Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:476

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-05-2020
Datum publicatie
19-05-2020
Zaaknummer
19/02310
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1074
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Motivering afwijzing getuigenverzoek(en). Slagende klacht dat het hof het bij tijdig ingediende appelschriftuur gedane en ter terechtzitting herhaalde getuigenverzoek niet begrijpelijk heeft afgewezen. Ook de klacht over de motivering van de afwijzing van het ter terechtzitting gedane herhaalde (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van die getuige slaagt. Strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02310

Zitting 19 mei 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 8 mei 2019 de verdachte wegens 1 subsidiair "opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Namens de verdachte heeft W. van der Zwaag, administratief ambtenaar bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, op 9 mei 2019 beroep in cassatie ingesteld. Dit cassatieberoep is blijkens de “Akte partiële intrekking cassatie” op 18 november 2019 gedeeltelijk ingetrokken, “in dier voege dat verdachte zich verenigt met de door het hof gegeven vrijspraken van de aan hem onder feit 1 primair, 2 en 3 gegeven vrijspraken”. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van de verzoeken van de raadsman van de verdachte tot het horen van de getuige [betrokkene 1].1

4. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht richt zich op de (motivering van de) afwijzende beslissing van het hof van het bij tijdig ingediende appelschriftuur gedane en ter terechtzitting in hoger beroep herhaalde verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1]. De tweede deelklacht richt zich op (de motivering van) ‘s hofs afwijzende beslissing op het door de raadsman bij gelegenheid van pleidooi gedane voorwaardelijke verzoek tot het horen van deze getuige.

De eerste deelklacht

5. Aan verdachte was – vóór de wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2019 – onder 1 subsidiair tenlastegelegd dat:

“hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 2 maart 2016 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân, in ieder geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten - een kredietovereenkomst waarop een verkeerd geboortejaar van verdachte [verdachte] stond en/of - één of meer bankafschriften waarbij één of meer bedragen en/of namen van debiteur(en) en/of crediteur(en) zijn veranderd en/of bijgeplaatst als ware het echt en onvervalst, door die stukken in te dienen bij Frisia Financieringen en/of Interbank ten behoeve van een kredietverstrekking”.

6. Het procesverloop in hoger beroep luidt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, als volgt:

(i) Bij ‘Akte instellen hoger beroep’ van 4 december 2017 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 1 december 2017;

(ii) Bij appelschriftuur van 18 december 2017 heeft de raadsman verzocht om de getuige [betrokkene 1] te horen en dit verzoek als volgt onderbouwd:

“Client wenst in hoger beroep de reeds in eerste aanleg verzocht getuige, [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1961, [geboorteplaats]. Laatst bekende telefoonnummer is [telefoonnummer]) te horen. In hoger beroep is – anders dan in eerste aanleg het geval was – het verdedigingsbelang van toepassing.

Ik acht het verzoek op de gronden in eerste aanleg naar voren gebracht, voor toewijzing vatbaar.

Immers kan [betrokkene 1] de verklaring van cliënt omtrent de afspraken tussen cliënt en [betrokkene 1] mbt de lening bevestigen, en kan hij voorts verklaren omtrent het plegen van de valsheid die cliënt ontkent. Het is in dat licht immers aannemelijk dat [betrokkene 1] daarvoor verantwoordelijk is.”

(iii) Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 24 april 2019 vermeldt het volgende (vetgedrukt in het origineel):

“De raadsman deelt mee het in de appelschriftuur gedane verzoek om [betrokkene 1] te horen, te herhalen en daarvoor enige onderbouwing te hebben.

De voorzitter deelt mee eerst vragen aan verdachte te zullen stellen met betrekking tot de feiten.

