Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:472

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-05-2020
Datum publicatie
19-05-2020
Zaaknummer
19/01143
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1162
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Tezamen en in vereniging met anderen plegen van gewelddadige woningoverval waarbij een geldbedrag is buitgemaakt (art. 312 Sr). Middel over het bewijs van het medeplegen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01143

Zitting 19 mei 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 1 maart 2019 wegens 1 primair “diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, en 2 “witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt op tegen het onder 1 primair bewezen verklaarde ‘medeplegen’ van de gekwalificeerde diefstal.

  4. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezen verklaard dat:

“hij op 30 oktober 2009 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een groot geldbedrag (ongeveer 400.000 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededaders;

- voorzien van een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp, een mes en duct tape, de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn binnengedrongen/binnengegaan,

- een muts of zak over het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] hebben getrokken;

- de enkels van die [slachtoffer 1] aan elkaar hebben gebonden;

- hebben gezegd “je weet waarvoor we komen... waar ligt het geld?”;

- een mes bij/tegen de keel en de rug van die [slachtoffer 1] hebben gehouden;

- een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp, althans een hard voorwerp tegen het achterhoofd van die [slachtoffer 1] hebben gezet en gezegd haar dood te schieten;

- tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat haar man zou worden doodgeschoten en

- de handen van die [slachtoffer 1] hebben vastgebonden;

5. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen1:

“1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 februari 2018.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik word ook wel [verdachte] genoemd.

Ik heb die rode Peugeot (het hof begrijpt: met kenteken [kenteken 1] ) op 30 oktober 2009 omstreeks 10.00 uur geleend van [betrokkene 1] . Ik heb deze auto diezelfde middag naar de garage gebracht.

De € 63.500,- die bij [betrokkene 2] is aangetroffen, komt van mij. Zij bewaarde dit geld voor mij. Het klopt dat ik op 3 november 2009 naar de Dominicaanse Republiek ben gevlogen. Ik heb de boeking cash betaald voor mijzelf, mijn broertje [betrokkene 3] en mijn vriendin [betrokkene 4] . In de Dominicaanse Republiek heb ik ook het appartement waar we verbleven betaald. Ik heb voor de terugreis de tickets van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] tegen betaling vernieuwd omdat zij te laat waren voor hun vliegtuig. [betrokkene 2] heeft zelf en via andere mensen met Western Union geld naar mij gestuurd toen ik in de Dominicaanse Republiek verbleef. Ik heb mensen die dichtbij Western Union in de buurt waren het geld vervolgens laten ophalen.

2. Een niet ambtsedig proces-verbaal van aangifte (…) van 30 oktober 2009, door de bevoegde opsporingsambtenaar (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 oktober 2009 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

Tussen vrijdag 30 oktober 2009 te 10.36 uur en vrijdag 30 oktober 2009 te 10.40 uur werd op de [a-straat 1] , [postcode] [plaats] , het feit gepleegd. Vrijdag 30 oktober tussen 10.33 uur en 10.35 uur moest ik heel even in mijn woning zijn aan de [a-straat 1] in [plaats] . (..) Ik zag in mijn ooghoek dat er iets of iemand aan kwam in mijn richting vanaf buiten. Ik keek toen in de richting en zag en voelde direct dat er iets over mijn hoofd werd gedaan. Op het moment dat ik naar buiten keek zag ik drie personen aan komen lopen. Ik zag dat het donkere personen waren, allen donker gekleed. Direct hierna, toen ik de zak over mijn hoofd had gekregen, werd ik de woonkamer in geduwd en ik hoorde dat een manspersoon zei dat ik rustig moest doen. Ik werd eerst omgedraaid, en werd toen de woonkamer in geduwd. (..) Ik voelde dat iemand mijn enkels aan elkaar vast bond. Achteraf bleek dat dit was door middel van duck-tape. Ik zag nog wel, voordat de zak over mijn hoofd werd gedaan, in een flits, dat een persoon een zwart pistool in een van zijn handen hield.

Op het moment dat ik in de woonkamer kwam, moest ik op de grond gaan liggen. Ik voelde dat een van de personen mij vast hield aan mijn linkerarm. Op die manier werd ook druk uitgeoefend op mij en werd ik in de richting van de grond bewogen. Ik hoorde die persoon ondertussen zeggen dat ik moest gaan liggen wat ik ook deed. (..) Ik hoorde een persoon vroeg aan mij: “je weet wat ik, je weet waarvoor we komen...Waar ligt het geld?” Ik voelde dat er een hard voorwerp tegen mijn hoofd gedrukt werd. Ik voelde ook dat iemand de muts van mijn hoofd iets omhoog deed, waarna er door iemand een mes onder mijn gezicht werd geschoven. Vervolgens zag ik dat dit mes weer uit mijn zicht werd gehaald en voelde direct dat hij, kennelijk met dit mes, in mijn rug prikte. (..) Ik voelde dat iemand, vlak hierna, nadat ik hoorde dat de voordeur werd dichtgedaan, hard het vuurwapen op mijn achterhoofd zette. Ik hoorde de man zeggen dat het menens was en dat hij mij dood zou schieten. (..)

