Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:49

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-01-2020
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
19/03928
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:397
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Herziening. Snelheidsovertreding begaan door een onbekend gebleven bestuurder van een personenauto waarvan de aanvrager eigenaar of houder is als bedoeld in art. 1 van de Wegenverkeerswet 1994. De aanvraag is gestoeld op de stelling dat de aanvrager – aan wie als eigenaar of houder van het motorrijtuig de straf was opgelegd – op grond van art. 181, derde lid en onder b, WVW 1994 tijdig de naam en de volledige adresgegevens van de bestuurder van de op zijn naam staande auto ten tijde van de snelheidsovertreding bekend heeft gemaakt, maar dat die bekendmaking de kantonrechter bij de behandeling van de zaak niet bekend was. Conclusie strekt tot gegrondverklaring van de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03928 H

Zitting 21 januari 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[aanvrager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

hierna: de aanvrager.

1. Bij verzoekschrift van 20 augustus 2019 heeft mr. W.A.J.A. Welten, advocaat te Breda, namens de aanvrager herziening aangevraagd van een bij verstek gewezen vonnis van 30 juli 20191 van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant. Bij dit onherroepelijk geworden vonnis is de aanvrager wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 62 jo. bord A1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” veroordeeld tot een geldboete van € 770,00, subsidiair vijftien dagen hechtenis. Daarnaast is aan de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk ontzegd voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.

2. De aanvrager is veroordeeld wegens een snelheidsovertreding begaan door een onbekend gebleven bestuurder van een personenauto waarvan hij, de aanvrager, eigenaar of houder, als bedoeld in art. 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), is. In een dergelijk geval voorziet art. 181, eerste lid, WVW 1994 in de mogelijkheid om de eigenaar of houder van de auto te bestraffen voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is. Ingevolge art. 181, derde lid en onder b, WVW 1994 geldt het eerste lid van dat artikel bij de berechting niet indien de eigenaar of houder uiterlijk op de dag vóór de terechtzitting schriftelijk en onder vermelding van de zaak en de dag van de terechtzitting de naam en het volledige adres van de bestuurder aan het Openbaar Ministerie bekend maakt.2

3. De aanvraag is gestoeld op de stelling dat de aanvrager – aan wie als eigenaar of houder van het motorrijtuig de straf was opgelegd – op grond van art. 181, derde lid en onder b, WVW 1994 tijdig de naam en de volledige adresgegevens van de bestuurder van de op zijn naam staande auto ten tijde van de snelheidsovertreding bekend heeft gemaakt, maar dat die bekendmaking de kantonrechter bij de behandeling van de zaak niet bekend was.

4. Ter onderbouwing van de aanvraag zijn onder meer (kopieën van) de volgende stukken bij de aanvraag gevoegd:

(i) de aan de aanvrager gerichte dagvaarding om op 30 juli 2019 voor de kantonrechter te verschijnen, met als parketnummer 96-090176-19 en als afzender Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (productie 1);

(ii) een brief van de aanvrager van 10 juli 2019 gericht aan Parket Centrale Verwerking O.M., Openbaar Ministerie, Postbus 8267, 3503 RG Utrecht.3 Uit de bijgevoegde bon kan worden afgeleid dat op 15 juli 2019 een aangetekende brief met barcode 3SRPKS646538172 is verzonden naar het genoemde postbusnummer. De brief vermeldt het onder (i) genoemde parketnummer alsmede dat de “dagvaarding / tenlastelegging” is bijgevoegd, waarin de datum van de terechtzitting is vermeld. Verder houdt de brief in dat de aanvrager niet de bestuurder was op het moment van het strafbare feit, maar dat de auto op dat tijdstip werd bestuurd door: [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats], adres: [a-straat 1] [postcode] [plaats]. (productie 2);

(iii) een afdruk van een schermafbeelding die inhoudt dat de zending met de onder (ii) vermelde barcode op “dinsdag 16 juli 8.18 uur”4 op het onder (ii) vermelde adres is bezorgd (productie 3);

(iv) een e-mailbericht van mr. Welten namens de aanvrager van 19 augustus 2019, gericht aan de administratie van de strafsector van de rechtbank Oost-Brabant. Hierin refereert mr. Welten aan het onherroepelijk geworden vonnis van 30 juli 2019 van de kantonrechter en stelt hij de vraag “of de kantonrechter bij zijn beslissing tot veroordeling de aangetekende brief van mijn cliënt, gericht aan het CVOM en gedateerd 10 juli 2019, heeft meegenomen” (productie 5);

(v) een aan mr. Welten gericht e-mailbericht van een administratief medewerkster bij de administratie strafrecht van de rechtbank Oost-Nederland, dat inhoudt: “Ten tijde van de zitting was de kantonrechter inderdaad niet op de hoogte van de brief van de verdachte. Ook de OvJ heeft hier niets over mede gedeeld” (productie 5).

5. De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder c, Sv. Ingevolge die bepaling kan als grondslag voor een herziening dienen een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt en wel zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

6. Uit de hiervoor onder 4 weergegeven bijlagen bij de aanvraag, aan de herkomst en de betrouwbaarheid waarvan niet hoeft te worden getwijfeld, volgt dat de door de aanvrager aan het openbaar ministerie gezonden brief van 10 juli 2019 bij het onderzoek ter terechtzitting aan de kantonrechter niet bekend was. Het ernstige vermoeden rijst dat indien de aan het openbaar ministerie gezonden brief wel aan de kantonrechter bekend was geweest, het onderzoek zou hebben geleid tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de aanvrager.5 Dat betekent dat de aanvraag gegrond is.

7. Deze conclusie strekt tot gegrondverklaring van de aanvraag, met (voor zover nodig) een bevel tot opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak en met verwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch opdat deze op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de zaak met parketnummer 96-090176-19.

2 Met de term ‘terechtzitting’ wordt gedoeld op de terechtzitting in eerste aanleg. Vgl. HR 12 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AC2679, NJ 2000/24 en HR 12 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3568, NJ 2005/351.

3 Dit adres betreft volgens informatie op de website van het Openbaar Ministerie het postadres van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie.

4 Ik ga ervan uit dat is bedoeld: 16 juli 2019. Deze datum viel op een dinsdag.

5 HR 6 december 2011, ECLI:NL:BT2517, rov. 2.4.