Op vragen van de voorzitter antwoordt de verdachte als volgt, zakelijk weergegeven:

Ik heb helemaal niks vervalst. Ik heb een man genaamd [betrokkene 1] ontmoet tijdens een zakentrip. Hij had een verhaal over de aankoop van bitcoins. Die waren toen nog maar vierhonderd euro. [betrokkene 1] zei dat hij kon regelen dat ik veertig bitcoins kon kopen. Ik zei dat dat niet lukt omdat ik het geld niet had. Hij zei dat hij wel een lening kon regelen. Ik vertelde dat ik een BKR-registratie had, waarop hij zei dat hij een ingang had waardoor ik met een BKR-registratie wel kon lenen. [betrokkene 1] zei dat de kosten ongeveer € 1.000,- zouden zijn. Ik dacht: als ik daarmee € 16.000,- kan krijgen, heb ik dat er wel voor over. [betrokkene 1] heeft alles aangevraagd en de formulieren ingevuld. Ik heb bankafschriften opgevraagd en doorgemaild. [betrokkene 1] is bij mij thuis geweest. Vanuit mijn huis is alles doorgemaild naar Frisia. Ik ging er van uit dat alles integer ingevuld was. Een week of drie, vier daarna werd ik gebeld door de bank of ik afschriften van een jaar kon doormailen. Die heb ik zelf opgevraagd en rechtstreeks naar die mevrouw gestuurd. Die afschriften bleken niet te stroken met hetgeen [betrokkene 1] voor mij ingediend had. Tevens werd er gezegd dat ik een verkeerde geboortedatum had ingevuld dat is onzin, want ik heb een kopie van mijn paspoort doorgemaild naar Frisia waar mijn juiste geboortedatum op staat. Het stond fout op het formulier, ik heb klakkeloos getekend. Ik heb € 1.060,- betaald voor de diensten van [betrokkene 1].

Ik heb [betrokkene 1] voor het eerst in september of oktober 2015 gesproken. U vraag waarom het zo lang heeft geduurd voordat de aanvraag is ingediend, namelijk eind januari 2016. We hebben een vervolggesprek gehad. In december is pas met de aanvraag gestart. Ik heb in december geld aan hem betaald.

Ik heb het geld overgemaakt op naam van een compagnon van [betrokkene 1] in Spanje. [betrokkene 1] wilde dat het via Western Union ging, dan hoefde hij geen belasting in Nederland te betalen. Ik heb de betaling bij Western Union in Sneek gedaan. Ik heb hiervoor instructies van [betrokkene 1] gekregen. [betrokkene 1] zei dat de persoon aan wie ik het geld moest overmaken een compagnon van hem was, en dat hij het altijd zo deed omdat hij er geen belasting over hoefde te betalen in Spanje. Het koste € 50,- extra om het bij Western Union te doen.

U vraagt mij of ik altijd van tevoren betaal en dan afwacht of de diensten geleverd worden. De voorbereidingen waren getroffen en toen ben ik hem gaan betalen. [betrokkene 1] was eerder al bezig met kijken bij welke instelling hij terecht kon. In december heb ik bij Western Union betaald conform de instructies die ik van hem had gekregen. U vraagt mij of ik dat normaal vind. Ik was allang blij dat hij een mogelijkheid zag om een lening te krijgen. Ik dacht dat ik met mijn BKR-registratie geen lening kon krijgen. Ik was te naïef op dat moment, te blij dat ik een lening kon krijgen.

Ik heb [betrokkene 1] na die tijd nog gesproken, dat de lening niet door was gegaan omdat de gegevens niet correct waren. Ik heb toen € 500,- contant van hem teruggekregen. Ik heb hem in Amsterdam getroffen. Hij komt daar elke maand een keer.

[betrokkene 1] is bij mij thuis geweest voor het regelen van de aanvraag. Bepaalde stukken die ik had getekend, zijn vanuit mijn huis, via mijn wifi-netwerk op zijn laptop naar de financieringsinstelling verstuurd. Ik moest papieren tekenen. Hij moest erbij zijn omdat hij de aanvraagpapieren allemaal had. Dat was van tevoren ingevuld en ik heb getekend. [betrokkene 1] heeft toen alles doorgemaild bij mij thuis. Ik was van plan hem contant te betalen, maar dat kon niet omdat hij het via Western Union wilde doen.

