Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:409

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-03-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/04038
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:754
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Omzetting na de bestreden beschikking van de rechtbank naar aanleiding van het verzoek tot opheffing beslag ex art. 94 Sv in conservatoir beslag ex art. 94a Sv. Hierdoor is het gelegde beslag ex art. 94 Sv komen te vervallen, op grond waarvan de AG zich op het standpunt stelt dat klager niet ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. Mocht de Hoge Raad daar anders over oordelen dan slaagt het cassatieberoep omdat de rechtbank ten onrechte het beslag heeft laten voortduren om de uitkomst van een schikking tussen het OM en klager af te wachten. Dit is geen strafvorderlijke belang waarvoor art. 94 Sv de handhaving van de inbeslagneming toelaat. De AG adviseert de Hoge Raad subsidiair, mocht de Hoge Raad klager ontvankelijk verklaren in het cassatieberoep, het beroep te laten slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04038 B

Zitting 10 maart 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de klager.

1 Inleiding

1.1.

De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 28 augustus 2018 het klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave van een onder klager inbeslaggenomen personenauto, ongegrond verklaard.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaak 18/04039. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

1.4.

Beide middelen richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

1.5.

Blijkens de stukken die op de voet van art. 447 lid 2 Sv aan de griffier van de Hoge Raad zijn gezonden, gaat het in de onderhavige zaak om het volgende.

(i) Op 13 maart 2018 is de personenauto van klager (van het merk Hyundai, type IX35, kenteken [kenteken]) in het kader van een politieonderzoek inbeslaggenomen op de voet van art. 94 Sv.

(ii) Op 15 mei 2018 is namens de klager een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag op de personenauto en tot teruggave.1

(iii) Het klaagschrift is op 28 augustus 2018 behandeld in raadkamer. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard.

1.6.

Naar aanleiding van bij het arrondissementsparket Amsterdam ambtshalve ingewonnen inlichtingen is door de desbetreffende beslagmedewerker op 19 februari 2019 medegedeeld dat er op de personenauto conservatoir beslag ex art. 94a Sv en douanebeslag rust.2 Een uitdraai uit het beslagportaal d.d. 23 december 2019 bevestigt dat op de auto conservatoir beslag rust.

Op 28 januari 2019 heeft de raadsman van klager een afschrift van een op die datum ingediend klaagschrift ex art. 552a Sv, aan de Hoge Raad toegezonden, waarin de rechtbank Amsterdam verzocht wordt om opheffing van het conservatoir beslag, dat volgens het klaagschrift op 10 september 2018 door de officier van justitie is gelegd op de auto van klager van het merk Hyundai, type IX35, kenteken [kenteken].

Over de datum van de omzetting van het strafvorderlijk beslag ex art. 94 Sv in conservatoir beslag ex art. 94a Sv bevatten de aan de Hoge Raad toegezonden stukken verder geen nadere informatie, dan hetgeen gesteld is in het klaagschrift van 28 januari 2019. De uitdraai uit het beslagportaal vermeldt dat het op 29 januari 2019 ingediende klaagschrift, ik neem aan dat het gaat om het klaagschrift tegen het conservatoire beslag ex art. 94a Sv op de auto, op 4 juni 2019 ongegrond is verklaard. Tegen deze beslissing lijkt geen cassatieberoep te zijn ingesteld.

Tot slot blijkt uit in december 2019 ambtshalve ingewonnen informatie dat bij de rechtbank Amsterdam in het systeem geen behandeling van de strafzaak kan worden gevonden en ook niet bekend is of er wel een zitting gepland is of gaat worden.

2 Ontvankelijkheid van het beroep

2.1.

Uit het een en ander kan mijns inziens worden afgeleid dat het op de voet van art. 94 Sv gelegde beslag, na de bestreden beschikking van de rechtbank, op 10 september 2018 door de omzetting ervan in conservatoir beslag ex art. 94a Sv is komen te vervallen. Dat betekent dat de klager geen belang heeft bij het cassatieberoep, zodat hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.2.

Voor het geval de Hoge Raad daarover anders mocht oordelen, bespreek ik kort de middelen.

3 De middelen

3.1.

Het eerste middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag, aangezien de omstandigheid dat het klassieke beslag mogelijk zou worden omgezet in een conservatoir beslag onvoldoende is om aan te nemen dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het tweede middel klaagt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te overwegen dat het niet onredelijk is het beslag te laten voortduren zolang er geen duidelijkheid is over de schikking. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.2.

