Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:442

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-05-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
20/01147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verstekverlening in cassatie. ‘Corona-betekening’. Is een betekening op de voet van art. 47 lid 1 Rv (met achterlating van een afschrift van het exploot in een gesloten envelop aan de woonplaats van de geëxploteerde), zonder dat eerst is geprobeerd te betekenen op de voet van art. 46 lid 1 Rv (in persoon), in overeenstemming met de wettelijke regels over de betekening van exploten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-05-2020
FutD 2020-1438
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01147

Zitting 4 mei 2020

CONCLUSIE OP VERSTEK

R.H. de Bock

In de zaak

de vennootschap naar buitenlands recht Aegean Airlines S.A.,

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning

tegen

1. [verweerder 1],

2. [verweerster 2],

verweerders in cassatie

1 Procesverloop in cassatie

1.1

Met een op 24 maart 2020 bij de Hoge Raad ingediende procesinleiding heeft eiseres beroep in cassatie ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 24 december 2019.1

1.2

Bij deurwaardersexploot van 30 maart 2020 zijn het oproepingsbericht en de procesinleiding betekend aan het woonadres van verweerders in cassatie, [a-straat 1] te [woonplaats]. Opgeroepen is tegen uiterlijk 24 april 2020.

1.3

Het exploot is door de deurwaarder in een gesloten envelop achtergelaten op het hiervoor genoemde adres. In het exploot is hierover het volgende vermeld:

voormeld adres in gesloten envelop met daarop de vermeldingen als wettelijk voorgeschreven, omdat ik in verband met de door de overheid afgekondigde maatregelen in verband met het zgn. corona virus (covid-19) geen contact heb kunnen/mogen zoeken met iemand aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten;”

Deze tekst is met een stempel geplaatst. Het gaat dus om een standaardtekst, die kennelijk vaker wordt gebruikt.

1.4

Voor verweerders heeft zich op of voor 24 april 2020 geen advocaat gesteld. Eiseres tot cassatie heeft om verlening van verstek tegen verweerders verzocht. Tot op de dag van deze conclusie heeft zich voor verweerders geen advocaat gesteld.

2 Verstekbeoordeling

Corona-betekening

2.1

Het gaat in deze zaak om een zogenoemde ‘corona-betekening’. Daarmee wordt gedoeld op een betekening op de voet van art. 47 lid 1 Rv (met achterlating van een afschrift van het exploot in een gesloten envelop aan de woonplaats (het woonhuis) van degene voor wie het exploot is bestemd), zonder dat eerst getracht is te betekenen op de voet van art. 46 lid 1 Rv (in persoon). Kort gezegd: het exploot is door de brievenbus gedaan zonder dat eerst geprobeerd is het te overhandigen aan de persoon voor wie het bestemd is.

2.2

In deze conclusie bespreek ik de vraag of deze manier van betekenen in overeenstemming is met de wettelijke regels.

Betekeningsvoorschriften Rv

2.3

De artt. 45-66 Rv geven regels over de betekening van exploten. Uit art. 45 lid 1 Rv volgt dat deze regels gelden voor alle exploten, bijvoorbeeld dagvaardingsexploten, beslagexploten, een exploot tot betekening van een rechterlijke uitspraak of een exploot tot betekening van een dwangsom.

2.4

In de onderhavige zaak gaat het om de betekening van een exploot waarbij het oproepingsbericht aan verweerder wordt betekend (art. 418a jo. 112 lid 1 Rv-KEI).2

2.5

Het belangrijkste doel van de betekeningsvoorschriften is te waarborgen dat een exploot degene voor wie het bestemd is (de geëxploteerde), daadwerkelijk bereikt.3 Dat komt ook naar voren in een recent arrest van de Hoge Raad over betekening aan het briefadres.4 De reden dat geoordeeld is dat in het geval iemand beschikt over een briefadres, exploten moeten worden betekend aan het briefadres en voor openbare betekening geen plaats is, is immers – in de woorden van de Hoge Raad (rov. 3.9) – dat betekening aan het briefadres effectiever is. Daarmee wordt klaarblijkelijk bedoeld dat betekening aan het briefadres meer waarborgen biedt dat het exploot degene voor wie het is bestemd ook daadwerkelijk bereikt, dan bij een openbare betekening. Ook de uitzondering op deze regel, die geldt in het geval dat de deurwaarder moet aannemen dat het briefadres niet (meer) juist is en de stukken de betrokkene niet zullen bereiken bij betekening aan het briefadres (rov. 3.9), houdt rechtstreeks verband met het genoemde doel van de betekeningsvoorschriften; in dat geval zou betekening aan het briefadres immers niet effectief zijn.

2.6

Het bevorderen dat de geëxploteerde een afschrift van het exploot in handen krijgt, is echter niet het enige doel van de betekeningsvoorschriften.5 Een ander doel is dat bereikt wordt dat ook de eiser wiens wederpartij onvindbaar is of weigert het exploot in ontvangst te nemen, toegang tot de rechter houdt.6 Bovendien moeten de betekeningsvoorschriften praktisch hanteerbaar zijn.7 De betekeningsvoorschriften kunnen dan ook worden gezien als een compromis van deze verschillende doelen.8 De voorschriften bieden geen zekerheid dat het exploot degene voor wie het exploot bestemd is daadwerkelijk bereikt.9

2.7

De betekeningsvoorschriften zijn van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast.10

Art. 46 Rv en 47 Rv

2.8

Art. 46 lid 1 Rv bepaalt het volgende:

De deurwaarder laat een afschrift van het exploot aan degene voor wie het is bestemd in persoon of aan de woonplaats aan een huisgenoot van deze of aan een andere persoon die zich daar bevindt en van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift degene voor wie het exploot is bestemd, tijdig bereikt. (…)

2.9

Hiermee geeft art. 46 lid 1 Rv drie mogelijkheden waarop de deurwaarder exploot kan doen, namelijk (i) aan de geëxploteerde in persoon, (ii) aan een huisgenoot van de geëxploteerde of (iii) aan een ander persoon die zich bevindt op het huisadres van geëxploteerde. De eerste mogelijkheid wordt ‘betekening in persoon’ genoemd. De tweede en derde mogelijkheid worden aangeduid als ‘betekening aan de woonplaats’.11 Ook het achterlaten van een exploot in een gesloten envelop (art. 47 lid 1 Rv) wordt ‘betekening aan de woonplaats’ genoemd (zie hierover onder 2.10 en 2.11).12

2.10

Art. 47 Rv luidt als volgt:

1. Indien de deurwaarder aan geen van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde personen afschrift kan laten, laat hij een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, zowel in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploot.

2. Op de envelop waarin het afschrift ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden vermeld de naam en de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd. De envelop vermeldt tevens de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft.

2.11

Volgens art. 47 lid 1 Rv kan de deurwaarder dus in het geval hij het exploot niet kan betekenen op de voet van art. 46 lid 1 Rv, een afschrift van het exploot in een gesloten envelop achterlaten aan de woonplaats (dat is in beginsel het woonadres) van degene voor het exploot is bestemd.13

2.12

Art. 47 Rv is ingevoerd per 1 januari 2002.14 De bepaling is gelijkluidend aan art. 2 Rv (oud).15 Art. 2 Rv (oud) verving in 1985 het zogenoemde ‘burgermeestertje’, dat wil zeggen de voorgeschreven betekening aan ‘het hoofd van het plaatselijk bestuur of dienst vervanger’ in het geval betekening in persoon op de voet van art. 46 Rv niet mogelijk was. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de reden om die wijze van betekening af te schaffen en te vervangen door betekening door achterlaten van een afschrift van het exploot aan het woonadres, tweeledig was. In de eerste plaats zorgde ‘het burgermeestertje’ voor een aanzienlijke belasting van het gemeentelijk apparaat. In de tweede plaats bestond er onvoldoende waarborg dat het exploot degene voor wie het bestemd is, ook bereikt.16 Ook hieruit blijkt dat een belangrijk doel van de betekeningsvoorschriften is dat het exploot degene voor wie het bestemd is, ook daadwerkelijk bereikt.

