt dat bij letsel waarvoor een ander aansprakelijk is, alleen de gekwetste zelf aanspraak heeft op vergoeding van zijn materiële en immateriële schade. Derden hebben geen aanspraken, tenzij het gaat om zogenoemde ‘verplaatste schade’, dat wil zeggen schade die bestaat uit kosten die derden hebben gemaakt ten behoeve van het slachtoffer en die de gekwetste zelf had kunnen vorderen, indien hij deze kosten zelf had gemaakt. Onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kon een derde ook zelf als gekwetste worden aangemerkt, namelijk wanneer de derde degene is bij wie door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gewond.7

20. Twee betrekkelijk recente arresten van de strafkamer van de Hoge Raad geven géén aanleiding voor het vermoeden dat de Hoge Raad zal afwijken van dit spoor van de civiele kamer.8 Het overzichtsarrest vordering benadeelde partij9 geeft daartoe evenmin aanleiding, nu in dat arrest een toelichting wordt gegeven op de thans geldende regelgeving, waarin – zoals gezegd – wél een wettelijke grondslag is opgenomen voor een gefixeerde genoegdoening voor affectieschade. Eén overweging van de Hoge Raad is in dit verband nog wel relevant:

Onder de limitatieve opsomming in art. 6:106 BW valt niet de schade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste, de zogenoemde ‘affectieschade’. Door de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132), wordt de kring van tot schadevergoeding gerechtigden echter verruimd in die zin dat het voor de in art. 6:107, tweede lid, BW en art. 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van slachtoffers mogelijk wordt om een (forfaitaire) vergoeding van affectieschade te vorderen indien sprake is van overlijden of ernstig en blijvend letsel van het slachtoffer.

21. In de toelichting op het middel wordt gewezen op een uitspraak van de strafkamer van de Hoge Raad van 15 oktober 2019 met beschouwingen omtrent de vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien en voor zover de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast” (wederom artikel 6:106 onder b BW).10 De steller van het middel miskent echter dat het in die uitspraak niet ging om schade die werd ondervonden door derden (naasten van het slachtoffer), maar om (emotionele) schade die het gevolg was van diefstal van een voorwerp waaraan de eigenaars, de slachtoffers van de diefstal zelf, zeer waren gehecht.11

22. De Hoge Raad loopt niet uit de pas met rechtspraak van het EHRM. De zaak waarnaar de steller van het middel in zijn pleitnotities in hoger beroep verwees betreft Zavoloka/Letland, die met een inmiddels definitieve uitspraak van 7 juli 2009 is geëindigd en waarin géén schending van het EVRM (met name niet van artikel 2, noch van artikel 13 EVRM) is vastgesteld. Het ging in die zaak om de aanspraak op vergoeding van immateriële schade van de moeder van een twaalfjarig meisje dat was komen te overlijden bij een verkeersongeval waarvoor een particulier12 aansprakelijk was. Haar claim op die particulier was vanwege wettelijke beperkingen afgewezen. Het EHRM overwoog daaromtrent:

Reste toutefois la question de la réparation du dommage moral réclamé par la requérante. A cet égard, vu la grande diversité régnant dans les ordres juridiques des différents États contractants en matière de dédommagement en cas de décès, la Cour ne saurait déduire une obligation absolue et générale d’accorder une réparation pécuniaire du préjudice moral dans des situations similaires à la présente.”13

23. De hiervoor besproken jurisprudentie wijst uit dat het bestreden oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de reikwijdte van artikel 6:106 BW en de verplichtingen van artikel 8 EVRM. Evenmin acht ik dit oordeel onbegrijpelijk. De in het middel verwoorde klacht is ongegrond.

24. De twee namens [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ingediende middelen komen op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in hun vorderingen. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

25. Het hof heeft hierover het volgende overwogen:

“D.2.

Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

D.2.1 Wet- en regelgeving

Het hof stelt vast dat in de op 1 april 2017 in werking getreden Wet van 8 maart 2017, houdende implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van het Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315), uitbreiding is gegeven aan het begrip ‘slachtoffer’ in artikel 51a Sv. Een slachtoffer is niet alleen degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden, maar ook de nabestaanden, zijnde familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit.