Ik heb twee mannen horen praten en overleggen met elkaar. Ondertussen had ik nog steeds het vuurwapen op mijn hoofd. Een persoon bleef dus steeds bij mij en hield, denk ik, een knie in mijn rug. Ik hoorde dat een man zei dat ik het moest zeggen, anders zou hij mijn man doodschieten op het werk. (..)

Ik hoorde dat diegene die op mijn rug zat tegen mij zei: “Zit het geld in de die roze tas met die balletjes? Ik heb toen maar gezegd dat dat zo was. (..) Ik hoorde dat de mannen naar beneden kwamen lopen/rennen. Ik werd vervolgens door een van de mannen vastgebonden aan mijn handen, naar later bleek, ook middels duck-tape. Er zat een bedrag van 400.000 euro in die roze tas. In deze roze tas zat een vuilniszak waarin het geld zat. De mannen hebben de vuilniszak uit deze roze tas gehaald, waarna ze zijn weggegaan. (..)

Ik hoorde, voordat ze vertrokken, een van de mannen zeggen tegen mij dat ik niet moest schreeuwen en dat ik moest wachten met losmaken. (..)

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige (…) van 30 oktober 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 oktober 2009 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

Op vrijdag 30 oktober 2009, omstreeks 10.20 uur, keek ik uit het raam van de [school] op de [b-straat] en zag dat een klein rood oud autootje stopte achter de auto van mijn begeleidster. Ik zag dat er 5 negers in deze auto zaten. Ik zag dat zij eerst even in gesprek waren en daarna zag ik dat er drie mannen achter uit de auto stapten. (..) Ik zag dat twee hun capuchon op deden en daarna zag ik ze niet meer. De derde man deed zijn capuchon op en ging een spieroefening doen. Vervolgens zag ik dat hij weg rende in de richting van de [c-straat] . (..) Ik zag vervolgens dat de auto weg reed in de richting van de [d-straat] . Het moet een oud vierkantig klein rood autootje zijn.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige (…) van 6 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 november tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

U toont mij foto’s van een rode auto (het hof begrijpt: foto ’s van de inbeslaggenomen rode Peugeot met kenteken [kenteken 1]). Ik kan u vertellen dat het inderdaad zo’n soort auto was. De auto was in ieder geval een Peugeot.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige (…) van 9 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 november 2009 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 7]:

Op vrijdag 30 oktober 2009, even voor 10.30 uur, fietste ik over de [c-straat] in [plaats] . Ik fietste richting de [e-straat] . De [c-straat] gaat over in de [f-straat] en toen ik net voorbij de [g-straat] fietste zag ik drie (3) personen. Twee (2) liepen er naast elkaar en de derde kwam achter hun aangerend. Hij rende op ongeveer een (1) meter achter die twee. De drie liepen over de [f-straat] , ter hoogte van de ingang naar het [h-straat] . Die eerste twee praatten met elkaar. Ze liepen versneld. Een (1) van die twee had een halfvolle vuilniszak in zijn handen geklemd. Ik zag dat er iets rechtshoekigs in de zak zat, iets stevigs.

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige (…) van 4 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 november 2009 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van Pieter [betrokkene 8]:

Op vrijdag 30 oktober 2009 omstreeks 10.30 uur fietste ik vanaf de [i-straat] linksaf de [c-straat] op. Nadat ik net de [c-straat] was opgereden zag ik vanuit de [a-straat 1] jongens komen rennen. Zij renden linksaf de [c-straat] op. Ik zag dat een van beiden een vuilniszak bij zich droeg. Ik zag dat zij renden en daarbij heel zenuwachtig om zich heen keken. Ik zag dat zij een heel klein stukje het [h-straat] in renden, maar ook direct weer terugkwamen naar de [c-straat] . Ik zag dat zij daar bleven rondhangen. Al heel snel zag ik een klein rood autootje aan komen rijden. Deze reed over de [c-straat] en kwam vanuit de richting van het hertenkamp. Ik zag dat deze auto hard reed en dat de auto stopte bij de bestelbus van [betrokkene 9] . Die stond op het hoekje van de [i-straat] met de [c-straat] . Ik zag dat er een (1) persoon in die auto zat en dat was de bestuurder. Ik zag dat het een 4-deurs auto was. Ik zag de jongen die de vuilniszak vasthield links achter instapte, dus achter de bestuurder, en ging zitten. Ik zag dat de tweede jongen achter de auto om liep en rechts naast de bestuurder instapte en ging zitten. Ik zag toen dat de auto hard doorreed over de [c-straat] richting [e-straat] . (..) Ik zag toen een postbode lopen op het [h-straat] . Ik heb hem gevraagd om een briefje en een pen. Ik heb het kenteken gezegd en dat heeft de postbode voor mij opgeschreven. (..)