2.13

Uit de bepalingen 46 en 47 Rv volgt dat er vijf manieren zijn om een exploot te laten aan een natuurlijk persoon:17

1. aan degene voor wie het exploot is bestemd in persoon;

2. aan de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd, aan een huisgenoot;

3. aan de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd, aan iemand anders van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift degene voor wie het exploot is bestemd, tijdig bereikt;

4. aan de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd, in een gesloten envelop;

5. door toezending per post aan de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd.

2.14

Van der Putten schrijft dat de deurwaarder bij de keuze van de wijze waarop hij het afschrift van het exploot laat, deze volgorde moet hanteren, en dat betekening in persoon altijd de voorkeur heeft.18 Dat de deurwaarder altijd eerst moet proberen om een exploot in persoon te betekenen, is ook te lezen bij Hugenholtz/Heemskerk (“Betekening vindt in beginsel plaats aan de gedaagde in persoon”).19 Snijders/Klaassen/Meijer gaan daar eveneens van uit (“Vooropstaat de betekening aan de verweerder in persoon”).20 Van Mierlo schrijft dat het “waar mogelijk de voorkeur [verdient] dat de deurwaarder een afschrift van het exploot laat aan de geëxploteerde in persoon” en dat dit “in het bijzonder (…) het geval [is] bij verstekvonissen”.21 Stein/Rueb schrijven niet expliciet dat betekening in persoon altijd de voorkeur heeft.22

2.15

Voor wat betreft de keuze tussen betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv dan wel art. 47 lid 1 Rv, volgt uit de wettekst dat betekening volgens art. 47 lid 1 Rv pas aan de orde komt als betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk is. De mogelijkheid om te betekenen door middel van het achterlaten van het exploot in een gesloten envelop, wordt immers gegeven indien aan geen van de in art. 46 lid 1 Rv bedoelde personen afschrift kan worden gelaten. Het is dus een mogelijkheid die geboden wordt voor het geval betekening in persoon niet mogelijk is.

2.16

De andere mogelijkheid van betekening die art. 47 lid 1 Rv biedt, het ter post bezorgen van een afschrift van het exploot, komt pas aan de orde indien achterlating van het exploot in een gesloten envelop niet mogelijk is. Dat blijkt uit de parlementaire geschiedenis (bij art. 49 Rv) (mijn onderstrepingen):23

Zie het huidige artikel 4, onder 2°, Rv. De redactie is iets gewijzigd. Het normale geval dat de betekening plaats vindt aan het kantoor van de rechtspersoon wordt nu vooropgesteld. Zie voor de slotzin de toelichting op artikel 48 (1.6.4).
De in dit artikel gekozen volgorde heeft geen normatief karakter. Het woord «of» duidt op een vrije keuze. Zie bijvoorbeeld ook de in artikel 53 (1.6.9) genoemde alternatieven, die eveneens worden aangeduid met het woord «of», geplaatst aan het slot van onderdeel b. Wanneer geen sprake is van een vrije keuze, wordt dat in de tekst van de desbetreffende bepaling duidelijk tot uitdrukking gebracht. Zie bijvoorbeeld artikel 47 (1.6.3).”

2.17

Hoewel in deze passage zal worden gedoeld op de verschillende betekeningswijzen die in art. 47 lid 1 Rv worden genoemd (achterlating in een gesloten envelop dan wel bezorging ter post), is daarin ook een extra argument te vinden dat de woordkeuze in de eerste volzin van art. 47 lid 1 Rv niet ‘toevallig’ is, maar dat daarmee inderdaad is bedoeld dat pas aan betekening op de voet van art. 47 lid 1 Rv wordt toegekomen, indien betekening volgens art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk is.

2.18

Uit de geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis zou ook kunnen worden afgeleid dat voor de in art. 46 lid 1 Rv opgesomde betekeningswijzen géén volgorde geldt. In art. 46 lid 1 Rv wordt immers het woord ‘of’ gebruikt. In de literatuur is dan ook wel te lezen dat de deurwaarder een vrije keuze heeft om in persoon te betekenen dan wel aan een huisgenoot of een ander persoon die zich daar bevindt.24 De meeste auteurs zijn echter toch van mening dat eerst moet worden getracht in persoon te betekenen en dat pas als dat niet mogelijk is, betekening kan geschieden aan een huisgenoot of aan een ander persoon die zich daar bevindt.25

2.19

In sommige gevallen heeft de deurwaarder wel een vrije keuze tussen verschillende mogelijkheden om exploot te laten. Dat is bijvoorbeeld het geval als degene voor wie het exploot bestemd is, weigert het exploot in ontvangst te nemen; in dat geval kan op de voet van art. 46 lid 3 Rv worden gekozen voor het laten van een afschrift van het exploot aan de woonplaats of voor verzending van een afschrift van het exploot per post. Als de deurwaarder kan kiezen tussen verschillende betekeningsmogelijkheden, zal moeten worden gekozen voor die wijze die de grootste kans biedt dat het exploot degene voor wie het bestemd is, bereikt.26

2.20

Als de wet dwingend voorschrijft dat een bepaalde wijze van betekening pas aan de orde is als een andere betekeningswijze niet mogelijk is, zal de deurwaarder in het exploot moeten vermelden waarom niet betekend kon worden op de eerst voorgeschreven manier. Dat volgt uit de derde volzin van art. 47 lid 1 Rv, waarin het volgende staat: De deurwaarder maakt, zowel in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploot. Het ‘ene geval’ is, zo begrijp ik, het geval dat de deurwaarder aan geen van de in art. 46 lid 1 Rv bedoelde personen afschrift kan laten, en het ‘andere geval’ is het geval dat het feitelijk onmogelijk is om een afschrift van het exploot ter post te bezorgen.

2.21

Vergelijk ook de parlementaire geschiedenis bij art. 47 Rv:27

Nieuw is de regeling van het geval waarin het voor de deurwaarder

onmogelijk is afschrift achter te laten. Te denken valt aan natuurrampen als

overstromingen, maar ook aan georganiseerde weerstand of bedreiging

met geweld. De postbode kan dan wel eens doordringen waar de deurwaarder niet wordt toegelaten. De deurwaarder moet in het exploit melding

maken van de wijze van betekening en in geval van verzending per post

tevens van de reden waarom het onmogelijk was, het afschrift ter plaatse

achter te laten.”