In artikel 51a, eerste lid, onder b, Sv is nader bepaald wie onder familieleden vallen, te weten de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel een andere levensgezel van het slachtoffer, de bloedverwanten in rechte lijn, de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de vierde graad en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn.

In artikel 51f, eerste en tweede lid, Sv is nader bepaald wie zich als benadeelde partij kunnen voegen:

1. degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces;

2. indien de in het eerste lid bedoelde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.

Artikel 108, eerste lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ziet op de kring van personen die schade door het derven van levensonderhoud kunnen vorderen en het tweede lid van het wetsartikel ziet op het vorderen van kosten van lijkbezorging.

In de Memorie van Toelichting (kamerstukken II, 34 236, nr. 3) behorende bij de Wet van 8 maart 2017, waarbij richtlijn 2012/29/EU is geïmplementeerd, is opgenomen dat de richtlijn minimumnormen geeft die in de wetgeving van de EU-lidstaten moeten worden opgenomen. Bij de implementatie in Nederlandse regelgeving zal de kring van gerechtigden voor de verscheidene rechten op zijn minst even groot moeten zijn als in de richtlijn is bepaald. Het is mogelijk dat de nationale wetgever de kring ruimer trekt, dan in de richtlijn is geschied.

De definitie van «slachtoffer» is in de richtlijn tweeledig:

1. Een natuurlijke persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade of economisch nadeel, heeft geleden;

2. Familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit en die schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van die persoon.

Onder «familieleden» wordt verstaan (hof: artikel 2, eerste lid onder b van de EU-richtlijn): de echtgenoot, de persoon die met het slachtoffer in een vaste intieme relatie, in een gemeenschappelijk huishouden en duurzaam en ononderbroken samenwoont, de bloedverwanten in rechte lijn, de broers en zussen, en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn. De terminologie «de persoon die met het slachtoffer in een intieme relatie, in een gemeenschappelijk huishouden en duurzaam en ononderbroken samenwoont» is in Nederland niet gebruikelijk. De bedoelde groep is te scharen onder de in het Nederlands recht gebruikte begrippen «geregistreerde partner of een andere levensgezel», aldus de Minister van Veiligheid en Justitie. In één opzicht is de kring in artikel 51e Sv ruimer dan in de richtlijn. Dit artikel omvat bloedverwanten in de zijlijn «tot de vierde graad ingesloten», terwijl de richtlijn zich beperkt tot broers en zussen (artikel 2, eerste lid, onder b). De Minister van Veiligheid en Justitie handhaaft de bredere Nederlandse kring van bloedverwanten in de zijlijn, door de definitie van familieleden uit te breiden met deze groep.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 8 maart 2017 is door de Kamerleden Swinkels en Bergkamp een amendement ingediend (kamerstukken II, 34 236, nr. 14), dat later is gewijzigd (kamerstukken II, 34 236, nr. 21). In het gewijzigde amendement is voorgesteld om in artikel 51a, eerste lid, na “tot en met de vierde graad” in te voegen: “de personen die met een slachtoffer een gezin vormen of hebben gevormd en in een nauwe persoonlijke betrekking tot dat slachtoffer staan”. In de toelichting op het amendement is genoemd dat dit amendement regelt dat de stieffamilie van slachtoffers dezelfde rechten wordt toegekend als bloedverwante familie. Het amendement is op 11 april 2016 door de Tweede Kamer verworpen. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in zijn brief van 11 april 2016 toegezegd nader te onderzoeken of de kring van gerechtigden kan worden uitgebreid (kamerstuk 34 236, nr. 19). Dit heeft niet geleid tot een aanvulling op artikel 51a, eerste lid, onder b, Sv.

D.2.2. Beoordeling

Voor zover de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft betoogd dat, ondanks dat zij geen nabestaanden zijn in de formele zin van de wet, primair wel ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat zij rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van de door de verdachte begane feiten (het hof begrijpt dat hij bedoelt: op basis van artikel 51f, eerste lid, Sv), is het hof van oordeel dat de door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gevorderde schades niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade in de zin van de wet.