Verder zag ik dat op het moment dat die jongens bij het busje van [betrokkene 9] liepen, dat er vanuit de [a-straat] nog een jongen kwam lopen. Ik zag dat hij eerst liep en toen hij mij zag staan ging joggen. Op datzelfde moment zag ik dat er ook een jongen vanaf de [i-straat] richting de [c-straat] kwam lopen en ging joggen toen hij mij zag. Ik zag beide joggers de [i-straat] inlopen.

(…)

10. Een proces-verbaal van verhoor van getuige (…) van 3 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren(…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 10]:

[verdachte] wordt door mij [verdachte] genoemd. Ik heb een rode Peugeot 306 op mijn naam staan. Die auto is in gebruik bij mijn zus [betrokkene 1] . (..) [verdachte] gebruikt de rode Peugeot vaak van [betrokkene 1] . Afgelopen donderdag of vrijdag heeft [verdachte] de auto naar autobedrijf in Alkmaar gebracht.

11. Een proces-verbaal van verhoor getuige (…) van 3 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik woon op het adres [j-straat 1] te [plaats] . De auto merk Peugeot, type 306, kleur rood, is eigendom van mijn tweelingzus [betrokkene 10] . Ik heb deze auto enige tijd van haar in bruikleen.

(..) Ongeveer 1 tot 1,5 maand geleden kwam [verdachte] bij mij aan de deur. Ik ken hem sinds hij een relatie had met mijn zus [betrokkene 10] . (..) Vanaf die tijd verblijft [verdachte] veelal bij mij in huis. (..) Op vrijdag 30 oktober 2009 was [verdachte] in de ochtend bij mij thuis. Hij vroeg aan mij of hij de rode Peugeot 306 mocht lenen. Hij kreeg van mij de autosleutels. Die ochtend omstreeks 10.00 uur ging hij met de auto weg. (..) In de tijd dat hij bij mij verbleef had hij geen werk en ook geen uitkering. Dezelfde ochtend, vrijdag 30 oktober 2009, tussen 12.00 uur en 13.00 uur was [verdachte] weer terug bij mij in de woning. Toen hij binnen was in de woning vertelde hij mij dat hij de auto van mij naar de garage had gebracht. (..) Wel was het voor mij vreemd dat ik toen hij binnenkwam en vertelde dat de auto bij de garage stond meteen van hem 1000 (duizend) euro kreeg. Ik zag dat hij dat geld al in zijn handen voor mij had. (..) [verdachte] beschikte eigenlijk niet vaker over geld, want hij heeft diverse malen bedragen van 5 of 10 euro geleend.

12. Een proces-verbaal verhoor getuige (…) van 3 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 11]:

Afgelopen week, zaterdag 31 oktober 2009 kwam de eigenaar van de Peugeot 306, voorzien van het kenteken [kenteken 1] naar het garagebedrijf aan de [k-straat] om de auto te verkopen of om te ruilen voor een andere. Diezelfde week, ik denk dat het vrijdag was, maar kan ook donderdag zijn geweest (opm. verbalisant 29 of 30 oktober 2009) omstreeks 14.00 uur kwam de (ex) vriend van de eigenaar van de auto met deze auto bij het garagebedrijf. Hij wilde de auto verkopen voor de sloop.

13. Een proces-verbaal van verhoor getuige (…) van 7 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 11]:

Ik wist tijdens het verhoor op 3 november 2009 niet meer precies de dag dat die persoon met die Peugeot hier op het autobedrijf is geweest. Ik heb daar nog over nagedacht en het blijkt dus op vrijdagmiddag 30 oktober 2009 te zijn geweest. Het was in het begin van de middag. U toont mij nu een politiefoto van een persoon. Dat is de jongen die op vrijdagmiddag 30 oktober 2009 met de rode Peugeot 306, kenteken [kenteken 1] aankwam en deze heeft laten staan. Ik herken de man op de foto als die man.

14. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 7 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op zaterdag 7 november 2009 toonden wij verbalisanten aan de getuige [betrokkene 11] de politie- verdachte foto voorzien van nummer PL1000:05:10105. Wij verbalisanten verklaren dat op de getoonde foto is afgebeeld [verdachte] .

(…)

18. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 3 december 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op 3 december 2009, te 07.30 uur, werd in perceel [l-straat 1] te [plaats] [betrokkene 2] , aangehouden. Op een gegeven moment zag ik, verbalisant, dat [betrokkene 2] naar de keuken liep. Ik zag dat zij met een potlood iets op een brief schreef. Vervolgens zag ik, dat zij de brief aan haar moeder gaf. (..) Ik, verbalisant, heb de brief van haar moeder afgepakt. Meteen daarna griste [betrokkene 2] de brief uit mijn handen en liep richting de wc. Ik, verbalisant, zag dat [betrokkene 2] de wc inliep. Vervolgens heb ik samen met de aanwezige verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] haar uit de wc getrokken. Ik, verbalisant, zag en voelde dat [betrokkene 2] meerdere keren probeerde bij de ketting van de stortbak te komen. Uiteindelijk wisten wij [betrokkene 2] onder controle te krijgen. Ik, verbalisant, heb de brief veiliggesteld. Volgens de tolk was op de brief geschreven:

‘Mama pak het ding achter + auto met mijn ding van koud’.

Op donderdag 3 december 2009, omstreeks 11.00 uur, werd door [verbalisant 3] , buitengewoon opsporingsambtenaar, achter de flat een bruinkleurige toilettas aangetroffen. De tas lag op het trottoir onder de woning van [betrokkene 2] . De tas is veiliggesteld. Bij nader onderzoek bleek dat er een geldbedrag van 63.500 euro (127 biljetten van 500 euro) in de toilettas zat.

19. Een proces-verbaal van inbeslagneming (…) van 3 december 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op donderdag 3 december 2009 te 08:45 uur vond in perceel [l-straat 1] te [plaats] onder leiding en in aanwezigheid van de Rechter-Commissaris te Alkmaar van Steijnen een doorzoeking ter inbeslagneming plaats. Hierbij werden de navolgende goederen in beslag genomen:

Vertrek A = Hal en meterkast

- Wester Union bon € 51.602,59. (het hof begrijpt: Dominicaanse peso)

Vertrek F = woonkamer

- Envelop van D-reizen met reisgegevens van [betrokkene 2] 15-11-2009 t/m 22-11-2009 naar Puerto Plata en terug naar Amsterdam.

  • -

    Envelop van D-reizen met reisgegevens van [betrokkene 2] en [betrokkene 2] 6-12-2009 t/m 20-12-2009 naar Puerto Plata en terug naar Amsterdam

  • -

    Vertrek G = grote slaapkamer ( [betrokkene 2] ) (..)

  • -

    briefje met adressen [betrokkene 12] en [betrokkene 13]

- Stortingsbewijs Western Union tnv [betrokkene 14] € 49.890,44 (het hof begrijpt: Dominicaanse peso)

Vertrek K: Auto Opel Corsa [kenteken 2]

- Briefje met adressen

Buiten aan achterzijde flat onder de woning [betrokkene 2] op het trottoir en voor de bossage.

- Toilettas met daarin € 63.500 (127 biljetten van € 500).

20. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 2009116571-40 van 5 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (…), (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 november 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

U vraagt mij naar het bundelen van het geld. (..) Ook was er nog een (1) bundeltje van 100.000 euro. Deze bestond uit 500 euro biljetten. Ik had de biljetten gebundeld middels dunne elastieken. Op het laatste biljet van iedere bundel had ik met de hand het geldbedrag geschreven van betreffende bundel.

21. Een proces-verbaal van verhoor aangever (…) van 4 december 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 december tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2]:

U toont mij afdrukken van 500 euro bankbiljetten, waarop met de hand geschreven bedragen staan. Ik herken het handschrift als mijn handschrift.

22. Een deskundigenrapport betreffende forensisch schriftonderzoek van 29 januari 2018, opgesteld door [betrokkene 15] , (…).

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op basis van de vraagstelling kunnen de volgende, elkaar uitsluitende hypothesen met betrekking tot het schrijverschap van het betwiste handschrift worden opgesteld:

H1. Het handschrift op de in de materiaalopstelling onder punt 2.1 bij betwist handschrift vermelde stukken van overtuiging is geschreven door [slachtoffer 2] .

H2. Het handschrift op de in de materiaalopstelling onder punt 2.1 bij betwist handschrift vermelde stukken van overtuiging is niet door [slachtoffer 2] , maar door een of meerdere andere personen vervaardigd.