2.22

Met andere woorden, als de deurwaarder betekent op de voet van art. 47 lid 1 Rv zal in het exploot moeten worden vermeld waarom betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk is. Zie ook Knigge & Zilinsky:28

Indien de deurwaarder het afschrift op de in art. 47 Rv voorgeschreven wijze laat, dient hij een aantal voorschriften in acht te nemen die de rechter bij een mogelijke verstekverlening in staat stellen de naleving van het voorschrift te controleren. Deze voorschriften behelzen voorts een aansporing voor de geadresseerde van de inhoud kennis te nemen en de deurwaarder om nadere informatie te verzoeken. Ten eerste zal de deurwaarder in overeenstemming met het bepaalde in lid 1 in het exploot melding moeten maken van de reden van de feitelijke onmogelijkheid. Daarbij zal hij mijns inziens ook – hoewel dit

niet met zoveel woorden is bepaald – melding dienen te maken van de omstandigheid dat hij ter plaatse niemand aantrof die het afschrift kon of wilde aannemen. Ten tweede zal hij melding moeten maken van de omstandigheid dat hij het afschrift heeft gelaten in een gesloten envelop dan wel dat het afschrift terstond ter post is bezorgd. (…)

2.23

De ratio van deze regel is dat de rechter kan beoordelen of de betekeningsvoorschriften op juiste wijze in acht zijn genomen, zodat zoveel mogelijk gewaarborgd is dat het exploot betrokkene ook daadwerkelijk heeft bereikt.29 Zie hierover ook Teekens (in verband met de betekeningsmogelijkheden die art. 46 lid 1 Rv biedt):30

Bij de beoordeling, of de betekening als rechtsgeldig kan worden beschouwd, zal de rechter o.i. er goed aan doen, de hierboven vermelden, door Cleveringa gegeven leidraad voor ogen te houden. Steeds moet hij nagaan of aan de bedoeling van de wetgever, welke hierin bestaat, dat het betekende stuk in handen komt van degene, voor wie het bestemd is, voldoende recht is wedervaren.”

2.24

Uiteraard geldt ook dat de deurwaarder naar waarheid moet verklaren over de inspanningen die hij heeft gericht om in persoon te betekenen.31

2.25

De conclusie tot zover is dat uit het wettelijke systeem volgt dat het laten van exploot op de voet van art. 47 lid 1 Rv pas aan de orde komt als betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk is. De reden hiervoor is dat betekening in persoon of aan het woonadres meer waarborgen biedt dat het exploot daadwerkelijk degene bereikt voor wie het bestemd is.

Niet naleven betekeningsvoorschriften

2.26

De rechtsgevolgen van gebreken in de inhoud en betekening van exploten zijn geregeld in art. 65 e.v. Rv (voor exploten in het algemeen) en 120 e.v. Rv (voor het exploot van dagvaarding of het exploot van betekening van een oproepingsbericht). Het wettelijk systeem gaat ervan uit, zo is vermeld in de wetsgeschiedenis, dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de vraag of zich als gevolg van het gebrek een nietigheidsgrond voordoet (art. 65 Rv), en de vraag of nietigheid op die grond moet worden uitgesproken, respectievelijk of herstel nog mogelijk is (art. 66 Rv).32

2.27

Het niet naleven van de in art. 46 e.v. Rv neergelegde betekeningsvoorschriften bedreigt het exploot met nietigheid.33 Of inderdaad sprake is van nietigheid van het exploot, hangt op grond van art. 66 lid 1 Rv ervan af of aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek ‘onredelijk is benadeeld’. Bovendien geldt op grond van art. 66 lid 2 Rv dat een gebrek in een exploot dat nietigheid meebrengt, in beginsel kan worden hersteld.

2.28

Voor gebreken aan een exploot van dagvaarding bevatten de artikelen 120-122 Rv een bijzondere regeling.34 De artikelen 120-122 Rv-KEI bevatten een vrijwel gelijkluidende regeling voor gebreken aan een exploot van betekening van een oproepingsbericht (zoals in deze cassatieprocedure aan de orde is). Die regeling gaat vóór de regeling van art. 66 Rv.35 Uitgangspunt is dat de voorschriften van art. 111 e.v. Rv op straffe van nietigheid in acht moeten worden genomen (art. 120 lid 1 Rv voor dagvaardingsprocedures en art. 120 lid 1 Rv-KEI voor digitale vorderingsprocedures).36 Gebreken in een exploot van dagvaarding of in een exploot van betekening van een oproepingsbericht kunnen echter bij exploot worden hersteld. Zo’n herstelexploot moet in dagvaardingszaken worden uitgebracht voor de roldatum (art. 120 lid 2 Rv); in digitale vorderingsprocedures moet het herstelexploot worden uitgebracht voor de datum van verschijning van verweerder (art. 120 lid 2 Rv-KEI), worden hersteld. Maakt de eiser van die herstelmogelijkheid geen gebruik en verschijnt de gedaagde niet, dan verleent de rechter geen verstek (art. 121 lid 1 Rv in dagvaardingszaken en art. 121 lid 1 Rv-KEI in digitale vorderingsprocedures). De rechter beveelt de eiser het gebrek (alsnog) te herstellen door middel van een herstelexploot (art. 121 lid 2 Rv en art. 121 lid 2 Rv-KEI).

2.29

Alleen indien aannemelijk is dat het exploot van dagvaarding of het exploot van betekening van het oproepingsbericht de verweerder als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt, spreekt de rechter de nietigheid van het exploot uit (art. 121 lid 3 Rv en art. 121 lid 3 Rv-KEI). Een beroep op nietigheid van het exploot door een in het geding verschenen gedaagde, wordt verworpen indien het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad (art. 122 lid 1 Rv en art. 122 lid 1 Rv-KEI). Doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag of een exploot van betekening van een oproepingsbericht wegens een daaraan klevend gebrek nietig moet worden verklaard, is dus het verdedigingsbelang van de gedaagde.

2.30

Art. 66 lid 1 Rv en art. 122 lid 1 Rv berusten volgens de Hoge Raad op hetzelfde beginsel, namelijk:37

het beginsel dat indien een exploot lijdt aan een gebrek dat tot nietigheid daarvan leidt, dit rechtsgevolg slechts op zijn plaats is indien en voor zover dat gewenst is in verband met de bescherming van de belangen waarop de geschonden norm betrekking heeft (Memorie van Toelichting op art. 66 (1.6.20) Rv., Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 76). Daarvan is sprake ingeval degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd.”

2.31

De benadelingstoetsing, die doorslaggevend is bij het al dan niet aannemen van nietigheid van het exploot, moet dus plaatsvinden met inachtneming van de beschermingsstrekking van de geschonden norm.

2.32

Als op de voet van art. 47 lid 1 Rv exploot is gelaten in een gesloten envelop terwijl niet gebleken is dat voldaan is aan het vereiste dat geen afschrift kon worden gelaten aan één van de in art. 46 lid 1 Rv bedoelde personen, en verweerder verschijnt niet in het geding, dan lijdt het exploot in beginsel aan een gebrek dat nietigheid meebrengt en kan geen verstek worden verleend. De rechter moet dan gelegenheid bieden voor een herstelexploot op kosten van de eiser (art. 121 lid 2 Rv). In de regel zal er geen aanleiding zijn om aan te nemen dat in de situatie dat betekend is volgens art. 47 lid 1 Rv zonder dat eerst geprobeerd is te betekenen volgens de voorschriften van art. 46 lid 1 Rv, het exploot verweerder ten gevolge van dit gebrek niet heeft bereikt, zodat er in beginsel geen reden is om de nietigheid van het exploot uit te spreken (art. 121 lid 3 Rv voor dagvaardingsprocedures en art. 121 lid 3 Rv-KEI voor digitale vorderingsprocedures).38

2.33

Aan de orde is thans of de betekening zoals die in deze zaak heeft plaatsgevonden, door achterlating van het exploot in een gesloten envelop in de brievenbus, zonder dat geprobeerd is in persoon te betekenen, een gebrek aan het exploot van betekening van het oproepingsbericht oplevert, gegeven de huidige Corona-crisis. Als dat niet het geval is, moet worden beoordeeld of gelegenheid moet worden gegeven voor het uitbrengen van een herstelexploot.