Voor zover de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] subsidiair een beroep heeft gedaan op richtlijn 2012/29/EU stelt het hof allereerst vast dat de wetgever de richtlijn geïmplementeerd heeft. Daarmee heeft de wetgever uitbreiding gegeven aan het slachtofferbegrip en gedefinieerd welke familieleden als nabestaanden op grond van artikel 51a Sv worden beschouwd. Stieffamilie is in die definitie niet opgenomen.

Voorts stelt het hof vast dat de wetgever ook met de laatste wijziging per 1 april 2017 (op dit onderwerp) geen uitbreiding heeft gegeven aan de voegingsgerechtigden als bedoeld in artikel 51f, eerste en tweede lid, Sv. Los daarvan, hebben Europese richtlijnen geen horizontale werking (dat wil zeggen: tussen burgers onderling), maar verticale werking, waardoor richtlijnen alleen inroepbaar zijn tussen de burger en de overheid.

Voor zover de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] tot slot heeft betoogd dat er sprake is van schending van artikel 8 EVRM, het recht op ‘family life’, en dat deze schending er toe zou moeten leiden dat er een vergoeding wordt toegekend kan dit evenmin ertoe leiden dat zij worden ontvangen in hun vorderingen. Ten aanzien van het recht op familie- en gezinsleven als neergelegd in artikel 8 EVRM heeft de Hoge Raad in het zogenoemde Taxibus-arrest (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) overwogen dat het ongeval (dat in die zaak had plaatsgevonden) als zodanig niet een inbreuk is op het recht op eerbiediging van ‘family life’. Voorts noopt artikel 8 EVRM er niet toe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan nabestaanden die een familielid verliezen als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. De Hoge Raad heeft daar in het arrest Vilt van 9 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI8583) aan toegevoegd dat dit niet anders is als het gaat om (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van de slachtoffers van een opzettelijk misdrijf. In het zogenoemde Taxibus-arrest heeft de Hoge Raad voorts nog overwogen dat het toekennen van schadevergoeding weliswaar mede kan worden gezien als een erkenning van en genoegdoening voor het verdriet wegens de dood van het slachtoffer, maar dat het niet ertoe kan bijdragen dat de nabestaanden in staat worden gesteld overeenkomstig de strekking van artikel 8 EVRM een normaal gezinsleven te leiden.

Het voren overwogene brengt het hof tot het oordeel dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ter zake de door hen gevorderde schades niet voegingsgerechtigd zijn en daarom niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen.

D.2.3. Overige overwegingen

Het hof realiseert zich dat dit voor [benadeelde 1] en [benadeelde 2] teleurstellend is en dat zij zich graag in deze zaak erkend en benoemd zouden willen zien als voegingsgerechtigd, maar het hof is gebonden aan de wetgeving en kan en mag daar niet buiten treden.

Ten overvloede merkt het hof op dat ook op inhoudelijke gronden het hof niet tot enige toewijzing van beide vorderingen had kunnen komen, zoals zal blijken uit hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 4] .

26. Beide middelen bestrijden niet zozeer deze overwegingen van het hof, maar klagen blijkens de toelichting over het verzuim om de wet ‘naar redelijkheid’ uit te leggen (eerste middel) dan wel om te anticiperen op regelgeving waarin stieffamilie kan worden ontvangen in een vordering tot vergoeding van schade als gevolg van het overlijden van een naaste (tweede middel).

27. Hiertoe wordt (onder beide middelen) aangevoerd dat het hof wél heeft geanticipeerd op toekomstige wetgeving aangaande de uitbreiding van het spreekrecht, namelijk door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] toe te staan om ter terechtzitting als naasten te spreken, en dat het hof dit (dus) ook had kunnen én moeten doen ten aanzien van (toekomstige) wetgeving die voorziet in een wettelijke grondslag voor de genoegdoening voor ernstig geestelijk leed dat is ondervonden door:

- (artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub e BW) “degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene [had]”, en dat is in deze zaak degene die als een moeder voor [slachtoffer] was, [benadeelde 1] , en

- (artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub g BW) “een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene [stond], dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt”, en dat is in deze zaak degene die als een zus voor [slachtoffer] was, [benadeelde 2] .