Het klopt dat ik de handtekening van mijn vrouw en mijzelf onder de aanvraag heb gezet. Ik heb zonder toestemming van mijn vrouw voor haar getekend. Ze zou niet heel vrolijk zijn geweest dat ik zoveel geld uitgaf.

Ik heb de papieren niet meer gelezen, ik had compleet vertrouwen in [betrokkene 1]. Ik had hem al een paar keer getroffen in Lesotho. Ik zat voor iets heel anders in Afrika dan hij. Hij had veel ervaring met dit soort aanvragen, vertelde hij. Ik kreeg pas wantrouwen toen ik een telefoontje kreeg van een mevrouw van de bank, die mij vragen stelde en vroeg of ik nog een keer bankafschriften voor een jaar kon opsturen. Dat heb ik via de mail gedaan. Ik weet niet meer wanneer ik dat heb gedaan. Op grond van die stukken bleek dat hetgeen [betrokkene 1] voor mij had ingediend anders was dan de bankafschriften die ik zelf had gestuurd.

De oorspronkelijke kredietaanvraag is op 27 januari bij Frisia gedaan. Ik heb getekend en toen is het hele spul opgestuurd. [betrokkene 1] heeft op 27 januari het verzoek ingediend. Ik heb ook zelf stukken opgestuurd, volgens mij naar kantoor, volgens mij in Emmeloord. [betrokkene 1] heeft ook de rekeningafschriften opgestuurd. Ik heb ook dingen op papier ondertekend, die heb ik aan hem meegegeven omdat hij de behandelende man was. Ik neem aan dat hij die stukken alleen nog op de post heeft gedaan. Ik heb er geen enkele kopie van. Ik heb op papier getekend en ik heb begrepen dat hij dingen digitaal verstuurd heeft. Het is achteraf helemaal niet logisch dat ik ruim duizend euro aan hem heb betaald en er geen enkel bewijs van heb. Het is oerdom. Ik snap dat het een lastig te begrijpen verhaal is. Ik zou het zeer op prijs stellen als [betrokkene 1] hier zijn woord kan doen. Hij kan vertellen wat hij heeft ingevuld, en wat hij niet juist heeft ingevuld. Ik was blij, ik dacht een lening te kunnen krijgen. Ik was niet van plan te stelen, ik wilde de lening aanvragen en terugbetalen. Ik ben te goed van vertrouwen geweest.

Ik heb wel vaker voor mijn echtgenote getekend. Wij hadden geen geheimen meer voor elkaar. Als ik het geld had gekregen, had ik het wel gezegd. Het klopt dat we ruzie hadden gekregen als ze erachter was gekomen.

Ik heb bij de politie niet mijn kant van het verhaal verteld, omdat ik strikt de opdracht had gekregen van mijn advocaat om niks te verklaren. Wij werden van huis gehaald om te worden verhoord. Mijn vrouw en ik hebben een nacht in de cel doorgebracht.

(…)

Op vragen van de oudste raadsheer antwoordt de verdachte als volgt, zakelijk weergegeven:

[betrokkene 1] zei dat bitcoins misschien richting de € 2.000,- gingen. Ik vond het een makkelijke manier om geld te verdienen, en dan kon ik de lening terugbetalen op basis van de winst.

Ik had een hypotheek op het huis in Sneek waar ik destijds woonde. Het bedrag van € 450,- klopte wel als hypotheek, maar dat ging niet via de bank. Ik had de hypotheek lopen bij een zakenrelatie van mij. Die heeft mijn huis destijds gefinancierd. Later stond het huis weer op naam van de zakenpartner en huurden we het voor hetzelfde bedrag.

De salarisbedragen van de Stichting [A], op naam van mijn vrouw, gingen nooit via de bank. Dat heeft [betrokkene 1] in het bankafschrift gezet. Toen ik de afschriften later rechtstreeks stuurde, klopte dat dus niet. Het salaris was geen fysiek tastbaar geld, het was fiscaal vastgesteld dat wij dat zouden krijgen uit de stichting.