RIVM-adviezen in verband met Covid-19 virus

2.34

De op de website van het RIVM geplaatste adviezen in verband met het Covid-19 virus houden onder meer het volgende in:39

Wat kan ik doen om verspreiding van het nieuwe coronavirus te voorkomen?

o Blijf zoveel mogelijk thuis.

o Ontvang zo min mogelijk bezoek (maximaal 3 bezoekers) en

o Houd dan 1,5 meter afstand tot elkaar.

o Ga alleen naar buiten als dat nodig is.

(…)

o Zorg voor goede hygiënemaatregelen:

o Was je handen 20 seconden lang met water en zeep, daarna handen goed drogen

(…)

o Schud geen handen

o Houd 1,5 meter afstand (2 armlengtes) van anderen

o Dit geldt voor iedereen, bijvoorbeeld op straat, in winkels, met collega’s, behalve thuis en binnen het gezin/huishouden.

Door 1,5 meter afstand te houden is de kans kleiner dat mensen elkaar besmetten.

En op de website van de Rijksoverheid:40

Wat betekent ‘afstand houden’?

Afstand houden betekent dat u minstens 1,5 meter uit elkaar staat. Zo kunt u uzelf en anderen beschermen tegen infectie met het coronavirus. Door hoesten en niezen komen kleine druppeltjes met het coronavirus in de lucht. De druppels komen zelden verder dan 1,5 meter. Als u dichterbij staat kunt u deze druppeltjes inademen en besmet raken. Als u deze afstand in acht neemt kunt u nog boodschappen doen, wandelen, fietsen en eten afhalen.”

2.35

Uit deze informatie leid ik af dat de reden om minstens 1,5 meter afstand te houden tot andere mensen erin gelegen is dat op die afstand hoest- en niesdruppeltjes van een besmet persoon zelden kunnen worden ingeademd.

Standpunten Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG)

2.36

In een document getiteld ‘KBvG adviezen aan de gerechtsdeurwaarders’ van 23 maart 2020 is onder meer het volgende te lezen:41

De Corona‐uitbraak heeft gevolgen voor ons allemaal. De overheid legt maatregelen op die diep ingrijpen in het dagelijks leven. Ook de gerechtsdeurwaarders moeten in deze uitzonderlijke situatie het belang van de volksgezondheid voorop stellen. Daarom heeft de KBvG de volgende maatregelen afgekondigd.

‐ (…)

‐ (…)

- Bij het betekenen van gerechtelijke stukken moet fysiek contact zoveel mogelijk worden voorkomen.

(…)

De gerechtsdeurwaarders hebben een werkwijze ontwikkeld voor het in persoon overhandigen van dagvaardingen en andere zogenaamde exploten. Ook bij deze handelingen is het lastig social distancing in acht te nemen. De gerechtsdeurwaarders nemen de RIVM‐richtlijnen in acht en zo nodig wordt het exploot in de brievenbus gelaten. De gebruikelijke toelichting wordt dan via alternatieve contactvormen als telefoon of mail verstrekt. De beroepsgroep vertrouwt erop dat rechters deze werkwijze t.z.t. coulant zullen benaderen.

(…)”

2.37

Kennelijk hebben deurwaarders ervoor gekozen om de door de KBvG geadviseerde werkwijze te volgen en worden op dit moment exploten op de voet van art. 47 lid 1 Rv door de brievenbus gedaan. Het is mij niet bekend of alle deurwaarders dit doen en ook niet of zij er steeds voor kiezen deze werkwijze te volgen, of in welke gevallen zij dat wel of niet doen. In ieder geval is wel te constateren dat er ook nog steeds exploten in persoon worden betekend.42

2.38

Ik merk nog op dat in het KBvG-advies staat dat het exploot zo nodig in de brievenbus wordt gelaten. Wanneer dit aan de orde is, is verder niet toegelicht.

2.39

Eveneens op 23 maart 2020 heeft de KBvG een brief gezonden aan de vaste Kamercommissies voor J&V en SZW waarin, voor zover van belang, het volgende staat:43

“De Corona‐uitbraak heeft gevolgen voor ons allemaal. De overheid legt maatregelen op die diep ingrijpen in het dagelijks leven. Ook de gerechtsdeurwaarders moeten in deze uitzonderlijke situatie het belang van de volksgezondheid voorop stellen. Daarom kondigt de beroepsorganisatie van gerechtsdeurwaarders, de KBvG, de volgende maatregelen af.

‐ (…)

‐ (…)

‐ Bij het betekenen van gerechtelijke stukken moet fysiek contact zoveel mogelijk worden voorkomen

(…)

De KBvG heeft een werkwijze ontwikkeld voor het in persoon overhandigen van dagvaardingen en andere zogenaamde exploten. Ook bij deze handelingen is het lastig social distancing in acht te nemen. De gerechtsdeurwaarders nemen de RIVM‐richtlijnen in acht en zo nodig wordt het exploot in de brievenbus gelaten. De gebruikelijke toelichting wordt dan via alternatieve contactvormen als telefoon of mail verstrekt. De beroepsgroep vertrouwt erop dat rechters deze werkwijze t.z.t. coulant zullen benaderen.

2.40

Verder is de KBvG de campagne “Bellen is oplossen” gestart. Op de website van de KBvG is het volgende te lezen over deze campagne:44

Over de campagne ‘bellen is oplossen’

Door het coronavirus raken veel mensen hun baan kwijt en komen ondernemers in de problemen door weggevallen inkomsten. Dat vergroot de kans groot dat zij in de financiële problemen terechtkomen.

Via de campagne ‘bellen is oplossen’ willen we mensen stimuleren om op tijd te bellen met de gerechtsdeurwaarder, wanneer zij van hem of haar een brief ontvangen over een onbetaalde rekening. Deurwaarders zijn er namelijk ook om te helpen bij het voorkomen van nieuwe schulden. Door de situatie samen te bespreken helpen ze het probleem op te lossen!”

2.41

Met deze campagne wordt dus getracht mensen te stimuleren om na ontvangst van een aanmaning tot betaling telefonisch contact op te nemen met de deurwaarder.

2.42

Ik heb telefonisch navraag gedaan bij de voorzitter van de KBvG over de achtergrond van de adviezen van de KBvG. Daaruit kwam het volgende naar voren. Een deurwaarder weet nooit wie hij achter de voordeur zal aantreffen. Daarom wordt het als een groot risico gezien om aan te bellen, de envelop op de grond te leggen en vervolgens zelf naar achteren te stappen (de werkwijze van bijvoorbeeld pakket- en maaltijdbezorgers). Er moet namelijk steeds rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat degene die de deur opent, vervolgens naar voren stapt en op die manier toch dichter bij de deurwaarder komt dan de door het RIVM geadviseerde 1,5 meter. Maar anders dan ik veronderstelde, gaat het niet om het specifieke gevaar van het spugen naar de deurwaarder door degene voor wie het exploot is bestemd; het gaat om het risico dat de ontvanger van het exploot naar de deurwaarder toe loopt. Daarbij wees de voorzitter van de KBvG erop dat, anders dan geldt voor een pakket- of maaltijdbezorger, de ontvanger in het algemeen niet blij is met de uitreiking van een exploot door een deurwaarder. Deurwaarders moeten rekening houden met onvoorspelbaar gedrag van de ontvanger en hebben regelmatig te maken met agressie. Als een deurwaarder besmet zou raken met het virus, zou dat bovendien aanzienlijke risico’s op verdere verspreiding met zich brengen; een deurwaarder belt dagelijks bij zo’n veertig tot vijftig personen aan.