(…)

5. Interpretatie van de onderzoeksbevindingen

De op de bankbiljetten voorkomend cijfers 2, 3, 4, en 5 wijken in het bewegingsverloop en de vormgeving van de standaardmodellen af en de kenmerken in deze cijfers kunnen niet alleen een onderscheidend, maar ook een schrijverspecifiek karakter worden toegekend. Deze kenmerken komen op overeenkomstige wijze in het referentiemateriaal van [slachtoffer 2] voor en de kans dat een ander persoon dan [slachtoffer 2] dezelfde combinatie van kenmerken in zijn of haar handschrift heeft kan als relatief gering worden ingeschat.

6. Conclusies

De bevindingen met betrekking tot het handschrift op de ter onderzoek aangeboden bankbiljetten X1 - X5 en X9 zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese H1 waar is, dan wanneer hypothese H2 waar is.

De bevindingen met betrekking tot het handschrift op de ter onderzoek aangeboden bankbiljetten X6 - X8 en X10 zijn even waarschijnlijk wanneer hypothese H1 waar is, dan wanneer hypothese H2 waar is.

(...)”

6. Het bestreden arrest bevat ten aanzien van feit 1 de volgende bewijsoverwegingen:

Bewijsoverweging feit 1

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken voor feit 1 wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Het bewijs is zwak en veel bewijs bestaat uit verklaringen ‘van horen zeggen’. De raadsman heeft ook verzocht het rapport met betrekking tot de handschriftanalyse uit te sluiten van het bewijs.

De verdachte heeft betrokkenheid bij de woningoverval ontkend. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wel een auto heeft geleend van [betrokkene 1] , maar dat hij daarmee rechtstreeks naar de garage is gereden en dat dit vermoedelijk in de middag is geweest.

Betrokkenheid verdachte bij woningoverval

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij op 30 oktober 2009 omstreeks 10.00 uur de rode Peugeot van [betrokkene 1] met kenteken [kenteken 1] heeft geleend en die ’s middags naar de garage heeft gebracht. Deze verklaring van de verdachte komt overeen met de verklaring van [betrokkene 1] , die ook heeft verklaard dat de verdachte op die dag omstreeks 10.00 uur met de auto wegging en dat de verdachte tussen 12.00 en 13.00 uur weer terug kwam zonder auto. Deze verklaring vindt verder bovendien steun in bewijsmiddelen waaruit volgt dat de rode Peugeot vanaf ongeveer 10.00 uur op diverse plekken in [plaats] is gezien, waaronder in de buurt van de plek waar de woningoverval heeft plaatsgevonden. Gelet op deze bewijsmiddelen acht het hof de verklaring van de verdachte die hij heeft afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij de rode Peugeot van [betrokkene 1] heeft geleend en daarmee in de middag rechtstreeks naar de garage is gereden, niet geloofwaardig. Hierbij is eveneens van belang dat door de verdediging geen enkele omstandigheid is aangedragen op grond waarvan aannemelijk is dat de verklaring die volgens het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg is afgelegd door de verdachte, onjuist zou zijn geweest of onjuist zou zijn genoteerd.

Het hof zal daarom uitgaan van de juistheid van hetgeen de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard met betrekking tot het tijdstip van het lenen van de auto.

Het hof gaat voorts uit van de volgende feiten en omstandigheden, volgend uit de bewijsmiddelen.

Op 30 oktober 2009 vindt omstreeks 10.36 uur een woningoverval plaats op de [a-straat 1] te [plaats] . Slachtoffer [slachtoffer 1] wordt hierbij vastgebonden en bedreigd door minstens drie personen. Er wordt een bedrag van ongeveer € 400.000,00 aan contant geld buit gemaakt. Dit geld zit in een vuilniszak, die door de daders wordt meegenomen.

Uit camerabeelden blijkt dat een rode Peugeot zich rond 10.32 uur bevond in de buurt van de [a-straat] te [plaats] . Door de getuigen [betrokkene 7] en [betrokkene 8] wordt rond dat tijdstip waargenomen dat twee negroïde mannen in de buurt van de [a-straat] te [plaats] met een vuilniszak lopen, waarover getuige [betrokkene 7] opmerkt dat in de vuilniszak iets rechthoekigs en stevigs zat. Door de getuige [betrokkene 8] wordt gezien dat de personen met de vuilniszak in een kleine, rode auto stappen. Hij noteert het kenteken van de auto: [kenteken 1] .

