Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:418

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
19/03476
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1052
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geen afschrift appeldagvaarding verzonden naar raadsvrouw, art. 48 Sv. HR: middel slaagt. Redenen daarvoor staan vermeld in de CAG. CAG: Bij de stukken bevindt zich een stelbrief van een advocaat, terwijl niet blijkt dat een afschrift van de dagvaarding aan haar is gezonden. Ttz. In h.b. is noch verdachte noch diens raadsvrouw verschenen. Uit het voorgaande vloeit het ernstige vermoeden voort dat t.a.v. de dagvaarding in h.b. voorschrift vervat in art. 48 Sv niet is nageleefd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03476

Zitting 21 april 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij verstek gewezen arrest van 13 juni 2019 wegens “overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A 1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig“ veroordeeld tot het betalen van € 480,- subsidiair 9 dagen hechtenis. Voorts is hem de rijbevoegdheid ontzegd voor twee maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. L.C. de Lange, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat art. 48 Sv in hoger beroep niet is nageleefd aangezien is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte te zenden.

4. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een faxbericht van 2 juli 2018 van mr. C.E. Hok-A-Hin, gericht aan de strafgriffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, waarin zij bericht op te treden als raadsman voor de verdachte in de zaak met het parketnummer 96-223561-17. Bij de stukken bevindt zich tevens een verzendoverzicht van die datum, waaruit kan worden afgeleid dat de stelbrief succesvol is verzonden. Het faxnummer waaraan het faxbericht is gericht, komt overeen met het faxbericht van de strafgriffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, zoals dat staat vermeld op de website rechtspraak.nl.

5. Voorts bevindt zich bij de stukken van het geding de dagvaarding in hoger beroep voor de terechtzitting van 13 juni 2019. Noch uit mededelingen daarop gesteld, noch uit enig ander aan de Hoge Raad toegezonden stuk kan blijken dat een afschrift van de dagvaarding aan mr. Hok-A-Hin is gezonden. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2019 blijkt dat aldaar noch de verdachte noch zijn raadsvrouw is verschenen.

6. Uit het voorafgaande vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 48 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.1

7. Het middel slaagt.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. onder meer HR 5 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:172.