2.43

Verder vertelde de voorzitter mij het volgende. De normale gang van zaken is dat de deurwaarder bij de uitreiking van een exploot betrokkene mondeling een toelichting geeft. Nu dat niet mogelijk is als niet wordt aangebeld, wordt zoveel mogelijk getracht om telefonisch contact te leggen met degene voor wie het exploot is bestemd. De informatie kan dan telefonisch worden doorgegeven. Nodig is dan wel dat de deurwaarder over een telefoonnummer beschikt. Ook wordt bij het afschrift van het exploot soms een begeleidend briefje gevoegd ten behoeve van degene voor het exploot is bestemd. Op dit punt is geen sprake van een uniforme werkwijze; de individuele deurwaarder bepaalt zelf wat hij doet om informatie te verschaffen aan degene voor wie het exploot is bestemd. Als wel zou worden aangebeld, zou het geven van een mondelinge toelichting op 1,5 meter afstand van de voordeur inbreuk kunnen maken op de privacy van degene voor wie het exploot is bestemd.

Feitenrechtspraak

2.44

De rechtbank Amsterdam heeft in een tweetal uitspraken geoordeeld dat de door de KBvG geadviseerde wijze van betekening op de voet van art. 47 lid 1 Rv niet zonder meer kan worden aanvaard. In een uitspraak van 7 april 2020 is het volgende overwogen:45

De dagvaarding vermeldt dat in verband met het coronavirus is betekend op de manier als omschreven in artikel 47 lid 1 Rv. In de dagvaarding is geen afdoende toelichting gegeven waarom in deze zaak de noodzaak daartoe aanwezig was en waarom dus niet is betekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 46 lid 1 Rv. Daarom is sprake van een gebrek in de betekening dat nietigheid meebrengt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door de regering uitgevaardigde maatregelen in verband met het coronavirus op zichzelf niet beletten dat een exploot in persoon of aan een huisgenoot wordt betekend (artikel 46 lid 1 Rv). Onder bijzondere omstandigheden kan daartoe wel een belemmering aanwezig zijn, maar deze feitelijke omstandigheden zullen op grond van artikel 47 lid 1, laatste volzin, in het exploot moeten worden vermeld.

Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen. Eisende partij dient gedaagde partij, onder meebetekening van dit vonnis en aanhechting aan het exploot van de eerder uitgebrachte dagvaarding, opnieuw op te roepen en wel voor de zitting van dinsdag 12 mei 2020 te 10:00 uur, onder aanzegging dat zal worden voortgeprocedeerd op de oorspronkelijke dagvaarding. Bij het uitbrengen van het herstelexploot dient eisende partij de wettelijke dagvaardingstermijn in acht te nemen.”

Een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2020 bevat gelijkluidende overwegingen.46

2.45

De uitspraken houden dus in dat de deurwaarder moet motiveren waarom in een concreet geval betekening in persoon niet mogelijk is, en wordt gekozen voor betekening op de voet van art. 47 lid 1 Rv. Deze feitelijke omstandigheden moeten in het exploot worden vermeld. Een standaardtekst ‘dat niet in persoon kan/mag worden betekend’, volstaat dus niet volgens de rechtbank. Verder is de rechtbank van oordeel dat het geconstateerde gebrek in de naleving van de betekeningsvoorschriften kan worden hersteld. Eiser wordt dan ook in de gelegenheid gesteld een herstelexploot te doen uitbrengen.

2.46

Volgens de voorzitter van de KBvG, met wie ik telefonisch contact heb gehad, hebben de andere tien rechtbanken wel geaccepteerd dat dagvaardingsexploten worden betekend op de voet van art. 47 Rv, zonder dat eerst is getracht in persoon te betekenen en zonder dat is toegelicht waarom betekening in persoon niet mogelijk is.

Kamervragen en wetsvoorstel

2.47

Op 24 maart 2020 is door leden van de vaste Kamercommissie J&V de minister voor Rechtsbescherming gevraagd te reageren op de brief van de KBvG van 23 maart 2020.47

2.48

In een brief van 17 april 2020 heeft minister Dekker het volgende geschreven (mijn onderstrepingen):48

(…)

Reactie op de brief van de KBvG

Naast het verzoek om te reageren op de berichtgeving over het opstellen van een testament via digitale en audiovisuele middelen heeft u mij verzocht te reageren op de brief van de Koninklijke Beroepsorganisatie Gerechtsdeurwaarders (KBvG) van 23 maart 2020. De coronacrisis raakt ook het ambtelijk werk van de gerechtsdeurwaarder.
(…)

Ten slotte wil ik nog ingaan op de werkwijze die de KBvG in haar brief beschrijft voor het betekenen van dagvaardingen en andere zogenaamde exploten. Om zo veel mogelijk bij de betekening van stukken conform de RIVM–richtlijnen social distancing in acht te nemen, zullen exploten als dat niet anders kan in de brievenbus worden gelaten. De beroepsgroep maakt met deze wijze van betekenen gebruik van de mogelijkheid die artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering biedt in gevallen waarin betekening door overhandiging in persoon (art 46 Rv) feitelijk onmogelijk is. De gebruikelijke aanvullende toelichting verstrekt de gerechtsdeurwaarder dan via alternatieve contactvormen als telefoon of mail. Daar waar de gerechtsdeurwaarder beschikt over de contactgegevens, doet de gerechtsdeurwaarder dit op eigen initiatief. Daarnaast – en ook daar waar de gegevens niet voorhanden zijn – doet de KBvG er nu alles aan om schuldenaren te stimuleren vooral contact op te nemen. Ik noemde hiervoor al de campagne «bellen is oplossen». 49 De KBvG laat weten dat hieraan op grote schaal gehoor wordt gegeven. Om misverstanden te voorkomen wordt benadrukt dat, waar mogelijk, nog steeds «in persoon» wordt betekend, zo verzekert de KBvG mij, bijvoorbeeld in geval van rechtspersonen en/of advocatenkantoren die nog een geopende balie hebben . Inmiddels heb ik kennisgenomen van de vorige week gepubliceerde uitspraken van kantonrechters te Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2020:2153) en (ECLI:NLRBAMS:2020:2229). Daarin stellen de kantonrechters de bijzondere omstandigheden waaronder een belemmering daartoe aanwezig kan zijn, voorop. De KBvG gaat er vanuit dat bij de betekening aan een huisadres van een natuurlijk persoon die bijzondere omstandigheden door de maatregelen van het RIVM zich steeds zullen voordoen. Het gaat daarbij vooral om de combinatie tussen het verplicht afstand houden en de instructie die de deurwaarder geacht wordt te geven bij het uitreiken van het exploot . Over de reikwijdte van het voorschrift dat de deurwaarder in het exploot de reden van de feitelijke onmogelijkheid vermeldt, zijn de KBvG en de rechtspraak nog met elkaar in gesprek. Bij de betekening van exploten, waaraan de wet rechtsgevolgen verbindt voor bijvoorbeeld het verlenen van verstek of het stuiten van verjaring, is het voor justitiabelen en voor de beroepsgroep van groot belang dat er zekerheid bestaat over de rechtsgeldigheid van een betekening. Ik acht het in het algemeen belang van de volksgezondheid – voorkomen van besmettingen –, de continuïteit van de wezenlijke toegang tot het recht gedurende de coronacrisis en de rechtszekerheid dat voor deurwaarders duidelijk is wat in het relaas van de betekening moet staan. Voor een aantal losse punten van verschillende departementen is op dit moment een tweede spoedwet in voorbereiding. Van de gelegenheid wordt gebruikt gemaakt om daarin ook dit punt mee te nemen, door te regelen dat van een «feitelijke onmogelijkheid» in de zin van artikel 47 Rv om in persoon te betekenen steeds sprake is zolang de RIVM-richtlijnen voorschrijven dat afstand moet worden gehouden. Dit betekent dat de deurwaarder niet steeds eerst hoeft aan te bellen om aan zijn verplichtingen te voldoen. De inschatting van de situatie of zonder gevaar voor besmetting en met inachtneming van de RIVM-richtlijnen in persoon kan worden betekend, wordt overgelaten aan de deurwaarder .