Uit de verklaring van getuige [betrokkene 11] volgt dat de verdachte op dezelfde dag aan het begin van de middag de rode Peugeot heeft ingeleverd, omdat hij de auto wilde verkopen voor de sloop. Dit komt overeen met de verklaring van [betrokkene 1] , die heeft verklaard dat de verdachte tussen 12.00 en 13.00 uur bij haar terugkwam en vertelde dat de auto bij de garage stond en haar direct € 1.000,00 gaf.

Na de overval wordt op 5 november 2009 door [slachtoffer 2] , de toenmalige echtgenoot van [slachtoffer 1] , verklaard dat bij de overval verschillende bundels met geld zijn weggenomen. Eén van die bundels bestond uit € 500,00 biljetten. Op het laatste biljet van elke bundel had hij het geldbedrag geschreven van de betreffende bundel.

Op 3 december 2009 vindt een doorzoeking plaats bij [betrokkene 2] , een ex-vriendin van de verdachte. Bij deze doorzoeking wordt buiten aan de achterzijde van de flat onder de woning van [betrokkene 2] een toilettas met een bedrag van € 63.500,00 aangetroffen, bestaande uit 127 biljetten van € 500,00. Zowel de verdachte als [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte dit geld aan [betrokkene 2] heeft gegeven.

Nadat het geld bij [betrokkene 2] werd aangetroffen, zijn aan [slachtoffer 2] enkele foto afdrukken getoond van de aangetroffen € 500,00 biljetten, waarop met de hand geschreven geldbedragen zichtbaar waren. [slachtoffer 2] heeft deze met de hand geschreven bedragen herkend als zijn eigen handschrift. Deze herkenning wordt ondersteund door een deskundigenrapport betreffende forensisch schriftonderzoek van 29 januari 2018, waarin de deskundige [betrokkene 15] het handschrift op kopieën van de aangetroffen bankbiljetten heeft vergeleken met het handschrift van [slachtoffer 2] . Uit dit rapport volgt naar het oordeel van het hof dat het aannemelijk is dat het handschrift op de bankbiljetten die [betrokkene 2] van de verdachte heeft gekregen, van [slachtoffer 2] is.

Hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de deskundigheid van [betrokkene 15] , is naar het oordeel van het hof onvoldoende om te concluderen dat de resultaten uit het rapport niet betrouwbaar zijn. Dat zelfde geldt voor het feit dat de deskundige bij zijn onderzoek slechts kon beschikken over fotokopieën. De deskundige heeft zich daar rekenschap van gegeven, maar desondanks een vergelijkend onderzoek mogelijk geacht. Het verzoek tot bewijsuitsluiting van dit rapport wordt verworpen en het hof zal dit rapport wel als bewijsmiddel bezigen.

Op grond van de bewijsmiddelen, en mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte niet alleen geld heeft verkregen dat is weggenomen bij de woningoverval op 30 oktober 2009, maar bovendien bij de uitvoering van deze overval betrokken is geweest.

Medeplegen

Naar het oordeel van het hof kan bovendien bewezen worden dat de verdachte de overval in de woning heeft medegepleegd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de auto heeft geregeld waarmee naar (de buurt van) de woning in [plaats] is gereden. Na de woningoverval is de auto door de daders gebruikt om te vluchten. De verdachte heeft daarna de auto weggemaakt door deze direct naar een garage te brengen. Voorts heeft de verdachte gedeeld in een groot deel van de buit, gelet op onder meer het geld dat hij aan [betrokkene 2] heeft gegeven en het geld dat zij reeds had overgemaakt of laten overmaken naar de verdachte in de Dominicaanse Republiek. Naar het oordeel van het hof duidt dit erop dat de verdachte een grote rol heeft gespeeld in de planning, organisatie en/of uitvoering van de woningoverval.

De bewijsmiddelen bieden geen aanknopingspunt voor de vaststelling van de rollen die de verschillende deelnemers hebben vervuld bij het plegen van het ten laste gelegde feit. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte degene was die de rode auto bestuurde rond de tijd van de overval. De verdachte zelf heeft geen (aannemelijk geworden) verklaring gegeven voor zijn rol bij de overval. Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen, en gelet op het voorgaande vast dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders om het medeplegen van de overval bewezen te verklaren.

De verklaringen van getuige [betrokkene 16] en [slachtoffer 2] over hetgeen de broer van de verdachte tegen hen zou hebben gezegd over de rol van de verdachte, zal het hof – in tegenstelling tot de rechtbank – niet gebruiken voor het bewijs.”