[betrokkene 1] had er belang bij omdat ik via zijn bemiddeling bitcoins zou aankopen.

Ik kon zelf een lening niet voor elkaar krijgen. Ik had geen verstand van bitcoins. [betrokkene 1] gaf het advies dat bitcoins € 2.000,- waard zouden worden en ik wilde daar dan wel € 16.000,- voor uitgeven.

U vraagt mij hoe ik wel een lening kon krijgen via [betrokkene 1] als ik wist dat ik geen lening kon krijgen via de reguliere weg. Je ziet wel vaker reclame over leningen met een BKR-registratie. [betrokkene 1] heeft dat voor meer cliënten gedaan. De rente was tien of elf procent. Op basis van de voorspelling die [betrokkene 1] had gedaan, dacht ik dat het makkelijk kon, en dat ik binnen een jaar kon terugbetalen.

Op vragen van de jongste raadsheer antwoordt de verdachte als volgt, zakelijk weergegeven:

[betrokkene 1] is op 27 januari 2015 bij mij thuis geweest, en daarvoor al vaker. Het klopt dat de getekende papieren toen door [betrokkene 1] met zijn laptop op mijn wifi verzonden zijn. U vraagt hoe de getekende papieren in de laptop zijn gekomen. Ik heb hem stukken gemaild die hij nodig had, zoals bankafschriften. Ik heb het aanvraagformulier getekend. U vraagt hoe papieren die u ter plekke en in bijzijn van [betrokkene 1] tekende in de laptop van [betrokkene 1] konden komen. Er zijn stukken gescand, via een scanapparaat van hem. Hij had ook een USB-stick. Het ging omslachtig. De week ervoor heb ik ook allemaal dingen moeten tekenen van hem. U houdt mij voor dat als ik ter plekke kon scannen ik het ook zelf had kunnen mailen. Ik had volledig vertrouwen in hem. Hij gaf aan dat het hoogstens veertien dagen zou duren. De intentieverklaring dat ik [betrokkene 1] opdracht zou geven veertig bitcoins te kopen, heb ik fysiek getekend toen [betrokkene 1] de eerste keer bij mij thuis was. Ik heb er zelf niks meer van, ik heb nergens papieren of digitale kopieën van. Het enige dat ik heb zijn de juiste bankafschriften.

(…)

De raadsman deelt het volgende mee:

Ik heb een nadere toelichting voor het verzoek om [betrokkene 1] te horen. De verdediging heeft op 4 december 2017 hoger beroep ingesteld. Op 18 december 2017 is de appelschriftuur gestuurd, waarin het verzoek is gedaan om [betrokkene 1] te horen. Het criterium van het verdedigingsbelang is van toepassing. Het is heel vervelend dat de appelschriftuur niet bij de stukken zat en dat het hof er pas twee weken geleden kennis van heeft genomen. De advocaat-generaal heeft gezegd dat het noodzaakcriterium van toepassing is, omdat stukken dienen te worden ingediend voor sluitingstijd van de griffie. Dit geldt uitdrukkelijk niet voor stukken waarvoor geen handelingen van de griffie nodig zijn. Voor het indienen van een appelschriftuur zijn geen handelingen nodig. De uitzondering dan wel regel die de advocaat-generaal noemde, geldt niet. Het verdedigingsbelang is van toepassing.

Uit HR 2014:1496 blijkt dat ten aanzien van verzoeken waarop het verdedigingsbelang van toepassing is, terughoudend gebruik moet worden gemaakt van de mogelijkheid om dergelijke verzoeken af te wijzen. De motivering had uitgebreider gekund. Er wordt verwezen naar het verweer dat in eerste aanleg is gevoerd. Ik kan geen handen en voeten geven aan het verweer dat verdachte hier vandaag voert zonder [betrokkene 1] te horen. [betrokkene 1] moet worden gehoord vanwege de verklaring van verdachte dat hij niet degene is geweest die de bescheiden heeft opgemaakt. De vragen die we voor [betrokkene 1] hebben, raken de kern van de beantwoording van de vragen van artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering. De feitelijke vragen aan [betrokkene 1] zijn als volgt:

- Wat is zijn belang?