2.49

Uit deze brief blijkt dus dat gestreefd wordt naar wetgeving waarin wordt geregeld dat zolang de RIVM-richtlijnen voorschrijven dat afstand moet worden gehouden, de deurwaarder mag betekenen op de voet van art. 47 lid 1 Rv en een afschrift van het exploot in een gesloten envelop door de brievenbus kan doen. Anders dan in de wet staat, hoeft de deurwaarder niet eerst te proberen om op de voet van art. 46 lid 1 Rv in persoon te betekenen. Het wordt overgelaten aan de deurwaarder om in te schatten of (toch) in persoon kan worden betekend.

2.50

Verder blijkt uit de brief dat de KBvG heeft gezegd dat bij een kantoorbetekening op de voet van art. 63 Rv wel in persoon zal worden betekend (ik neem aan: indien mogelijk).

2.51

Uit informatie die op 24 april 2020 op de website van de Rijksoverheid is geplaatst, blijkt dat voor de bedoelde spoedwet inmiddels een conceptwetsvoorstel voor advies naar de Raad van State is gezonden:50

Deurwaarders mogen tijdelijk stukken afgeven via brievenbus

Nieuwsbericht | 24-04-2020 | 16:00

Gerechtsdeurwaarders mogen gedurende de coronacrisis hun stukken afgeven door deze in iemands brievenbus te doen, zonder dat het ten koste gaat van de rechtsgeldigheid van deze stukken. De Rijksministerraad heeft op voorstel van minister Dekker voor Rechtsbescherming ingestemd met deze maatregel die via een spoedwet wordt ingevoerd.

Deurwaarders hoeven niet steeds eerst aan te bellen om hun stukken – de zogenoemde exploten, bijvoorbeeld een dagvaarding of een vonnis – aan iemand persoonlijk in handen te geven, als zij oordelen dat dit door de RIVM-richtlijnen niet verantwoord en zonder besmettingsgevaar kan.

Gezien de rechtsgevolgen die de wet aan het ‘betekenen’ van de exploten verbindt, is het zowel voor personen voor wie het stuk bestemd is als voor deurwaarders van groot belang dat er zekerheid bestaat over de rechtsgeldigheid van deze manier van stukken overhandigen.

De Rijksministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State van het Koninkrijk te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State van het Koninkrijk worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.”

2.52

De precieze inhoud van het concept-wetsvoorstel is mij niet bekend.

Beschouwing

2.53

Zoals hiervoor uiteen is gezet, volgt uit de wettekst dat betekening volgens art. 47 lid 1 Rv pas aan de orde komt als betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk is.

2.54

Naar mijn mening kan niet worden gezegd dat op dit moment, als gevolg van het Covid-19 virus, per definitie geldt dat betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk is. Zoals gezegd is dat trouwens ook niet het advies van de KBvG. Dat luidt immers dat een exploot zo nodig in de brievenbus wordt gelaten (zie onder 2.36- 2.38).

2.55

Uit de RIVM-richtlijnen volgt weliswaar dat geadviseerd wordt 1,5 meter afstand te houden tot andere mensen, maar ook met inachtneming van dit advies zou het in beginsel mogelijk moeten zijn voor de deurwaarder om bij iemand aan te bellen, het exploot voor de deur op de grond te leggen, naar achteren te stappen (zekerheidshalve enkele meters), af te wachten of er wordt opengedaan en ten slotte af te wachten of degene voor wie het exploot is bestemd het exploot van de grond oppakt en in ontvangst neemt.

2.56

Dit is ook de werkwijze die op dit moment wordt gehanteerd door pakketbezorgers, maaltijdbezorgers, boodschappendiensten en ieder ander die genoodzaakt is bij een ander aan te bellen. Zie bijvoorbeeld wat er is vermeld op de website van Post NL over de huidige werkwijze:51

Corona en onze bezorging

Het coronavirus houdt ons allemaal bezig. De gezondheid en veiligheid van onze medewerkers, klanten en partners staan voorop. Daarom houden we de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. We hebben maatregelen getroffen waar dat nodig is en volgen daarbij de algemene richtlijnen en aanwijzingen van het RIVM en andere autoriteiten.

Bezorging

Het bezorgen van post, pakketten en andere zendingen is in deze moeilijke omstandigheden belangrijk voor het maatschappelijk verkeer. Zolang dat veilig en gezond kan, blijven we op verantwoorde wijze bezorgen. Volgens het RIVM is de kans klein dat je ziek wordt als je spullen of oppervlakken aanraakt of vastpakt, zoals post of pakketten. Ze geven aan dat de kans nog kleiner wordt als je regelmatig de handen wast en voorkomt dat je na het aanraken met de handen in het gezicht komt. Zie ook de informatie op de website van het RIVM.

Toename post en pakketten

Online bestellen is tijdens de coronacrisis een veilige en makkelijke manier om producten in huis te halen. De hoeveelheid pakketten en brievenbuspakjes die we verwerken is daarom enorm toegenomen. Dat geldt ook voor de hoeveelheid post. Hierdoor kan de bezorging wat later zijn dan je van ons gewend bent. Dat geldt ook voor internationale zendingen. We vragen hiervoor begrip.

Hoe wij werken

We volgen de RIVM-richtlijnen en nemen hygiënemaatregelen om verdere verspreiding van het virus te voorkomen. We zorgen ervoor dat onze medewerkers weten wat ze moeten doen om gezond te blijven en zo hygiënisch mogelijk te werken. We bezorgen al onze zendingen contactloos en houden 1,5 meter afstand. Bekijk de video om te zien hoe het contactloos bezorgen werkt. Bekijk ook het overzicht van onze maatregelen om veilig te werken tijdens de coronacrisis.

We bezorgen al onze zendingen contactloos en houden 1,5 meter afstand. Bekijk de video om te zien hoe het contactloos bezorgen werkt.

(…)

Op de in het citaat genoemde video is te zien hoe een postbezorger aanbelt, een pakket op de stoep legt en vervolgens op enige afstand van de voordeur gaat staan in afwachting van het openen van de deur.

2.57

Naar mijn mening kan in beginsel ook van de deurwaarder worden gevergd dat een dergelijke handelwijze wordt gevolgd. Dat sluit aan bij wat er in andere beroepsgroepen wordt gedaan en levert naar de huidige inzichten geen reëel risico op besmetting op. Hierbij merk ik op dat een risico op besmetting niet reeds ontstaat op het moment dat degene die de deur opent naar de deurwaarder toeloopt, maar (pas) wanneer deze persoon óók gaat hoesten, niesen of spugen in het gezicht van de deurwaarder.