7. Volgens de steller van het middel betreft de door het hof vastgestelde bijdrage van de verdachte aan de woningoverval gedragingen die duiden op medeplichtigheid en niet op medeplegen. Daarbij gaat het om het regelen van de auto ten behoeve van het feit en het naar de garage brengen van de auto na het feit. De steller van het middel wijst er daarbij op dat het hof, anders dan de rechtbank, niet heeft vastgesteld dat het de verdachte was die de auto bestuurde waarmee de mededaders naar de plaats van de overval zijn gebracht en waarmee zij nadien zijn gevlucht. Het hof had volgens de steller van het middel daarom in de bewijsmotivering nadere aandacht moeten besteden aan onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte. De overweging van het hof dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn rol kan volgens de steller van het middel het ‘gat’ in de bewijsvoering voor medeplegen niet dichten, omdat er geen sprake is van een situatie waarin de verdachte kort na het plegen van het feit wordt aangetroffen in omstandigheden die wijzen op de betrokkenheid bij het strafbare feit. In het licht van het voorafgaande is het bewezen verklaarde ‘medeplegen’ volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd.

8. Het bewezen verklaarde feit is mede geënt op de strafbepaling van art. 312, tweede lid, onder 2°, Sr. Het in die bepaling opgenomen bestanddeel “door twee of meer verenigde personen” brengt tot uitdrukking dat sprake is van “medeplegen” in de zin van art. 47 Sr. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen.2 De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, is niet in algemene zin te beantwoorden maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. De verdachte zal in ieder geval een – intellectuele en/of materiele – bijdrage van voldoende gewicht moeten hebben geleverd. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Indien het medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals op de uitkijk staan of helpen bij de vlucht), rust er op de rechter een zwaardere motiveringsplicht om tot veroordeling wegens medeplegen te komen. Bij de beoordeling of sprake is van medeplegen kan door de rechter onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, hoewel aan dat laatste op zichzelf geen grote betekenis toekomt.

9. Bij het bewijs van diefstal in vereniging kan in voorkomende gevallen ten aanzien van de toedracht van de diefstal wel worden vastgesteld dat deze door “verenigde personen” is begaan, maar niet precies wie wat heeft gedaan. In dergelijke gevallen kan de proceshouding van de verdachte, in het bijzonder het uitblijven van een aannemelijke verklaring, een rol spelen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de verdachte kort na een diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij dit strafbare feit duiden, terwijl er geen contra-indicaties ten aanzien van het medeplegen door de verdachte zijn aangevoerd.3

10. In de rechtspraak van de Hoge Raad lijkt in toenemende mate het bestaan van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan een relevant aandachtspunt voor de beoordeling of sprake is van medeplegen.4 In geval sprake is van het gezamenlijk optrekken met het oog op het realiseren van een gezamenlijk plan kan sprake zijn van medeplegen, ook al zouden de door de verdachte afzonderlijke gedragingen elk op zichzelf beschouwd niet als een bijdrage van voldoende gewicht aan de ten laste gelegde feiten kunnen worden aangemerkt.5 Ik wijs in dit verband op HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140 m.nt. Vellinga waarin de Hoge Raad het volgende overwoog:

“Het hof heeft vastgesteld “dat de verdachten tezamen op pad gingen met maar één doel, namelijk inbreken bij oude mensen”, dat iedereen meedeelde in de buit en de rollen bij de betreffende inbraak inwisselbaar waren. Op grond van die vaststellingen heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat sprake was van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan om inbraken te plegen. In het licht van dit gezamenlijke plan geeft het oordeel van het hof dat de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met zijn mededaders, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de door het hof vastgestelde afzonderlijke gedragingen van de verdachte - waaronder het betalen van de benzine voor de auto waarmee hij en zijn mededaders van Ede naar Hengelo zijn gereden, het op de uitkijk staan en de betrokkenheid bij het gesprek over het wegmaken van bij de inbraak gebruikte schroevendraaiers en het beschikken over de buit - elk op zichzelf beschouwd niet als een bijdrage van voldoende gewicht aan de tenlastegelegde feiten zouden kunnen worden aangemerkt, maakt dat niet anders.”