28. Hierover het volgende. Zoals hierboven besproken naar aanleiding van het middel dat namens [benadeelde 4] is voorgesteld, kent ons recht het uitgangspunt dat schadevergoeding slechts is verschuldigd voor zover de wet daartoe de mogelijkheid opent. De leden 3 en 4 van artikel 6:108 BW openen inderdaad de mogelijkheid waarnaar de benadeelde partijen in deze zaak zoeken, maar deze bepalingen hebben géén werking indien het overlijden is ingetreden vóór inwerkingtreding van deze bepalingen. Dat laatste was op 1 januari 2019, terwijl [slachtoffer] in 1995 is overleden. De wet laat dus niet toe dat op grond van deze bepalingen een forfaitair bedrag aan smartengeld wordt toegekend aan de in die bepaling bedoelde naasten.

29. Dat het overgangsrecht in dit geval eerbiedigende werking heeft, en (dus) het voorheen geldende recht van toepassing verklaart op hetgeen voorafgaande aan de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen is voorgevallen, laat zich begrijpen doordat het hier gaat om een civiele aansprakelijkheid (voor de gevolgen van een gebeurtenis) die nog niet bestond op het moment waarop de gebeurtenis plaatsvond. In die zin valt er een parallel te trekken met artikel 1 Sr, dat voorschrijft dat de dader alleen strafbaar is voor een gedraging die op het moment waarop zij plaatsvond bij wet strafbaar is gesteld.

30. Daarmee wordt meteen duidelijk waarom het anticiperen (door het hof) op de wettelijke uitbreiding van het spreekrecht niet op één lijn mag worden gesteld met het anticiperen op wetgeving die een wettelijke verplichting tot vergoeding van immateriële schade van naasten van de overledene in het leven roept. Het beroep op het motiveringsbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid, artikel 361 lid 4 Sv en artikel 3:3 Awb doet daaraan niet af. De (vermeende) schending van die beginselen en bepalingen, voor zover überhaupt van toepassing,14 kunnen geen wettelijke grondslag vormen voor de gevorderde financiële tegemoetkoming.

31. Ook de verwijzing naar de brief d.d. 22 februari 2018 van de minister voor Rechtsbescherming aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal kan de benadeelde partijen niet baten.15 In deze brief uit begin 2018 presenteerde de minister zijn meerjarenagenda voor het slachtofferbeleid waarmee hij beoogde handen en voeten te geven aan de (wetgevings)ambities uit het Regeerakkoord. Eén van die ambities betrof het invoeren van wetgeving waardoor het vorderen van affectieschade, ook voor stiefkinderen en stiefouders, mogelijk wordt gemaakt. Die ambitie heeft de minister waargemaakt met het wetsvoorstel waaraan hij in diezelfde brief ook refereert, te weten het voorstel dat strekt tot de (reeds besproken) wijziging van onder meer artikel 6:108 BW.16 De enkele presentatie van nieuwe wetgeving brengt echter geen verandering teweeg in het overgangsrecht dat op de wetswijziging van toepassing is.

32. De in de twee middelen ontwikkelde klachten zijn ongegrond.

33. De middelen die namens de benadeelde partijen zijn voorgesteld kunnen niet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:PHR:2020:195.

2 ECLI:NL:HR:2020:837.

3 Zie de overwegingen van het hof op p. 82-83 van het bestreden arrest, zoals ook opgenomen in de citaten in het vervolg.