2.58

Ik realiseer mij dat deurwaarders meer risico lopen op een agressieve bejegening dan andere personen die zich aan de voordeur melden, zoals postbezorgers. In dit opzicht bevinden deurwaarders zich in een positie die enigszins vergelijkbaar is met die waarin politieagenten of boa’s zich bevinden, of, zij het op een wat andere manier, met die waarin personeel in zorginstellingen (psychiatrie, psychogeriatrie) of een penitentiaire inrichting of een azc verkeert. Dat zal wellicht een reden zijn voor deurwaarders om veiligheidshalve steeds méér dan de 1,5 meter afstand aan te houden. Ook zou de deurwaarder een mondkapje kunnen opdoen. Als ik de adviezen van het RIVM goed begrijp, is dat een zinvolle manier voor mensen om zich te beschermen, zij het dat er op deskundige wijze mee moet worden omgegaan en dat mondkapjes vanwege een schaarste probleem niet aan iedereen ter beschikking kunnen worden gesteld.52

2.59

In de brief van de Minister genoemd onder 2.43 wordt overigens niet gerefereerd aan mogelijk agressief gedrag van personen aan wie de deurwaarder een exploot moet uitbrengen.

2.60

Dit leidt mij tot de conclusie dat niet kan worden gezegd dat er onder de huidige omstandigheden bij de betekening aan een huisadres van een natuurlijk persoon vanuit moet worden gegaan dat steeds voldaan is aan de voorwaarde van art. 47 lid 1 Rv, omdat betekening van het exploot in persoon niet mogelijk is. Met inachtneming van risicobeperkende maatregelen als hiervoor vermeld, kan naar mijn mening ook onder de huidige omstandigheden in beginsel van de deurwaarder worden gevergd dat hij eerst probeert om een exploot in persoon te betekenen. Er is onvoldoende reden om aan te nemen dat in de huidige omstandigheden steeds sprake is van een feitelijke onmogelijkheid om op de voet van art. 46 lid 1 Rv in persoon te betekenen (zolang de RIVM-richtlijnen voorschrijven dat afstand moet worden gehouden).

2.61

Hierbij is nogmaals op te merken dat het geen twijfel lijdt dat een betekening in persoon méér waarborgen biedt dat het exploot degene voor wie het bestemd is daadwerkelijk bereikt, dan wanneer het exploot in een gesloten envelop door de brievenbus wordt gedaan. Dit geldt nog meer voor woningen waarin achter één voordeur meerdere personen wonen.

2.62

Voor de volledigheid merk ik op dat zich ook niet voordoet dat de deurwaarder een exploot niet in persoon mag betekenen. Dat dat zich naar het standpunt van de deurwaarder wellicht voordoet, is af te leiden uit de standaardtekst die op exploten is afgedrukt (mijn onderstreping): “… omdat ik in verband met de door de overheid afgekondigde maatregelen in verband met het zgn. corona virus (covid-19) geen contact heb kunnen/mogen zoeken met iemand aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten).

2.63

Dit alles laat onverlet dat in een concrete situatie wél aan de orde kan zijn dat het niet verantwoord is voor de deurwaarder om in persoon te betekenen, omdat dat – gelet op het Covid-19 virus – meer of andere risico’s met zich meebrengt dan hiervoor omschreven. In dat geval zal de deurwaarder in het exploot moeten vermelden dat en waarom dat het geval is (zie hiervoor onder 2.20-2.24). Dit is ook de benadering van de rechtbank Amsterdam in de hiervoor besproken uitspraken.

2.64

Ik merk nog op dat het geven van mondelinge informatie aan degene voor wie het exploot is bestemd bij het aanbieden van het exploot, niet de ratio is van de in Rv opgenomen betekeningsvoorschriften. Die ratio is, zoals gezegd, dat zoveel mogelijk wordt bereikt dat het exploot daadwerkelijk degene bereikt voor wie het exploot is bestemd. Dit betekent dat de omstandigheid dat het (in verband met de privacy van betrokkene) in de huidige omstandigheden niet mogelijk zou zijn voor de deurwaarder om op een veilige afstand van de deur mondeling informatie te verschaffen, naar mijn mening verder niet relevant is.

2.65

De informatieplicht van de deurwaarder berust op art. 7 van de Verordening ‘Normen voor Kwaliteit’ van de KBvG.53 De deurwaarder kan ook aan die informatieplicht voldoen door op andere wijze informatie te verstrekken, zoals kennelijk in de huidige omstandigheden ook door de KBvG wordt voorgestaan (zie onder 2.38).

2.66

De slotsom is dat in het onderhavige geval niet op juiste wijze toepassing is gegeven aan de betekeningsvoorschriften van Rv, omdat betekend is op de voet van art. 47 lid 1 Rv zonder dat vaststaat dat de deurwaarder aan geen van de in art. 46 lid 1 Rv genoemde personen afschrift kon laten van het exploot. Dit betekent dat geen verstek kan worden verleend tegen verweerders (art. 121 lid 1 Rv-KEI).

2.67

Het geconstateerde gebrek is vatbaar voor herstel, nu niet aannemelijk is dat het exploot van betekening van het oproepingsbericht verweerders als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt. Derhalve dient op de voet van art. 121 lid 2 Rv-KEI gelegenheid te worden geboden voor herstel van het gebrek.

2.68

Daarbij dient ook nog aandacht te worden besteed aan enkele andere punten.

2.69

In de eerste plaats zal het herstelexploot de juiste achternaam van verweerster sub 2 moeten vermelden. In het uitgebrachte exploot is dat een andere naam dan vermeld is in de procesinleiding en het bestreden vonnis. Onduidelijk is welke achternaam de juiste is.54

2.70

In de tweede plaats zal het herstelexploot een doorlopende en aansluitende tekst moeten bevatten. Het exploot zoals dat op 9 april 2020 door de cassatieadvocaat via het digitale portaal en per post ter griffie van de Hoge Raad is ingediend, telt – zowel in de digitale als de originele, per post ingediende versie – twee pagina’s. De tekst op de eerste pagina wordt afgebroken na “BETEKEND (…) het oproepingsbericht van 25 maart 2020 van de griffier van de Hoge Raad (…),alsmede de daarbij behorende procesinleiding van 24 maart 2020, (…), waarin beroep in cassatie is ingesteld tegen het door de Rechtbank Noord-. Daarna volgt een tweede pagina die begint met “Totaal € 105,03”, waarna een verklaring over ‘de bijkomende kosten (verschotten) en de btw’ en de handtekening van de deurwaarder volgen. De tekst op de eerste en de tweede pagina sluiten dus niet op elkaar aan.

2.71

Na constatering van deze onvolkomenheid, is door de griffie van de Hoge Raad op 30 april 2020 telefonisch contact opgenomen met de cassatieadvocaat. De door de cassatieadvocaat vervolgens ingediende scan van het exploot, die ook twee pagina’s telt, heeft wel een doorlopende tekst, maar de tekst op de tweede pagina van dit exploot komt niet overeen met de tekst op de tweede pagina van het exploot dat op 9 april 2020 is binnengekomen.

2.72

Als er toch een herstelexploot moet worden uitgebracht, kan ook deze discrepantie worden hersteld door het uitbrengen van een op dit punt volledig herstelexploot.

2.73

Ten slotte merk ik nog het volgende op. Als de Hoge Raad mijn advies zou volgen, ligt het in de rede dat in het belang van de rechtszekerheid een regel van overgangsrecht wordt getroffen. Die regel zou kunnen inhouden dat de beslissing van de Hoge Raad geen gevolgen heeft voor de geldigheid van exploten die voor de uitspraak reeds zijn betekend.55 Hierbij is aan te tekenen dat de voorschriften voor exploten, neergelegd in de artikelen 45-66 Rv, gelden voor alle exploten (zie onder 2.3).

3 Conclusie

De conclusie strekt tot het bieden van de mogelijkheid van het uitbrengen van een herstelexploot.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, sector kanton, locatie Assen, 24 december 2019 (zaak-/rolnummer 6492191 \ CV EXPL 17-8013).