- Welke afspraken zijn er concreet gemaakt tussen verdachte en [betrokkene 1]?

Voorts wil ik hem vragen of hij de intentieverklaring heeft, en ik wil hem de verklaring voorhouden die verdachte vandaag heeft afgelegd.

Wat mij betreft is absoluut het verdedigingsbelang van toepassing. Wat mij betreft kan [betrokkene 1] op zitting worden gehoord, zodat het hof zelf een oordeel kan vormen. Als het hof denkt dat het sneller gaat bij de raadsheer-commissaris, dan kan dat. In de appelschriftuur zijn de gegevens van [betrokkene 1] meegestuurd. Voor zover mij bekend klopt het eerder opgegeven adres in Lesotho nog. Ik heb verdachte net horen zeggen dat [betrokkene 1] regelmatig in Nederland is. Wellicht kan hij juist op korte termijn worden gehoord.

(…)

Op vragen van de jongste raadsheer antwoordt de verdachte als volgt:

Ik heb driekwart jaar geleden voor het laatst contact gehad met [betrokkene 1]. U vraagt mij waarom hij niet hier is als ik hem graag wil horen. Ik heb pas midden vorige week vernomen dat deze zitting vandaag was. Ik heb daar zelf geen dagvaarding van ontvangen. Mijn advocaat zei dat [betrokkene 1] als getuige was afgewezen en dat het mogelijk op de zitting aan de orde zou komen. Dan heeft het voor mij geen nut om [betrokkene 1] mee te nemen. Hij is bereid te komen als hij gevraagd wordt. Ik heb een geldend e-mailadres van [betrokkene 1].

Op vragen van de voorzitter antwoordt de verdachte als volgt:

Ik weet dat [betrokkene 1] bereid is om te komen, omdat hij dat zei toen ik de afwijzing van de financiering kreeg.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek en deelt het volgende mee:

Het hof acht het verdedigingsbelang van toepassing op het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen. Het hof is tot de conclusie gekomen dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Verdachte heeft nu een verklaring afgelegd hoe het volgens hem is gegaan. Uit het dossier blijkt niet dat ene [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld. Dit blijkt ook niet uit de door de verdediging overgelegde stukken. De situatie is nog steeds niet anders dan zoals de politierechter heeft geconstateerd. Ook als geoordeeld wordt op grond van het verdedigingsbelang dient het verzoek te worden onderbouwd. De politierechter heeft erop gewezen dat onderbouwende stukken aan het verzoek ten grondslag moeten worden gelegd. Dat is nu nog steeds niet het geval. Het verzoek wordt niet gehonoreerd. Mocht het hof in raadkamer anders oordelen, dan komt het hof daar in een tussenarrest op terug.”

7. Bij de beoordeling van de eerste deelklacht stel ik het volgende voorop. Een opgave van een getuige bij tijdig ingediende appelschriftuur wordt op grond van art. 410, derde lid, Sv aangemerkt als een opgave in de zin van art. 263, tweede lid, Sv, waarop art. 264 Sv van overeenkomstige toepassing is. Indien een door de verdediging bij tijdig ingediende appelschriftuur opgegeven getuige ter terechtzitting niet is verschenen – bijvoorbeeld omdat de oproeping van die getuige door de advocaat-generaal bij het hof is verzuimd of op voet van art. 264, eerste lid Sv is geweigerd – kan de verdediging ter terechtzitting aan het hof verzoeken om een bevel tot oproeping als bedoeld in het derde lid onder a van art. 287 Sv van die niet verschenen getuige. Indien dat (herhaalde) verzoek uitdrukkelijk en gemotiveerd is gedaan, dient het hof ingevolge art. 330 Sv op straffe van nietigheid op dat verzoek te beslissen. Maatstaf bij de beslissing op zo’n verzoek is het verdedigingsbelang.2