De officier van justitie heeft blijkens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer het volgende aangevoerd:

“De zaaksofficier heeft mij verzocht dit rekest te behandelen. Zij heeft mij verteld dat ze met klager bezig is met een transactie. De raadsman heeft tot op heden alle voorstellen afgewezen en verklaart nu ter zitting dat de officier van justitie niet reageert. Voorafgaand aan de zitting heeft de officier mij dit al voorspeld. Zij had verwacht er met klager uit te kunnen komen. Helaas blijkt dat de verdachte niet tot overleg bereid is. Er ligt nu klassiek beslag, maar de zaaksofficier is voornemens om conservatoir beslag te leggen, dat mag ook gezien het fraudedossier. Daarom vorder ik ook het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, dat ziet op de strafvorderlijke belangen, ongegrond te verklaren. Er is nog sprake van strafrechtelijke belangen die het beslag rechtvaardigen.”

3.3.

De beschikking van de rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

“Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van het in beslag genomen voorwerp, te weten: een zwarte personenauto van het merk Hyundai Ix35 met kenteken [kenteken].

De raadsman van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd. Er is geen conservatoir beslag gelegd en het is redelijkerwijs niet aan te nemen dat dat nog zal volgen aangezien klager en de officier van justitie in onderhandeling zijn over een eventuele schikking. De auto is niet meer nodig om de waarheid aan het licht te brengen. Ook is de auto niet aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel waardoor er geen strafvorderlijk belang bestaat om het beslag te laten voortduren.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft - onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie - verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie voornemens is conservatoir beslag te laten leggen op de auto ten behoeve van een op te leggen geldboete in de strafzaak en/of een op te leggen betalingsverplichting in de ontnemingszaak.

De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 14 maart 2018 is op de voet van artikel 94 Sv voornoemd voorwerp in beslag genomen.

(…)

In het onderhavig geval is het Openbaar Ministerie in onderhandeling met klager over een eventuele schikking. Mocht men er niet uit komen, dan kan het klassieke beslag omgezet worden in conservatoir beslag. Het is dan ook niet onredelijk het beslag te laten voortduren zolang er geen duidelijkheid is over de schikking.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard.”

3.4.

De rechtbank heeft vastgesteld dat op de personenauto waarvan de klager de teruggave verzoekt, op grond van art. 94 Sv beslag is gelegd en dat hierop (nog) geen beslag op de voet van art. 94a Sv ligt. Verder blijkt uit de stukken van het geding dat het beslag op de personenauto is gelegd onder de klager.

3.5.

Dit betekent dat de rechtbank (a) moest beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag nodig maakt en, zo nee, (b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp moest gelasten aan de klager, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Verder verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4, Sr in verbinding met art. 552f Sv.3

3.6.

De rechtbank heeft in deze zaak geoordeeld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de auto. Daarmee heeft de rechtbank op zichzelf de juiste maatstaf toegepast, zodat het tweede middel faalt.

3.7.

Ik meen echter dat de overweging dat het niet onredelijk is het beslag te laten voortduren zolang er geen duidelijkheid is over de schikking, niet een belang van strafvordering betreft dat zich tegen teruggave van de auto verzet. Ook een door de rechter-commissaris (op vordering van de officier van justitie) nog te geven beslissing als bedoeld in art. 103 Sv is immers geen strafvorderlijk belang waarvoor art. 94 Sv de (handhaving van de) inbeslagneming toelaat.4 Gelet hierop is het eerste middel terecht voorgesteld.

4 Conclusie

4.1.

Primair stel ik mij op het standpunt dat de klager niet ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. lndien de Hoge Raad daarover anders oordeelt, slaagt het eerste middel en faalt het tweede middel.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven als de Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep ontvankelijk is.

4.3.

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van klager in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De beschikking van de rechtbank noemt 14 mei 2018 als datum waarop het klaagschrift ter griffie is ontvangen, maar de akte inlevering klaagschrift inbeslaggenomen goederen vermeldt de datum 15 mei 2018 (waarschijnlijk omdat het klaagschrift op 14 mei 2018 na de datum van sluiting van de griffie is ingediend).

2 De samenhangende zaak 18/04039 heeft betrekking op het douanebeslag.

3 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. Mevis.

4 Vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1692, en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3711.