2 Zie nader Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/221.

3 Zie onder meer A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Zwolle 1998, p. 147; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2020), aant. 1; T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 111 Rv (2019), aant. 2,

4 HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1052.

5 Dit is af te leiden uit HR 12 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC2296, NJ 1979/290, m.nt. W.H. Heemskerk (Bosschart/De Jong c.s.).

6 J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 240; J. Nijenhuis e.a., Openbare exploten en ambtelijke publicaties (preadvies KBvG), 2011, p. 13 en 22.

7 De betekeningsvoorschriften moeten voldoen ‘aan de behoeften van de praktijk’, zie onder meer Kamerstukken II, 1982-1983, 18 052, nr. 3 (MvT), p. 1.

8 Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk procesrecht 2018/5.4.1.

9 Aldus (toegespitst op exploten van dagvaarding) HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1929 (Big Apple/Ontvanger), rov. 3.4.2.

10 Zie HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1929 (Big Apple/Ontvanger), rov. 3.4.7.

11 J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 239-291, p. 256.

12 Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk procesrecht 2018/5.4.1.

13 Het woonplaatsbegrip van art. 47 Rv heeft betrekking op hetzij de woonplaats ex art. 1:10 BW hetzij de gekozen woonplaats (art. 1:15 BW). Zie A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 47 Rv (2020), aant. 1 jo. art. 46 Rv (2020), aant. 2b alsmede A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 47 Rv (2020), aant. 2 jo. art. 46 Rv (2020), aant. 4 en 6. Zie over het woonplaatsbegrip in art. 46 en 47 Rv uitvoerig mijn conclusie voor HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1052, onder 4.1-4.13.

14 Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580, tot herziening van het procesrecht in burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (wetsvoorstel 26 855), in werking getreden op 1 januari 2002.

15 Art. 2 Rv (oud) is ingevoegd bij Wet van 3 juli 1985, Stb. 1985, 384, tot wijziging van de bepalingen die betrekking hebben op de betekening van exploten in burgerlijke zaken (wetsvoorstel 18 052), in werking getreden op 1 oktober 1985.

16 Kamerstukken II, 1982-1983, 18 052, nr. 3 (MvT), p. 8. De eveneens in 1985 ingevoerde mogelijkheid om een exploot te betekenen aan het kantooradres van de advocaat bij wie degene voor het exploot is bestemd laatstelijk woonplaats heeft gekozen (art. 63 Rv), had ook tot doel om een grotere waarborg te scheppen dat de dagvaarding ook werkelijk tijdig degene bereikt, voor wie zij is bestemd. Zie Kamerstukken II, 1982/83, 18 052, nr. 3 (MvT), p. 12 en HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9611, NJ 2003/568.

17 J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 239-291, p. 252.

18 J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 239-291, p. 252. Vgl. ook reeds onder het oude recht Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 2, aant. 3; M. Teekens, De deurwaarder, Leiden 1964, p. 98 met historische verwijzingen.

19 W. Heemskerk en K. Teuben, Hugenholtz/Heemskerk. Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht 2018/53.

20 Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/136.

21 A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2020), aant. 2d.

22 Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk procesrecht 2018/5.4.

23 Van Mierlo & Bart (red.), Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht 2002, p 202.

24 A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2020), aant. 3.

25 A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2020), aant. 3. Zie verder de verwijzingen in de noten 18 tot en met 21.

26 J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 239-291, p. 254.

27 Kamerstukken II, 1982-1983, 18 052, nr. 3 (MvT), p. 9.

28 A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 47 Rv (2020), aant. 5. Zie ook A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 61 Rv (2013), aant. 3. Voorts J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 239-291, p. 259.

29 Vgl. ook de toelichting bij art. 46 Rv, Van Mierlo & Bart (red.), Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht 2002, p. 200.

30 M. Teekens, De deurwaarder, Leiden 1964, p. 105.

31 Zie in dit verband een tuchtuitspraak van de Kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam van 24 januari 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:7. In het geval dat daar aan de orde was, had de deurwaarder in het exploot van betekening verklaard dat hij niemand had aangetroffen. Uit beelden van een op de voordeur gerichte bewakingscamera bleek echter dat de deurwaarder een brief in de brievenbus stopt en weer wegloopt.

32 Van Mierlo & Bart (red.), Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht 2002, p 216.

33 Zie bijv. A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 66 Rv (2020), aant. 1; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2020), aant. 7; en A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2020), aant. 2g (m.b.t. het betekeningsvoorschrift van art. 46 Rv). Zie voorts bijv. HR 23 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3980, NJ 2001/693 (Van Goozen/Verhoef c.s.), rov. 2.3 (m.b.t. het betekeningsvoorschrift van art. 63 Rv).

34 Zie voor een toepassing bijvoorbeeld HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8362, NJ 2003/469 (Solleveld/G.M.L. c.s.), rov. 2.2-2.3; en HR 28 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5283, NJ 2009/514, m.nt. H.J. Snijders (Bogers/Prop), rov. 2. Zie voorts bijv. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 120 Rv (2019), aant. 6.

35 A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 66 Rv (2020), aant. 1.

36 Art. 120 lid 4 Rv maakt een uitzondering voor de substantiërings- en bewijsaandraagplicht van art. 111 lid 3 Rv.

37 HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2593, NJ 2007/118 (X./Ontvanger), rov. 3.5.3.

38 A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 47 Rv (2020), aant. 3.

39 https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/vragen-antwoorden.

40 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19/zorg/gezondheid.

41 Het document is te vinden op de website van de KBvG, https://www.kbvg.nl/8155/coronavirus.html.

42 Dat leid ik af uit de exploten van betekening van een oproepingsbericht, zoals die zijn ingediend bij de Hoge Raad.

43 Het document is te vinden op de website van de KBvG, https://www.kbvg.nl/8155/coronavirus.html.

44 Zie https://www.kbvg.nl/8155/coronavirus.html.

45 Rb. Amsterdam 7 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2153.

46 Rb. Amsterdam 8 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2229.

47 Zie https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2020Z05560&did=2020D11572 (documentnr. 2020D11572). Zie ook https://www.kbvg.nl/8155/coronavirus.html.

48 Brief minister Dekker van 17 april 2020, Kamerstukken II 2019-2020, 29 279, nr. 587.

49 In de tekst wordt verwezen naar www.bellenisoplossen.nl.

50 https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/04/24/deurwaarders-mogen-tijdelijk-stukken-afgeven-via-brievenbus.

51 https://www.postnl.nl/klantenservice/coronavirus/informatie.

52 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19/zorg/beschermingsmiddelen.

53 Verordening KBvG Normen voor Kwaliteit van 31 maart 2010, Stcrt. 2010 nr. 4928.

54 Deze onduidelijkheid wordt versterkt door een door de cassatieadvocaat overgelegd exploot van betekening van (Griekse vertalingen van) de grosse van een verstekvonnis van de rechtbank Noord-Nederland (locatie Assen) van 27 september 2016, gewezen tussen verweerders in cassatie als eisers en eiseres tot cassatie als verweerster, en “een afschrift van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 1 december 2016, [waarbij] de waarneming van voormeld vonnis als Europese executoriale titel is toegewezen en waaraan is gehecht het formulier “bijlage 1” als bedoeld in art 53 van de Verordening EU 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad d.d. 1 december 2016 afgegeven door de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen”. Zowel het exploot, het verstekvonnis als het genoemde formulier vermelden ‘[verweerster 2]’ als achternaam van verweerster sub 2.

55 Vgl. HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1052, rov. 3.10.