8. Met betrekking tot het criterium van het verdedigingsbelang heeft te gelden dat de verdachte in beginsel het recht heeft om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht. Die maatstaf noopt ertoe het verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd.3

9. Van de onderbouwing van verzoeken waarop het verdedigingsbelang van toepassing is, verwacht de Hoge Raad dat door de verdediging wordt gemotiveerd waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Een uitvoerige toelichting van de redenen waarom de verdediging hecht aan het horen van een getuige, is daarvoor niet zonder meer toereikend.4 De rechter zal pas kunnen concluderen dat de onderbouwing aan de maat is wanneer de aangedragen argumenten hem doen inzien dat en waarom het horen van die getuige relevant is voor de uitkomst van de zaak.5

10. Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van het toepasselijke criterium – moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM.6 Omtrent deze motiveringsverplichting zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen nadere algemene regels te geven. De mate waarin een afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen dient te worden gemotiveerd, wordt mede bepaald door de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren alsmede de aard en de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen, terwijl tevens betekenis toekomt aan het procesverloop, waaronder ook het stadium waarin het verzoek is gedaan. In cassatie kan ten aanzien van het oproepen of horen van getuigen worden geklaagd over de maatstaf die het hof heeft toegepast en over de begrijpelijkheid van zijn beslissing. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen gaat het in cassatie in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.7

11. Terug naar het onderhavige geval. De eerste deelklacht ziet, zoals al gezegd, op de (motivering van de) afwijzende beslissing van het hof van het bij tijdig ingediende appelschriftuur gedane en ter terechtzitting in hoger beroep herhaalde verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1]. Volgens het middel getuigt de afwijzing van het verzoek van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de afwijzing van het verzoek, in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, onbegrijpelijk. In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat de wet – anders dan het hof heeft gedaan − niet als eis stelt dat een verzoek tot het horen van een getuige is onderbouwd met stukken waaruit het bestaan van de getuige blijkt. De motivering van de afwijzing van het verzoek door het hof is onbegrijpelijk, omdat de omstandigheid dat uit het dossier niet blijkt dat de getuige [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld, nu juist de reden is waarom namens de verdachte om het horen van deze getuige is verzocht. Het horen van deze getuige dient ertoe dat de verdediging handen en voeten kan geven aan het verweer van de verdachte.

12. Hoewel daarover niet wordt geklaagd, merk ik op dat het hof bij de beoordeling van het bij (tijdig ingediende) appelschriftuur gedane verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige de juiste maatstaf heeft aangelegd, te weten het verdedigingsbelang.

13. Aan het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] ligt ten grondslag de verklaring van de verdachte dat hij – kort gezegd – op aanraden van [betrokkene 1] Bitcoins wilde kopen, daarvoor een lening nodig had en dat [betrokkene 1] die lening, niettegenstaande zijn (negatieve) BKR registratie, voor hem kon regelen en de papieren daartoe heeft ingevuld en ingediend. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte blijkt dat hij zich op het standpunt stelt dat [betrokkene 1] de stukken voor de beoogde lening tegen betaling voor hem heeft ingevuld en ingediend en dat de verdachte zich niet bewust is geweest dat op een van de stukken een verkeerde geboortedatum van zijn vrouw was ingevuld of dat bankafschriften waren vervalst. De raadsman van de verdachte heeft vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat [betrokkene 1] moet worden gehoord om de verklaring van de verdachte omtrent de afspraken tussen hem en [betrokkene 1] met betrekking tot de lening te bevestigen.

14. Ten aanzien van dat verzoek overweegt het hof dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd en moet worden afgewezen. Aan dat oordeel legt het hof ten grondslag dat de verdachte eerst in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd over de gang van zaken, maar dat uit het dossier, noch uit de door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld bij het tenlastegelegde feit. Voorts overweegt het hof dat de situatie thans niet anders is dan in eerste aanleg toen het getuigenverzoek werd afgewezen, aangezien ook nu geen onderbouwende stukken aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd. Dat de politierechter aan het noodzaakcriterium heeft getoetst, terwijl bij de beoordeling thans het verdedigingsbelang van toepassing is, doet aan de plicht tot onderbouwing van dat verzoek immers niet af, aldus het hof.