11. Het hof heeft vastgesteld dat er op 30 oktober 2009 omstreeks 10.30 uur in een woning aan de [a-straat] in [plaats] een gewelddadige woningoverval heeft plaatsgevonden waarbij de bewoonster is vastgebonden en bedreigd door ten minste drie personen en waarbij een contant bedrag van € 400.000,- is buitgemaakt. Een getuige heeft die dag omstreeks 10.20 uur een rode Peugeot met kenteken [kenteken 1] met vijf inzittenden in de buurt zien rondrijden en drie “negroïde mannen” met capuchon uit de auto zien stappen. Ook heeft een getuige twee mannen gezien die zodra zij hem zagen, weg “jogden”, en heeft een andere getuige twee rennende mannen gezien met een halfgevulde vuilniszak die vervolgens in de eergenoemde rode auto stapten en wegreden. Anders dan de rechtbank, heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de verdachte de bestuurder is geweest van de Peugeot ten tijde van de woningoverval. Wel heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de desbetreffende auto in bruikleen had, dat hij op de dag van de overval omstreeks 10.00 uur met de auto wegging en dat hij deze auto in het begin van die middag bij een garage in Alkmaar heeft achtergelaten omdat hij de auto wilde verkopen voor de sloop. Bij terugkomst heeft de verdachte aan zijn ex-schoonzus verteld dat hij de auto naar de garage had gebracht. Hij heeft haar daarbij € 1.000,- contant gegeven. Tot slot zijn op 3 december 2009 bij de ex-vriendin van de verdachte stortingsbewijzen en een toilettas aangetroffen met daarin € 63.500,- aan contant geld, bestaande uit 127 biljetten van € 500,-, waarvan het hof heeft vastgesteld dat het gaat om biljetten die bij de woningoverval zijn weggenomen. De ex-vriendin van de verdachte heeft daarnaast meermalen geldbedragen overgemaakt of laten overmaken naar de verdachte in de Dominicaanse Republiek.6 Uit deze laatste omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte heeft gedeeld in een groot deel van de buit.

12. Het hof heeft op grond van de bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte bij de uitvoering van het feit betrokken is geweest. In de bestreden uitspraak ligt besloten dat het hof ervan is uitgegaan dat sprake was van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan om een woningoverval te plegen en dat de verdachte één van de vijf personen is geweest die zich met dat gemeenschappelijk doel voor ogen in de auto bevonden waarmee die personen naar de desbetreffende woning zijn gereden. Het oordeel van het hof dat sprake was van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders, acht ik niet onbegrijpelijk. De enkele omstandigheid dat het hof de precieze gedragingen van de verdachte ten tijde van de woningoverval niet heeft kunnen vaststellen, doet daaraan niet af. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking.

13. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft gedeeld in de buit en beschikte over een groot deel daarvan. Die omstandigheid kon het hof meewegen bij de beoordeling of de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om te kwalificeren als medeplegen. Mijn voormalig ambtgenoot Knigge merkt in zijn conclusie voorafgaand aan HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7275, NJ 2010/194 m.nt Mevis op dat het feit dat de verdachte gelijkelijk in de buit deelt een aanwijzing kan opleveren dat zijn rol bij de totstandkoming van het strafbare feit gelijkwaardig is geweest aan die van de anderen.7 Door de verdeling van de buit waardeert de dadergroep als het ware zelf het aandeel van de individuele deelnemers.8 Het hof heeft voorts in aanmerking kunnen nemen dat door de verdachte geen contra-indicaties ten aanzien van het medeplegen zijn aangevoerd. Indien de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, mag de rechter dat in zijn overwegingen over het gebezigde bewijsmateriaal betrekken.9 De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende veronderstelling dat zulks slechts toepassing vindt indien de verdachte kort na het begaan van het feit wordt aangetroffen in omstandigheden die wijzen op betrokkenheid bij het strafbare feit, is onjuist.

14. In het licht van het voorafgaande, is de bewezenverklaring naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

15. Het middel faalt.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met weglatingen van nummers van de processen-verbaal, namen van de verbalisanten en verwijzingen.

2 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. Rozemond.

3 Vgl. onder meer HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412 en HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1020. Vgl. voor het geval waarin ten aanzien van de toedracht van de diefstal niet is vastgesteld dat deze door medeplegers is begaan, maar dat zich wel kenmerkt door de omstandigheid dat kort na de diefstal de verdachte met een ander of anderen wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden, terwijl er geen contra-indicaties ten aanzien van het medeplegen door de verdachte bestaan: HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:967, NJ 2019/264.

4 Zie hierover uitgebreider de rconclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187 (ECLI:NL:PHR:2019:1286). Vgl. ook zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2020:124, onder punt 15.

5 Zie in dit verband ook de noot van Rozemond onder HR 20 september 2016, NJ 2016/420 en W. Albers, T. Beekhuis en R. ter Haar, ‘Medeplegen: van wezenlijke bijdrage naar planverwezenlijking?’, DD 2020/23.

6 In bewijsmiddel 19 wordt gesproken over stortingsbewijzen tot bedragen van 51.602,59 Dominicaanse peso (naar huidige koers € 876,79 euro) en 49.890,44 Dominicaanse peso (naar huidige koers € 847,94).

7 Vgl. verder onder meer HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:494, NJ 2018/255 m.nt. Rozemond.

8 Zie ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2853 (PHR:2014:1680).

9 Vgl. onder meer HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:967, NJ 2019/264 onder verwijzing naar HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584.