4 Art. 68a Overgangswet NBW luidt: “1. Van het tijdstip van haar in werking treden af is de wet van toepassing, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door de wet voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten, tenzij uit de volgende artikelen iets anders voortvloeit. 2. Voor zover en zolang op grond van de volgende artikelen de wet niet van toepassing is, blijft het vóór haar in werking treden geldende recht van toepassing.” Art. 69 Overgangswet NBW luidt voor zover relevant: “Wanneer de wet van toepassing wordt, heeft dat niet tot gevolg dat alsdan: (…) d. een vorderingsrecht ontstaat, indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, reeds voordien waren voltooid; (…).” Art. 68a en art. 69 Overgangswet NBW maken onderdeel uit van de algemene overgangsbepalingen in verband met de Boeken 3 t/m 10. Art. 173 Overgangswet NBW bevat eveneens overgangsbepalingen, maar dan specifiek voor de bepalingen in Boek 6 BW. Deze bepaling is wel relevant maar voorziet in een regeling voor hier niet toepasselijke uitzonderingsituaties. Ook Linderbergh tekent met juistheid aan dat art. 6:108 leden 2-6 geen werking hebben indien het overlijden intreedt vóór inwerkingtreding van deze bepalingen (1 januari 2019), maar grondt dat standpunt (m.i. abusievelijk) op art. 173 Overgangswet NBW. Zie S.D. Lindenbergh in: Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek, art. 6:108 BW, aant. 10 (Kluwer online, bijgewerkt tot 5 december 2019). Zie over het overgangsrecht ook het standpunt van de minister in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wetswijziging van (o.a.) art. 6:108 BW, Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 9.

5 HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 m.nt. Vranken.

6 HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583, NJ 2010/387 (Kleijnen/Reaal).

7 Zie hierover in het algemeen: C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht 6. Verbintenissenrecht. Deel II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 144 e.v., en met name: p. 149-150, en 154. Ook Sieburgh achtte voor vergoeding van affectieschade een wetswijziging nodig (die inmiddels in werking is getreden).

8 HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241, NJ 2017/89; HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201, NJ 2017/88: “Gelet op HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden als door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ik wijs in dit verband ook op de twee uitspraken inzake de ‘Drentse roofmoorden’, HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:718 en 720, met voorafgaande conclusies van Spronken; HR (telkens): 81 RO.

9 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379.

10 HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468, onder verwijzing naar het overzichtsarrest benadeelde partij dat in de vorige voetnoot is genoemd, en onder verwijzing naar een uitspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad, HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162.

11 Zie voor een ander voorbeeld waarin het ook niet ging om naasten van het slachtoffer, maar om het psychische leed van het slachtoffer zelf, zijnde het gevolg van een mishandeling: HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519, NJ 2012/410.

12 Het ging hier dus niet om de aansprakelijkheid van een lidstaat bij het EVRM. Dat is van belang omdat het EHRM in enkele gevallen waarin een lidstaat (mede) verantwoordelijk was voor het overlijden, heeft geoordeeld dat de naaste van het slachtoffer jegens de staat aanspraak moet kunnen maken op smartengeld. Zie o.a. EHRM 17 juni 2005, 50196/99 (Bubbins/VK), § 172, en EHRM 13 maart 2012, 2694/08 (Reynolds/VK), § 60.

13 EHRM 7 juli 2009, 58447/00 (Zavoloka/Letland), § 40. De tekst van het arrest is alleen beschikbaar in een Franse en een Russische versie. Er is wel een Engelstalige legal summary. De hierboven geciteerde passage is daarin als volgt weergegeven: “Concerning the compensation for non-pecuniary damage claimed by the applicant, in view of the great diversity that reigned in the legal orders of the different contracting States in the field of compensation in the event of death, the Court could not infer that there was a general and absolute obligation to award pecuniary compensation for non-pecuniary damage in situations similar to that of the applicant. Ik vond in de jurisprudentiedatabank van het EHRM, HUDOC, geen rechtspraak waarin het EHRM op dit oordeel is teruggekomen.

14 Het beroep op art. 3:3 Awb miskent dat het gerechtshof geen bestuursorgaan is, zie art. 1:1 lid 2 sub c Awb.

15 Kamerstukken II 2017/18, 33 552, nr. 43.

16 Zie de verwijzing naar ‘het wetsvoorstel affectieschade’ (p. 8) en het daarmee corresponderende nummer van de kamerstukken: 34 257, genoemd in voetnoot 14 van die brief.