15. De argumentatie van het hof acht ik niet zonder meer begrijpelijk. In de kern legt het hof aan zijn afwijzende beslissing vooral ten grondslag dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd met stukken. Dat kan weliswaar een factor zijn bij de beoordeling van zo’n verzoek, maar gezien de (uitgebreide) verklaring van de verdachte en de door de raadsman gegeven onderbouwing van het verzoek, is ‘s hofs afwijzende oordeel, mede in het licht van hetgeen ik heb vooropgesteld, onvoldoende gemotiveerd. Door de raadsman en de verdachte is immers (uitgebreid) betoogd dat [betrokkene 1] – kort gezegd – de papieren voor de lening heeft ingevuld en ingediend, bereid is daarover te verklaren en dat de verdachte geen weet heeft gehad dat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van door [betrokkene 1] vals ingevulde of vervalste documenten. Doordat het hof hetgeen door de raadsman en de verdachte daaromtrent is aangevoerd in het midden heeft gelaten en niet nader heeft gemotiveerd waarom het verdedigingsbelang ontbreekt, terwijl uitgebreid is aangevoerd dat en waarom het horen van [betrokkene 1] relevant is voor de uitkomst van de zaak, schiet de motivering van ’s hofs afwijzende beslissing te kort.

16. De eerste deelklacht slaagt.

De tweede deelklacht

17. Nadat het hof het hiervoor bedoelde verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] had afgewezen, heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2019 een vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen. Aan verdachte is – na deze wijziging – onder 1 subsidiair tenlastegelegd dat (wijziging door mij vet gemarkeerd, AG):

“hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 2 maart 2016 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten - een kredietovereenkomst waarop een verkeerd geboortejaar van verdachte [verdachte] stond en/of - één of meer bankafschriften waarbij één of meer bedragen en/of namen van debiteur(en) en/of crediteur(en) zijn veranderd en/of bijgeplaatst als ware het echt en onvervalst, door die stukken in te dienen bij Frisia Financieringen en/of Interbank ten behoeve van een kredietverstrekking”.

18. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 24 april 2019 vermeldt het volgende (vetgedrukt in het origineel):

De raadsman voert het woord tot verdediging en deelt hiertoe onder meer het volgende mee:

Het is duidelijk dat verdachte de valsheid in geschrifte in alle toonaarden ontkent. Verdachte heeft aan [betrokkene 1] gevraagd het voor hem te regelen en die heeft dat gedaan. [betrokkene 1] is ervoor betaald. Zonder een getuigenverklaring van [betrokkene 1] is dit heel moeilijk te onderbouwen. Verdachte heeft gezegd dat hij geen stukken heeft. Ik vind wel degelijk dat [betrokkene 1] dient te worden gehoord. Op de wijziging van de tenlastelegging staat tezamen en in vereniging. Dat is strafverzwarend. Gelet hierop verzoek ik het hof om het horen van [betrokkene 1] te heroverwegen.

Het primair tenlastegelegde kan sowieso niet bewezen worden. Nergens blijkt uit dat verdachte zelf stukken vervalst zou hebben.

Er staan grote belangen op het spel. Ik wil [betrokkene 1] vragen stellen over de afspraken die zijn gemaakt. Ik wil hem de verklaring van verdachte voorhouden en hem vragen of hij bij verdachte thuis is geweest en spullen heeft opgestuurd. Dit is noodzakelijk gelet op de wijziging van de tenlastelegging. Ook is het noodzakelijk vanwege de volledigheid van het onderzoek. De vraag van het hof naar het belang van het horen van [betrokkene 1] is bij uitstek een vraag die [betrokkene 1] kan beantwoorden. Het onderzoek is niet volledig geweest omdat de vraag van het hof niet wordt beantwoord.

Ten aanzien van feit 1 stelt verdachte zich op het standpunt dat hij het niet gedaan heeft en hij verwijst daarbij naar [betrokkene 1]. Ik verzoek het hof verdachte van dit feit vrij te spreken.”

19. Het arrest van het hof van 8 mei 2019 vermeldt, voor zover relevant voor de beoordeling van de tweede deelklacht, het volgende (vetgedrukt en onderstreept in het origineel):

Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 1]

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bij appelschriftuur verzocht getuige [betrokkene 1] te (doen) horen. Het hof heeft dit verzoek ter zitting, toetsend aan het verdedigingsbelang, afgewezen. De raadsman heeft ter zitting bij pleidooi wederom het verzoek gedaan om dhr. [betrokkene 1] als getuige op te roepen. Op de wijziging tenlastelegging staat "tezamen en in vereniging". Dat is strafverzwarend en daarom heeft de raadsman het hof verzocht het verzoek tot horen van [betrokkene 1] te (her)overwegen indien er geen vrijspraak volgt.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het verzoek om de getuige [betrokkene 1] te horen dient te worden afgewezen.

Oordeel van het hof

Op dit verzoek is het noodzaakcriterium van toepassing. Het hof overweegt dat het uitgaat van de verklaring van verdachte dat een ander de stukken heeft vervalst. Reeds daarom acht het hof het horen van getuige [betrokkene 1] niet noodzakelijk. Het hof acht zich voorts op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen voldoende geïnformeerd voor beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering en de wijziging van de tenlastelegging maakt dat niet anders. Het hof ziet dan ook geen noodzaak om de getuige [betrokkene 1] te horen.”

20. Ook hier merk ik op, hoewel daarover niet wordt geklaagd, dat het hof bij de beoordeling van het bij gelegenheid van pleidooi gedane voorwaardelijke verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige de juiste maatstaf heeft aangelegd, te weten het noodzaakcriterium.

21. Het hof wijst het verzoek af omdat het horen van de getuige [betrokkene 1] niet noodzakelijk wordt geacht reeds omdat het in zijn arrest uitgaat van de verklaring van de verdachte dat een ander de stukken heeft vervalst en het hof zich verder voldoende geïnformeerd acht voor de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat deze afwijzing te kort schiet en onbegrijpelijk is “in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, waaruit volgt dat de getuige kan bevestigen dat de verdachte te goeder trouw heeft gehandeld en is afgegaan op de expertise en mededelingen van de getuige”.

22. Nu de verklaring van de verdachte niet slechts inhoudt dat een ander de stukken heeft vervalst of valselijk heeft opgemaakt, maar ook dat die ander, te weten [betrokkene 1], deze stukken voor de verdachte heeft ingediend en dat de verdachte zich niet bewust is geweest van deze valsheid of vervalsing van de ingediende stukken, terwijl de verdediging het horen van de getuige noodzakelijk acht omdat dit de enige manier is om de verklaring van de verdachte bevestigd te krijgen, schiet de motivering van de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] in het arrest van het hof inderdaad tekort en is deze niet zonder meer begrijpelijk.

23. Ook de tweede deelklacht slaagt.

24. Het middel slaagt in al zijn onderdelen.

25. Gelet op het slagen van het eerste middel, zal ik de bespreking van het tweede middel achterwege laten. In geval de Hoge Raad anders mocht oordelen over het eerste middel en behoefte heeft aan een aanvullende conclusie waarin het tweede middel alsnog wordt besproken, ben ik daartoe uiteraard graag bereid.

26. Ambtshalve heb ik voor het overige geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de stukken ben ik zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 1] tegengekomen. Het betreft m.i. echter steeds dezelfde persoon.

2 Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.44 en 2.47.

3 Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.4, 2.5 en 2.6.

4 Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1570, NJ 2014/445 m.nt. M.J. Borgers.

5 Zie de noot van M.J. Borgers, punt 14, bij HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441.

6 Vlg. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. T. Kooijmans. Zie ook HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1485, NJ 2020/14 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 3.3.1.

7 Vlg. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers. Zie ook HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1485, NJ 2020/14 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 3.3.2.